Opstand en liquidatie van het getto van Warschau

Tweede fase, strijd om de bunkers

In Berlijn heerste grote ontevredenheid over de enorme moeite die het tot dusver had gekost om de opstand in het getto neer te slaan. Op 23 april 1943 vaardigde Heinrich Himmler daarom het bevel uit dat de operatie moest worden voortgezet “met grotere hardvochtigheid en onverbiddelijke hardheid”. Jürgen Stroop besloot daarop - zo valt te lezen in zijn rapport van 16 mei - “tot de totale vernietiging van het Joodse woondistrict door het laten afbranden van alle woonblokken, inclusief de woonblokken bij de wapenfabrieken. Het ene bedrijf na het ander moest worden geruimd en aansluitend door vuur vernietigd worden.” Door het platbranden van het getto, het opblazen van kelders en bunkers en het verwoesten van de straten wilde hij de Joden dwingen om hun schuilplaatsen te verlaten en de opstandelingen hun stellingen in huizencomplexen ontnemen. Er waren Joden die uit wanhoop of honger zich meldden voor deportatie, maar het merendeel van de Joden bleef ondergedoken, terwijl de Joodse strijders hun gevecht voortzetten vanuit de bunkers. Wanneer hun schuilplaatsen vanwege brand niet langer bewoonbaar waren, vluchtten de strijders naar andere stellingen. Meerdere keren organiseerde de ZOB ook evacuaties van de burgerbevolking naar veiligere onderkomens.

De strijd werd door de ZOB op een andere manier voortgezet dan gedurende de eerste fase. Voorheen hadden de gevechten zich hoofdzakelijk bovengronds afgespeeld, maar nu werd er vooral vanuit de bunkers verzet gepleegd. Hun tactiek was om wanneer de vijand aanviel deze onder vuur te nemen, terwijl een tweede groep hen vanachter aanviel via geheime uitgangen van de bunker. Hoofdzakelijk ’s nachts kwamen de gettostrijders uit hun ondergrondse schuilplaatsen om Duitse troepen te vernietigingen, wapens te veroveren en verkenningen uit te voeren. Om niet op te vallen waren de Joodse strijders meestal gekleed in Duitse uniformen en droegen ze lappen om hun voeten. Er vonden ’s nachts meerdere zware gevechten plaats. Op 25 april leden de opstandelingen het zwaarste verlies tot dusver. Een groep verkenners die probeerde om via de riolering de ‘Arische’ woonwijk te bereiken, was op een vijandelijke patrouille gestuit en de verzetsstrijders sneuvelden vervolgens tijdens een ongelijke strijd. Desondanks zetten de Joodse strijders hun nachtelijke overvallen op Duitse patrouilles voort en bleven ze proberen om in contact te komen met het Poolse verzet buiten het getto.

Op 26 april ontving het Poolse verzet aan de 'Arische' zijde waarschijnlijk het laatste rapport van het oppercommando van de ZOB. “Sedert acht dagen zijn wij al in een dodelijke strijd verwikkeld”, zo schreef men. “De Duitsers hebben talrijke verliezen geleden, de eerste twee dagen waren zij tot de aftocht gedwongen. Daarna lieten zij versterkingen aanrukken, o.a. tanks, pantserauto’s, geschut en zelfs vliegtuigen kwamen in actie voor een planmatig beleg. Onze verliezen, dus slachtoffers van fusillades en branden, waarin mannen, vrouwen en kinderen omkwamen, zijn zeer aanzienlijk. Onze laatste dagen naderen. Maar zolang wij wapens in onze handen houden, zolang zullen wij verder strijden en verzet bieden.”

De strijd woedde voort op meerdere locaties, waaronder op het terrein van de werkplaatsen waar op 20 april het eerste gevecht was losgebarsten. Meerdere bunkers werden hier op 27 april door de manschappen van Stroop veroverd. Dit lukte mede, doordat de bunkers onder water gezet werden. Ook in het gebied rond het Muranowskiplein vonden opnieuw zware gevechten plaats waarbij de Joodse strijders werden gesteund door Poolse verzetsstrijders. De strijd vond hier deels plaats buiten het getto, wat ertoe leidde dat de Duitsers veel Poolse burgers arresteerden die ervan verdacht werden dat ze betrokken waren bij het verzet in dit gebied.

Van de 26 straten in het getto stonden er op 27 april inmiddels 20 in brand. “In de straten van het getto hing een dichte, bijtende walm”, zo lezen we in een rapport van de ZOB. “In de woningen verbrandden duizenden vrouwen en kinderen levend. Uit de brandende huizen klonk afschuwelijk geschreeuw en hulpgeroep. Voor de ramen van de huizen verschenen mensen die door de vlammen gegrepen waren, als levende fakkels.” Het gebeurde vaak dat Joden uit brandende huizen de dood tegemoet sprongen. Soms probeerden ze hun val te breken door eerst matrassen op de grond te gooien. “Met gebroken botten probeerden ze dan nog via de straten in huizenblokken te kruipen die nog niet of slechts deels in vlam stonden”, aldus Jürgen Stroop. Veel Joden verkozen zelfmoord boven gevangenneming door de Duitsers die zeker zou leiden tot hun dood. Ondanks deze erbarmelijke omstandigheden hield het verzet aan en was er na twaalf dagen strijd zelfs nog sprake van enige leiding en coördinatie, alhoewel de verbindingen tussen de bunkers verslechterd waren.

