Verhoor Karl Dönitz 3

Middagzitting 2 09-05

Inhoudsopgave

SIR DAVID: Beklaagde, ik wil eerst dat u enkele vragen beantwoordt over uw loopbaan nadat u op 30 januari 1943 opperbevelhebber van de Marine werd. Als opperbevelhebber van de Marine had u de vergelijkbare rang van Rijksminister, klopt dat?
DÖNITZ: Ja, dat is correct.
SIR DAVID: U had ook het recht deel te nemen aan vergaderingen van het Reichskabinett, als dergelijke vergaderingen al plaats hadden gevonden.
DÖNITZ: Ik had het recht deel te nemen als een dergelijke vergadering, of mijn aanwezigheid bij een dergelijke vergadering door de Führer werd bevolen. Zo luidt het bevel woordelijk. Maar ik moet zeggen dat toen ik vanaf 1943 opperbevelhebber was, er geen vergaderingen van het Reichskabinett meer plaatsvonden.
SIR DAVID: Vanaf het moment dat u tot opperbevelhebber van de Marine werd benoemd, werd het Reich min of meer vanuit Hitler’s hoofdkwartier bestuurd, niet waar?
DÖNITZ: Dat is juist.
SIR DAVID: Het was een militaire dictatuur waarin de dictator in zijn militaire hoofdkwartier de mensen sprak die hij wilde spreken, dat is juist, niet waar?
DÖNITZ: Van een militaire dictatuur kan men niet spreken. Het was helemaal geen dictatuur. Er was een militaire afdeling en een burgerlijke en beide onderdelen waren verenigd in de hand van de Führer.
SIR DAVID: Ik begrijp het. Ik neem het laatste deel van uw antwoord over en we zullen niet twisten over het eerste.
Nu, u ontmoette hem op 119 dagen in iets meer dan twee jaar, bent u het daarmee eens?
DÖNITZ: Ja, maar in dat verband moet worden opgemerkt dat vanaf 30 januari 1943, toen ik opperbevelhebber van de Marine werd tot eind januari 1945, ongeveer twee jaar, het maar 57 keer was, denk ik. Het hogere aantal komt voort uit het feit dat ik gedurende de laatste maanden van de oorlog deelnam aan de middagbespreking van de situatie die dagelijks in de Vossstrasse in Berlijn plaatsvond.
SIR DAVID: Ik wil u wat vragen over enkele daarvan. Bij een aantal van deze besprekingen was Beklaagde Speer aanwezig, niet waar?
DÖNITZ: Ik herinner me niet of hij in persoon aanwezig was tijdens de bespreking van de militaire situatie. Feitelijk had Minister Speer als burger niets te maken met een bespreking van de militaire situatie. Maar het is best mogelijk dat hij er bij enkele gelegenheden bij was, bijvoorbeeld wanneer de productie van tanks en andere zaken werd besproken die direct in verband stonden met Hitler’s militaire overwegingen.
SIR DAVID: Dat was precies wat ik u wilde vragen, of de gelegenheden waarop Beklaagde Speer aanwezig was juist die waren wanneer u inging op kwesties van bevoorrading, dat wil zeggen bevoorrading voor de diverse afdelingen waaronder aanvoer voor de Marine.
DÖNITZ: Vraagstukken over bevoorrading voor de Marine werden nooit tijdens de grote besprekingen over de militaire situatie besproken. Ik besprak deze zaken met de Führer gewoonlijk alleen, zoals ik al heb gezegd, in aanwezigheid van Jodl en Keitel. Ik diende deze vragen bij de Führer in nadat ik tot overeenstemming was gekomen met Minister Speer, aan wie ik alle kwesties rond bewapening voor de Marine had overgedragen toen ik opperbevelhebber van de Marine werd. Dat was in grote lijnen de situatie.
SIR DAVID: Maar, net als het hoofd van iedere dienst moest u iets te weten komen over prioriteiten, materialen en arbeid. U zou willen weten hoe gedurende de volgende periode de arbeid werd toegewezen, niet waar?
DÖNITZ: Ik wilde voor elkaar krijgen dat door een beslissing van de Führer Minister Speer bevel zou krijgen het grootst mogelijke aantal nieuwe U-boten te bouwen dat ik toen nodig had. Maar er waren beperkingen in de hoeveelheden die door Speer’s ministerie aan elke afdeling van de strijdkrachten moesten worden toegewezen.
