Verhoor Alfred Rosenberg 1

Middagzitting 15-04

Inhoudsopgave

De PRESIDENT: Ik zal allereerst de documenten van Beklaagde Schacht behandelen. De volgende documenten zullen worden vertaald:
Nummer 7, Nummer 8, Nummer 9, Nummer 14, Nummer 18, Nummer 33, Nummer 34, Nummer 37, Nummer 38, Nummer 39, en Nummer 49.
Onder verwijzing naar documenten 54 tot 61, die al in het verslag staan; deze zullen niet worden vertaald maar Dr. Dix wordt verzocht er in zijn documentenboek naar te verwijzen.
De documenten 1 tot en met 6 zullen niet worden vertaald.
Ik bedoel dat de documenten die ik niet heb vermeld zullen worden vertaald, de documenten waarnaar ik niet specifiek heb verwezen, zullen worden vertaald.
Nu Dr. Thoma.
Dr. THOMA: Meneer de President, allereerst zal ik afschriften indienen van documenten die vanmorgen aan mij gegeven zijn en die afkomstig zijn uit Rosenberg’s publicaties: – “Tradition und Gegenwart”, “Schriften und Reden”, “Blut und Ehre”, “Gestaltung der Idee” en “Der Mythos des 20sten Jahrhunderts” – ten bewijze van het feit dat de beklaagde niet deelnam aan een samenzwering tegen de vrede en aan de psychologische voorbereiding op oorlog. Deze uittreksels bevatten toespraken die de beklaagde heeft gehouden voor diplomaten, studenten en juristen met de bedoeling te bewijzen dat hij bij deze gelegenheden streed voor sociale vrede en dat hij in het bijzonder niet wenste dat de strijd tussen ideologieën zou uitmonden in vijandige buitenlandse politiek. In deze toespraken pleitte hij voor eerbied voor alle rassen, sprak zich uit tegen de propaganda om de Kerk te verlaten, pleitte voor vrijheid van denken en een verstandige oplossing van het Joodse probleem, zelfs gaf hij bepaalde voordelen aan de Joden. In het bijzonder pleitte hij voor gelijkheid en gerechtigheid in deze kwestie. Ik verzoek het Tribunaal officieel nota van deze toespraken te nemen en met toestemming van het Tribunaal roep ik nu Beklaagde Rosenberg naar de beklaagdenbank.
(Beklaagde Rosenberg gaat naar de beklaagdenbank.)
De PRESIDENT: Wilt u uw volledige naam zeggen?
ALFRED ROSENBERG (Beklaagde): Alfred Rosenberg.
De PRESIDENT: Wilt u mij deze eed nazeggen: “Ik zweer bij God de Almachtige en Alwetende, dat ik de zuivere waarheid zal spreken, niets zal achterhouden en niets zal toevoegen.”
(de beklaagde herhaalt de eed in het Duits.)
De PRESIDENT: U kunt plaats nemen.
Dr. THOMA: Meneer Rosenberg, wilt u het Tribunaal uw persoonlijke geschiedenis vertellen?
De PRESIDENT: Dr. Thoma, u hebt uw bewijsstukken geen nummers gegeven, wel?
Dr. THOMA: Ja, dat heb ik. Dit is Rosenberg-7a.
De PRESIDENT: Zijn ze allemaal genummerd?
Dr. THOMA: Ja.
De PRESIDENT: Prima, als u naar een document verwijst, wilt u dan de de nummers noemen?
Dr. THOMA: Ja, inderdaad.
(tot de getuige) Wilt u het Tribunaal uw persoonlijke geschiedenis vertellen ....
De PRESIDENT: Een moment Dr. Thoma. Voor het verslag, dat in het transcript wordt opgenomen, moet u een lijst oplezen van de documenten die u gaat indienen en de documentnummers vermelden. Hebt u daar een lijst van documenten die u als bewijsmateriaal gaat indienen?
Dr. THOMA: Ja.
De PRESIDENT: Wilt u die voor het verslag voorlezen?
Dr. THOMA: Bewijsstuk Rosenberg-7, Der Mythos des 20sten Jahrhunderts.
De PRESIDENT: Ja.
Dr. THOMA: Rosenberg-7(a), Gestaltung der Idee; Rosenberg-7(b), Rosenberg: Blut und Ehre; Rosenberg-7(c), Rosenberg: Tradition und Gegenwart; Rosenberg-7(d), Rosenberg: Schriften und Reden; en Rosenberg-8: Völkischer Beobachter, maart en september 1933.
De PRESIDENT: Die werd door het Tribunaal geweigerd. De nummers 7-e en 8 zijn geweigerd.
Dr. THOMA: Ik heb 7-e niet genoemd maar Rosenberg-8.
De PRESIDENT: U noemde 8 wel.
Dr. THOMA: Ja, ik noemde 8, neemt u mij niet kwalijk.
De PRESIDENT: Nummer 8 is ook geweigerd.
Dr. THOMA: Ja.
(tot de getuige) Meneer Rosenberg, wilt u het Tribunaal uw persoonlijke geschiedenis vertellen?
