Verhoor Hermann Göring 5

Ochtendzitting 1 18-03-1946

Inhoudsopgave

De PRESIDENT: Is Dr. Kubuschok klaar met zijn verhoor?
Dr. KUBUSCHOK: Ja, Meneer de President.
De PRESIDENT: Goed. Wil een van de andere raadsheren van beklaagden nog een verhoor afnemen?
PROFESSOR DOCTOR HERBERT KRAUS (raadsman van beklaagde Schacht): Professor Kraus voor Dr. Lüdinghausen namens beklaagde Von Neurath. Ik vraag u toestemming enkele vragen aan beklaagde te mogen stellen.
(tot de beklaagde): Beklaagde, Op de conferentie van München zou Hitler de volgende vraag gesteld hebben: "Wat gaat er gebeuren als de Tsjechen het niet eens zijn met de bezetting van het Sudetenland?" Daarop antwoordde Daladier: "Dan zullen wij ze dwingen." Is dat juist?
GÖRING: Deze vraag werd in feite tijdens het overleg door de Führer aangeroerd. Premier Daladier zei in wezen in ongeveer dezelfde bewoordingen iets wat met de geest van deze uitspraak overeenkomt. Voor zover ik me nu nog goed kan herinneren benadrukte hij dat er nu op dat gebied door de grote mogendheden een beslissing was bereikt met als doel de vrede te handhaven, dat die vrede niet opnieuw bedreigd moest worden door een weigering van Tsjechoslowakije, anders zou noch Engeland, noch Frankrijk zich op geen enkele wijze gebonden voelen om te hulp te komen wanneer Tsjechoslowakije dit advies niet opvolgde.
Dr. KRAUS: Beklaagde, hoe lang kent u de heer Von Neurath?
GÖRING: Voor zover ik me kan herinneren ontmoette ik de heer Von Neurath heel kort toen hij in 1919 de Duitse ambassadeur in Denemarken was. Ik ontmoette hem later net voor de machtsovername en sprak heel even met hem meen ik; mijn nauwere relatie met hem begint vanaf de machtsovername.
Dr. KRAUS: Wist u meer van zijn activiteiten als ambassadeur in Londen?
GÖRING: Dat is juist. Ik wist al eerder van zijn werk want zelfs in vroeger dagen, met andere woorden in 1931 en 1932, voordat de heer Von Neurath Minister van Buitenlandse Zaken werd, tijdens gesprekken over de mogelijke vorming van een kabinet overwogen we de naam van de heer Von Neurath als kandidaat, hoewel hij geen lid was van de Partei. Als belangrijkste overweging in dit verband speelde juist zijn positie als ambassadeur in Engeland de belangrijkste rol omdat wij, zowel Hitler als ik, van mening waren dat Von Neurath's betrekkingen als ambassadeur met de Engelse regering zeer goed waren en dat de heer Von Neurath op dit gebied – goede betrekkingen met Engeland – een belangrijke factor kon zijn, dat was een belangrijke voorwaarde voor het buitenlands beleid van de Führer.
Dr. KRAUS: Dan mag ik aannemen dat de heer Von Neurath in Londen een beleid van vrede en begrip had gevoerd?
GÖRING: Ja, dat mag u zeker aannemen.
Dr. KRAUS: Ja en kunt u mij vertellen of de heer Von Neurath daarnaast ook in zijn hoedanigheid als Minister van Buitenlandse Zaken pogingen ondernam om dit beleid van vrede en begrip voort te zetten?
GÖRING: Toen Reichspräsident Von Hindenburg de voorwaarde stelde, die ik al heb genoemd, dat de heer Von Neurath Minister van Buitenlandse Zaken moest worden, stemde de Führer volledig in met deze voorwaarde omdat hij zag dat de taak van het vormen van goede betrekkingen met Engeland en het Westen in goede handen was. De heer Von Neurath deed altijd iedere poging in die richting.
Dr. KRAUS: Ik zou nu een andere serie vragen willen behandelen.
Was u aanwezig tijdens de vergadering van het Reichskabinett op 30 januari 1937 waar Hitler het Goldenes Parteiabzeichen uitreikte aan die leden van het kabinet die geen lid van de Partei waren, waaronder ook de heer Von Neurath?
GÖRING: Ja, ik was daarbij aanwezig.
Dr. KRAUS: En weet u dat Hitler bij deze gelegenheid verklaarde dat het gewoon een onderscheiding was, zoals het verlenen van een orde, dat de heren in kwestie daarmee geen partijlid werden en geen verplichtingen hadden jegens de Partei?
GÖRING: Zo zou ik het niet precies willen stellen. De Führer sprak spontaan omdat het de verjaardag van de machtsovername was en hij zei dat het zijn bedoeling was op deze manier zijn vertrouwen te tonen in die leden van het Reichskabinett die geen lid van de Partei waren. Ik meen dat hij de woorden gebruikte: "Ik zou hen willen vragen dit Parteiabzeichen te aanvaarden." Hij zei destijds dat dit naar zijn mening een onderscheiding was en dat hij van plan was, wat hij later ook werkelijk deed, om extra graden aan deze onderscheiding toe te voegen. De eerste graad van deze onderscheiding zou het Goldenes Parteiabzeichen zijn. Toen stapte hij opeens op de diverse ministers af en overhandigde hen de onderscheiding. Hij benadrukte hierbij niet dat dat zij zich daardoor niet als leden van de Partei moesten beschouwen en ook dat ze geen lid van de Partei waren.
Toen hij bij de heer Von Eltz-Rubenach kwam vroeg deze heer of hij hierdoor verplicht was in te stemmen met de anti-Kerkelijke tendens van bepaalde partijkringen of iets in die geest. De Führer aarzelde even en vroeg toen: "U wilt dit dus niet aanvaarden?" Waarop de heer Von Eltz zei: "Dat wil ik zo niet zeggen. Ik wil alleen een voorbehoud maken." De Führer was geschokt, draaide zich om en verliet de zaal.
