Verhoor Karl Dönitz 2

Ochtendzitting I 09-05-1946

Inhoudsopgave

(Beklaagde Dönitz neemt weer plaats in de getuigenbank.)
Dr. KRANZBÜHLER: Met toestemming van het Tribunaal zal ik het verhoor van deze getuige voortzetten.
(hij wendt zich tot de getuige.) Admiraal, hoeveel koopvaarders zijn er tijdens de oorlog door Duitse U-boten tot zinken gebracht?
DÖNITZ: Volgens cijfers van de Geallieerden, 2.472.
Dr. KRANZBÜHLER: Hoeveel gevechtsacties waren volgens uw schatting hiervoor nodig?
DÖNITZ: Ik meen dat getorpedeerde schepen niet meegeteld zijn in dit aantal van 2.472 gezonken schepen; en natuurlijk leidt niet iedere aanval tot een succes. Ik schat dat er in 5½ jaar ongeveer 5.000 of 6.000 acties werkelijk hebben plaatsgevonden.
Dr. KRANZBÜHLER: Heeft een van de aan u ondergeschikte U-bootcommandanten in de loop van al deze acties ooit bezwaar gemaakt tegen de manier waarop de U-boten opereerden?
DÖNITZ: Nee, nooit.
Dr. KRANZBÜHLER: Wat zou u hebben gedaan met een commandant die de instructies voor de U-boot oorlog weigerde op te volgen?
DÖNITZ: Eerst zou ik hem laten onderzoeken; als dan bleek dat hij normaal was zou ik hem voor een krijgsraad laten brengen.
Dr. KRANZBÜHLER: U zou dat alleen maar met een zuiver geweten hebben kunnen doen wanneer u zelf de volledige verantwoordelijkheid op u nam voor alle bevelen die u uitgaf of doorgaf?
DÖNITZ: Natuurlijk.
Dr. KRANZBÜHLER: Tijdens gevechten met U-boten verloren bemanningen van koopvaardijschepen ongetwijfeld het leven. Beschouwde u bemanningen van vijandelijke koopvaarders als soldaten of als burgers en waarom?
DÖNITZ: Duitsland beschouwde de bemanningen van koopvaarders als strijdende partij want ze vochten met de wapens die in grote getale aan boord van de koopvaarders waren geplaatst. Volgens onze informatie waren er een of twee leden van de Royal Navy aan boord voor het onderhoud van deze wapens maar waar het de wapens zelf betrof, de rest van de schutters maakte deel uit van de bemanning van het schip.
Dr. KRANZBÜHLER: Hoeveel waren er per wapen?
DÖNITZ: Dat hing af van het formaat van het wapen, misschien tussen de vijf en tien. Bovendien waren er mannen voor de munitie. Hetzelfde gold voor het onderhoud van lanceerinstallaties voor dieptebommen.
In feite vochten de bemanningsleden met de wapens net als die paar militairen die aan boord waren. Het sprak ook vanzelf dat de bemanning als een geheel werd beschouwd, want in een oorlogsschip kunnen we geen onderscheid maken tussen de man in de machinekamer en de man die aan dek het wapen bedient.
Dr. KRANZBÜHLER: Was dit standpunt, dat bemanningsleden van vijandelijke koopvaarders als combattanten werden beschouwd, van enige invloed op de vraag of zij wel of niet gered konden of moesten worden? Of had dat helemaal geen invloed?
DÖNITZ: Nee, op geen enkele manier. Natuurlijk heeft iedere soldaat het recht gered te worden als de situatie van zijn tegenstander dat toelaat. Maar dit feit moet ook van invloed zijn op het recht om de bemanning aan te vallen.
Dr. KRANZBÜHLER: Bedoelt u dat zij bestreden konden worden zolang zij zich aan boord van het schip bevonden?
DÖNITZ: Ja, er kan nergens anders sprake van zijn -dat betekent bevochten met de wapens die gebruikt worden voor een aanval op een schip als onderdeel van oorlog op zee.
Dr. KRANZBÜHLER: U weet dat de Aanklager een document heeft ingediend betreffende een gesprek tussen Adolf Hitler en de Japanse Ambassadeur Oshima. Dit gesprek vond plaats op 3 januari 1942. Het is Bewijsstuk GB-197 op pagina 34 van het Documentenboek van de Aanklager. In dit document belooft Hitler de Japanse Ambassadeur dat hij een bevel zal uitvaardigen dat schipbreukelingen moeten worden gedood en de Aanklager concludeert uit dit document dat Hitler werkelijk een dergelijke order heeft gegeven en dat die order door u werd uitgevoerd?
Heeft u, direct of via de Staf Marineoperaties een schriftelijke order van deze aard ontvangen?
DÖNITZ: Ik hoorde het eerst over dit gesprek en de inhoud ervan toen het verslag hier werd ingediend.
Dr. KRANZBÜHLER: Admiraal, mag ik u verzoeken mijn vraag te beantwoorden? Ik vroeg, hebt u een schriftelijke order ontvangen?
DÖNITZ: Nee, ik heb noch een schriftelijke, noch een mondelinge order ontvangen. Ik wist helemaal niets van dit gesprek; ik heb er van gehoord uit het document dat ik hier heb gezien.
Dr. KRANZBÜHLER: Wanneer ontmoette u Hitler voor het eerst na het tijdstip van dit gesprek, dat wil zeggen, januari 1942?
DÖNITZ: Samen met Grossadmiral Raeder was ik op 14 mei 1942 op het hoofdkwartier en heb hem ingelicht over de situatie van de U-boot campagne.