ROSENBERG: Ik ben op 12 januari 1893 in Reval in Estland geboren. Na het doorlopen van de middelbare school ben ik in 1910 architectuur gaan studeren aan het Instituut voor Technologie in Riga. Toen de Duits-Russische frontlinies in 1915 naderden werd het Instituut voor Technologie met alle hoogleraren en studenten overgeplaatst naar Moskou en daar, in de Russische hoofdstad, zette ik mijn studie voort. Eind januari of begin februari 1918 rondde ik mijn studie af, ontving mijn bul als ingenieur en architect en keerde terug naar mijn geboortestad. Toen de Duitse troepen Reval binnentrokken, probeerde ik mij in te schrijven als vrijwilliger in het Duitse leger maar omdat ik een inwoner van een bezet land was, werd ik zonder bijzondere aanbeveling niet geaccepteerd. Omdat ik in de toekomst niet tussen de grenzen van diverse landen wilde leven, probeerde ik naar Duitsland te komen.
Voor de Baltische Duitsers was, niettegenstaande hun loyaliteit jegens de Russische staat de Duitse cultuur hun intellectuele thuis en de ervaringen die ik in Rusland had opgedaan sterkten mij in mijn besluit, alles te doen wat in mijn macht lag om te helpen voorkomen dat de politieke beweging in Duitsland zou afglijden naar het Bolsjewisme. Ik meen dat die beweging in Duitsland, vanwege de hachelijke samenhang van het Deutsche Reich, een grote ramp zou hebben betekend. Eind november 1918 reisde ik naar Berlijn en van daar naar München. Ik wilde eigenlijk mijn beroep als architect opnemen maar in München ontmoette ik mensen die dachten als ik en ik werd staflid van een weekblad dat destijds in München werd opgericht. Ik ging in 1918 voor dit weekblad aan het werk en ben sinds die tijd met literair werk bezig gebleven. Ik heb de ontwikkeling van de politieke beweging hier in München meegemaakt tot aan de Radenrepubliek van 1919 en de omverwerping daarvan.
Dr. THOMA: U noemde net Duitsland als uw intellectuele thuis. Wilt u het Tribunaal vertellen door welke studies en door welke geleerden u positief werd beïnvloed ten opzichte van de Duitse mentaliteit?
ROSENBERG: In aanvulling op mijn directe artistieke interesses in architectuur en schilderkunst heb ik sinds mijn jeugd studies in geschiedenis en filosofie gevolgd en natuurlijk ging ik instinctief Goethe, Herder en Fichte lezen om mij langs die lijnen intellectueel te ontwikkelen. Tegelijkertijd werd ik beïnvloed door de sociale ideeën van Charles Dickens, Carlyle en wat betreft Amerika, door Emerson. Ik zette deze studies in Riga voort en ging me natuurlijk ook toeleggen op Kant en Schopenhauer en bovenal wijdde ik mij aan de studie van de Indiase filosofie en aanverwante denkwijzen. Later natuurlijk bestudeerde ik de vooraanstaande Europes historici op het gebied van de beschavingsgeschiedenis, Burckhardt en Rohde, Ranke en Treitschke, Mommsen en Schlieffen. Uiteindelijk begon ik in München aan een meer nauwkeurige studie van de biologie.
Dr. THOMA: In uw toespraken noemde u herhaaldelijk de “belichaming van de idee.” Was dit dankzij de invloed van Goethe?
ROSENBERG: Ja, het spreekt voor zich dat het idee, de wereld als een belichaming te zien, terug gaat op Goethe.
De PRESIDENT: Dr. Thoma, het Tribunaal wenst dat u zich beperkt tot zijn eigen filosofie en niet uitwijdt over de oorsprong van deze filosofieën, voor zover u al verwijst naar filosofische onderwerpen.
Dr. THOMA: Hoe kwam u in München bij de NSDAP en Hitler terecht?
ROSENBERG: In mei 1919 kreeg de uitgever van de krant die ik net noemde bezoek van een man met de naam Anton Drexler, die zich voorstelde als de voorzitter van een nieuw opgerichte Deutsche Arbeiter Partei. Hij verklaarde zich voorstander van ideeën vergelijkbaar met die welke in die krant werden uitgedrukt en vanaf dat moment kwam ik in contact met een kleine groep Duitse arbeiders die in München was opgericht. In de herfst van 1919 ontmoette ik daar ook Hitler.
Dr. THOMA: Wanneer sloot u zich bij Hitler aan?
ROSENBERG: Wel, in die tijd had ik een ernstig gesprek met Hitler en bij die gelegenheid bemerkte ik zijn brede kijk op de gehele Europese situatie.
Hij zei dat naar zijn mening Europa zich destijds in een sociale en politieke crisis bevond die zich sinds de val van het Romeinse Rijk niet meer had voorgedaan. Hij zei dat overal in dat gebied haarden van onrust konden worden gevonden en dat hij er persoonlijk naar streefde een helder beeld te krijgen vanuit het gezichtspunt van Duitsland’s herstel naar gezonde condities. Daarop luisterde ik naar enkele van de eerste toespraken door Hitler die werden gehouden op kleine bijeenkomsten – 40 of 50 personen. Ik geloofde boven alles dat een soldaat die aan het front geweest was en 4½ jaar in stilte zijn plicht had gedaan het recht had zich eindelijk uit te spreken. Eind 1919 sloot ik me bij de Partij aan – niet eerder dan Hitler zoals hier werd beweerd, maar later. In deze oorspronkelijke partij kreeg ik lidnummer 625. Ik had geen deel aan het opstellen van het programma. Ik was echter aanwezig toen op 24 februari 1920 Hitler dit prograam openbaar maakte en er zijn commentaar op gaf.