SIR DAVID: En daarom zou u er erg in geïnteresseerd zijn het aantal arbeiders te weten dat aan aanvulling voor de Marine werkte en aan de andere aanvullingen om er voor te zorgen dat u kreeg wat u toekwam, niet waar?
DÖNITZ: Het spijt me zeer maar daarop kan ik u geen antwoord geven. Ik heb nooit geweten en weet nu ook niet, hoeveel arbeiders Speer gebruikte voor de productie van wapens voor de Marine. Ik weet zelfs niet of Speer u dat antwoord kan geven want bijvoorbeeld de constructie van duikboten vond in vele fabrieken verspreid door het hele Reich plaats. De onderdelen werden dan op scheepswerven geassembleerd. Daarom heb ik geen idee hoe groot de capaciteit aan arbeid was die aan de Marine werd toegewezen.
SIR DAVID: Herinnert u zich Speer omschreven te hebben als de man die de Europese productie in zijn hand had? Dat was op 17 december 1943. Ik zal u zo direct het document overhandigen. Maar herinnert u zich hem zo te hebben omschreven?
DÖNITZ: Ja, dat weet ik heel goed.
SIR DAVID: En wist u ook heel goed dat Speer zijn arbeiders kreeg uit buitenlandse arbeiders die naar het Reich waren overgebracht?
DÖNITZ: Ik wist natuurlijk dat er buitenlandse arbeiders in Duitsland werkten. Het is net zo vanzelfsprekend dat ik als opperbevelhebber van de Marine me er niet mee bezig hield hoe deze arbeiders werden geworven. Dat was mijn zaak niet.
SIR DAVID: Heeft Gauleiter Sauckel u bij gelegenheid van deze trip niet verteld dat hij vijf miljoen buitenlandse arbeiders naar het Reich had gebracht, waarvan er maar 200.000 vrijwillig waren gekomen?
DÖNITZ: Ik heb nooit een gesprek met Gauleiter Sauckel gehad. Ik heb nooit met wie dan ook gesprekken gehad over kwesties betreffende arbeiders.
SIR DAVID: Beklaagde, u was in het vijfde en zesde jaar van de oorlog hoofd van een onderdeel van de krijgsmacht. Moest Duitsland, net als ieder ander land, niet het onderste uit de kan halen waar het ging om arbeiders voor al haar benodigdheden. Had u niet dringend arbeiders nodig, net ieder ander oorlogvoerend land?
DÖNITZ: Ik denk ook dat we arbeiders nodig hadden.
SIR DAVID: Wilt u het Tribunaal doen geloven dat u na deze gesprekken met Speer en Hitler niet wist dat u deze arbeiders kreeg doordat buitenlandse arbeiders werden gedwongen naar Duitsland te gaan en daar ingezet te worden?
DÖNITZ: Gedurende mijn gesprekken met Hitler en Speer kwam het systeem van het verkrijgen van deze arbeiders nooit ter sprake. De methodes interesseerden me helemaal niet. Gedurende deze gesprekken kwam de kwestie arbeid nooit ter sprake. Ik was er alleen in geïnteresseerd hoeveel duikboten ik zou krijgen, met andere woorden, hoe groot mijn portie was in termen van gebouwde schepen.
SIR DAVID: U wilt het Tribunaal doen geloven dat u dat besprak met Speer en hij u nooit vertelde waar hij zijn arbeiders vandaan haalde? Is dat uw antwoord op dit punt?
DÖNITZ: Ja, dat is mijn antwoord en dat is de waarheid.
SIR DAVID: Herinnert u zich, voordat we van het industriële gedeelte afstappen, dat bij bepaalde vergaderingen de vertegenwoordigers van kolen en transport, en Gauleiter Kaufmann, de Reichskommissar voor Scheepvaart aanwezig waren bij gesprekken die u met de Führer had?
DÖNITZ: Nee.
SIR DAVID: Neemt u van mij aan dat ze wel degelijk aanwezig waren tijdens die vergaderingen. Hield u zich bezig met algemene problemen rond scheepvaart en transport?
DÖNITZ: Nooit. Waar het transport over zee betreft – het is waar. Ik dacht aan zaken te land. Ik dacht dat u te land bedoelde. Ik heb al verklaard dat ik tegen het einde van de oorlog veel belang stelde in de tonnage van koopvaardijschepen want deze scheepsruimte, die ik nodig had om militaire transporten te verzorgen vanuit Noorwegen, van en naar het Oosten en voor het transport van vluchtelingen, die scheepsruimte viel niet onder mijn gezag maar onder dat van Gauleiter Kaufmann, de Rijkscommissaris voor Scheepvaart. Dus, bij vergaderingen en gesprekken die gingen over de situatie van het transport over zee was ik natuurlijk aanwezig.