In dit verband is het niet juist, zoals hier is beweerd, dat de heer Von Eltz hierom vrijwillig aftrad. Ik ging de Führer direct achterna en meende, net als alle andere heren, dat dit incident een belediging voor de Führer was, want lidmaatschap van de Partei was helemaal niet genoemd. Bovendien, en dit is belangrijk, had de Führer al een plan in gedachten om het Ministerie van Transport op te splitsen, het voormalige Ministerie van Posterijen weer in te stellen en de spoorwegdeskundige Dorpmuller op het Ministerie van Transport te zetten. De Führer had me dit al eerder verteld en omdat hij het aan mij had overgelaten dit voorzichtig, op diplomatieke wijze aan de heer Von Eltz te vertellen, nam ik de gelegenheid te baat om naar de heer Von Eltz te gaan en hem te zeggen: "Uw gedrag was onbehoorlijk en ik meen dat het enige wat u kunt doen is onmiddellijk aftreden." Hij zei: "Zo bedoelde ik het niet" en hij was niet van plan onmiddellijk af te treden. Ik vroeg hem toen ronduit om dat tegen de avond wel te doen. Ik stuurde ook staatssecretaris Meissner naar hem toe om hem te vertellen dat het raadzaam zou zijn uit het Kabinet te stappen en onmiddellijk zijn ontslag in te dienen, in het bijzonder gezien – en toen gaf ik hem de uitleg over de post en de spoorwegen zoals ik die net heb gegeven.
Dat is wat er gebeurde op die bijeenkomst met betrekking tot het Goldenes Parteiabzeichen.
Dr. KRAUS: Beklaagde, was u aanwezig toen Hitler op de avond van 11 maart 1938 in de Reichskanzlei de heer Von Neurath vertelde over de inval van de troepen in Oostenrijk, hem de reden voor deze stap meedeelde en hem vroeg Buitenlandse Zaken hierover in te lichten omdat hij zelf weg moest?
GÖRING: Ik heb in mijn opmerkingen over Oostenrijk al genoemd dat Aussenminister Von Ribbentrop niet aanwezig was. Omdat de Führer de vertegenwoordiging van het Reich aan mij had overgedragen, had ik hem gevraagd de heer Von Neurath te vragen gedurende deze tijd mij zijn ervaringen in buitenlandse zaken ter beschikking te stellen. Daarop werd de heer Von Neurath gevraagd, die avond meen ik naar de Reichskanzlei te komen en de Führer vertelde hem in grote lijnen wat u net hebt gezegd. Het kwam hierop neer dat wanneer ik het nodig had en erom vroeg, hij mij moest adviseren over kwesties van buitenlands beleid omdat de Aussenminister niet aanwezig was en ik geen ervaring had in het beantwoorden van politieke nota's en omdat kon worden verwacht dat er tijdens de afwezigheid van de Führer op het gebied van buitenlandse politiek enige actie zou worden ondenomen zoals protesten en nota's.
Dr. KRAUS: Dan moet men de conclusie trekken dat de heer Von Neurath niet de plaatsvervanger van de Aussenminister was maar alleen tijdens zijn afwezigheid moest fungeren als een soort adviseur voor u.
GÖRING: Hij was niet de plaatsvervanger van de Aussenminister; dat zou niet in overeenstemming zijn geweest met zijn rang en positie. De plaatsvervanger van de Aussenminister was zijn staatssecretaris.
Dr. KRAUS: Von Weiszäcker?
GÖRING: Ik meen dat dat toen de heer Von Mackensen was; hij ondertekende ook alle lopende correspondentie in afwezigheid van de Aussenminister. De heer Von Neurath was slechts mijn adviseur in die kwesties van buitenlandse politiek die konden worden verwacht in verband met de kwestie Oostenrijk.
Dr. KRAUS: Weet u van het protest op 11 maart 1938 dat afkomstig was van de Britse ambassadeur en dat vreemd genoeg gericht was aan de heer Von Neurath en waarin de Britse ambassadeur protesteerde tegen de inval door de Duitse troepen?
GÖRING: Dat is helemaal niet zo vreemd want op de avond van de inval sprak ik persoonlijk 2 uur met de Britse ambassadeur, zoals ik al heb uitgelegd en vertelde hem dat de Führer de volgende dag naar Oostenrijk zou gaan; dat ik het Reich zou besturen en voor dit doel de heer Von Neurath had verzocht als mijn politiek adviseur op te treden omdat Sir Neville Henderson al gesuggereerd had dat de inval niet zonder protest zou worden aanvaard. De Britse ambassadeur had deze informatie dus al de avond ervoor van mij ontvangen. Dit verklaart het feit dat hij zich tot Von Neurath richtte want ik had hem gezegd: "Als u aan komt zetten met uw oude protestnota's kan ik daar persoonlijk weinig mee doen."
Dr. KRAUS: Heeft de heer Von Neurath, nadat de Aussenminister zijn antwoord op dat protest had geformuleerd, u telefonisch over dat antwoord ingelicht en heeft hij u gevraagd of u dat als Hitler's plaatsvervanger wilde ondertekenen?
GÖRING: Ja, natuurlijk; ik was plaatsvervangend staatshoofd. Hij moest mij over dat antwoord inlichten en het sprak ook vanzelf dat ik hem zou zeggen: "U ondertekent dat," want als plaatsvervangend staatshoofd kon ik geen diplomatieke nota's ondertekenen.
Dr. KRAUS: Ik dank u.

Dr. ROBERT SERVATIUS (raadsman van beklaagde Sauckel): Beklaagde, in hoeverre werden de politieke leiders van te voren ingelicht over de bedoelingen van de Führer op het gebied van buitenlandse politiek?
GÖRING: "Politiek leider" is een veelomvattende term. Die omvat alles vanaf de Reichsleiter tot de Blockleiter of de Zellenleiter. Inlichtingen aan het gehele korps politieke leiders over kwesties van buitenlandse politiek werden natuurlijk en heel begrijpelijk nooit gegeven en konden ook niet worden gegeven tenzij de Führer zijn bedoelingen op het gebied van buitenlandse politiek aan de hele natie meedeelde hetzij in de Reichstag, hetzij via de radio. De hogere ambtenaren onder de politieke leiders, bijvoorbeeld de Reichsleiter of de Gauleiter werden ook nooit als groep bijeen geroepen om geïnformeerd te worden over politieke bedoelingen die de Führer niet openbaar wilde maken.