Dr. THOMA: En toen gaf u een rechtvaardiging voor dit Partijprogramma en wilde u waarschijnlijk de problemen oplossen die te maken hadden met de sociale en politieke crisis. Hoe zag u die oplossing?
ROSENBERG: In antwoord op diverse vragen betreffende de 25 punten van het programma schreef ik eind 1922 een commentaar dat hier voor het Tribunaal in gedeelten is voorgelezen. Onze algemene opvatting van toen kan misschien het best als volgt worden samengevat:
De technische revolutie van de 19de eeuw had bepaalde sociale en mentale gevolgen. Industrialisatie en het streven naar winst overheersten het leven en schiepen de industriestaat, de metropool met al zijn achterbuurten en de vervreemding van natuur en historie.
Bij de eeuwwisseling keerden vele mensen, die hun vaderland en hun geschiedenis wilden heroveren zich tegen deze eenzijdige beweging. De wedergeboorte van tradities, volksmuziek en folkklore uit het verleden hadden hun oorsprong in de jeugdbeweging uit die tijd. De kunstwerken, bijvoorbeeld van Professor Schultze-Naumburg - en enkele dichters - vormden een karakteristiek protest tegen deze eenzijdige beweging uit die tijd en het is hier dat het Nationaalsocialisme vaste voet probeerde te krijgen - in het volle bewustzijn echter dat het een moderne beweging was en geen beweging van retrospectieve sentimentaliteit. Het voegde zich naar de sociale beweging van Stocker en de nationale beweging van Schonerer in Oostenrijk zonder die in hun geheel als model te gebruiken.
Ik zou eraan willen toevoegen dat de term “Nationaal Socialisme” meen ik in het Sudetenland ontstond en de kleine Deutsche Arbeiter Partei werd opgericht onder de naam “National Sozialistische Deutsche Arbeiter Partei.” Als ik het zo mag zeggen, wat ons in essentie uiteindelijk dreef en de reden om ons Nationaal Socialisten te noemen - want ziet u, vele verschrikkelijke dingen zijn de afgelopen drie maanden door de Aanklager aangedragen, maar over het Nationaalsocialisme is niets gezegd - was dat we ons destijds bewust waren van het feit dat er twee vijandige kampen in Duitsland bestonden, dat in beide kampen miljoenen eerbare Duitsers streden en we onszelf geplaatst zagen voor de vraag wat voor beide kampen aanvaardbaar zou kunnen zijn uit een oogpunt van nationale eenheid en wat een onderlinge verstandhouding tussen deze kampen in de weg stond. In het kort, toen zowel als later legden we aan het proletarische kamp uit dat zelfs wanneer de klassenstrijd een factor in het sociale en politieke leven geweest was en nog steeds was, dat die niettemin als ideologische basis en maximum haalbare de eeuwige splijting van de natie zou betekenen. De leiding van een beweging voor sociale verzoening of enig andere vorm van sociaal conflict door een internationaal centrum was het tweede beslissende obstakel voor sociale verzoening. De roep om sociale gerechtigheid, over het algemeen afkomstig van de arbeiders, was echter gerechtvaardigd, nuttig en noodzakelijk. Wat de bourgeoisie betreft, wij geloofden dat we in staat zouden zijn te bewijzen dat in enkele gevallen het reactionaire vooroordeel van bevoorrechte kringen in het nadeel van de bevolking had gewerkt en ten tweede dat de vertegenwoordiging van nationale belangen niet gebaseerd moest zijn op de voorrechten van zekere klassen; in tegendeel, de eis voor nationale eenheid en een waardige vertegenwoordiging was van hun kant de juiste houding. Hieruit vloeiden de ideeën voort die Hitler .....
De PRESIDENT: Dr. Thoma, zou u willen proberen de beklaagde zich te laten beperken tot de beschuldigingen die tegen hem zijn ingebracht? De beschuldigingen tegen de beklaagden luiden niet dat zij probeerden Duitsland te hervormen maar dat zij deze hervorming gebruikten om buitenlandse rassen en naties aan te vallen.
Dr. THOMA: Maar naar mijn mening moeten we enige tijd besteden aan Rosenberg’s denkwijze om de motieven achter zijn acties te bepalen; maar ik zal hem nu dit vragen:
Was u zich ervan bewust dat deze kwesties rond socialisme, de kwesties rond arbeid en kapitaal in werkelijkheid internationale kwesties waren? En waarom bestreed u de democratie als een zaak van internationaal conflict?
Mr. DODD: Meneer de President, ik meen dat dit een voortzetting is van dezelfde lijn van ondervraging en ik zou willen opmerken dat geen van de Aanklagers enige beschuldiging tegen deze beklaagde heeft geuit om wat hij heeft gedacht. Ik denk dat we allemaal uit principe gekant zijn tegen het vervolgen van wie dan ook om wat hij denkt. En ik zeg met verschuldigde eerbied dat ik er groot vertrouwen in stel dat het ook de opvatting van het Tribunaal is. Daarom menen wij dat het geheel onnodig is breed uit te wijden over de gedachten die deze beklaagde over deze onderwerpen had, of over welk ander onderwerp dan ook.
Dr. THOMA: Naar mijn weten wordt de beklaagde ook beschuldigd van het bestrijden van de democratie en daarom geloof ik, hem deze vraag te moeten stellen.
De PRESIDENT: Wat is de vraag?
Dr. THOMA: Waarom bestreed hij de democratie - waarom streden het Nationaalsocialisme en hij zelf tegen de democratie?
