Treblinka

De opstand van 2 augustus 1943

De meest bekende verzetsactie vond plaats in augustus 1943. De voorbereidingen startten al in januari dat jaar. “Midden januari veranderde alles,” vertelt Richard Glazar. “Dit was het begin van fase drie: steeds minder transporten en dus minder eten en geen nieuwe kleren. Dat was de tijd dat de plannen voor de opstand werden uitgewerkt.” De gevangenen zagen in dat het kamp niet lang meer zou worden behouden: het aantal transporten was serieus verminderd; het grootste deel van de afgenomen bezittingen was gesorteerd en naar Duitsland gestuurd; de meeste lichamen waren verbrand. In die periode brak er ook een tyfusepidemie uit die, gecombineerd met de hongersnood, heel wat slachtoffers eiste.

Alles wees erop dat het kamp niet lang meer zou bestaan. De Joden die er nog verbleven wisten dat zij samen met het kamp zouden worden opgeruimd. “In de opslagplaatsen was niets meer, het was allemaal ingepakt en opgestuurd. Er was ook geen eten meer. U kunt zich niet voorstellen wat we voelden. Ziet u, die voorwerpen rechtvaardigden ons bestaan in Treblinka. Als er geen voorwerpen waren om te rangschikken en op te sturen, waarom zouden ze ons dan in leven houden?” Het plan ontstond om een massale opstand te organiseren.

Er werd een organisatiecomité gevormd, bestaande uit Dr. Iliya Chorazycki, Zeev Kurland, de kapo van het Lazarett Zelo Bloch, een luitenant uit het Tsjechische leger en Moshe Lubling. In eerste instantie was het nodig om aan wapens te komen. Ze hoopten dat ze Oekraďense bewakers zover zouden krijgen dat die hen wapens zouden bezorgen. De Joden in het kamp, vooral de zogenaamde Goldjuden die verantwoordelijk waren voor het verzamelen en sorteren van het geld, goud, zilver en andere waardevolle goederen van de gedeporteerden, hielden een deel van die rijkdommen achter. Daarmee betaalden ze bewakers die hen van bijvoorbeeld voedsel voorzagen. Nu wilden ze die kostbaarheden gebruiken om die wapens te kopen. Ze moesten daarbij zeer voorzichtig te werk gaan, opdat de Duitsers geen onraad zouden ruiken.

Moshe Lubling die actief was als Goldjude, trachtte een Oekraďense bewaker die hij kende om te kopen en zo een pistool te krijgen. De bewaker nam wel het geld aan, maar zorgde nooit voor het wapen. Deze en nog enkele andere gelijkaardige mislukkingen verplichtten de Joden naar een andere oplossing te zoeken. Het meest logische leek hen wapens en ammunitie te stelen uit het wapendepot van het kamp. Hierbij hadden ze enig geluk: een Joodse sleutelmaker kreeg het bevel het slot van dat wapendepot te herstellen. Hij deed dat, maar slaagde er ook in een afdruk van de sleutel te maken die door de verzetslieden kon gebruikt worden.

Na die meevaller kreeg het verzetscomité in maart 1943 een serieuze tegenslag te verwerken. “Küttner rook iets – ik kan het niet anders zeggen. Hij vermoedde dat er iets aan de hand was en met een volmaakt instinctieve flair pikte hij er de man uit die voor ons onvervangbaar was: Zjelo Bloch, de militaire expert van het opstandelingencomité. Küttner gaf als voorwendsel dat er kleren verdwenen waren en Zjelo was daarvoor verantwoordelijk. […] Zjelo werd naar Kamp II gestuurd,” vertelt Glazar. De ontzetting bij de verzetslieden was groot. “Op de avond dat hij wegging, eindigde alle hoop voor ons. Ik herinner me die avond zo duidelijk. Het was de enige keer dat we bijna het hoofd verloren, dat we uiting gaven aan onze ontroering. Dat had voor ons het einde kunnen betekenen,” zegt Glazar. Het is echter zeer onwaarschijnlijk dat de Duitsers iets vermoedden. In dat geval zou Bloch onmiddellijk geëxecuteerd zijn geweest.

Ondanks deze enorme tegenvaller ging de voorbereiding voort: Rudi Masarek, een jonge Tsjech, nam de militaire afdeling in handen. Er werden verschillende gevechtseenheden gevormd en Chorazycki werkte een aanvalsplan uit dat op 21 april zou worden uitgevoerd. Voor het zover kwam, kreeg Chorazycki het aan de stok met Kurt Franz – de reden is niet helemaal duidelijk – en hij viel de Duitser met een mes aan. Hij slaagde er niet in Franz te verwonden of te doden, maar kon vergif innemen en kwam zo om het leven.