SIR DAVID: Laten we een ander onderwerp nemen uit die 119 dagen. Op 39 van deze dagen was Beklaagde Keitel ook aanwezig op het hoofdkwartier en Beklaagde Jodl ongeveer net zo vaak.
DÖNITZ: Het spijt me, ik heb de datum niet verstaan.
SIR DAVID: Ik zal het herhalen. Op 39 van deze besprekingen tussen januari 1943 en april 1945 was Beklaagde Keitel ook aanwezig op het hoofdkwartier en Beklaagde Jodl ongeveer net zo vaak. Nu, is het waar dat u in hun aanwezigheid de algemene strategische situatie besprak of luisterde naar de bespreking?
DÖNITZ: Ik zou willen opmerken dat het woord “bespreking” de zaak niet helemaal omschrijft. Het was eerder, zoals ik ....
SIR DAVID: Wel, u kiest het woord en zegt u het maar.
DÖNITZ: Het was, zoals ik het omschreef een grootschalige discussie over de militaire situatie en tijdens deze discussie hoorde ik natuurlijk ook verslagen over de situatie van het leger. Dat heb ik al uitgelegd.
SIR DAVID: Ik wil het alleen maar heel duidelijk krijgen dat u in deze twee jaar alle gelegenheid had de militair strategische toestand te begrijpen en te beseffen.
DÖNITZ: Ja.
SIR DAVID: Wel nu; bij 20 van deze gelegenheden was Beklaagde Göring aanwezig. Beklaagde Göring was er in twee hoedanigheden: als opperbevelhebber van de Luftwaffe en als politicus. Wat deed hij bij deze 20 gelegenheden?
DÖNITZ: Reichsmarschall Göring was aanwezig als opperbevelhebber van de Luftwaffe wanneer de militaire situatie werd besproken.
SIR DAVID: En dus zou u van Beklaagde Göring volledige kennis en inzicht hebben gekregen in de situatie en de positie van de Luftwaffe gedurende deze periode?
DÖNITZ: Voor zover het mijn onregelmatige aanwezigheid bij deze gesprekken betrof, waarin alleen onderdelen werden behandeld – een algemeen beeld werd tijdens dergelijke gesprekken nooit gegeven – voor zover ik uit die onderdelen een mening kon vormen die natuurlijk altijd incompleet was. Dat is de reden waarom ik nooit uitspraken deed over militaire zaken buiten de Marine.
SIR DAVID: Laat mij u op dit punt nog een vraag stellen. Inhakend op wat Dr. Laternser vroeg; op 29 juni 1944 waren naast de beklaagden Keitel, Jodl en Göring ook Veldmaarschalk Von Rundtstedt en Veldmaarschalk Rommel aanwezig; mag ik u eraan herinneren dat dit drie weken na de invasie van de Geallieerden in het Westen was. U kreeg de gelegenheid, niet waar, inzicht te krijgen in de strategische positie na de Geallieerde invasie in Normandië?
DÖNITZ: Ja, daaruit kreeg ik een indruk van de situatie nadat de Geallieerden daar voet aan land hadden gezet. Ik was in een positie om verslag uit te brengen aan de Führer welke van mijn nieuwe kleine aanvalswapens ik in die sector kon inzetten.
SIR DAVID: Nu, laat ons een ander aspect van de regering in het algemeen aansnijden.
Bij een aantal gelegenheden was Reichsführer Himmler aanwezig bij deze conferenties – laat ik ze zo maar noemen – niet waar?
DÖNITZ: Ja. Als Reichsführer-SS Himmler er was, en voor zover ik mij herinner gebeurde dat een of twee keer, was het vanwege zijn Waffen-SS.
SIR DAVID: Neemt u van mij aan dat hij als aanwezig was gemeld bij tenminste zeven gelegenheden en dat Fegelein, zijn vertegenwoordiger op het hoofdkwartier, als present is gemeld bij vijf gelegenheden. Wat besprak Himmler over de Waffen-SS, de activiteiten van de Totenkopf divisie?