De PRESIDENT: Ik denk niet dat het iets met deze zaak te maken heeft. De enige vraag is of hij het Nationaalsocialisme gebruikte om internationale strijd te voeren.
Dr. THOMA: Meneer de President, het Nationaalsocialisme als concept moet worden ontleed in zijn samenstellende delen. Omdat de Aanklager volhoudt dat het Nationaalsocialisme een strijd tegen de democratie was, een eenzijdige last op nationalisme en militarisme moet hij nu de gelegenheid krijgen te zeggen waarom het Nationaalsocialisme het militarisme ondersteunde en of dat in feite ook het geval was. Het Nationaalsocialisme moet als concept worden geanalyseerd om de samenstellende delen te bepalen.
De PRESIDENT: Wat het Nationaalsocialisme inhield is al aan het Tribunaal getoond en hij bestrijdt het feit niet dat in Duitsland het Führerprinzip werd ingevoerd. Er bestaat geen twijfel over waarom dat werd ingevoerd. Als het alleen maar voor interne doeleinden zou worden ingevoerd zouden er wat dat betreft geen beschuldigingen zijn. De enige beschuldiging luidt dat het Nationaalsocialisme werd gebruikt met als doel het voeren van een agressieve oorlog en het begaan van de andere misdaden waarover wij hier hebben gehoord.
Dr. THOMA: Naar mijn weten werd aan de beschuldiging van het voeren van een agressieve oorlog de voorkeur gegeven omdat het een strijd tegen de democratie was gebaseerd op nationalisme en militarisme.?
De PRESIDENT: Democratie buiten Duitsland, niet in Duitsland.
Dr. THOMA: Dan zou ik de beklaagde willen vragen hoe hij de beschuldiging weerlegt dat het Nationaalsocialisme het superras predikte.
ROSENBERG: Ik weet dat deze kwestie het belangrijkste punt van de Aanklacht is en ik ben me ervan bewust dat tegenwoordig, in het licht van het aantal vreselijke incidenten, automatisch conclusies worden getrokken over het verleden en de reden van de oorsprong van de zogenaamde rassentheorie. Ik meen echter dat het van beslissend belang is, bij de beoordeling van deze kwestie precies te weten waar het om gaat. Ik heb het woord Herrenrasse nog nooit zo vaak gehoord als in deze rechtszaal. Naar mijn weten heb ik dit in geen van mijn geschriften genoemd of gebruikt. Ik heb mijn Schriften und Reden nog eens doorgebladerd en dit woord niet gevonden. Ik heb slechts eenmaal gesproken over supermensen zoals die door Homerus worden genoemd, en ik heb een citaat gevonden van een Britse auteur die, schrijvend over het leven van Lord Kitchener, zei dat de Engelsman die de wereld had veroverd zich had bewezen als een creatief supermens (Herrenmensch). Toen vond ik het woord Herrenrasse in een geschrift van de Amerikaanse etnoloog Madison Grant en van de Franse etnoloog Lapouge.
Ik zou echter willen toegeven - en niet alleen toegeven maar benadrukken - dat het woord Herrenmensch in het bijzonder onder mijn aandacht kwam gedurende mijn activiteiten als mnister in het Oosten wanneer het - erg onvriendelijk - werd gebruikt door een aantal bestuurders in het Oosten. Als we terugkomen op de kwestie van het Oosten mag ik misschien in bijzonderheden op dit onderwerp terugkomen en verklaren welk standpunt ik innam met betrekking tot deze uitlatingen die onder mijn aandacht kwamen. In principe was ik er echter van overtuigd dat etnologie per slot van rekening geen uitvinding van de Nationaalsocialistische beweging was maar een biologische ontdekking, die het gevolg was van 400 jaar Europees onderzoek. De wetten van de erfelijkheid die rond 1860 werden ontdekt en enkele decennia later herontdekt werden stellen ons in staat een dieper inzicht te krijgen in de geschiedenis dan menig andere vroegere theorie. Dientengevolge, ras ......
De PRESIDENT: Dr. Thoma, de beklaagde gaat nu terug naar de oorsprong van de ideeën die hij had. Zeker, alles wat we hier moeten beschouwen is zijn verklaring in toespraken en documenten en de wijze waarop hij die verklaringen gebruikte, niet of ze nu 400 jaar oud waren of iets van dien aard.
Dr. THOMA: De beklaagde sprak net over het rassenvraagstuk en ik wil de gelegenheid benutten over het zogenaamde Joodse probleem te spreken als uitgangspunt voor deze vraag. Ik zou de beklaagde de volgende vraag willen stellen: Hoe kwam het dat .......
GEN. RUDENKO: Meneer de President, mijn collega Mr. Dodd heeft er al op gewezen dat de Aanklager een aanklacht tegen de beklaagde heeft ingediend die in concrete termen zijn misdaden beschrijft: agressieve oorlogen en wreedheden. Ik vind dat voor Dr. Thoma de meest correcte wijze dit verhoor van zijn cliënt voort te zetten zou zijn hem vragen te stellen die direct verband houden met de beschuldigingen van de Aanklager. Ik denk niet dat het Tribunaal van plan is verhandelingen aan te horen over rassentheorieën, Nationaalsocialisme of welke andere theorie dan ook.
Dr. THOMA: Meneer de President, ik zal mij met de individuele vragen later bezighouden maar omdat de ideologie en de filosofie van de Nazis hier misdadig zijn genoemd, meen ik dat Beklaagde Rosenberg een kans moet krijgen zijn gedachten te uiten.