Hij zal zijn bedoelingen wellicht persoonlijk hebben genoemd aan een of andere politieke leider die gelijktijdig een andere staatsfunctie bekleedde of aan iemand die om een of andere reden zijn vertrouwen genoot – ik zou eerst eens moeten nadenken waar dat het geval zou kunnen zijn. Hij deed dat zeker niet tegenover een of andere afdeling of onderafdeling. In zijn toespraken tot de Gauleiter, nadat de gebeurtenissen hadden plaatsgevonden, verwees hij steeds achteraf naar deze kwesties en zette zijn politieke bedoelingen uiteen die hij echter allang had gerealiseerd.
Dr. SERVATIUS: Ik heb verder geen vragen.

Dr. MARTIN HORN (raadsman van beklaagde Von Ribbentrop): Beklaagde, weet u in hoeverre Von Ribbentrop in zijn hoedanigheid van Minister van Buitenlandse Zaken werd ingelicht over militaire plannen en bedoelingen?
GÖRING: De precieze details weet ik niet. Over het algemeen geldt hetzelfde principe hier ook, dat alleen de direct betrokken gezagsdragers op de hoogte werden gehouden van dergelijke bedoelingen, in het bijzonder in het geval van militaire plannen. Hoeveel de Führer zo af en toe aan Von Ribbentrop vertelde over zijn militaire plannen weet ik niet.
Dr. HORN: Is het juist dat Hitler de richtlijnen bepaalde voor al het beleid, waaronder het buitenlandse?
GÖRING: Dat spreekt vanzelf. Boven alles was het buitenlands beleid Hitler's eigen terrein. Daarmee bedoel ik te zeggen dat het buitenlands beleid aan de ene kant en het commando over de strijdkrachten aan de andere kant zijn grootste interesse hadden en zijn belangrijkste bezigheid vormden.
Dr. HORN: Moet ik hieruit concluderen dat hij ook interesse had in de details van het buitenlands beleid?
GÖRING: Hij hield zich in het bijzonder bezig met deze details, zoals ik net heb gezegd en met bijzondere belangstelling op beide terreinen.
Dr. HORN: Gaf Hitler u definitieve instructie om het memorandum over Polen van 30 augustus 1939 geheim te houden?
GÖRING: Hij gaf me geen definitieve instructie. Ik weet niet of hij wist dat ik dat memorandum in mijn zak had. Maar in het algemeen gaf hij me dergelijke instructies omdat hij degene die het zou hebben moeten overhandigen, namelijk de heer Von Ribbentrop opdracht had gegeven dat niet te doen zodat in feilte ik dit memorandum overhandigde, tegen de duidelijke instructie van de Führer in hetgeen een risico inhield dat waarschijnlijk ik alleen – begrijpt u mij alstublieft niet verkeerd – kon nemen en mij kon veroorloven.
Dr. HORN: Een paar dagen geleden noemde u de verschillende invloeden die diverse personen op Hitler hadden. Bent u op de hoogte van feiten waaruit we zouden mogen concluderen dat Von Ribbentrop niet voldoende invloed op Hitler had om hem te bewegen beslissingen te herroepen nadat hij die eenmaal had genomen?
GÖRING: Waar het invloeden op Hitler, op de Führer betreft; dat is een moeilijk onderwerp. Ik zou me eerst willen beperken tot de vraag betreffende de invloed van de heer Von Ribbentrop. De heer Von Ribbentrop had zeker geen invloed in die zin dat hij de Führer in een bepaalde richting kon sturen. Tot op welke hoogte objectieve argumenten de Führer soms hebben kunnen beïnvloed om een of ander met betrekking tot politieke kwesties te doen of te laten, zou geheel hebben afgehangen van de kracht van de argumenten of de feiten. Tot op welke hoogte dat soms een rol kan hebben gespeeld kan ik niet zeggen want bij 99% van de gesprekken tussen de Führer en de heer Von Ribbentrop was ik niet aanwezig. Maar de heer Von Ribbentrop had nooit zo'n invloed dat hij had kunnen zeggen: "doet u dit," of "doet u dat niet; ik acht dat verkeerd," wanneer de Führer overtuigd was van de juistheid van de zaak.
Dr. HORN: Bent u op de hoogte van feiten of waarnemingen die wellicht wijzen op het bestaan van een samenzwering binnen de hoogste regeringskringen?
GÖRING: Het begrip samenzwering kan verschillend worden uitgelegd. Samenzweringen in de zin van mannen die in het geheim bijeen kwamen en in afzondering uitgebreide plannen bespraken, kwamen natuurlijk nooit voor. Samenzweringen in de zin dat de Führer uitgebreide besprekingen hield en als gevolg daarvan beslissingen nam over gezamenlijke operaties, daarvan kan men hier alleen spreken – en ik verzoek u nogmaals mij niet verkeerd te begrijpen – die vonden plaats tussen de Führer en mij tot aan laten we zeggen 1941. Er was niemand die ook maar in de buurt kwam van een zo nauwe samenwerking met de Führer, die zo goed op de hoogte was van zijn gedachten en die dezelfde invloed had als ik. Daarom konden in het beste geval alleen de Führer en ik hebben samengezweerd. Bij de anderen is daar geen sprake van.
Dr. HORN: Amerikaanse oorlogspropaganda had het regelmatig over Duitslands agressieve bedoelingen met het Westelijke Halfrond. Wat weet u hierover?
GÖRING: Het Westelijk halfrond? Bedoelt u Amerika?
Dr. HORN: Ja.
GÖRING: Zelfs wanneer Duitsland de naties van Europa geheel overheerst zou hebben; tussen Duitsland en het Amerikaanse continent ligt, volgens mijn geografische kennis, ongeveer 6.000 kilometer water. Gezien de kleine omvang van de Duitse vloot en het betreurenswaardige gebrek aan bommenwerpers die deze afstand konden overbruggen, dat ik al heb genoemd, was een dreiging tegen het Amerikaanse continent nooit aan de orde; in tegendeel, we waren altijd bang voor dat gevaar in omgekeerde richting en we zouden heel tevreden zijn geweest als we daar helemaal niet aan hadden hoeven denken.