DÖNITZ: Dat kan niet waar zijn. Fegelein was altijd aanwezig tijdens de bespreking van de militaire situatie, hij sloeg er nooit een over want hij was een permanente vertegenwoordiger. Als de Reichsführer tijdens deze gesprekken aanwezig was bracht hij alleen maar verslag uit over de Waffen-SS, die divisies van de Waffen-SS die ergens onder commando van het leger werden ingezet. Ik ken de namen van die afzonderlijke divisies niet, ik denk niet dat de Totenkopf divisie er ook bij hoorde; Ik heb nooit gehoord dat het zo was, er was wel een Wiking of ....
SIR DAVID: Dat was omdat ze voornamelijk in concentratiekampen actief waren en u beweert dat Himmler dat nooit noemde?
DÖNITZ: Dat Totenkopf divisies in concentratiekampen actief waren hoorde ik pas hier in Neurenberg. Het werd daar niet genoemd. Ik heb al gezegd dat gedurende de militaire besprekingen alleen militaire zaken werden besproken.
SIR DAVID: Nu, over Beklaagde Kaltenbrunner wordt gemeld dat hij daar slechts eenmaal aanwezig was, op 26 februari 1945, toen er een aanzienlijk aantal SS bonzen bijeen was. Wat besprak u toen met hem?
DÖNITZ: Het is niet juist dat Kaltenbrunner slechts eenmaal aanwezig was. Voor zover ik mij herinner was hij twee, drie of vier keer aanwezig, in ieder geval zag ik hem gedurende de laatste maanden van de oorlog twee, drie of vier keer. Kaltenbrunner zei er nooit een woord, zover ik me herinner stond hij erbij en luisterde alleen maar.
SIR DAVID: Wat ik u het Tribunaal wil laten vertellen is dit: Wat was het onderwerp van het gesprek dat u daar had, niet alleen met Beklaagde Kaltenbrunner, maar SS-Obergruppenführer Steiner, uw eigen kapitein was aanwezig en Luitenant-generaal Winter. Waarom waren die heren daar en wat hoorde u van hen?
DÖNITZ: Wie is die kapitein en wie is Luitenant-generaal Winter?
SIR DAVID: Kapitein Von Assman; ik nam aan dat hij de kapitein was die u begeleidde, ik kan het echter mis gehad hebben – Kapitein-ter-Zee Von Assman. Dan waren daar Luitenant-generaal Winter, SS-Obergruppenführer Steiner en SS-Obergruppenführer Kaltenbrunner. Wat besprak u op 26 februari 1945?
DÖNITZ: Ik moet in dit verband een ding opmerken: Kapitein Von Assman was bij iedere bespreking van de algehele situatie aanwezig.
SIR DAVID: Een moment. U kunt ons later iets vertellen maar luistert u eerst naar mijn vraag. Wat besprak u op 26 februari 1945 met deze heren van de SS?
DÖNITZ: Dat kan ik me nu niet herinneren. Ik herinner me echter wel dat Steiner een bevel kreeg met betrekking tot de legergroepen in Pommeren die vanuit het noorden naar het zuiden moesten optrekken om Berlijn te ontzetten. Ik geloof dat toen Steiner aanwezig was deze vraag, die mij niet aanging, werd besproken.
SIR DAVID: Ik wil dat u even nadenkt voordat we van dit thema afstappen. U was het met mij eens dat bij een aantal bijeenkomsten, een groot aantal, Keitel en Jodl aanwezig waren, Göring bij niet zo veel, die u over de situatie van leger en luchtmacht in Duitsland zouden kunnen inlichten: daar was aanwezig Beklaagde Speer die u over de positie van de productie zou kunnen inlichten; daar was aanwezig Himmler of zijn vertegenwoordiger Fegelein die u zou kunnen inlichten over de veiligheidssituatie; en u was zelf aanwezig om de situatie van de Marine te schetsen. Op alle bijeenkomsten was de Führer aanwezig die de beslissingen nam. Ik leg aan u voor, Beklaagde, dat u gedurende deze jaren net zo volledig deel uitmaakte van de regering van Duitsland als ieder ander, afgezien van Adolf Hitler zelf.