(tot de getuige) Het zou natuurlijk beter en passend zijn, meneer Rosenberg als u op sommige punten wat korter zou kunnen zijn.
Ik zou nu het volgende willen vragen: U geloofde dat het zogenaamde Jodenvraagstuk in Europa kon worden opgelost als de laatste Jood het vasteland van Europa zou hebben verlaten. Destijds verklaarde u dat het niet belangrijk was of een dergelijk programma in 5, 10 of 20 jaar kon worden gerealiseerd. Het was per slot van rekening een kwestie van transportmogelijkheden en u vond het destijds raadzaam, de kwestie aan een internationaal comité voor te leggen. Hoe en waarom kwam u tot deze opvatting? Ik bedoel te zeggen, hoe zou, naar uw mening, het vertrek van de laatste Jood uit Europa het probleem oplossen?
ROSENBERG: Om te voldoen aan de wens van het Tribunaal zal ik geen uitvoerige uiteenzetting geven van mijn inzichten zoals die zich hebben gevormd uit mijn studie van de geschiedenis - ik bedoel niet de studie van anti-Semitische geschriften maar van Joodse historici zelf.
Het leek mij toe dat na een tijdperk van grote emancipatie in de koers van nationale bewegingen in de 19de eeuw, een belangrijk deel van de Joodse natie de weg ook terugvond naar zijn eigen tradities en karakter en zich meer en meer bewust afscheidde van andere naties. Het was een probleem dat op vele internationale congressen werd besproken en Buber in het bijzonder, een van de geestelijke leiders van het Europese Jodendom verklaarde dat de Joden moesten terugkeren naar de landen in Azië, want alleen daar konden de wortels van het Joodse bloed en het Joodse karakter worden gevonden. Maar mijn meer radicale opvatting op politiek gebied was deels te wijten aan mijn waarnemingen en ervaringen in Rusland en deels aan mijn ervaringen later in Duitsland, die in het bijzonder het vreemde daarvan schenen te bevestigen. Ik kon me niet voorstellen hoe, in een tijd dat Duitse soldaten terugkeerden, zij werden begroet door een Joodse professor die verklaarde dat Duitse soldaten waren gestorven op het veld van oneer. Ik kon niet begrijpen dat een gebrek aan respect zover kon gaan. Als het een individuele reactie zou zijn geweest had men kunnen zeggen dat de man zich had vergist. Maar in de loop van 14 jaar werd het duidelijk dat het inderdaad een uitdrukking was van een definitief vervreemdende tendens.
Dr. THOMA: Meneer Rosenberg, ik meen dat we het feit ook moeten bespreken dat de oppositie ook gedeeltelijk te wijten was aan tegenspraken die door zekere Nationaalsocialistische kranten werden gedaan.
ROSENBERG: De uitlatingen van de oppositie, zoals die voortdurend gedurende die 14 jaar verschenen, waren deels al verschenen voor de opkomst van de Nationaalsocialistische beweging. De incidenten rond de Radenrepubliek in München en in Hongarije vonden per slot van rekening plaats lang voordat het Nationaalsocialisme zich in een positie bevond om invloed uit te oefenen.
Dr. THOMA: Meneer Rosenberg, wat had u te zeggen op het feit dat tijdens de Eerste Wereldoorlog 12.000 Joodse soldaten aan het front sneuvelden?
ROSENBERG: Natuurlijk ben ik mij altijd bewust geweest van het feit dat vele Joods-Duitse burgers waren opgenomen in de Duitse samenleving en dat er zich in de loop van deze ontwikkeling vele tragische gevallen voordeden en dat deze natuurlijk aandacht verdienden. In het algemeen betrof dit niet de gehele sociale en politieke beweging, in het bijzonder omdat de vooraanstaande kranten van de zogenaamde democratische partijen de groei van de werkloosheid in Duitsland zagen en voorstelden dat Duitsers zouden moeten emigreren naar de Franse kolonies, naar Argentinië en naar China. Vooraanstaande Joodse personen en de voorzitter van de Democratische Partij suggereerden openlijk tot drie keer toe dat gezien de groei van de werkloosheid, Duitsers zouden moeten worden gedeporteerd naar Afrika en Azië. Per slot van rekening werden er gedurende deze 14 jaar net zoveel Duitsers uit Polen uitgewezen als er Joden in Duitsland waren en de Volkenbond ondernam geen stappen tegen deze inbreuk op de overeenkomst ten gunste van minderheden.
Dr. THOMA: Meneer Rosenberg, u was de leider van het Bureau Buitenlandbeleid van de Partij. Wat was uw functie?