Wat betreft Zuid-Amerika, ik weet dat we altijd, tenminste in de propaganda, werden beschuldigd van economische penetratie en pogingen tot overheersing daar. Als men rekening houdt met de financiële en commerciële mogelijkheden die Duitsland voor en tijdens de oorlog had en die vergelijkt met die van Groot-Brittannië of Amerika, dan ziet men hoe onhoudbaar een dergelijke bewering is. Met de zeer beperkte buitenlandse valuta en de enorme moeilijkheden die wij met de export hadden konden we nooit een reëel gevaar vormen of concurrerend zijn. Als dat het geval was geweest dan zou de houding van de Zuid-Amerikaanse landen waarschijnlijk een andere zijn geweest. Niet de Mark maar uitsluitend de Dollar heerste daar.
Dr. HORN: Ik dank u.

Dr. WALTER SIEMERS (raadsman van beklaagde Raeder): De Aanklager heeft onder nummer 1809-PS het dagboek van Generaal Jodl ingediend. In dit dagboek staan twee notities uit de eerste helft van 1940 waarover ik graag uw mening zou willen horen. Deze twee notities gaan over Rusland in een periode waarin Duitsland en Rusland nog op vriendschappelijke voet stonden.
Ik zou op voorhand willen zeggen dat de essentie van de bedoelingen in deze notities nogal fantastisch klinkt en daarom zou ik graag uw mening willen horen als Opperbevelhebber van de Luftwaffe.
Ik citeer de eerste notitie van 13 februari 1940:
"Heb van Admiraal Canaris vernomen dat het Rewel squadron op volle sterkte moet worden ingezet en overgeplaatst van Bulgarije naar de Kaukasus. De Luftwaffe moet uitleggen van wie dit foute idee afkomstig is."
De tweede notitie van mei 1940 luidt als vogt en ik citeer letterlijk:
"De Führer weigert het verzoek van de Luftwaffe om een luisterpost in de Kaukasus in te richten."
Ik zou willen dat u mij vertelde wat de gedachten waren die u als Opperbevelhebber van de Luftwaffe leidden bij deze plannen en welke feiten eraan ten grondslag lagen.
GÖRING: Als deze notities zijn gemaakt op basis van een rapport van Canaris, die hoofd van de Inlichtingendienst was en wanneer die door Jodl zijn genoteerd in verband in verband met het bijzondere Rewel lange-afstansdverkenningssquadron dan was dat vanwege de relaties van Canaris met dit squadron – waaraan hij zelf regelmatig spionnage- of verkenningsopdrachten gaf – dan had hij van mijn plan gehoord het in te zetten – iets dat ik in het bijzonder geheim wilde houden. Hij lichtte blijkbaar het Opperbevel van de Luftwaffe in waar deze actie, of voorgenomen actie, volledig onbegrip ontmoette en niet kon worden begrepen.
Mijn bedoeling in dit verband –ik had hier persoonlijk bevel voor gegeven – was volkomen duidelijk. De verklaring dat het squadron verkenningen in of in de buurt van de Kaukasus moest uitvoeren is niet helemaal juist. Het zou beter zijn geweest te zeggen in de richting van de Kaukasus, Syrië en Turkije. Maar deze vergissing kan zijn ontstaan in het rapport dat door Canaris werd verstuurd.
Ik had steeds vaker inlichtingen ontvangen dat er vanuit Klein-Azië acties moesten worden ondernomen tegen de Russische olievelden in de Kaukasus – Baku – en soortgelijke acties met als doel de olieaanvoer vanuit Roemenië naar Duitsland ernstig te verstoren.
Als Opperbevelhebber van de Luftwaffe was ik degene die voornamelijk geïnteresseerd was in het krijgen van olie uit Roemenië zowel als uit de Kaukasus, beter gezegd petroleum en benzine op basis van een handelsovereenkomst met Rusland want in die tijd waren de raffinaderijen nog niet voltooid en nog niet volledig in productie. Een verstoring in een of beide van deze gebieden zou mijn Luftwaffe zeer nadelig hebben beïnvloed.
Daarom moest ik dit goed in de gaten houden. Ik verwachtte ongeregeldheden in de oliegebieden in de Kaukasus. Ik liet de rapporten van de agenten nakijken door zeer betrouwbare mensen en ontdekte dat er in Syrië werkelijk een leger met de naam Armée Orientale werd gevormd onder Generaal Weygand. Ik was echter meer geïnteresseerd in de concentratie van vliegtuigsquadrons in Syrië, niet alleen van Franse maar ook van Engelse squadrons. Voor zover ik me herinner ontving ik deze rapporten over de plannen van de Frans-Britse squadrons via agenten in Turkije, van Turken dus, want er waren onderhandelingen met Turkije gevoerd over toestemming door haar luchtruim te vliegen om de plannen van de Engels-Franse squadrons uit te voeren, namelijk een verrassingsbombardement op het gebied rond Baku en daardoor de Russisiche olievelden ernstig te beschadigen en de toevoer naar Duitsland af te snijden.
Ik moest daarom, of was wel verplicht voortdurend door middel van lange-afstands verkenningsmissies er van op de hoogte te blijven in hoeverre de vliegvelden in Syrië steeds meer gebruikt werden. Er kon juist op dat tijdstip geen andere reden zijn voor het samentrekken van vliegtuigen daar; het was geen strijdtoneel en er was op dat moment ook geen enkele dreiging van de kant van Duitsland. In tegendeel, het zou te begrijpen zijn geweest als alle Britse en Franse vliegtuigen in Engeland en Frankrijk zelf nodig waren geweest.
Als daarom tijdens mijn lange-afstandsverkennings missies werd vastgesteld dat de vliegvelden in Syrië intensiever werden gebruikt dan voorheen en verder werd bevestigd dat wellicht vliegvelden in het oosten van Turkije werden uitgebreid, zou dit en was dat in feite ook, een bevestiging zijn geweest van de vermeende plannen. Zogauw ik hiervan volledig overtuigd was, zou ik in dit geval de Führer erop moeten wijzen dat Duitsland de aandacht van Rusland zou moeten vestigen op het gevaar dat haar bedreigde.
