Korps Marechaussee Ė Nederlands-IndiŽ

Korps Marechaussee - Nederlands-IndiŽ

Tijdens de Derde Atjeh-oorlog, die duurde van 1884 tot 1896, werd een militaire eenheid in het leven geroepen, het Korps Marechaussee te voet, kortweg Korps Marechaussee, die de door deze oorlog ontstane situatie mede tot een goed einde moest brengen voor het koloniale Nederland. Dit Korps Marechaussee had overigens totaal niets te maken met het Nederlandse Korps Marechaussee dat later bekend zou worden onder de namen Wapen der Koninklijke Marechaussee en Koninklijke Marechaussee. Beide Marechaussees hadden een totaal andere ontstaansgeschiedenis en een totaal andere rol.

De Derde Atjeh-oorlog ontstond mede door de beslissingen van de toenmalige Minister van Oorlog Weitzel. Hij had de militaire aanwezigheid van Nederland danig ingekrompen wegens bezuinigingen. Hierdoor werd in feite heel Atjeh vrijgegeven op een afgegrendelde vesting, Kota Radja, na. De Atjehse opstandelingen maakten hiervan dankbaar gebruik en Kota Radja werd in feite een belegerde vesting. Om verandering in de zaak te brengen werd aanvankelijk getracht om Atjehse hulptroepen in te schakelen. De Atjehse leider Umar bood hierbij zijn hulp aan, waardoor het aanvankelijk leek dat deze strategie succes zou hebben. Door zijn hulp werd hij echter de machtigste leider van Atjeh en keerde hij zich uiteindelijk in 1896 tegen de Nederlanders. De situatie dreigde hiermee volledig uit de hand te lopen, tot men het Korps Marechaussee in kon zetten.

Op 20 april 1890 was op voorstel van de Atjehse Officier van Justitie (Atjehse hoofddjaksa) bij de rechtbank in Kota Radja, Mohammed Arif, door de militair-gouverneur van Atjeh, generaal Van Teijn en zijn chef-staf, kapitein J.B. van Heutsz, het ďKorps Marechaussee te voetĒ opgericht. Het doel was om hiermee een aantal kleine, mobiele detachementen te vormen die de strijd wilden aangaan met de Atjehers op hun eigen grondgebied en met hun eigen wapens. In feite werd hiermee het concept van contraguerrilla (tegenguerrilla) uitgevonden. Aanvankelijk telde het korps ťťn divisie met twaalf brigades. Iedere brigade bestond uit 18 manschappen, later uitgebreid tot 20. Het korps zou al in 1898 totaal vijf divisies gaan tellen met een omvang van 1200 manschappen. Deze manschappen bestonden uit Ambonezen en Javanen onder leiding van inheemse en Afrikaanse onderofficieren en Europese officieren. Onder leiding van kapitein G.G.C. Notten werd het voor het eerst operationeel ingezet in oktober 1890. Deze kapitein Notten maakte van zijn troepen echte elitetroepen door ze uitgebreid te laten trainen in wapenbeheersing, uithoudingsvermogen, gevechttechnieken enz. Tijdens operaties droegen de troepen hun eigen voorraden mee waardoor ze volledig self-supporting waren. Als bewapening werd gekozen voor een korte karabijn, de klewang (korte sabel, met naar beneden uitlopende punt) en een rentjong (Atjehse kris). De rode onderscheidingstekens die op de kraag van het uniform werden gedragen, werden vaak ďbloedvingersĒ genoemd, wat veel zei over de reputatie die het korps al snel zou vestigen. De vingers zouden immers met bloed doordrenkt raken.