Deze twee tegenslagen zorgden ervoor dat de plannen voor de opstand uitgesteld werden. Het onthoofde organisatiecomité dreigde zelfs helemaal stil te vallen. Vanaf mei – juni 1943 kwamen er echter enkele nieuwe energieke leden bij, onder wie Rudeck Lubernicki en kampoudste Marceli Galewski. Het comité kreeg een nieuw elan en het aantal verzetsleden, waaronder meerdere kapo’s, groeide. Jankiel Wiernik speelde een belangrijke rol. Hij was de enige gevangene die dankzij zijn vaardigheden als timmerman zowel in het Unteres Lager en het Oberes Lager, waar Bloch nog steeds werkte, kwam en daardoor de contacten tussen beide delen kon onderhouden. Aan de vooravond van de opstand zelf zou een zestigtal Joden deel uitmaken van het verzet.

In juli 1943 werd echt duidelijk dat het einde van het kamp naderde. De meeste lichamen waren verbrand en de SS had een feestje gehouden om het einde van hun opdracht te vieren. Het organisatiecomité plande daarom de datum voor de opstand op 2 augustus. De opstand was gepland in de late namiddag om de gevangenen de grootste kans te geven in het donker te ontsnappen. Het moest echter overdag gebeuren, omdat de bewakers zich dan niet in hun kwartieren bevonden. Het veroveren van wapens was essentieel in het plan en het depot lag vlakbij de SS-kwartieren. Die dag hadden ze het geluk dat Kurt Franz en een twintigtal bewakers niet in het kamp waren. Dit verzwakte de kampbewaking aanzienlijk.

Kort na de middag slaagden ze er in het wapendepot ongemerkt binnen te dringen en wapens en granaten te ontvreemden. Die werden in de komende uren over de verschillende groepen verdeeld. Tot ongeveer half vier verliep alles volgens plan, maar toen betrapte SS’er Küttner een jonge Jood met geld op zak. Hij begon hem hardhandig te ondervragen. Dit kwam het verzetscomité ter ore en zij vreesden dat de jongen misschien iets zou verraden over de op handen zijnde opstand. Daarom gaven ze het signaal om Küttner uit te schakelen en onmiddellijk de tweede fase van de opstand – het aanvallen van de bewakers en het vernietigen van het kamp – te starten. “Mijn voornaamste herinnering van de opstand was een grote verwarring,” vertelt Glazar. “De eerste ogenblikken waren waanzinnig opwindend, handgranaten en benzineflessen die overal ontploften, onmiddellijk overal vuur en schoten van alle kanten. Alles was anders dan gepland en dus was de verwarring enorm.”

Het organisatiecomité had de situatie niet meer in handen. Terwijl de verzetsleden bleven vuren op de bewakers, trachtten overal gevangenen door de omheining te breken en het verder gelegen bos te bereiken. Daarbij geraakten velen gedood en gewond, omdat de bewakers in de wachttorens op hen het vuur openden. Het vuurgevecht duurde echter niet lang. Aangezien de opstand sneller was losgebroken dan gepland, hadden de Joden niet voldoende wapens en munitie kunnen veroveren en uitdelen.

Op het moment van de opstand waren er ongeveer 850 Arbeitsjuden in het kamp. Meer dan de helft kwam om bij de ontsnappingspoging. Een honderdtal mensen ondernam geen enkele poging om te ontsnappen en bleef in het kamp. Minstens evenveel slaagden erin het kamp te ontvluchten. Dat betekende helemaal niet dat ze in veiligheid waren. Het was een heel stuk rennen tot het dichtstbijzijnde bos. Bovendien kregen ze nauwelijks of geen hulp van de plaatselijke bevolking. Heel wat ontsnapten werden in de uren na de opstand opgepakt. Kampcommandant Franz Stangl liet geen twijfel bestaan over hun lot: ”Zij werden ter plaatse doodgeschoten. Omstreeks de avond begonnen de cijfers binnen te komen. Iemand zat bij de telefoon en telde ze op. Om zes uur leek het erop dat er veertig meer gesnapt waren dan er ooit geweest waren. Ik dacht: God, nu gaan ze de Polski’s doodschieten, want ze schoten op alles wat bewoog.”

Slechts weinigen slaagden erin uit de handen van de nazi's te geraken. Het precieze aantal is niet bekend, maar er wordt geschat dat slechts een veertigtal gevangenen ook de oorlog overleefde. Zij leverden belangrijke getuigenissen over de werking van en het leven in Treblinka. Onder hen zijn onder meer Abraham Bomba, Richard Glazar en Moshe Rappaport.

Definitielijst

kapo
Een Kapo was een gevangene in een concentratiekamp van nazi-Duitsland in de Tweede Wereldoorlog, die als taak had op de andere gevangenen toe te zien. Een Kapo moest voor de SS het werk van de gevangenen begeleiden en hij was verantwoordelijk voor hun resultaten.
nazi
Afkorting voor een nationaal socialist.

Pagina navigatie

Afbeeldingen


Rook boven Treblinka tijdens de opstand. Foto genomen door een spoorwegarbeider op 2 augustus 1943.
(Bron: USHMM)


Jankiel Wiernik, hier tijdens het proces tegen Eichmann, speelde een belangrijke rol tijdens de opstand.


Overlevenden van Treblinka.
(Bron: Holocaust Research Project)

Informatie

Artikel door:
Gerd Van der Auwera
Geplaatst op:
08-08-2007
Laatst gewijzigd:
03-07-2013
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

Categorieën


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2017
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.