Treblinka

De kamporganisatie

De leiding van Treblinka II berustte aanvankelijk bij SS-Obersturmführer Irmfried Eberl, een Oostenrijker die eerder had gewerkt in de euthanasiecentra van Brandenburg en Bernburg in het kader van Aktion T4, de systematische moord op gehandicapten. Hij had echter geen enkele ervaring in het leiden van de immense organisatie die Treblinka II was. Dat werd al gauw duidelijk.

Op 22 juli 1942 startte de ontruiming van het getto van Warschau. Van die dag tot 5 september werden ongeveer 265.000 Joden uit Warschau naar Treblinka gedeporteerd. Een kleine week na de aankomst van de eerste transporten schreef Eberl in een brief aan zijn vrouw: “Dat ik de laatste tijd weinig geschreven heb, weet ik, maar ik kon niet anders daar de laatste Warschau-weken met een ongelooflijke drukte gepaard gaan. Zo is hier ook in Treblinka een tempo ingezet dat gewoonweg adembenemend is. Wanneer ik me in vier kon hakken en de dag honderd uren telde, dan zou dat waarschijnlijk nog niet toereikend zijn.“

Daarnaast werden vanaf augustus 1942 nog eens tienduizenden Joden uit het Radom- en Lublin-district naar Treblinka II gedeporteerd. Eberl bleek niet opgewassen tegen de enorme taak om de vernietiging van die mensenmassa te organiseren. Bovendien viel de gaskamer voortdurend uit en konden de massagraven de toevloed aan lichamen niet aan. De SS begon dan maar met het doodschieten van de Joden in de aankomstzone. De gevolgen lieten niet lang op zich wachten: treinen met nieuwe slachtoffers stonden te wachten op het perron en overal in het kamp lagen rottende lijken. De toestand was zodanig chaotisch dat Odilo Globocnik eind augustus 1942 besliste om de deportaties naar Treblinka II tijdelijk stop te zetten.

Eberl werd voor deze chaos verantwoordelijk gehouden. Hij werd van zijn functie ontheven en vervangen door SS-Obersturmführer Franz Stangl, die zijn sporen had verdiend als de commandant van een ander vernietigingskamp, Sobibor. Kurt Franz was zijn assistent. Over zijn aankomst in Treblinka vertelde Stangl het volgende: “We konden het al ruiken op kilometers afstand. De weg liep naast de spoorweg. Toen we op tien, twintig minuten rijden van Treblinka verwijderd waren, begonnen we lijken langs de sporen te zien, eerst twee of drie, later meer en toen we het station binnenreden lagen er honderden – ze lagen daar maar – al die dagen in de hitte. In het station stond een trein vol Joden, sommigen dood, anderen levend, en die trein leek daar ook al dagen te staan. […] Treblinka was het verschrikkelijkste wat ik meemaakte van alles wat ik ooit tijdens het Derde Rijk gezien heb - het was de hel van Dante. […] De stank was onbeschrijfelijk. De honderden, neen, duizenden lichamen overal, in ontbinding, rottend.” Deze omstandigheden werden ook beschreven door SS-Scharführer Franz Suchomel.

Stangl herstelde gauw de orde. Om de toestroom aan gedeporteerden aan te kunnen liet hij begin oktober 1942 nieuwe gaskamers bouwen, die de komende transporten uit Warschau en uit het Radomdistrict moesten helpen opvangen.

Naast Stangl, die er commandant was tot augustus 1943 en nadien werd opgevolgd door zijn assistent Kurt Franz, werkten twintig tot dertig Duitse en Oostenrijkse SS’ers in het kamp. De meeste van hen hadden “ervaring” opgedaan in het euthanasieprogramma. Daarnaast deden 90 tot 150 Trawnikimannen dienst in het kamp; deze Poolse of Oekraïense burgers waren speciaal gerekruteerd en getraind voor dergelijke diensten. Eén van de beruchtste onder hen was Ivan Marchenko, beter bekend als Ivan de Verschrikkelijke. Hij was één van de mannen die instond voor de werking van de gaskamers.