DÖNITZ: Naar mijn mening is die omschrijving niet juist. Bij deze besprekingen van de algehele situatie gaf Speer noch iemand anders een volledig overzicht van het werk dat was gedaan. Integendeel, slechts dringende problemen van de dag werden besproken. Zoals ik al heb gezegd, werden de gebeurtenissen van de laatste 24 uur besproken en wat er aan gedaan moest worden. Dat er een grote staf was die met zijn rapporten een algeheel beeld schetste, daar was geen sprake van; zo was het helemaal niet. De enige die een compleet beeld van de situatie had, was de Führer. Bij deze besprekingen van de militaire situatie werden de gebeurtenissen van de laatste 24 uur en de te nemen maatregelen besproken. Zo liggen de feiten. Daarom kan men niet stellen dat iemand van de aanwezigen een volledig beeld had. Eerder had iedereen een duidelijk beeld van de afdeling waarvoor hij verantwoordelijk was. Er is geen sprake van een totaalbeeld in de hoofden van een van de deelnemers. Alleen de Führer had dat.
SIR DAVID: Wel, ik ga niet met u in discussie maar ik neem aan, Beklaagde, dat u zegt – zoals we al van zoveel beklaagden hebben gehoord – dat u niets wist over het stelsel van slavenarbeid, u wist niets over het uitroeien van de Joden en u wist niets over slechte toestanden in concentratiekampen. U gaat ons toch niet vertellen dat u niets wist over dat alles, niet waar?
DÖNITZ: Dat spreekt voor zich omdat we hier hebben gehoord hoe al deze zaken geheim werden gehouden; en wanneer men het feit in gedachten houdt dat iedereen in deze oorlog zijn eigen doelen met het maximum aan energie nastreefde, is dat helemaal niet verwonderlijk. Om een voorbeeld te geven, ik hoorde over toestanden in concentratiekampen .....
SIR DAVID: Voor het moment wil ik alleen uw antwoord en dat hebt u mij gegeven. Ik wil nu met u aan een thema komen dat ruim binnen uw gebied lag en dat is het bevel voor het fusilleren van commando’s, door de Führer uitgevaardigd op 18 oktober 1942. U hebt ons verteld dat u dat bevel ontving toen u Vlagofficier U-boten was. Herinnert u zich het document waarmee de Staf Marineoperaties u dit bevel doorgaf?
“Dit bevel mag niet schriftelijk worden doorgegeven door flottieljeleiders, sectiecommandanten of officieren van gelijke rang.”
“Na mondelinge melding aan ondergeschikte secties moeten de bovengenoemde officieren dit bevel overhandigen aan de eerst hogere sectie die verantwoordelijk is voor intrekking en vernietiging hiervan”. Herinnert u zich dat?
DÖNITZ: Ja, ik heb het weer gelezen toen ik het bevel hier zag. Maar aan de andere kant staat er ook dat deze maatregel al in een Wehrmachtsbericht was aangekondigd.
SIR DAVID: Wat ik van u wil weten is dit: Waarom die strenge geheimhouding rond deze order bij het verdelen binnen de Marine?
DÖNITZ: Ik begreep die vraag niet. Ik weet helemaal niet of die strenge geheimhouding ook in acht werd genomen. Ik ben van mening dat in 1942 alle marineofficieren erover waren ingelicht.
SIR DAVID: Dit is op 28 oktober, tien dagen nadat het bevel was uitgevaardigd. Ik ga niet met u in discussie over bijvoeglijke naamwoorden, beklaagde. Laat me het dan zo stellen: Waarom vereiste de verdeling binnen de Marine een dergelijke mate van geheimhouding?
DÖNITZ: Dat weet ik niet. Ik heb het rooster voor uitdeling niet opgesteld. Ik ontving destijds dat bevel als frontofficier. Ik weet het niet.
SIR DAVID: Binnen drie maanden daarna was u Opperbevelhebber van de Marine. Vroeg u toen niet om inlichtingen?
DÖNITZ: Wat zegt u?
SIR DAVID: Vroeg u nooit om inlichtingen?
DÖNITZ: Nee, dat deed ik niet. Ik heb u al gezegd dat ik dit bevel kreeg als Commandant U-boten en voor zover het mijn werkgebied betrof trok ik mij er niets van aan en tweede, mannen die tijdens marineoperaties gevangen waren genomen, werden uitdrukkelijk uitgesloten; dus, zo ver het gaat was dit bevel niet van feitelijk belang. Gezien het enorme aantal zaken die mij bezig hielden toen ik Opperbevelhebber van de Marine werd was het logisch dat het niet bij mij opkwam om me met dit nieuwe bevel bezig te houden. Ik dacht er helemaal niet aan.
SIR DAVID: Bij gelegenheid zal ik u een memorandum van de Marinestaf overleggen dat aantoont dat die order aan u is voorgelegd. Herinnert u zich dat?