Dr. KRANZBÜHLER: Er bestaat een notitie, door u geschreven, over dit gesprek met de Führer en ik wil die onder uw aandacht brengen. Het is Dönitz-16, te vinden op pagina 29 van Documentenboek nr 1. Ik dien Document Dönitz-16 in. Ik zal het u voorlezen. De aanhef luidt:
"Verslag van de Commandant U-boten aan de Führer op 14 mei 1942 in aanwezigheid van de Oberbefehlshaber der Kriegsmarine" –dat is Grossadmiral Raeder-:
"Het is daarom noodzakelijk de bewapening van de U-boten op alle mogelijke manieren te verbeteren zodat de U-boten gelijke tred kunnen houden met de defensieve maatregelen. De belangrijkste ontwikkeling is de magnetische torpedo die de nauwkeurigheid kan verbeteren wanneer ze worden gelanceerd tegen destroyers en daarmee de U-boot in een betere positie brengen met betrekking tot haar verdediging; dat zou bovendien het zinken van getorpedeerde schepen aanzienlijk versnellen waardoor we zuiniger om kunnen gaan met torpedo's en de U-boot ook beschermen tegen tegenmaatregelen, in zoverre dat die dan in staat zou zijn het strijdtoneel sneller te verlaten."
En nu de beslissende zin:
"Een magnetische ontsteking zal ook het grote voordeel hebben dat de bemanning niet in staat zal zijn zich in veiligheid te brengen vanwege het snelle zinken van het getorpedeerde schip. Dit grotere verlies aan mensenlevens zal ongetwijfeld problemen veroorzaken bij de toewijzing van bemanningen aan het grote bouwprogramma van de Amerikanen."
Impliceert deze laatste zin, die ik u voorlas, datgene waarnaar u net verwees als het met wapens bestrijden van de bemanning?
De PRESIDENT: U schijnt belang te hechten aan dit document. Daarom moet u beklaagde niet verleiden tot het doen van bepaalde uitspraken. U moet beklaagde vragen wat dit document betekent en er niet uw eigen mening over geven.
Dr. KRANZBÜHLER: Admiraal, wat betekenden deze uitlatingen?
DÖNITZ: Ze betekenen dat het belangrijk voor ons was, als gevolg van het gesprek met de Führer op het hoofdkwartier, een goede magnetische ontsteker te vinden die zou leiden tot een sneller zinken van schepen en daardoor de resultaten te behalen die in dit verslag in het oorlogsdagboek staan.
Dr. KRANZBÜHLER: Kunt u mij vertellen welke successen u hiermee bedoelt, voor zover het de bemanningen betreft?
DÖNITZ: Ik bedoel dat we niet zoals voorheen meerdere torpedo's nodig hadden om eem schip tijdens een lange en moeilijke aanval tot zinken te brengen maar slechts een torpedo, of maar erg weinig zouden voldoende zijn voor een snel ten onder gaan van schip en bemanning.
Dr. KRANZBÜHLER: Hebt u tijdens dit gesprek met de Führer de vraag aangeroerd ....
DÖNITZ: Ja.
Dr. KRANZBÜHLER: Een moment –de vraag of er in andere methoden was voorzien om verlies van mensenlevens onder de bemanning te veroozaken?
DÖNITZ: Ja.
Dr. KRANZBÜHLER: Op welke manier en door wie?
DÖNITZ: De Führer bracht het feit ter sprake dat op grond van de ervaringen, een groot percentage van de bemanningen, dankzij de uitstekende reddingsmiddelen naar huis terugkeerden en steeds opnieuw weer werden ingezet om nieuwe schepen te bemannen en hij vroeg of er niet een of andere actie kon worden ondernomen tegen deze reddingsschepen.
Dr. KRANZBÜHLER: Wat bedoelt u met actie ondernemen?
DÖNITZ: Bij dit gesprek, waaraan Grossadmiral Raeder deelnam, heb ik dit resoluut van de hand gewezen en hem verteld dat de enige mogelijkheid verliezen onder de bemanning te veroorzaken in de aanval zelf moest liggen, in het streven een schip sneller te laten zinken door het grotere effect van wapens. Vandaar die opmerking in mijn dagboek. Omdat ik via de Aanklager kennis heb genomen van dit gesprek tussen de Führer en Oshima geloof ik dat deze vraag van de Führer aan Grossadmiral Raeder en mij uit dit gesprek ontstond.
Dr. KRANZBÜHLER: Er bestaat een beëdigde verklaring van Grossadmirral Raeder over dit gespek. U kent de inhoud. Komt die inhoud overeen met uw herinnering aan dit gesprek?
DÖNITZ: Ja, volkomen.
Dr. KRANZBÜHLER: Dan wil ik bij het Tribunaal indienen, als Dönitz-17, de beëdigde verklaring van Grossadmiral Raeder; omdat die dezelfde inhoud heeft kan ik er van afzien hem voor te lezen.
SIR DAVID MAXWELL-FYFE: Ik stond op het punt te zeggen, in het geval dat dit het Tribunaal kan helpen. Ik begrijp dat Beklaagde Raeder straks in de getuigenbank plaats neemt; daarom maak ik geen formeel bezwaar tegen het indienen van deze verklaring.
De PRESIDENT: Prima.
Dr. KRANZBÜHLER: Hij heeft nummer Dönitz-17 en is te vinden op pagina 33 van Documentenboek 1.