In de eerste week van mei vonden meerdere belangrijke gevechten plaats met als tragisch dieptepunt voor de Joodse strijders de val van de stafbunker van de ZOB op 8 mei waarbij de leiding van de opstand omkwam. Deze ondergang verliep echter niet zonder slag of stoot. Op 1 mei besloten de Joodse strijders om overdag de Duitse troepen aan te vallen vanuit hun basis in de Nalewkistraat. Nadat enkele van hun manschappen omgekomen waren, vluchtten de Duitsers. Na korte tijd keerden ze echter weer terug en ondernamen van alle kanten een aanval op de Joodse strijders. Zonder slachtoffers trokken de Joodse strijders zich terug naar hun hoofdkwartier in de Milastraat 18.

Van 1 tot 3 mei woedde er ook een strijd om een bunker in de Fransiscanerstraat waar gevechtstroepen die elders waren verdreven samengekomen waren. Aan hun verbeten gevecht kwam een einde toen de Duitsers gas inzetten om de Joden uit hun bunker te verdrijven. Of dit daadwerkelijk gas was, valt te betwijfelen, want Stroop rapporteerde dat hij veelvuldig nevelkaarsen – een soort rookbommen – gebruikte die door de Joden werden aangezien als gas. Vanuit de Fransiscanerstraat slaagden de Duitsers er uiteindelijk niet in om Joden te deporteren. Ongeveer de helft van de Joden sneuvelde en de rest trok zich terug, onder andere naar de bunker in de Milastraat 18. Ondertussen vond er op 2 mei ook een zwaar gevecht plaats in de Stawkistraat. Ook hier konden meerdere Joden na afloop van de strijd hun toevlucht vinden naar de bunker in de Milastraat.

Van 4 tot 7 mei 1943 vonden de laatste gevechten plaats op het terrein van de werkplaatsen. Door een gebrek aan munitie, honger en de steeds hogere verliezen verzwakte het verzet, alhoewel de Joden tot in de laatste uren verbeten doorvochten. Meerdere bunkers werden uiteindelijk vernietigd door de troepen van Stroop zodat het verzet hier gestopt werd. Stroop noemde in zijn dagrapport een aantal van 49 bunkers. Naast de nederlaag op het terrein van de werkplaatsen, verloren de Joodse strijders op 7 mei ook een groep verkenners die op weg was naar de stadsdelen buiten de gettomuur. Andere Joodse strijders waren wel met succes ontkomen uit het getto en probeerden zich buiten het getto aan te sluiten bij partizanengroepen in de bossen.

Een beeld van hoe het getto er van 5 tot 7 mei uitgezien moet hebben, wordt gegeven in het volgende verslag van de Poolse politie, de zogenaamde Blaue Polizei die deel uitmaakte van de Kriminalpolizei. “Het getto ziet eruit als een massagraf. Patrouilles, bewapend met snelvurende karabijnen en mitrailleurs op de verschillende straathoeken bewaken de smeulende puinhopen der afgebrande huizen. Spiedend en angstig kijken de SS’ers uit naar de beschaduwde puinhopen of er geen schot van opzij of van achteren wordt gelost. De Joden duiken als spoken op uit de smeulende ruïnes, waar ze hun bunkers gebouwd hebben; zij hakken de zwakkere Duitse patrouilles tot de laatste man in de pan of vluchtten als schimmen dwars over de rokende puinhopen der verkoolde huizen, in de richting van de Arische wijk (…).”

Het slagveld werd gedurende de eerste tien dagen in mei steeds kleiner. De voornaamste gevechten concentreerden zich in de Mila-, Dzika-, Wolynska- en Szczesliwastraat en enkele aangrenzende straten. De belangrijkste uitvalsbases van de ZOB in dit deel van het getto bevonden zich in Milastraat 18, Nalewkistraat 35 en Fransiscanerstraat 22. In de bunker van het hoofdkwartier op de Milastraat 18 hadden de belangrijkste aanvoerders van de opstand zich verzameld. Hun bunker werd op 8 mei door de Duitsers opgespoord. De bunker werd aan alle kanten omsingeld en de Duitse troepen ondernamen vervolgens een stormaanval. Ze gooiden gasbommen of nevelkaarsen door de ingangen van de bunker naar binnen. Na zich hevig verzet te hebben, dreigden de Joodse strijders te stikken en besloten ze een einde aan hun leven te maken. Anderen kwamen om tijdens de strijd. Eén van de Joden die omkwam in de bunker in de Milastraat 18 was Mordechai Anielewicz, de aanvoerder van de opstand. Hiermee kwam aan de opstand in het getto van Warschau echter nog geen eind.

Definitielijst

getto
Grotendeels van de buitenwereld afgescheiden stadswijk voor Joden. Het aanstellen van getto's had als doel om Joden uit het dagelijkse leven te weren. Vanuit getto's konden Joden bovendien gemakkelijker gedeporteerd worden naar de concentratie- en vernietigingskampen. Ook bekend als 'Judenviertel' ofwel 'Joodse wijk'.

Pagina navigatie

Afbeeldingen


Het getto brandt.
(Bron: NARA)


Een huizenblok dat door de Duitsers in de brand gestoken is.
(Bron: NARA)


Nadat ze uit hun ondergrondse schuilplaatsen gehaald zijn, worden deze gettobewoners afgevoerd.
(Bron: NARA)


Joodse strijders geven de strijd op en komen uit hun bunkers.
(Bron: NARA)


Joden worden gedwongen om de ingang van een bunker uit te graven.
(Bron: NARA)

Informatie

Artikel door:
Kevin Prenger
Geplaatst op:
19-02-2007
Laatst gewijzigd:
26-10-2009
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

Categorieën


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2018
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.