Het opzetten van luisterposten, niet in maar voor de Kaukasus diende natuurlijk hetzelfde doel, namelijk het opzetten van geheime radiostations langs de routes Syrië – de Kaukasus, Syrië – Baku; Oost Turkije – Baku om er achter te komen of er voorbereidende vluchten door de Engelse en Franse luchtmacht werden uitgevoerd; verkenningen van de olievelden en zovoorts om ook op die manier meer inlichtingen te verkrijgen.
Omdat ik destijds nog geen sluitend en overtuigend bewijs in handen had, hield ik deze dingen voor mij en behandelde ze alleen met de diensten die in mijn sector verantwoordelijk waren voor de Luftwaffe totdat ik een duidelijk beeld had. Pas later, na de beëindiging van de veldtocht in Frankrijk verkregen we de definitieve bevestiging van deze plannen met de ontdekking van de geheime rapporten van de Franse Generale Staf en van de vergaderingen van van de Opperste Militaire Raad van Engeland en Frankrijk. Die toonden aan dat mijn informatie volkomen juist was en dat er een plan was voorbereid voor een verrassingsaanval op alle Russisiche olievelden. In de tussentijd werd de bevestiging van een plan om de Roemeense olievelden uit te schakelen, iets dat wij al wisten, overgebracht aan de Roemeense regering en deze aanval op het neutrale Roemenië werd daardoor voorkomen.
Dr. SIEMERS: Ik heb u toch goed begrepen dat deze plannen door zowel Engeland als Frankrijk werden gemaakt?
GORING: Ja.
Dr. SIEMERS: En dat de inlichtingen die u ontving inhielden dat de aanvallen op de olievelden direct gericht waren tegen het toen nog neutrale Rusland en ook indirect tegen Duitsland door het afsnijden van haar olietoevoer?
GORING: Natuurlijk.
Dr. SIEMERS: Ik dank u.

Dr. WALTER BÖHM (raadsman van de SA): Beklaagde, is het waar wat de Aanklager beweert dat u Reichsführer van de SA was?
GÖRING: Ik was geen Reichsführer-SA, een dergelijke titel heeft nooit bestaan. In 1923, op 9 november was ik commandant van de SA die destijds alleen in Beieren bestond en voor een klein deel in Wurtemberg.
Dr. BÖHM: Hoe lang was u commandant van de SA?
GÖRING: Dat heb ik u net verteld, tot november 1923.
Dr. BÖHM: Vanaf 1921?
GÖRING: Vanaf begin 1923.
Dr. BÖHM: Wat was uw invloed voor en na 1923 respectievelijk met betrekking tot de leiding van de SA, de indoctrinatie van de mensen en het geven van bevelen?
GÖRING: Wilt u de vraag alstublieft herhalen?
Dr. BÖHM: Wat was uw invloed voor en na 1923 respectievelijk met betrekking tot de leiding van de SA, de indoctrinatie van de mensen en het geven van bevelen?
GÖRING: Vanaf begin 1923 tot november 1923 was mijn gezag volledig en absoluut, anders gezegd, de SA stond onder mijn direct bevel. Na 1923 had ik niet langer het recht mij met de SA in te laten en dat deed ik ook niet.
Dr. BÖHM: Hoe was dat voor 1923, de verhouding voor 1923 als ook na 1923?
GÖRING: Wat zegt u?
Dr. BÖHM: Was uw relatie met de SA voor 1923 hetzelfde als na 1923?
GÖRING: Ik heb dit heel nauwkeurig uitgelegd. Tot november 1923 was ik commandant van de SA met alle bevoegdheden en gezag om bevelen te geven. Na 1923 had ik met de SA niets meer te maken waar het het geven van bevelen betrof maar ik was slechts – ik weet niet welk jaar het was, 1936 misschien of zo – aan de SA verbonden in een honoraire functie, zonder enig gezag uit te oefenen. Bovendien had ik daar geen aanleiding toe.
Dr. BÖHM: Tijdens uw getuigenis in de afgelopen week in verband met de SA mensen zei u dat ze altijd bereid waren grote offers te brengen. Ik zou willen dat u mij nu vertelt wat dat voor offers waren.
GÖRING: De opofferingen van de SA mannen waren deze: ze gaven bijna al hun vrije tijd aan de beweging zonder een tegemoetkoming; ze hadden geen gezinsleven of vrije tijd omdat ze in de moeilijke tijden van onze strijd om de macht altijd ter beschikking van de Partei stonden, voor verkiezingscampagnes, voortdurende parades, bescherming van bijeenkomsten en zo. In mijn ogen is dat een aanzienlijk offer als men bedenkt dat de meeste leden van de SA arbeiders of lage ambtenaren waren die de paar uur van hun vrije tijd beter aan rust konden besteden maar die altijd klaar stonden om de Partei volledig ter beschikking te staan en aan hun politieke idealen te werken volgens hun politieke overtuiging.
Dr. BÖHM: Werd deze mensen materieel gewin in het vooruitzicht gesteld?
GÖRING: Helemaal niet.
Dr. BÖHM: Is het juist dat er juist na de machtsovername een groot aantal Communistische oproerkraaiers in de SA kwam?
GÖRING: Wilt u de vraag alstublieft herhalen?
Dr. BÖHM: Is het juist dat er zeker na de machtsovername een groot aantal Communistische oproerkraaiers de SA binnen kon sluipen?
GÖRING: Dat was een zeer opmerkelijke en belangrijke kwestie. Omdat er na de machtsovername actie was ondernomen tegen de Communisten, iets dat ze logischerwijs hadden verwacht, voegde een aantal leden van de gevechtseenheid het "Rotfront" zich bij de SA, zeker in de grote steden waar dit gemakkelijker was. Dit was des te gemakkelijker omdat het toenmalige hoofd van de SA, Röhm, zonder onderscheid SA mannen, of liever mannen in de SA toeliet die geen lid van de Partei hoefden te zijn, zoals vroeger wel vereist was. Iedereen kon dus lid worden van de SA zonder bij de Partei te horen.