(hij wendt zich tot de getuige) U zei net dat u het voorgenomen doden van overlevenden in reddingsboten afwees en dit tegenover de Führer hebt verklaard. De Aanklager heeft echter twee documenten voorgelegd, een bevel uit de winter van 1939-40 en een tweede order uit de herfst van 1942 waarin u reddingspogingen beperkte of verbood. Is er geen tegenstrijdigheid tussen die orders en uw houding ten opzichte van het voorstel van de Führer?
DÖNITZ: Nee. Deze twee zaken hebben niets met elkaar te maken. Men moet hier een heel duidelijk onderscheid maken tussen de vraag: redden of niet redden, en dat is een kwestie van militaire mogelijkheden. In oorlog kan de noodzaak van het afzien van redding heel goed ontstaan. Bijvoorbeeld, wanneer het eigen schip daardoor gevaar loopt zou het vanuit militair standpunt bezien verkeerd zijn en daarnaast niet van enig nut voor degene die gered wordt; en van geen enkele commandant van welke natie dan ook kan worden verwacht een reddingsactie te ondernemen waarbij zijn eigen schip gevaar loopt. De Britse Marine neemt in dit verband een heel duidelijk, ondubbelzinnig standpunt in: in dergelijke gevallen moet van redding worden afgezien; en dat volgt ook uit hun acties en bevelen. Dat is één punt.
Dr. KRANZBÜHLER: Admiraal, u had het alleen over de veiligheid van de boot als reden om geen redding te ondernemen.
DÖNITZ: Er kunnen natuurlijk andere redenen zijn. Het is bijvoorbeeld duidelijk dat in oorlogstijd het volbrengen van de missie het allerbelangrijkste is. Niemand zal bijvoorbeeld aan een redding beginnen wanneer er na het verslaan van één tegenstander nog een andere in de buurt is. Dan is natuurlijk het bestrijden van de tweede tegenstander belangrijker dan de redding van diegenen die hun schip al verloren hebben. De andere kwestie betreft het aanvallen van schipbreukelingen en dat is ....
Dr. KRANZBÜHLER: Admiraal, wie noemt u schipbreukelingen?
DÖNITZ: Schipbreukelingen zijn bemanningsleden die na het zinken van hun schip niet langer tot vechten in staat zijn en die zich in sloepen of op andere reddingsmiddelen in het water bevinden.
Dr. KRANZBÜHLER: Ja.
DÖNITZ: Het onder vuur nemen van deze mensen is een zaak die te maken heeft met de ethiek van oorlog voeren en moet onder alle omstandigheden worden afgewezen. Bij de Duitse Marine en het U-boot wapen is, volgens mijn stellige overtuiging, nooit tegen dit principe gezondigd, met die ene uitzondering: het geval Eck. Er is over dit onderwerp nooit enig bevel in welke vorm dan ook gegeven.
Dr. KRANZBÜHLER: Ik wil uw aandacht vestigen op een van de orders die door de Aanklager is ingediend. Het is uw Staande Oorlogsorder nummer 174; bewijsstuk GB-196 en die staat in mijn documentenboek op pagina 13 tot 15. Ik zal u dit bevel laten geven en ik vraag u naar de laatste alinea te gaan, die door de Aanklager is voorgelezen. Er staat daar, en ik lees het nogmaals voor:
"Redt niemand; neem niemand mee en zorg voor geen enkele sloep van het schip. Weersomstandigheden en de nabijheid van land zijn niet van belang. Houdt u zich alleen bezig met de veiligheid van uw eigen boot en uw pogingen zo snel mogelijk meerdere successen te behalen. We moeten in deze oorlog hard zijn. De vijand is deze oorlog begonnen om ons te vernietigen en dus is niets anders van belang."
De Aanklager heeft beweerd dat deze order, volgens hun gegevens, is uitgevaardigd voor mei 1940. Kunt u voor zover u weet de datum iets nauwkeuriger aangeven?
DÖNITZ: Volgens mijn herinnnering heb ik deze order eind november of begin december 1939 uitgevaardigd om de volgende reden: ik had elke maand slechts een handjevol U-boten ter beschikking. Om dit kleine aantal doeltreffend te kunnen inzetten moest ik de boten dicht onder de Engelse kust sturen, voor de havens. Bovendien bleek de magnetische mijn een zeer waardevol oorlogswapen te zijn. Daarom rustte ik deze boten zowel met mijnen als met torpedo's uit en dirigeerde ze, nadat de mijnen waren gelegd, naar wateren vlak onder de kust, direct buiten de havens. Daar vochten ze constant en werden voortdurend bewaakt door marine eenheden en luchtpatrouilles. Elke keer dat daar een U-boot werd gezien of gesignaleerd werd die opgejaagd door anti-duikbooteenheden of luchtpatrouilles die naar het gebied waren gestuurd.
De U-boten zelf hadden vrijwel zonder uitzondering of uitsluitend schepen als doel die werden begeleid of die onder een of andere vorm van bescherming voeren. Daarom zou het voor een U-boot zelfmoord geweest zijn in een dergelijke situatie boven water te komen en een reddingsactie te ondernemen. De commandanten waren allemaal erg jong; ik was de enige met ervaring uit de Eerste Wereldoorlog. En ik moest ze dit duidelijk en helder vertellen want het was voor een jonge commandant moeilijk, een situatie net zo goed in te schatten als ik.
Dr. KRANZBÜHLER: Speelden ervaringen met reddingsmaatregelen hier al een rol bij?