ROSENBERG: Het Bureau Buitenland werd in 1933 opgericht. Nadat het in functie was gekomen, kwamen er veel buitenlanders naar Duitsland om informatie in te winnen over het ontstaan en de aard van de Nationaal Socialistische Partij. Teneinde een informatiecentrum voor de Partij te vormen wees de Führer mij aan om dit bureau te leiden. Zoals ik zei, het was de taak van dit bureau om buitenlanders te ontvangen die belang stelden in deze kwesties, om hen inlichtingen te verstrekken, hen te verwijzen naar de juiste organen van de Partij en de Staat wanneer ze waren geïnteresseerd in het arbeidsfront, de jeugdkwestie, de Winterhulp enzovoorts. Wij waren ook geïnteresseerd in voorbereidend werk naar aanleiding van suggesties die ons werden gedaan op het vlak van buitenlandse handel en wanneer die steun verdienden, die door te geven aan die departementen van de regering die in het bijzonder daarbij betrokken waren. Verder bestudeerden we de buitenlandse pers om goede archieven te vormen voor toekomstig onderzoek en de Partijleiding politiek te informeren met korte uittreksels uit de buitenlandse pers. Onder andere word ik er hier van beschuldigd, artikelen te hebben geschreven voor het Hearst persbureau. In 1933 of 1934 schreef ik op uitnodiging van de Hearts combinatie vijf of zes artikelen maar nadat ik eenmaal ongeveer 20 minuten met Hearst heb gesproken in Nauheim heb ik hem niet meer gesproken of gezien. Ik heb alleen maar gehoord dat de Hearst combinatie wel degelijk in zeer grote moeilijkheden kwam vanwege de aan mij verleende gunst, mijn onpartijdige verklaringen te publiceren.
Dr. THOMA: Als hoofd van het Bureau Buitenlandbeleid, nam u wel eens officiële politieke stappen?
ROSENBERG: In de documenten die hier zijn overlegd, document nummer 003-PS, 004-PS, en 007-PS zijn de activiteiten van het Bureau Buitenlandbeleid besproken en met betrekking tot deze activiteit zou ik het Tribunaal een korte samenvatting kunnen geven en uit de documenten lezen.
Dr. THOMA: Maar ik zou willen dat u ons vertelt welke stappen u ondernam als hoofd van het Bureau Buitenlandbeleid om een positieve overeenkomst tussen de Europese naties tot stand te brengen.
ROSENBERG: Adolf Hitler riep meen ik in 1927 een vergadering bijeen in Bamberg waarbij hij als zijn overtuiging op het gebied van buitenlands beleid uitsprak dat tenminste een paar landen geen direct belang konden hebben bij de totale vernietiging van centraal Europa. Met “een paar landen” bedoelde hij in het bijzonder Engeland en Italië. Daarna, ik was het hartgrondig met hem eens, probeerde ik de weg te vinden naar onderling begrip door de persoonlijke contacten die ik had gelegd. Ik had regelmatig gesprekken met officieren van de RAF en met officieren van hun Generale Staf. Op hun uitnodiging bezocht ik in 1931 Londen en had toen zuiver informele gesprekken met een aantal Britse persoonlijkheden.
Toen in 1932 op een vergadering in de Koninklijke Academie van Rome het onderwerp “Europa” werd besproken kreeg ik de gelegenheid te spreken en ik hield een toespraak over deze kwestie waarin ik uitlegde dat de ontwikkelingen van de laatste eeuwen voornamelijk waren bepaald door vier naties, namelijk Engeland, Frankrijk, Duitsland en Italië. Ik wees erop dat deze vier ten eerste hun vitale belangen moesten bepalen zodat zij schouder aan schouder het oude en eerbiedwaardige Europese continnent en haar tradities konden verdedigen. Ik geloofde dat deze viervoudige nationale wortels van de Europese cultuur een historisch en politiek erfgoed vertegenwoordigden. Uittreksels uit mijn toespraken werden gepubliceerd en gedeelten ervan zijn met toestemming van het Tribunaal vertaald.
Op de laatste dag van de conferentie kwam de voormalige Britse Ambassadeur in Italië, Sir Rennell Rodd bij mij en zei mij dat hij net Mussolini had verlaten die hem had verteld dat ik, Rosenberg, de allerbelangrijkste woorden van de conferentie had gesproken.
Dr. THOMA: Meneer Rosenberg, mag ik u verzoeken het iets korter te houden?
ROSENBERG: In mei 1933 was ik weer in Londen, dit keer op persoonlijk bevel van Hitler en ik bezocht een aantal Britse ministers - hun namen doen er hier niet toe - en ik probeerde weer begrip te kweken voor de plotselinge en vreemde ontwikkelingen in Duitsland. Mijn ontvangst was nogal koel en er gebeurden een paar dingen waaruit bleek dat de gevoelens erg vijandig waren. Maar dat weerhield me er niet van die persoonlijke contacten te behouden en een groot aantal vooraanstaande Britten uit te nodigen later naar Duitsland te komen. Het lag niet binnen mijn opdracht om dat te doen.
De PRESIDENT: Waarom vraagt u de beklaagde niet wat die overeenkomst zou inhouden?
(De vraag van de President heeft betrekking op bovenstaand antwoord van Beklaagde Rosenberg waar de tolk zei: “een overeenkomnst tot stand brengen” in plaats van “begrip te kweken.”)
Waarom vertelt hij ons niet wat die overeenkomst moest inhouden in plaats van dat hij in het abstracte blijft praten over een overeenkomst?
Dr. THOMA: Meneer de President, ik stelde die vraag aan de beklaagde omdat hij stappen ondernam om tot tot een positieve verstandhouding met Engeland te komen en hij naar dat doel toe werkte. De beklaagde wordt ervan beschuldigd ....
De PRESIDENT: Maar wat betrof dat begrip dan?
Dr. THOMA: We waren bezorgd over het feit dat de beklaagde naar Londen ging om te ..
De PRESIDENT: Ik wil dat u het de beklaagde vraagt. U moet het mij niet vertellen.
Dr. THOMA: Ik heb het hem net gevraagd, Meneer de President.