De grootste gevechtswaarde kreeg het korps toen in 1895 kapitein Jhr. Graafland het bevel overnam. De tactieken die hij introduceerde maakten dat het Korps Marechaussee zou zorgen voor een omwenteling in de strijd tegen inheemse opstandelingen door de gehele Indische Archipel. Hij ging uit van een systeem van onophoudelijke, offensieve patrouilles en achtervolgingen. Hij trainde de al zeer ervaren troepen nog sterker op snelle acties en verrassingsaanvallen. Veel van de door hen geleerde tactieken en ervaring opgedaan in de strijd, zou na 1895 worden overgenomen door de reguliere troepen. Het Korps Marechaussee ging toen fungeren als leerschool en zou de meest beruchte militaire leiders voortbrengen. Vooral Van Heutsz verspreidde de basisuitgangspunten van het korps, hard en zonder mededogen toeslaan, over de rest van zijn leger en wist zo uiteindelijk ook de opstandige Atjehers op de knieŽn te dwingen. De eenheden van het Korps Marechaussee speelden hierbij en bij latere expedities om de rest van Atjeh onder controle te brengen een belangrijke rol. De wreedheid waarmee Atjeh uiteindelijk werd onderworpen geldt nog steeds als een extra zwarte bladzijde in de geschiedenis van het Nederlandse kolonialisme. Tenminste 60.000 Atjehers kwamen hierbij om het leven, tegenover 2.000 militairen (buiten de 10.500 die omkwamen door ziekten). Ook bij de onderwerping van de rest van de Indische Archipel werden de Nederlandse troepen veelal voorafgegaan of intensief begeleid door eenheden van het Korps Marechaussee, die als een soort ďvliegende colonnesĒ door de archipel zwierven. Tussen 1904 en 1913 was vooral het Korps Marechaussee verantwoordelijk voor het met zeer harde hand vestigen van het Nederlandse gezag in Nederlands-IndiŽ. Voor haar aandeel kreeg het Korps in 1930 het Ridderkruis der Militaire Willemsorde aan een eigen vaandel uitgereikt. Dit vaandel zou de luitenant der Marechaussee L.C.G.F. Onvlee, met gevaar voor eigen leven en in Japanse krijgsgevangenschap uit handen van de vijand weten te houden.

Ook het Korps Marechaussee ontkwam echter niet aan de bezuinigingen van de Nederlandse overheid. Toen in december 1941 de oorlog uitbrak, was er een tekort van 200 manschappen en had men noodgedwongen minder getraind en minder geschikt personeel moeten aannemen. Ook de grootte van de brigades werd teruggebracht van 20 naar 15 man. Toch had dit weinig invloed op de gevechtskracht van de eenheden zelf. De training bleef even zwaar en het korps bleef goed geoefend in hun voornaamste taak, de guerrillaoorlog. Tijdens de strijd tegen de Japanners werden de eenheden door heel Nederlands-IndiŽ ingezet. Zelfs werd een speciaal detachement ingezet op Malakka (Malakka Detachement) onder Brits bevel. De wijze van oorlogvoering, defensief en tegen een numerieke en qua slagkracht vele malen sterkere vijand, maakten het echter zelfs voor deze elite-eenheden niet mogelijk om te voorkomen dat Malakka en de Indische Archipel in Japanse handen viel. Diverse leden van het Korps zouden echter ook tussen 1942 en 1945 op verschillende plaatsen een rol spelen in hun meest favoriete rol, de guerrilla. Ditmaal tegen een heel andere vijand, de Japanner.

Definitielijst

brigade
Bestond meestal uit twee of meer Regimenten. Kon onafhankelijk of als een deel van een Divisie dienen. Soms waren ze deel van een Korps in plaats van een Divisie. In theorie bestond een Brigade uit 5.000 - 7.000 man.
divisie
Bestond meestal uit tussen de een en vier Regimenten en maakte meestal deel uit van een Korps. In theorie bestond een Divisie uit 10.000 - 20.000 man.
karabijn
Een al dan niet automatisch wapen met een geringer ballistisch vermogen dan een geweer van hetzelfde kaliber, veroorzaakt door een kortere loop. Het effectief vuur varieert van 200 tot 300 m.

Bronnen

- Serie Weerzien met IndiŽ, aflevering 35, Waanders Uitgevers, Zwolle 1994
- Stabelan, 16 e jaargang nr 1. 31 augustus 1989, Nortier J.J., Bloedvingers op Malakka, Stichting vriendenkring oud KNIL artilleristen
- Kompagnie J.H. (eindred.), Soldaten Overzee, Onderzoeksgids. Centraal Bureau voor Genealogie, Den Haag, 1996
- Veer P. van Ďt, De Atjeh-oorlog, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1980
- Genealogische site van Ed Hupkens

Afbeeldingen


Het vaandel van het Korps
(Bron: STIWOT)


Kapitein Graafland
(Bron: STIWOT)


Een eenheid op pad
(Bron: STIWOT)

Informatie

Artikel door:
Wilco Vermeer
Geplaatst op:
01-12-2005
Laatst gewijzigd:
15-08-2009
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

CategorieŽn


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2017
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.