DÖNITZ: Ja, in de eerste maanden van de oorlog had ik erg slechte ervaringen. Ik leed zeer grote verliezen in wateren ver van iedere kust en omdat ik al vrij snel berichten van het Rode Kruis in Genève kreeg dat veel bemanningsleden waren gered was het duidelijk dat deze U-boten aan de oppervlakte verloren waren gegaan. Als die onder water verloren waren gegaan zouden zoveel bemanningsleden het onmogelijk kunnen hebben overleefd. Ik kreeg ook berichten dat er zeer onbaatzuchtige reddingsacties waren ondernomen; vanuit menselijk oogpunt volkomen gerechtvaardigd maar militair gezien zeer gevaarlijk voor de U-boten. Ik moest dus natuurlijk, omdat ik niet op open zee wilde vechten maar dicht bij de havens of de vaarroutes die naar die havens leidden, de U-boten waarschuwen voor de grote gevaren, in feite voor zelfmoord.
En om een paralel te trekken: Engelse duikboten in de wateren rond Jutland die wij beheersten, toonden vanzelfsprekend en volkomen gerechtvaardigd geen enkel medeleven voor al die schipbreukelingen, zelfs hoewel onze defensie slechts een fractie was van de Britse.
Dr. KRANZBÜHLER: U zegt dat deze order gold voor U-boten die opereerden in de onmiddellijke nabijheid van de verdediging van de vijand. Kunt u, op grond van de order zelf, dat bewijzen?
DÖNITZ: Ja, de hele order betreft, of veronderstelt, de aanwezigheid van de vijandelijke defensie; hij betreft de strijd tegen de konvooien. Er staat bijvoorbeeld: "Nabijheid is ook de beste garantie voor de boot ...
Dr. KRANZBÜHLER: Welk nummer leest u nu voor?
DÖNITZ: Nou, de order is zodanig geformuleerd dat nummer 1 allereerst het varen zelf betreft, niet de strijd. Maar de waarschuwing voor vijandelijke luchtverdediging wordt daar ook gegeven en in de waarschuwing voor tegenmaatregelen wordt duidelijk gemaakt dat het hier uitsluitend om uitgaand scheepvaartverkeer gaat. Anders zou ik zeker geen order hebben gegeven die het varen betreft. Nummer 2 betreft de tijd voorafgaande aan de aanval. Hier wordt melding gemaakt van morele remmingen die iedere soldaat voor een aanval moet overwinnen.
Dr. KRANZBÜHLER: Admiraal, u hoeft alleen maar te verwijzen naar de nummers die aangeven dat de order het bestrijden van de vijandelijke verdediging betreft.
DÖNITZ: Goed. Dan citeer ik uit 2(d). Er staat hier: "Nabijheid is ook de beste garantie voor de boot ..."
"Als u in de buurt van de schepen bent" –bedoeld zijn de koopvaarders- "dan zullen de begeleidende schepen" –bedoeld zijn de destroyers- "in eerste instantie helemaal geen dieptebommen lanceren. Als men van korte afstand op een konvooi lanceert" -merk op dat het hier om konvooien gaat- "en dan gedwongen wordt onder water te gaan, kan men het snelst onder andere schepen in het konvooi duiken om zo van aanvallen met dieptebommen verschoond te blijven."
Dan staat in de volgende alinea, die de nachtelijke omstandigheden betreft: "Blijf boven water. Trek u boven water terug. Vaar er omheen naar de achterzijde."
Iedere zeeman weet dat men in een cirkel vaart of achter de beschermende vijandelijke schepen langs gaat. Verderop, in de derde alinea, waarschuw ik voor te vroeg duiken, want het beneemt de U-boot het zicht en ik zeg:
"Alleen dan doet de gelegenheid voor een nieuwe aanval zich voor, of voor het ontdekken van een opening waardoor men de achtervolgende vijand kan afschudden." Dan nummer "c", dat is "3(c)" en daar staat:
"Tijdens een aanval op een konvooi moet men misschien tot 20 meter duiken om aan patrouilleschepen of vliegtuigen te ontsnappen en om het gevaar van gezien of geramd worden te voorkomen." We hebben het hier over een konvooi. Nu komen we aan punt "d" toe en daar staat:
"Het kan noodzakelijk zijn dieper te duiken wanneer bijvoorbeeld de destroyer direct in de richting van de periscoop vaart ....."
En dan volgen er instructies hoe te handelen in geval van een dieptebomaanval. De hele order betreft duidelijk ...
De PRESIDENT: Ik denk dat het niet nodig is om op al deze militaire tactieken in te gaan, Hij heeft zijn punt gemaakt bij alinea "e". Hij heeft zijn uitleg van die alinea gegeven en ik denk niet dat het nodig is om op al deze andere tactieken in te gaan.
DÖNITZ: Ik wil alleen maar zeggen dat de laatste alinea over het niet redden niet als op zichzelf staand beschouwd moet worden maar in dit verband: Allereerst, de U-boten moesten vechten in de nabijheid van de vijandelijke verdediging, bij de Engelse havens en zeearmen; ten tweede, de doelen waren schepen in konvooi, of beschermde schepen zoals duidelijk uit het totale document blijkt.
Dr. KRANZBÜHLER: U zei dat deze order rond december 1939 werd uitgevaardigd. Hebben de Duitse U-boten nadat deze order was uitgevaardigd echt hun reddingsacties voortgezet? Welke ervaringen had u?