Tenslotte dwongen de Duitse bewakers 700 tot 1000 Joden te helpen bij het vernietigingsproces. Zij werden geselecteerd uit de binnenkomende transporten en werden ingeschakeld voor allerlei taken. Ze sneden takken die als camouflage op de omheiningen werden aangebracht, hielpen bij het uitkleden van de gevangenen, het sorteren van waardevolle goederen, maakten de treinwagons en gaskamers leeg en hielpen bij de verbranding van de lijken. Aanvankelijk werden ze na korte tijd ook vergast en vervangen door andere Joden uit nieuw aangekomen transporten, maar vanaf september 1942 koos Stangl voor een meer permanente bezetting van de Joodse commando’s.

Er moet wel een onderscheid gemaakt worden tussen de Joden die in het Totenlager tewerkgesteld werden en de Joden die in het andere deel van het kamp werden ingezet. De levensduur van de gevangenen die in het Totenlager werkten, overtrof zelden twee maanden. De andere Arbeitsjuden, zoals ze werden genoemd, hadden het “beter”: ze hadden hun eigen barakken en werkten als metselaars, timmerlieden, schoenmakers, kleermakers, keukenpersoneel en goudsmeden. De SS’ers kozen deze mensen zelf uit, maar dat betekende niet dat men uit de gevarenzone was.

Richard Glazar, één van de overlevende Arbeitsjuden, getuigt hierover:

”De hele Treblinkaperiode kan men in vier fases onderverdelen. De eerste was de periode onder Eberl (voor Glazar er was, red.). De tweede, reeds onder Stangl, maar in het begin van zijn periode, was nog altijd een tijd van uiterste willekeur waarin een SS’er iemand kon uitkiezen om te werken en een uur later kon hij al dood zijn, “weggestuurd” door een ander. Fase drie – in de lente van 1943 - was relatief stabiel: er waren minder transporten en de SS had geleerd dat hun relatief veilige job ver van het front afhing van efficiënte kampen en dus begonnen ze waardevolle arbeiders te sparen. […] Er was een verschrikkelijk soort gemeenschappelijk belang bij de moordenaars en de slachtoffers: in leven blijven. Ten slotte was er fase vier, de twee, drie maanden voor de opstand in augustus 1943, een periode van groeiende onveiligheid voor de Duitsers toen de Russen naderden en de SS zich rekenschap begon te geven […] van het feit dat de buitenwereld zou vernemen wat er in Treblinka gebeurd was en dat ze eigenlijk individuen waren, die ieder voor zich schuld hadden.”

Onder deze Arbeitsjuden waren zogenaamde Hofjuden. Dit waren vaklieden en mensen met leiderscapaciteiten. Om te vermijden dat ze omwille van de grillen van een SS’er zouden worden gedood, kregen ze een armband met het woord Hofjude. Later, in wat Glazar de derde fase noemt, waren die armbanden niet echt meer nodig. In tegenstelling tot de meeste gevangenen van concentratiekampen waren de Arbeitsjuden niet gekleed in vuile, gestreepte uniformen. Zij leden meestal ook geen honger, behalve in tijdens de periodes dat er weinig transporten waren, zoals begin 1943.

Richard Glazar vertelt hierover:

“Soms arriveerden zes treinen en werden 20.000 mensen de dood ingestuurd. Eerst meestal Joden uit Warschau en het westen met hun rijkdommen – enorme hoeveelheden voedsel, geld en juwelen. Het is ongelooflijk wat en hoeveel we allemaal aten. Ik herinner me een jongen van zestien, die enkele weken na zijn aankomst zei dat hij het nog nooit in zijn leven zo goed had gehad als in Treblinka.[…]. ”