De beklaagde wordt ervan beschuldigd deel te hebben genomen aan de actie tegen Noorwegen, in die zin dat hij pleitte voor de schending van de neutraliteit van Noorwegen.
(tot de getuige) Beantwoordt u alstublieft de vraag. Hoe ontmoette u Quisling?
ROSENBERG: Ik ontmoette Quisling in 1933 toen hij mij bezocht en ik had een gesprek van twintig minuten met hem. Vervolgens correspondeerde een assistent van mij, die geïnteresseerd was in de Scandinavische cultuur en er boeken over had geschreven, met Quisling. Het was pas na zes jaar dat ik Quisling weer zag en ik bemoeide me niet met de Noorse politieke situatie, noch met de beweging van Quisling totdat hij me in juni 1939 opzocht, toen de spanningen in Europa waren opgelopen en hij drukte zijn bezorgdheid uit over de situatie in Noorwegen in geval van een conflict. Hij zei dat er voor gevreesd moest worden dat Noorwegen in een dergelijk geval niet neutraal kon blijven en dat zijn vaderland in het noorden zou kunnen worden bezet door Sovjet troepen en in het zuiden door troepen van de Westerse mogendheden en dat hij de zaken met grote bezorgdheid tegemoet zag. Mijn stafleider maakte een notitie van zijn bezorgdheid en rapporteerde die aan Dr. Lammers, zoals zijn plicht hem voorschreef.
Dr. THOMA: Wanneer was dat?
ROSENBERG: Dat moet in juni 1939 geweest zijn. Daarop vroeg Quisling een van mijn assistenten te helpen, de Duits-Noorse verstandhouding te bewaren en in het bijzonder om zijn partij vertrouwd te maken met de organisatie en propaganda van onze Partij.
Daarna, begin augustus waren er denk 25 Noren in onze opleidingsschool om hen te trainen voor dit propagandawerk en die daarna naar huis terugkeerden.
Dr. THOMA: Waarin werden ze geoefend en hoe?
ROSENBERG: Ik heb ze niet ontmoet en heb ook niet individueel met ze gesproken. Hen werd geleerd meer doeltreffende propaganda te voeren en hoe de Partijorganisatie in Duitsland op dit gebied was opgebouwd. We beloofden ze hen op dit gebied te steunen.
Plotseling, na het uitbreken van de oorlog of kort daarvoor - ik herinner het me niet precies - kwam Hagelin, een kennis van Quisling, bij me met twijfels die vergelijkbaar waren met die welke Quisling had geuit. Na het uitbreken van de oorlog rapporteerde deze asssistent van Quisling diverse bijzonderheden over de activitieten van de Westerse mogendheden in Noorwegen. Uiteindelijk, in december 1939 kwam Quisling naar Berlijn met de verklaring dat hij, op grond van nauwkeurige inlichtingen, wist dat de Noorse regering nu slechts schijnbaar neutraal was en dat er in werkelijkheid al bijna was overeengekomen dat Noorwegen haar neutraliteit zou opgeven. Quisling was vroeger zelf Minister van Oorlog in Noorwegen geweest en daarom had hij de juiste kennis van zaken moeten hebben. Overeenkomstig mijn plicht als Duits burger stelde ik voor dat de Führer Quisling zou aanhoren. De Führer ontving Quisling daarop twee maal en tegelijkertijd bezochten Quisling en zijn assistent Hagelin het hoofdkwartier van de Marine en verstrekte hen dezelfde informatie. Ik sprak daarna met Raeder en hij stelde ook aan de Führer voor dat hij Quisling’s verslag zou moeten aanhoren.
Dr. THOMA: U gaf dus zelf alleen die rapporten door die Quisling u gaf?
ROSENBERG: Ja, ik zou willen benadrukken dat hoewel Quisling mij bezocht, ik me niet met deze kwestie bezig had gehouden - ik was zes jaar lang niet bij deze politieke kwesties betrokken. Natuurlijk moest ik het als mijn plicht beschouwen aan de Führer rapporten door te spelen die, wanneer die juist waren, een enorme militaire dreiging voor Duitsland vormden en ook notities te maken van en die zaken aan de Führer te rappporteren die Quisling mij mondeling had meegedeeld, namelijk zijn voornemen om een politieke verandering in Noorwegen te weeg te brengen en dan Duitsland om steun te vragen. Destijds, ik weet het niet, deze ontwikkeling is in die documenten die door de Aanklager zijn ingediend beschreven in woorden die veel beter uitdrukken dan ik het hier zou kunnen samenvatten. In document 004-PS, maakte de leider van mijn staf er een korte samenvatting over, ongeveer 1 1/2 of 2 maanden na de operatie in Noorwegen.
Dr. THOMA: Dit document - ik zou de aandacht van het Tribunaal in het bijzonder op dit document willen vestigen - werd opgesteld onmiddellijk na de operatie in Noorwegen toen de indruk van het succes ervan nog vers was en het beschrijft ondubbelzinnig welke maatregelen werden genomen. Het vermeldt duidelijk dat Quisling de aanstichter was, dat hij plotseling in Lübeck opdook en rapport uitbracht, dat hij smeekte dat zijn mensen verder getraind moesten worden en dat hij keer op keer terugkwam en Rosenberg informeerde over de nieuwe ontwikkelingen in Noorwegen.
De PRESIDENT: Naar welk document verwijst u?
Dr. THOMA: Document Nummer 004-PS, Bewijsstuk GB-140. Dat staat in het Documentenboek 2, Pagina 113.