DÖNITZ: Ik zei dat dit bevel tot dit speciale doel werd uitgevaardigd tijdens de wintermaanden. Want voor de U-boten die, voor zover ik mij herinner, pas na de campagne tegen Noorwegen weer naar de Atlantische Oceaan gingen, voor die U-boten gold dat algemene bevel tot redding; en dit bevel was maar op een manier te rechtvaardigen namelijk dat er geen reddingsactie mocht worden ondernomen als de veiligheid van de U-boot het niet toeliet. De feiten bewijzen dat de U-boten op die manier handelden.
Dr. KRANZBÜHLER: U bedoelt dat u rapporten van U-bootcommandanten kreeg over reddingsacties?
DÖNITZ: Ik kreeg die rapporten zo gauw een U-boot binnenliep en vervolgens uit de logboeken.
Dr. KRANZBÜHLER: Wanneer werd het bevel waarover we het net gehad hebben formeel ingetrokken?
DÖNITZ: Voor zover ik weet werd dit bevel door de Engelsen buitgemaakt of geborgen uit de U-13 die in erg ondiep water in de Downs bij de monding van de Thames door dieptebommen tot zinken was gebracht. Voor deze boot had de order in mei 1940 nog kunnen gelden. Daarna, in 1940, na de campagne tegen Noorwegen, maakte ik de open wateren van de Atlantische Oceaan weer tot het centrale operatiegebied en voor die boten gold het bevel niet, zoals wordt bewezen door het feit dat er reddingsacties plaats vonden, zoals ik net heb uitgelegd.
Ik trok daarna het bevel helemaal in want het bevatte de eerste praktische instructies hoe de U-boten moesten handelen tegen konvooien en later was dat niet meer nodig, want tegen die tijd was het voor de U-bootcommandanten routine geworden. Volgens mijn herinnering werd het bevel in november 1940 op zijn laatst geheel ingetrokken.
Dr. KRANZBÜHLER: Admiraal, ik heb hier de inhoudsopgave van de “Staande Oorlogsorders van 1942” en dat kan worden gevonden op pagina 16 van Documentenboek nummer 1. Ik dien het in onder nummer Dönitz-11. In deze inhoudsopgave is nummer 154, dat handelt over het bevel dat we zojuist hebben besproken, leeg. Betekent dit dat dit bevel niet langer meer bestond toen de “Staande Oorlogsorders van 1942” werden uitgegeven?
DÖNITZ: Ja, tegen die tijd had dat allang opgehouden te bestaan.
Dr. KRANZBÜHLER: Wanneer werden de Staande Orders voor het jaar 1942 opgesteld? DÖNITZ: In de loop van 1941.
Dr. KRANZBÜHLER: Wanneer u van commandanten rapporten kreeg over reddingsacties, maakte u bezwaar tegen deze acties, bekritiseerde u die of verbood u die?
DÖNITZ: Nee, in het algemeen niet; alleen als ik me er teveel zorgen over maakte. Zo kreeg ik bijvoorbeeld een rapport van een commandant waarin hij meldde dat zijn boot zwaar was aangevallen met dieptebommen en ernstig beschadigd was door de escorteurs omdat hij te lang bij de reddingssloepen was gebleven en daarom was achtervolgd door de escorteurs die waarschijnlijk –of blijkbaar- per radio waren opgeroepen. Dit alles zou niet zijn gebeurd wanneer hij het gebied op tijd had verlaten en natuurlijk maakte ik hem dan duidelijk dat zijn actie vanuit militair oogpunt bezien verkeerd was. Ik ben er ook van overtuigd dat ik juist door reddingsacties boten heb verloren. Dat kan ik natuurlijk niet bewijzen want de boten zijn verloren gegaan. Maar dat is helemaal de mentaliteit van de commandant en dat is volkomen natuurlijk want iedere zeeman heeft uit de dagen van vrede het standpunt overgehouden dat redding de meest eervolle en edele actie is die hij kan ondernemen. En ik meen dat er geen enkele officier bij de Kriegsmarine is, en dat geldt ongetwijfeld voor alle andere landen, die bijvoorbeeld een medaille voor een redding, een redding met gevaar voor eigen persoon, als de hoogste onderscheiding in vredestijd beschouwt. Gezien deze elementaire opvatting is het altijd erg gevaarlijk om niet over te schakelen naar een oorlogsvisie en naar het principe dat de veiligheid van het eigen schip bovenaan staat en dat oorlog per slot van rekening een ernstige zaak is.
Dr. KRANZBÜHLER: In welke jaren werd hetgeen wat u net hebt beschreven in praktijk gebracht, dat U-boten geen reddingsacties ondernamen wanneer zij daardoor zichzelf in gevaar zouden brengen?
DÖNITZ: In 1940, dat wil zeggen, tegen eind 1939 was de econmische oorlogvoering onderhevig aan het Reglement Oorlogsbuit voor zover U-boten nog individueel opereerden. Toen kwamen de operaties van 1939-40, dicht onder de vijandelijke kust zoals ik heb beschreven; order nummer 154 gold voor die operaties. Daarna kwam de campagne tegen Noorwegen en daarna, toen de U-bootoorlog in het voorjaar van 1940 werd hervat, gold het bevel: redden of niet-redden als de U-boot zelf in gevaar kwam voor de jaren 1940, 1941 en 1942 tot aan de herfst.
Dr. KRANZBÜHLER: Was die order schriftelijk?
