Louis C. Gray, motordrijver tijdens operatie Overlord

Aan boord van de HDML 1383

Opleiding tot motordrijver
Ik verliet de Memento in juni 1943 en ging terug naar St. Luke. Daarvan herinner ik me nog het fameuze gezegde van de commandant: “De onderofficieren lopen rond alsof ze eigenaar zijn van deze plaats en de manschappen lopen erbij alsof het ze geen snars kan schelen van wie deze plek is.” Ik zou worden opgeleid tot motordrijver [engineman; Red.]

Het was mijn wens om zo spoedig mogelijk terug te gaan naar zee, maar ik werd naar ‘Thornicroft’ gestuurd (vandaag de dag bekend onder de naam VT Group plc) in Reading voor een zesmaandse cursus over dieselmotoren. Ik hield van de lucht van de motorolie en van de creatieve manier om van stukken ruw metaal mooie en glanzende machineonderdelen te maken.

Aan het eind van de cursus werd ik tot mijn grote voldoening overgeplaatst van de Patrouilledienst naar de Light Coastal Forces op een gloednieuwe motorboot die op dat moment gebouwd werd in Brightlingsea.

Mijn kennismaking met HDML 1383
Ik ontmoette mijn commanding officer, luitenant B. Kington, RNVR (Royal Naval Volunteer Reserve), in Londen en we reisden samen af naar de scheepswerf waar we voor het eerst de HDML 1383 zagen. Wat een verschil met de HMS Memento!

Goed georganiseerde schuit
Voor eens in de geschiedenis van de marine werd er aan de accommodatie gedacht. Het bemanningenverblijf was in de vooruit, evenals de galley [kombuis. Red.], met een benedendekse verbinding naar het afgesloten stuurhuis.

Achter het stuurhuis was een open brug waarvandaan één luik toegang bood tot de machinekamer en een ander luik naar de achterverblijven leidde. Daar bevonden zich een hut met eigen toilet die ik met de koksmaat moest delen. Op het achterdek bevond zich de radiohut en daarachter het officiersverblijf.

Goed uitgemonsterd
Als een begeleidingsvaartuig waren we behoorlijk goed uitgemonsterd. De 20mm Oerlikon op het achterschip was een schitterend stuk geschut. De twee rekken met dieptebommen zagen er doeltreffend uit maar we hebben ze nooit hoeven te gebruiken. Op de open brug stonden op elke vleugel een dubbelloops Vickers .303 machinegeweer.

Op de voorplecht hadden we oorspronkelijk een drieponder kanon van waaruit de granaat soms gierend over de horizon verdween en andere keren angstwekkend dicht voor de boeg uit de loop tuimelde. Op een keer werd die vervangen door nog een Oerlikon waardoor we veel effectiever werden. In mijn jaren op zee heb ik nog nooit een wapen afgevuurd noch werd ik ooit getroffen.

Minimaal zeemanschap
De bemanning was typisch voor hetgeen men doorgaans aantrof op de kleine schepen. De meerderheid was in haar latere tienerjaren of net aan twintig. Plus nog één of twee oudere kerels, maar welhaast geen enkele had zeebenen.

Onze commandant, die bij ons bekend stond als Bert, was een rustige, beheerste man die bij de BBC werkte voor de oorlog. De eerste officier, sub-lieutenant De Nobriga, NRVR, onvermijdelijk bekend als Nobby, kwam recht van de universiteit.

Hij was jong en belust op actie en op nieuwe ervaringen en we werden, zo goed en zo kwaad als de omstandigheden dat toelieten, vrienden. Aan het eind van onze diensttijd en na de demobilisatie kwam hij me in Londen thuis nog eens opzoeken in een glanzende rode sportauto en we haalden onze vriendschap nog eens op.

De koksmaat, Ernie Knott, was een straatjongen uit het East End in Londen en met zijn 34 jaar de oudste aan boord. Hij was in het bezit van een aantal gevleugelde uitdrukkingen die de neiging hadden je bij te blijven naast een filosofie van de kouwe grond die de jongere bemanningsleden nog wel eens verbijsterd deed staan. Ik haal aan: “Een staande pik heeft geen geweten”. Hetgeen van toepassing leek op de zeeman van de Memento, waarover ik eerder verhaalde.

Een bonte mengeling
De stokers, seiners, kok, dekhengsten en kanonniers waren geen van allen ouder dan begin twintig. Eén van hen, die Tich genoemd werd, had het gezicht en het uiterlijk van een jochie maar wel één met de streken van een volwassene, hetgeen hem bij de meisjes groot succes opleverde.

Een andere zeeman was winkelbediende geweest voor hij bij de marine kwam, waar hij een natuurlijk talent bleek te bezitten voor wapens. Met de 20mm Oerlikon was hij een trefzekere schutter en tenzij hij met geweld werd weerhouden, kon hij op elk willekeurig moment een fladderende zeemeeuw uit de lucht knallen alsof hij een vlieg doodsloeg met een vliegenmepper.