DÖNITZ: Als u verwijst naar het memorandum dat zich in mijn akte van beschuldiging bevindt, dan kan ik alleen maar zeggen dat dit memorandum niet aan mij is overhandigd, zoals duidelijk uit deze notitie blijkt.
SIR DAVID: Wat ik u wil vragen voordat de zitting wordt geschorst is: Stemde u in met dit bevel of niet?
DÖNITZ: Ik heb u al verteld dat ....
SIR DAVID: Nee, dat hebt u niet. Ik wil dat u het Tribunaal het nu verteld en u kunt antwoorden met “Ik stemde er mee in” of “ik stemde er niet mee in.” Stemde u wel of niet in met dit bevel aan uw commandanten?
DÖNITZ: Vandaag de dag stem ik niet in met dat bevel omdat ik hier heb vernomen dat het uitgangspunt niet zo goed was. ....
SIR DAVID: Stemde u ermee in toen u begin 1943 Opperbevelhebber van de Marine werd? Stemde u er toen mee in?
DÖNITZ: Als opperbevelhebber van de Marine hield ik me niet met dit bevel bezig. Toen ik nog commandant U-boten was beschouwde ik het, zoals ik al heb uitgelegd, gewoon als een bevel tot wraakneming. Het was niet aan mij om een onderzoek te beginnen of de zaak op te nemen met het bureau dat het had uitgevaardigd om na te gaan of het uitgangspunt correct was of niet. Het was niet aan mij om een onderzoek te beginnen op basis van internationaal recht. En het was heel duidelijk in Punt 1 van het bevel dat de vijand, de tegenstander hier de grenzen van de Geneefse Conventie had overschreden doordat ze gevangenen ombrachten en dat we daarom als represaille bepaalde maatregelen moesten nemen. Of deze represailles nodig waren of dat ze volledig werden gerechtvaardigd door de voorwaarden in Punt 1, dat is iets wat ik niet wist en niet kon weten.
SIR DAVID: Dit is mijn laatste vraag. Ik wil dat u probeert een direct antwoord te geven, als u dat kunt. Stemde u begin 1943 wel of niet in met dit bevel?
DÖNITZ: Ik kan u geen antwoord geven omdat ik begin 1943 niet aan dat bevel dacht en me er niet mee bezig hield. Daarom kan ik niet zeggen hoe dat bevel mij op dat bepaalde tijdstip raakte. Ik kan u alleen vertellen hoe het me raakte toen ik het las als commandant U-boten; en ik kan u ook vertellen dat ik vandaag die order afwijs, nu ik te weten ben gekomen dat het uitgangspunt voor dit bevel niet zo goed was. En ten derde zeg ik u dat ik tijdens maritieme oorlogvoering persoonlijk elke vorm van represaille afwijs – elke vorm, in elk geval en wat de aanleiding ook mag zijn.
SIR DAVID: Ik zal u morgen nog enkele vragen stellen omdat het nu tijd is om te schorsen.
(de zitting werd verdaagd tot 10 mei 1946, 10:00 uur.)

Definitielijst

dictatuur
Staatsvorm waarbij de macht in een land in de handen is van één persoon, de dictator. Oorspronkelijk een Romeinse staatsvorm voor tijden van nood, waarbij de totale macht 6 maanden in de handen lag van één persoon om de crisis het hoofd te bieden.
divisie
Bestond meestal uit tussen de een en vier Regimenten en maakte meestal deel uit van een Korps. In theorie bestond een Divisie uit 10.000 - 20.000 man.
Führer
Duits woord voor leider. Hitler was gedurende zijn machtsperiode de führer van nazi-Duitsland.
Gauleiter
Leider en vertegenwoordiger van de NSDAP in een Gau.
Geallieerden
Verzamelnaam voor de landen / strijdkrachten die vochten tegen Nazi-Duitsland, Italië en Japan gedurende WO 2.
invasie
Gewapende inval.
Luftwaffe
Duitse luchtmacht.
Rijkscommissaris
Titel van onder andere Arthur Seyss-Inquart, de hoogste vertegenwoordiger van het Duitse gezag tijdens de bezetting in Nederland.
Totenkopf
Letterlijk: doodshoofd. Symbool dat door de SS werd gevoerd. Ook de naam van een SS divisie.

Pagina navigatie

Informatie

Vertaald door:
Arnold Palthe
Geplaatst op:
10-11-2007
Laatst gewijzigd:
22-03-2014
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

Categorieën


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2017
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.