DÖNITZ: Nee, dat was niet nodig want het algemene bevel tot redding was vanzelfsprekend en daarnaast stond het aan het begin van de oorlog in bepaalde orders van de Staf Marineoperaties. De bepaling betreffende het niet-redden wanneer de veiligheid van de boot in het geding is, is voor iedere marine vanzelfsprekend en ik heb daar speciaal op gewezen in mijn rapporten over de gevallen die ik net heb besproken.
Dr. KRANZBÜHLER: In juni 1942 was er een bevel voor het redden van kapiteins. Dit heeft nummer Dönitz-22; neem me niet kwalijk, het is Dönitz-23 en staat op pagina 45 van Documentenboek 1 en dat dien ik bij deze in. Het is een uittreksel uit het oorlogsdagboek van de Staf Marineoperaties van 5 juni 1942. Ik citeer:
“Volgens instructies van de Staf Marineoperaties geeft de Commandant U-boten aan duikboten het bevel kapiteins van tot zinken gebrachte schepen met hun papieren als gevangenen aan boord te nemen, als dit mogelijk is zonder de boot in gevaar te brengen en zonder de gevechtscapaciteit te verzwakken.”
Hoe ontstond dit bevedl?
DÖNITZ: Het gaat hier om een bevel van de Staf Marineoperaties dat kapiteins gevangen moeten worden genomen, dat is, mee terug naar de basis genomen en alweer is dat iets anders dan redden. De Staf Marineoperaties was van mening –en terecht- dat waar we geen erg groot percentage van de bemanningen van getorpedeerde schepen, zeg 80 of 90 procent, mee terug konden nemen –we hielpen ze zelfs bij hun redding, dat was logisch- dat we er dan tenminste voor moesten zorgen dat de vijand beroofd werd van de meest belangrijke bemanningsleden, de kapiteins dus; vandaar het bevel hen uit hun sloepen te halen en als gevangene aan boord van de U-boot over te brengen.
Dr. KRANZBÜHLER: Bestond dit bevel in een of andere vorm tot aan het einde van de oorlog?
DÖNITZ: Ja, dat werd later zelfs toegevoegd aan de Staande Orders omdat het een bevel was van de Staf Marineoperaties.
Dr. KRANZBÜHLER: Werden die tot het einde van de oorlog opgevolgd en met welke resultaten?
DÖNITZ: Ja, volgens mijn herinnering werden die zelfs in de laatste paar jaar van de oorlog nu en dan opgevolgd. Maar in het algemeen was het resultaat van dit bevel erg mager. Ik kan me maar een paar gevallen herinneren. Maar uit brieven die ik nu van mijn commandanten heb ontvangen en die ik heb gelezen ontdekte ik dat er een aantal gevallen meer waren dan ik meende, al met al ten hoogste 10 of 12.
Dr. KRANZBÜHLER: Waaraan schrijft u het feit toe dat er ondanks dit uitdrukkelijke bevel zo weinig kapiteins gevangen werden genomen?
DÖNITZ: De belangrijkste reden was ongetwijfeld dat hoe meer U-boten de vijandelijke konvooien aanvielen, hoe verder het konvooistelsel van de vijand werd verbeterd. Het merendeel van de U-boten was verwikkeld in de strijd tegen de konvooien. In enkele andere gevallen was het om veiligheidsredenen voor de boot niet altijd mogelijk de sloepen te naderen en er een kapitein uit te halen. En ten derde meen ik dat U-bootcommandanten niet graag, vanuit hun standpunt volkomen terecht, zo lang een kapitein aan boord wilden hebben tijdens een patrouille. In ieder geval weet ik dat de commandanten helemaal niet blij waren met dit bevel.
Dr. KRANZBÜHLER: Admiraal, ik kom nu toe aan een document dat eigenlijk de kern vormt van de beschuldiging tegen u. Het is document GB-199, pagina 36 van het Britse documentenboek. Dit is uw radiobericht van 17 september en de Aanklager beweert dat het een bevel is voor het uitroeien van schipbreukelingen. Het is van dusdanig groot belang dat ik het nogmaals aan u voorlees:
"Aan alle bevelvoerende officieren:
"1 Er mag geen enkele poging in welke vorm dan ook worden ondernomen om bemanningsleden van gezonken schepen te redden en dit houdt ook in het uit het water halen van personen en deze in sloepen zetten, het keren van omgeslagen sloepen en het overhandigen van voedsel en water. Redding is in tegenspraak met de meest elementaire eisen van oorlogvoering voor het vernietigen van vijandelijke schepen en bemanningen."
"2 Bevelen voor het terugbrengen van kapiteins en hoofdmachinisten zijn nog steeds van kracht."
"3 Redt alleen schipbeukelingen als hun verklaringen van belang zijn voor uw boot."
"4 Weest hard. Houdt in gedachten dat de vijand geen rekening houdt met vrouwen en kinderen bij het bombarderen van Duitse steden."
Wilt u het voor het Tribunaal alstublieft de oorsprong van dit bevel beschrijven dat van belang is voor de bedoeling ervan. Beschrijft u eerst de algemene militaire situatie waaruit deze order ontstond.