In dezelfde periode begon Hugenberg's Duitse Nationale Partij ook met een politieke gevechtseenheid die hij de "Groene Hemden" noemde. Deze moesten nu ook in de SA worden opgenomen, net als de Stahlhelm omdat die op zichzelf doelloos schenen.
Ik herinner me een dag toen er zich 400 tot 500 van deze mensen in de Wilhelmstrasse verzamelden om zich in te laten schrijven bij de SA. Ik zag deze mensen uit mijn raam en merkte direct op dat er elementen bij waren die daar niet thuis hoorden. Ik liet onmiddellijk de politie komen en een controle uitvoeren. 98% van deze mannen had de lidmaatschapskaart van het Rotfront in hun zak.
De PRESIDENT: Dr. Böhm, het Tribunaal is van mening dat dit allemaal overbodig is na wat beklaagde al heeft gezegd tijdens zijn verhoor in eerste termijn. Hij heeft ons in dat verhoor een lang relaas over de SA gedaan. Hij heeft daar met wat hij nu zegt niets aan toegevoegd.
Dr. BÖHM: Volgens de Aanklager wordt beweerd dat de SA bestond uit terroristen. Ik zie het als mijn plicht deze uitspraak te corrigeren of op te helderen dor hem in dit verband te vragen ......
De PRESIDENT: Dat heeft niets te maken met wat ik net heb gezegd. Het kan zijn dat de Aanklager dat heeft gezegd. Dat heeft hij waarschijnlijk. Waar ik u op wees was dat beklaagde Göring dit onderwerp al behandeld heeft met het bewijsmateriaal dat hij heeft gegeven. Het Tribunaal wenst hetzelfde bewijsmateriaal niet tweemaal aan te horen.
Dr. BÖHM: Ja, dat kan in zekere zin op mijn eerste drie vragen slaan.
(tot de beklaagde): Ik zou u verder willen vragen op welke manier u de SA beïnvloedde met betrekking tot het Verdrag van Versailles. Vertelde u de mensen dat het Verdrag van Versailles met diplomatieke middelen of door middel van oorlog moest worden afgeschaft?
GÖRING: Deze vraag is uiterst moeilijk te beantwoorden. Als ik in 1923 een toespraak hield tot mijn SA mannen kon ik moeilijk iets over diplomatie zeggen. Ze zouden het niet hebben begrepen. De vraag was eerder heel eenvoudig: verlos ons van Versailles. De doorsnee SA man hield zich helemaal niet bezig met het hoe of wat. Dat is de taak van de leiding. Ik zei niet: "Ik beloof jullie dat er nooit oorlog komt," of dat we een puur vredelievende organisatie waren die met protesten moest proberen de wereld te verlossen van Versailles. Maar ik zei ook niet tegen hen: "Binnen enkele jaren zullen we opmarcheren en oorlog voeren." In werkelijkheid vertelde ik hen niets. Ik zei hen dat ze gehoorzaam moesten zijn en vertrouwen stellen in de leiding en wat er gedaan moest worden aan de leiding overlaten – als basisprincipe was dat correct – iedere SA man wist dat uit onze toespraken en uit het partijprogramma. Onder de hele bevolking leefde de wens – bij iedere eerbare Duitser hoop ik – verlost te worden van Versailles.
Dr. BÖHM: Volgens uw weten, en afgezien van de periode tussen 1921 en 1945, werd de SA en ook het orgaan van de SA, de leiding van de SA net als ieder afzonderlijk lid, erover ingelicht dat de NSDAP na de machtsovername van plan was andere staten te overheersen en met dat doel in gedachten oorlog te voeren, zo nodig zelfs met voorbijgaan aan de regels van oorlogvoering en de wetten van menselijkheid?
GÖRING: Ik weet niet precies hoe men zich de leiding van de SA en de SA als geheel voorstelt. Het is volkomen onmogelijk dat er iemand op zou staan en zeggen, luister, wij willen 1) alle andere staten onderwerpen en overheersen, 2) voortdurend oorlog voeren, 3) alles vernietigen en zo onmenselijk mogelijk optreden en 4) daarbij geen aandacht schenken aan welke regel dan ook. Ik kan me niet voorstellen dat iemand, anders dan een krankzinnige, zulke uitspraken tot de SA of wie dan ook had gedaan. De SA werd nooit op enige wijze politiek geïnstrueerd. Hen werd gezegd: "Morgen is er een optocht, de dag erna worden er pamfletten verspreid en dan ...., zoals ik al heb uitgelegd.
Dr. BÖHM: Tijdens de machtsovername werden er diverse excessen gepleegd van de kant van de SA. Was dit een kwestie van acties, ondernomen door afzonderlijke leden of waren deze acties in overeenstemming met instructies van de leiding van de SA?
GÖRING: In geen geval meen ik in overeenstemming met instructies van het middenkader of hogere kader van de SA. Binnen een organisatie van een miljoen jonge mensen zal er altijd een zeker percentage onruststokers zijn, zeker in de grote steden. Zoals ik al heb genoemd bevond zich er een aanzienlijk aantal onruststokers binnen de organisatie; dat er daarbij excessen plaatsvonden van de kant van individuen of groepen is nou eenmaal onvermijdelijk.
Dr. BÖHM: Stond de leiding van de SA in principe ooit individuele acties van de kant van haar leden toe?
GÖRING: Ik heb al gezegd dat ik zeer weinig te maken had met de leiding van de SA maar ik denk het niet.
Dr. BÖHM: Is het juist dat het de politie verboden was op te treden tegen excessen van de kant van afzonderlijke leden van de SA?
GÖRING: In het begin was dat zeker niet het geval. Daarmee bedoel ik dat in tegendeel, de politie opdracht had in dergelijke gevallen zeer streng op te treden en in het bijzonder de commissaris van politie in Berlijn, die geen partijlid was, Admiraal Von Levetzow, gepensioneerd, trad hier zeer streng tegen op. Dat kan denk ik zelfs de reden zijn geweest voor zijn ontslag door de Führer twee jaar later, vanwege voortdurende klachten van de Gauleiter van Berlijn, Goebbels.
Dr. BÖHM: Hoe ging dat later? Als ik u goed begrepen heb zei u dat dat in het begin niet het geval was; later moest het de politie zijn verboden zich te mengen in gevallen van excessen door leden van de SA?