Hij was ook nog een uitzondering in de zin van: “Waar rook is is vuur.” Hij was een ongelooflijke leugenaar die voor geen enkele onwaarheid terugdeinsde, of dat nu ergens toe leidde of niet. Alles wat hij daar ooit wijzer van werd, waren de afstraffingen die hij kreeg.

Een ongebruikelijke gave
Eén van mijn stokers*, een betrouwbare en competente vakman, recht uit een fabriek in Manchester, was verloofd met een meisje uit zijn buurt. Toen hij hoorde dat we een paar dagen in de haven zouden blijven, regelde hij een bezoekje aan boord voor haar.

Terwijl hij aan wal ging werd er wild gespeculeerd in de messroom over de manier waarop hij haar zou kunnen blijven behouden in zo’n godverlaten plek. Hij ontzenuwde prompt elke afweging door spiernaakt van het galjoen [= de wc; Red.] te komen en zijn indrukwekkend geschapen lid te tonen. Het was werkelijk een opvallend geval.

Maar genoeg! Ze kwamen uit elke hoek van de samenleving, allen met hun eigen goede en kwade eigenschappen en hun eigen morele opvattingen, maar voor de marine waren ze allemaal doodgewoon: varensgasten.

[* Ondanks het feit dat het schip was uitgerust met dieselmotoren bleef de rang “stoker” toch bestaan bij de Royal Navy; waarschijnlijk het best te vertalen als “olieman”. Red.]

Genieten van verplicht walverlof
In januari van 1944 voerden we een testvaart uit waarbij de verse bemanning zich moest inwerken op het nieuwe schip. We volgden de gehele oostkust waarbij we zulke zware winterstormen meemaakten dat we diverse keren moesten schuilen in verschillende havens.

We lagen in Hartlepool waar we tijdens het passagieren de allergrootste danszaal aantroffen die ik ooit van mijn leven gezien had. Bij het stappen ging de bemanning doorgaans als één groep de wal op, met uitzondering van de wachtdienst, en we gingen meestal naar de plaatselijke danszaal op zoek naar gezelschap.

We liepen Tyne binnen om te schuilen en ik was in de gelegenheid om vrienden op te zoeken die ik al jaren niet gezien had. In de Firth of Forth lagen we verschillende dagen vast door een storm en werd ik in de gelegenheid gesteld om familiebanden aan te halen met een oom en tante. De discipline op de kleinere schepen was altijd een stuk minder streng en ik was daardoor in de gelegenheid om mijn dagelijkse rantsoen rum op te sparen in een fles die ik aan mijn oom bracht, die begon te stralen toen ik hem mijn vuurwater aanbood.

Boodschap in een pak tabak
Ik nam de gelegenheid te baat om te schuilen voor de allerkoudste oostenwind die ik ooit had meegemaakt en begaf me naar Paisley om Marion op te zoeken. Een jongedame wier adres en pasfoto ik had aangetroffen in een pakje ‘Dobie’s Four Square’ pijptabak. Dit was iets dat geregeld werd gedaan door meisjes die in de fabriek werkten waar belastingvrije artikelen voor de strijdkrachten werden vervaardigd.

Dit was een onschuldige bezigheid die een lichtstraaltje bracht in het leven van menig zeeman en het was tevens illustratief voor een tijd waarin allerlei soorten van mensen uitkeken naar een vriendschap met behoefte aan een contact in wat toch wel zeer onzekere tijden genoemd konden worden. Ik werd uitgenodigd voor een etentje met Marions familie en ging nog een keertje terug, maar zoals het zeelui betaamt, uiteindelijk trokken we weer het zeegat uit.

Poederkoffie en Schotse zondagen
We voeren weg uit Leith maar werden al spoedig de haven van Buckie in gedreven om te schuilen, waar we voor het eerst kennis konden maken met de absolute en vervelende saaiheid van een Schotse zondag. We voeren verder naar Inverness en in plaats van het geweld van het tij in de Pentland Firth te trotseren, namen we het Caledonische Kanaal om door te steken naar de westkust.

In een kleine winkel halverwege het kanaal kwam ik voor het eerst in mijn leven in aanraking met Nescafé oploskoffie. Ik genoot van het volgende stuk van de reis want we lagen een paar dagen in Oban. Daarna koersten we zuid naar Falmouth.

Definitielijst

kanon
ook bekend als Kanone (Du) en Gun (En). Wordt vaak gebruikt om allerlei geschut aan te duiden. Eigenlijk slaat de term op vlakbaan geschut. Wordt gekenmerkt door een langere loop en grotere dracht.

Pagina navigatie

Informatie

Vertaald door:
Fred Bolle
Artikel door:
Louis C. Gray
Geplaatst op:
10-01-2007
Laatst gewijzigd:
31-12-2011
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

Categorieën


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2018
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.