DÖNITZ: In september 1942 bestreed het merendeel van de Duitse U-boten de konvooien. Het zwaartepunt voor de inzet van U-boten lag in de noordelijke Atlantische Oceaan waar de beschermde konvooien tussen Engeland en Amerika voeren. De U-boten in het noorden streden op dezelfde manier, zij vielen alleen de konvooien naar Moermansk aan. Er was geen ander verkeer in dat gebied. Dezelfde situatie heerste in de Middellandse Zee, daar vormden de konvooien ook de aanvalsdoelen. Daar bovenop was een deel van de boten direct toegewezen aan Amerikaanse havens, Trinidad, New York, Boston en andere centra van druk scheepvaartverkeer. Een klein aantal U-boten streed in de open wateren in het midden en zuiden van de Atlantische Oceaan. Het criterium destijds was dat de krachtige Anglo-Amerikaanse luchtmacht overal patrouilleerde en in steeds grotere aantallen. Dat was een punt waar ik me het meest zorgen over maakte want het vliegtuig vormt, dat is overduidelijk, vanwege zijn snelheid de grootste dreiging voor de U-boot. En dat is geen fantasie van mijn kant want vanaf de zomer van 1942, dat wil zeggen, een paar maanden voor september toen deze order werd uitgevaardigd, steeg het verlies aan U-boten door luchtaanvallen opeens met meer dan 300 procent meen ik.
Dr. KRANZBÜHLER: Admiraal, ter verduidelijking van dit punt geef ik u een grafiek die ik bij het Tribunaal wil indienen als Dönitz-99. Kunt u, met behulp van deze grafiek, de verliezen toelichten?
DÖNITZ: Het is overduidelijk dat deze grafiek die de verliezen aan U-boten aantoont overeenkomt met de verklaringen die ik zojuist heb gedaan. Men ziet dat tot juni 1942 het verlies aan U-boten binnen redelijke grenzen bleef en daarna –in juli 1942- gebeurde plotseling wat ik zojuist heb beschreven. Waar de maandelijkse verliezen tot dan toe schommelden, zoals de grafiek aantoont, tussen 4, 2, 5, 3, 4, of 2 U-boten, vanaf juli steeg het aantal verliezen per maand tot 10, 11, 8, 13, 14. Dan volgen de twee wintermaanden december en januari die werden gebruikt voor een grondig onderhoud van de boten en dat verklaart de afname wat echter geen invloed heeft op de tendens van de verliezen.
Deze ontwikkelingen baarden mij de grootste zorgen en resulteerden in een groot aantal bevelen aan U-bootcommandanten hoe te handelen wanneer ze boven water voeren want de verliezen werden veroorzaakt terwijl de boten aan de oppervlakte voeren omdat de vliegtuigen ze dan konden waarnemen of opsporen; dus moesten de boten hun activiteiten aan de oppervlakte zoveel mogelijk beperken. Deze verliezen noopten mij ook memoranda aan de Staf Marineoperaties te sturen.
Dr. KRANZBÜHLER: Wanneer?
DÖNITZ: De memoranda werden geschreven in de zomer, in juni.
Dr. KRANZBÜHLER: In juni 1942?
DÖNITZ: In juni of juli 1942. Op het toppunt van mijn succes werd het me duidelijk dat het luchtoverwicht ons op een of andere dag de das om zou doen en onder water dwingen. Dus, ondanks de grote successen die ik toen nog boekte was mijn vrees voor de toekomst groot en dat het geen fantasie was blijkt uit de trend van de verliezen nadat de boten in februari 1943 de werven hadden verlaten; in die maand gingen 18 boten verloren, in maart 15, in april 14. En daarna sprongen de verliezen naar 38.
Het vliegtuig, de verrassing door het vliegtuig en de uitrusting van de vliegtuigen met radar –naar mijn mening, naast de atoombom, de beslissende uitvinding van de Anglo-Amerikanen- veroorzaakte de ineenstorting van de U-bootoorlog. De U-boten werden onder water gedwongen omdat ze hun positie aan de oppervlakte helemaal niet meer konden behouden. Niet alleen werden ze ontdekt wanneer het vliegtuig ze waarnam maar dat radarapparaat ontdekte ze zelfs al op 60 zeemijl afstand, ver buiten het zicht, gedurende de dag en nacht. De noodzaak om onder water te blijven was natuurlijk onmogelijk voor de oudere U-boten want die moesten in ieder geval boven water komen om hun batterijen weer op te laden. Deze ontwikkeling dwong mij daarom, de oudere boten uit te rusten met de zogenaamde snorkel en een hele nieuwe serie U-boten te bouwen die onder water konden blijven en die bijvoorbeeld van Duitsland naar Japan konden varen zonder boven water te komen. Het is daarom duidelijk dat ik me in een steeds gevaarlijker wordende situatie bevond.
Dr. KRANZBÜHLER: Admiraal, om deze situatie te beschrijven wil ik uw aandacht vestigen op uw oorlogsdagboek van destijds. Dit krijgt nummer Dönitz-18, opgenomen op pagina 32, deel 1. Ik zal alleen de koppen van de notities voorlezen van 2 tot 14 september; pagina 32:
“Op 2 september: U-256 overvallen en gebombardeerd door vliegtuigen, ongeschikt om te varen of te duiken”;
“Op 4 september: U-756 heeft zich niet gemeld toen die in de buurt van een konvooi was; ondanks een verzoek op 1 september, waarschijnlijk verloren gegaan;”
“Op 5 september: vliegtuig neemt U-boot waar;”
“Op 6 september: U-705 vermoedelijk verloren gegaan bij een luchtaanval;”
“Op 7 september: U-130 gebombardeerd door Boeing bommenwerper;”
“Op 8 september: U-202 in de Golf van Biskaje aangevallen door vliegtuig;”
“Op 9 september ....;”
De PRESIDENT: Dr. Kranzbühler, de beklaagde heeft ons al verteld over de verliezen en de redenen daarvoor. Wat heeft het voor zin, bijzonderheden te geven over het feit dat U-boten vliegtuigen bestreden?