GÖRING: Nee, zo moet dat niet worden uitgelegd. De politie trad altijd op tegen excessen door afzonderlijke SA leden, zover ik mij herinner. Een aantal SA mensen werd zelfs veroordeeld.
Dr. BÖHM: Werden in het Pruissische politieapparaat en in het politieapparaat van de andere provincies uitsluitend SA mensen toegelaten of was het eerder zo dat elke Duitser die zich toen vrijwillig meldde om tot de politie toe te treden werd gekeurd en op grond van het resultaat van deze keuring wel of niet werd toegelaten?
GÖRING: Er vond een zuivering van de politie plaats volgens onze ideeën, anders gezegd er werd onderzoek gedaan om te zien welke elementen zo sterk aan de partij van de tegenstander, vijandige partijen waren gebonden dat het niet langer mogelijk was hen te behouden. Deze mensen werden ontslagen. Maar dat was maar een klein percentage in verhouding tot de totale politiesterkte. Ze werden vervangen en in het bijzonder de gemeentepolitie, die uniform droeg, werd uitgebreid. Vrijwillige aanmeldingen hiervoor kwamen van alle kanten. Natuurlijk werden leden van onze eigen organisatie gedeeltelijk bevoordeeld maar er werd een aantal mensen aangetrokken die niet tot deze organisaties behoorden; zij die er vandaan kwamen moesten een proeve van geschiktheid voor de politie afleggen. Velen van hen kwamen niet door de keuring en werden afgewezen. Zo gingen de zaken zolang ik verantwoordelijk was voor de politie. Wat er later gebeurde kan ik u niet precies vertellen.
Dr. BÖHM: Is het juist dat na 1934 de SA, naast de sporttraining, regelmatig voor noodgevallen werd ingezet, langs de route staan bij optochten, sneeuw ruimen, opruimen van schade na bombardementen en zo?
GÖRING: Na 1934 nam het belang van de SA sterk af. Dat is begrijpelijk want na de machtsovername was hun belangrijkste taak weggevallen. Ze werden maximaal ingezet voor de doelen die u zojuist noemde. Tijdens de oorlog hadden ze dan paramilitaire taken en na de oorlog hadden ze een voorraad moeten vormen voor de voormalige militaire clubs zodat die zich als veteranenorganisaties bij de SA konden voegen. Dat was de bedoeling, om de SA een groter terrein van activiteiten te verschaffen.
Dr. BÖHM: Weet u dat de Stahlhelm op grond van een overeenkomst tussen de Führer en Seldte als geheel in de SA reserve werd opgenomen?
GORING: Ja.
Dr. BÖHM: Is het juist dat na 1933 de ruiterverenigingen van toen, net als de Stahlhelm, in de SA werden opgenomen op grond van de zogenaamde conformiteitsregel?
GÖRING: Ik meen dat dat juist is.
Dr. BÖHM: Werden de SA leiding en haar leden voor of na 1933 ooit geïnfomeerd over de uitkomsten van kabinetsoverleg of over beslissingen door het kabinet genomen?
GÖRING: Ik heb in mijn algemene opmerkingen over de SA al aangegeven hoe de leiding van de SA moest worden gezien. Nee, natuurlijk niet.
Dr. BÖHM: De Aanklacht vermeldt in verband met het indienen van de beschuldiging van agressieve oorlog en de deelname van de SA aan een dergelijke oorlog dat de SA deel had aan de voorbereiding daarop en dat zij voor de oorlog jaarlijks ongeveer 25.000 officieren in speciale scholen opleidde. Daar moet u zeker iets van hebben geweten.
GÖRING: Het opleiden van officieren voor de strijdkrachten gebeurde uitsluitend op de eigen militaire scholen en ik kon nooit begrijpen hoe de SA in een positie, puur vanuit technisch oogpunt en wat betreft organisatie gezien, in een positie kon verkeren om officieren voor de strijdkrachten op te leiden. Bovendien lijkt het me dat het opleiden van 25.000 officieren per jaar ver uit gaat boven het aantal dat voor de strijdkrachten nodig was. Het zou prettig zijn geweest als we er zoveel hadden gehad maar dit aantal, in elk geval over enkele jaren, is al net zo onjuist als de uitspraak dat de SA officieren moest opleiden. Het opleiden van officieren gebeurde uitsluitend en alleen door de strijdkrachten.
Dr. BÖHM: Maar er schijnen mannen te zijn opgeleid. Weet u waar deze mannen werden opgeleid en met welk doel? Weet u iets over Führerschule?
GÖRING: Ja, er bestonden Führerschule voor iedere organisatie. Elke organisatie had zijn scholen waar de mensen werden opgeleid en getraind die in het eigen kader een of andere leidende positie zouden bekleden. Ik kan me alleen maar voorstellen dat de Aanklager wellicht zaken heeft verward of misschien wilde zeggen dat sommige SA leiders een zekere pre-militarie training hadden ondergaan, kaartlezen of iets dergelijks. Daar weet ik echter niets van.
Dr. BÖHM: Mag ik u vragen het verband uit te leggen tussen de Feldhernhalle en de SA en de strijdkrachten? Bestond er een formatie, of een regiment met de naam Feldhernhalle? Wat was hier zo bijzonder aan?
GÖRING: Nadat de Führer de SS had toegestaan enkele compagniën als bewapende eenheden te vormen – en dit waren in feite militaire formaties zoals bijvoorbeeld de Leibstandarte, Gross-Deutschland en andere – verzocht de leiding van de SA om tenminste een eenheid te mogen vormen die zij konden bewapenen met geweren en kleine wapens, als parade eenheid zou ik zeggen, en deze eenheid werd de Feldhernhalle genoemd. Lutze, de toenmalige leider van de SA stelde de Führer voor mij tot hoofd van deze eenheid te benoemen. Het is een erezaak aan het hoofd van een regiment of een eenheid te staan. Toen ik deze eenheid voor de eerste keer zag – ik denk op volle sterkte bij een partijbijeenkomst in Neurenberg – was ik bijzonder tevreden want hij was samengesteld uit slechts uitzonderlijke, speciaal geselecteerde jonge mannen.