Het is opvallend hoe de overlevende Arbeitsjuden, maar ook de bewakers, een onderscheid maakten tussen de transporten uit het westen en die uit het oosten. Met het oosten bedoelden ze landen zoals de Baltische Staten en de Sovjet-Unie, terwijl het westen sloeg op landen zoals Tsjechoslowakije en Griekenland. De transporten uit het westen brachten Joden die veel welvarender waren. Zij hadden vaak heel wat eten en kleding bij zich, waarvan de Arbeitsjuden dankbaar gebruik maakten. Ook voor de bewakers was de herkomst van de transporten van belang. Werner Heyde, de hoofdverantwoordelijke voor het euthanasieproject Aktion T4, erkende de mogelijkheid dat westerse Joden de waarheid achter de transporten konden begrijpen en er weerstand aan boden. Daarom vond hij het belangrijk hen te misleiden tot het laatste moment, waar geen weerstand mogelijk meer was. Bij de Joden uit het oosten werden die voorzorgen minder nodig geacht, omdat zij gewoon terreur verwachtten, omdat zij in hun leven vaak al met pogroms en anti-Joodse agressie waren geconfronteerd. Tegen hen werd dan ook heel wat agressiever opgetreden bij hun aankomst in het kamp, terwijl dat bij de transporten uit het westen veel minder het geval was. Richard Glazar, zelf afkomstig uit Praag, over zijn aankomst in Treblinka:

”We stonden allemaal aan de raampjes om te kijken. Ik zag een groene haag, barakken en ik hoorde iets dat klonk als een landbouwtractor. Ik was in de wolken. […] Er werd luid geroepen, maar niet te luid: niemand misdeed ons iets. Ik volgde de menigte: “mannen rechts, vrouwen en kinderen links”, werd ons gezegd. Eén van de SS’ers - later kende ik zijn naam: Küttner – zei ons vriendelijk dat we naar een ontsmettingsbad gingen en daarna aan het werk.”

“We waren niet gekleed in gestreepte uniformen, vuil, opgevreten van het ongedierte, of dood van de honger, zoals de meeste gevangenen van concentratiekampen. Mijn eigen groep, de Tsjechen, en de Hofjuden waren heel goed gekleed. Er was geen gebrek aan kleren. Ik droeg meestal een rijbroek, een fluwelen jasje, bruine laarzen, een hemd, een zijden das en als het koud was, een trui”, vertelde Glazar. Het was geen toeval dat de Arbeitsjuden hun best deden er goed uit te zien. “Je was erg bekommerd om hoe je er uit zag. Het was oneindig belangrijk er op het appèl kraaknet uit te zien. […] Het effect van netjes te zijn hielp altijd wel – het boezemde hen zelfs respect in. Maar het feit je netjes te maken, kon beschouwd worden als bluf of pluimstrijkerij en een straf tot gevolg hebben, of de dood. We begrepen tenslotte dat de maximumveiligheid lag in het feit er zoveel mogelijk – maar niet te veel – uit te zien als de SS’ers zelf”, vertelt Glazar.

Definitielijst

getto
Grotendeels van de buitenwereld afgescheiden stadswijk voor Joden. Het aanstellen van getto's had als doel om Joden uit het dagelijkse leven te weren. Vanuit getto's konden Joden bovendien gemakkelijker gedeporteerd worden naar de concentratie- en vernietigingskampen. Ook bekend als 'Judenviertel' ofwel 'Joodse wijk'.
Sovjet-Unie
Sovjet Rusland, andere naam voor de USSR.
vernietigingskamp
Kamp waar tijdens de Tweede Wereldoorlog grote groepen mensen (voornamelijk Joden en zigeuners) door de SS werden geliquideerd door middel van vergassing. Auschwitz, Treblinka en Majdanek zijn drie voorbeelden van vernietigingskampen.

Pagina navigatie

Afbeeldingen


Irmfried Eberl, de eerste kampcommandant van Treblinka.
(Bron: Holocaust Research Project)


Franz Stangl, tweede kampcommandant van Treblinka.

Informatie

Artikel door:
Gerd Van der Auwera
Geplaatst op:
08-08-2007
Laatst gewijzigd:
03-07-2013
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

Categorieën


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2017
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.