Dr. KRANZBÜHLER: Ik wil aantonen, Meneer de President, dat de getuigenis van Admiraal Dönitz bevestigd wordt door de aantekeningen in zijn dagboek uit die tijd. Maar als het Tribunaal ....
De PRESIDENT: Dat is algemeen bekend. We kunnen het zelf lezen. In ieder geval, als u het document onder onze aandacht brengt zullen we het lezen. Het is niet nodig dat u ons de details voorleest.
Dr. KRANZBÜHLER: Ja, Meneer de President, zo zal ik het doen.
DÖNITZ: Dat is een typerende notitie in mijn oorlogsdagboek in die weken en dagen net voor het uitvaardigen van mijn bevel; maar ik wilde er het volgende aan toevoegen: Vliegtuigen zijn in het bijzonder zeer gevaarlijk om psychologische redenen: als er nergens een vliegtuig in zicht is, ziet de commandant zijn situatie als volkomen veilig, maar op het momnet dat er een vliegtuig in zicht komt, wordt zijn situatie volkomen hopeloos. En dat overkwam niet alleen jonge commandanten maar ook oudere, ervaren commandanten die zich de goede oude tijd herinnerden. Misschien mag ik in het kort een duidelijk voorbeeld geven. De bemanning van een U-boot heeft een minuut nodig om door het luik naar beneden te gaan voordat de boot kan duiken. Een vliegtuig legt in die minuut gemiddeld 6.000 meter af. De U-boot moet dus, om onder water te kunnen gaan –en niet te worden gebombardeerd terwijl die nog aan de oppervlakte is- het vliegtuig op een afstand van tenminste 6.000 meter waarnemen. Maar dat is ook nog niet genoeg want zelfs als de U-boot is gedoken heeft die nog geen veilige diepte bereikt. De U-boot moet daarom het vliegtuig nog eerder waarnemen, namelijk aan de uiterste grens van het gezichtsveld. Het is daarom een absolute voorwaarde voor succes dat de U-boot voortdurend waakzaam is, dat die boven alles maximum vaart loopt want hoe hoger de vaart, hoe sneller de U-boot kan duiken en ten tweede dat er zo min mogelijk mensen op de brug zijn zodat zij zo snel mogelijk naar beneden kunnen gaan en dat betekent weer dat er helemaal niemand aan dek mag zijn enzovoort. Nu, een reddingsactie waarbij het noodzakelijk is aan dek te zijn om te helpen en mensen te verzorgen en dat ook kan betekenen een aantal sloepen op sleeptouw te moeten nemen, onderbreekt natuurlijk de staat van waakzaamheid van een U-boot volledig en ten gevolge daarvan staat de U-boot hopeloss bloot aan luchtaanvallen.
Dr. KRANZBÜHLER: Meneer de President, ik wil nu de kwestie rond de Laconia behandelen en zou die niet graag willen laten onderbreken. Als het het Tribunaal schikt, zou ik willen voorstellen nu een pauze in te lassen.
(de zitting wordt geschorst.)

Definitielijst

Eerste Wereldoorlog
Ook wel Grote Oorlog genoemd, conflict dat ontstond na een groei van het nationalisme, militarisme en neo-kolonialisme in Europa en waarbij twee allianties elkaar bestreden gedurende een vier jaar durende strijd, die zich na een turbulent begin, geheel afspeelde in de loopgraven. De strijdende partijen waren Groot-Brittannië, Frankrijk, Rusland aan de ene kant (de Triple Entente), op den duur versterkt door o.a. Italië en de Verenigde Staten, en Duitsland, Bulgarije, Oostenrijk-Hongarije en het Ottomaanse Rijk aan de andere kant (de Centrale Mogendheden of Centralen). De strijd werd gekenmerkt door enorme aantallen slachtoffers en de inzet van vele nieuwe wapens (vlammenwerpers, vliegtuigen, gifgas, tanks). De oorlog eindigde met de onvoorwaardelijke overgave van Duitsland en zijn bondgenoten in 1918.
Führer
Duits woord voor leider. Hitler was gedurende zijn machtsperiode de führer van nazi-Duitsland.
Geallieerden
Verzamelnaam voor de landen / strijdkrachten die vochten tegen Nazi-Duitsland, Italië en Japan gedurende WO 2.
Kriegsmarine
Duitse marine, naast de Heer en de Luftwaffe onderdeel van de Duitse Wehrmacht.
krijgsraad
Militair gerechtshof.
radar
Engelse afkorting met als betekenis: Radio Detection And Ranging. Systeem voor het met elektromagnetische golven vaststellen van de aanwezigheid, afstand, snelheid en richting van voorwerpen als schepen, vliegtuigen, enz.
torpedo
Oorlogswapen, met van een explosieve lading voorzien sigaarvormig lichaam met een voortstuwings- en besturingsmechanisme, bestemd om na lancering via het water zijn weg te zoeken naar vijandelijke schepen en deze door een onderwaterexplosie uit te schakelen.
U-boot
Duitse benaming voor onderzeeboot. Duitse U(ntersee)-boten hebben tot in mei 1943 een belangrijke rol gespeeld in de oorlogvoering. Ook veel vracht- en passagiersboten werden door deze sluipmoordenaars van de zee getorpedeerd en tot zinken gebracht.

Pagina navigatie

Informatie

Vertaald door:
Arnold Palthe
Geplaatst op:
16-07-2007
Laatst gewijzigd:
18-04-2010
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

Categorieën


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2017
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.