Feitelijk bedankte ik de SA vrij slecht voor deze bijzondere eer want na het zien van deze uitmuntende eenheid ontbond ik hem een paar weken later, nam hem op in de Luftwaffe en vormde er mijn eerste regiment paratroepen mee. Na een kort leven werd deze eenheid dus gewoon een formatie van de strijdkrachten, een regiment van de Luftwaffe. Vanwege deze procedure – die onplezierig voor de SA was – duurde het meen ik geruime tijd voordat Lutze besloot een soortgelijke eenheid met de naam Feldhernhalle te vormen en hij hield deze eenheid veel kleiner; ze deden bewakingsdienst voor de hoogste SA leiders en hij benoemde me niet voor de tweede keer tot hoofd van deze eenheid.
Dr. BÖHM: Volgens mijn informatie, informatie die ik zelf kreeg van SA-Gruppenführer en Obergruppenführer en andere informatie die ik kreeg door te lezen, was de Feldherrnhalle niet bewapend totdat die in de Luftwaffe werd opgenomen. Is dat juist?
GÖRING: Nee, dat is niet juist. Ik denk, maar onder ede durf ik het niet met zekerheid te zeggen, dat ze kort daarvoor wapens kregen, maar slechts geweren. Maar zoals ik al eerder zei, ik weet het niet precies.
Omdat de Aanklager dit punt ter sprake heeft gebracht wil ik er in dit verband op wijzen dat dit regiment al aangewezen was als pararegiment voor Fall Grün. Nadat Fall Gün vreedzaam was afgehandeld, anders gezegd nadat de kwestie Sudetenland vreedzaam was opgelost en lang na de bezetting van het Sudetenland, liet ik dit regiment daar afspringen en landen zoals oorspronkelijk bedoeld, maar nu slechts als oefening. Dit was de landing bij Freudenthal die de Aanklager heeft genoemd.
Toen ze tegen die tijd landden droegen ze al blauwe uniformen en vormden daarom al een regiment van de Luftwaffe. Alleen als beleefdheidsgebaar had ik SA leider Lutze uitgenodigd om deze demonstratie bij te wonen.
Dr. BÖHM: Speelde de SA in deze oorlog ooit een strategische of tactische rol in verband met de opstelling van troepen?
GÖRING: Nee, de SA als zodanig werd nooit binnen de strijdkrachten voor de strijd ingezet, tactisch noch anderszins, als SA of als SA eenheid. Het kan zijn dat tegen het einde bepaalde SA eenheden deel uitmaakten van de Volkssturm.
Dr. BÖHM: Is het juist dat de SA als geheel samenwerkte met de strijdkrachten bij de bezetting van Oostenrijk, het Sudetenland en de staat Tsjechië?
GÖRING: In het geval van Oostenrijk nam de Oostenrijkse SA, die wel aanwezig was, niet deel aan de bezetting omdat die in enkele andere plaatsen was opgeroepen als reservepolitie. In feite werd het zogenaamde Oostenrijks Legioen, dat zich in het Reich bevond, op mijn uitdrukkelijk bevel en op uitdrukkelijke wens van Seyss-Inquart lange tijd achter gehouden en kreeg pas toestemming naar huis terug te keren na volledige consolidatie van de toestand in Oostenrijk. Het Legioen kwam oorspronkelijk uit Oostenrijk. In hoeverre eenheden van de SA het Sudetenland binnentrokken nadat het gebied aan Duitsland was overgedragen, weet ik niet. Ik hoorde dat hier ook SudetenDuitsers bij waren die eerder hadden moeten vluchten en nu terugkeerden. Wat betreft de bezetting van de rest van Tsjechoslowakije kan ik me onmogelijk voorstellen dat SA eenheden enige rol speelden bij de intocht van onze troepen.
Dr. BÖHM: Konden leden van de SA mogelijk hebben geweten dat zij vanwege de bedoelingen van de leiding van de SA gebruikt werden of konden worden voor het plegen van strafbare feiten?
GÖRING: Ik heb de strekking van de vraag niet helemaal begrepen.
Dr. BÖHM: Konden leden van de SA hebben geweten dat zij vanwege de bedoelingen van de leiding van de SA wellicht gebruikt konden worden voor het plegen van misdaden?
GÖRING: Misdaden? Nooit.
Dr. BÖHM: Nu heb ik nog een laatste vraag maar ik meen dat u die in zekere zin al beantwoord heeft. Wisten de leden van de SA, konden zij weten, of hadden zij op ieder moment moeten weten van de doelen en doelstellingen van de SA zodat zij de bedoelingen van de SA leiding, of van het lagere kader konden herkennen als misdaden tegen de vrede, oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid zoals in de Aanklacht staat vermeld?
GÖRING: Dat heb ik al beantwoord.
De PRESIDENT: Ik schors de zitting voor 10 minuten.

Definitielijst

Führer
Duits woord voor leider. Hitler was gedurende zijn machtsperiode de führer van nazi-Duitsland.
Gauleiter
Leider en vertegenwoordiger van de NSDAP in een Gau.
indoctrinatie
Het, eventueel onder dwang, bijbrengen van een bepaalde mening of politieke leer. Deze dient dan verder kritiekloos te worden aanvaard.
Luftwaffe
Duitse luchtmacht.
oorlogsmisdaden
Misdaden die in oorlogstijd worden begaan. Vaak betreft het hier misdaden van militairen ten opzichte van burgers.
propaganda
Vaak misleidende informatie die gebruikt wordt om aanhangers / steun te winnen. Vaak gebruikt om ideele en politieke doelen te verwezenlijken.
regiment
Onderdeel van een divisie. Een divisie bestaat uit een aantal regimenten. Bij de landmacht van oudsher de benaming van de grootste organieke eenheid van één wapensoort.
Stahlhelm
Benaming voor de helm die Duitse militairen droegen gedurende WO II. Daarnaast was Stahlhelm een bond voor Duitse frontsoldaten uit WO I.

Pagina navigatie

Informatie

Vertaald door:
Arnold Palthe
Geplaatst op:
11-11-2008
Laatst gewijzigd:
18-04-2010
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

Categorieën


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2017
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.