De PRESIDENT: Het documentenboek is niet genummerd en heeft geen paginanummers?
Dr. THOMA: Ik geloof dat het nummer onderaan staat, Meneer de President.
De PRESIDENT: Naar welk boek verwijst u?
Dr. THOMA: Mijn documentenboek 2, pagina 113. Documentenboek Alfred Rosenberg, pagina 113, deel II. Het staat op pagina 72 van de Engelse vertaling.
De PRESIDENT: Goed dan, wat is uw vraag?
Dr. THOMA: Ik zou erop willen wijzen dat op pagina 1 staat: “Voor de vergadering van de Noordse Vereniging was Quisling in Berlijn waar hij door Rosenberg ontvangen werd.”
Dat was in juni 1939, zoals wordt aangetoond door document 007-PS. Dan staat op de volgende pagina dat er in augustus een cursus werd gegeven in Berlijn-Dahlem. Er staat verder dat Quisling in december 1939 op eigen initiatief weer in Berlijn verscheen en zijn rapporten uitbracht - dat was op 14 en 15 december - en dat Rosenberg, op grond van zijn plicht deze rapporten aan de Führer overbracht. Meer dan dat deed hij echter niet in deze kwestie. Tegelijk hiermee, en geheel onafhankelijk van elkaar, ontving Raeder dezelfde rapporten.
(tot de getuige) Hebt u iets toe te voegen aan document 007-PS?
ROSENBERG: Ja. Mag ik het document hebben? (het document wordt aan beklaagde overhandigd) Op pagina 5 van dit document 007-PS staat dat Hagelin, Quisling’s assistent die zich in kringen van de Noorse regering bewoog en van de Noorse regering opdracht had gekregen om wapens van Duitsland te kopen, bijvoorbeeld na het Altmark incident - dat is het incident waarbij een Duits schip in Noorse territoriale wateren werd beschoten - had hij Noorse vertegenwoordigers van de Storting (het Noorse parlement, Vert.) horen zeggen dat de gereserveerde houding van Noorwegen een vooraf geregelde kwestie was. Verder, in het midden van pagina 7:
“Op 20 maart, bij gelegenheid van zijn deelname aan onderhandelingen betreffende Duitse leveranties van luchtdoelartillerie, bracht hij gedetailleerd verslag uit over de onophoudelijke activiteiten van de Geallieerden in Noorwegen met medeweten van de regering Nygardsvold. Volgens dit rapport onderzochten de Geallieerden de Noorse havens al vanwege hun landings- en transportfaciliteiten. De Franse commandant, Kermarrec die daartoe strekkende bevelen had - tussen haakjes, ik herinner me dat zijn naam ook als Karramac of iets dergelijke werd geschreven - in een vertrouwelijk gesprek met Kolonel Sundlo, de commandant van Narvik die ook een volgeling van Quisling was, de kolonel had geïnformeerd over de plannen van de Geallieerden om gemechaniseerde troepen aan land te zetten bij Stavanger, Trondheim en misschien ook bij Kirkenes en het vliegveld Sola bij Stavanger te bezetten.”
Iets verderop staat, en ik citeer:
“In zijn rapport van 26 maart wees hij” -dat is Hagelin - “erop dat de toespraak van de Noorse Minister van Buitenlandse Zaken Koht, handelend over de Noorse neutraliteit en de protesten daartegen, in Londen niet serieus werd genomen door de Engelsen en in Noorwegen niet door de Noren omdat het algemeen bekend was dat Noorwegen niet van plan was serieus stelling te nemen tegen Engeland.”
Dr. THOMA: Dat rapporteerde Quisling aan u?
ROSENBERG: Ja, dat waren de rapporten die Quisling aan Haglin had opgedragen uit te brengen. Ik zou er nog aan willen toevoegen dat enige tijd nadat de Führer Quisling had ontvangen, hij me vertelde dat hij het OKW opdracht had gegeven deze kwestie vanuit militair oogpunt te bekijken en hij vroeg me met niemand anders over dit onderwerp te spreken. In dit verband zou ik ook er ook op willen wijzen dat de Führer - zoals kan worden opgemaakt uit document 004-PS - had benadrukt dat hij wilde dat het hele Scandinavische noorden ten koste van alles de neutraliteit moest handhaven en hij zijn standpunt alleen maar zou wijzigen als die neutraliteit door andere mogendheden werd bedreigd.
Later kreeg een assistent van mij opdracht van de Führer om de contacten met Quisling in Oslo voort te zetten en hij ontving van Buitenlandse Zaken een bepaald bedrag om propaganda ten gunste van Duitsland te ondersteunen om andere propaganda tegen te werken. Hij kwam ook naar Duitsland terug met rapporten over het standpunt van Quisling. Later hoorde ik - en dit was volkomen begrijpelijk - dat deze assistent die toen soldaat was, ook militaire inlichtingen had ontvangen die hij na de Noorse operatie onthulde.
Dr. THOMA: Kunt u iets korter zijn, meneer Rosenberg?
ROSENBERG: De Führer lichtte mij niet in over zijn uiteindelijke beslissing, of dat hij ook werkelijk had besloten de operatie door te zetten. Ik vernam op 9 november over de hele operatie uit de krant en bracht daarop die dag de Führer een bezoek. Enkele weken later riep de Führer me bij zich en zei dat hij tot deze beslissing was gedwongen op basis van concrete waarschuwingen die hij had ontvangen; documenten die later werden gevonden leverden het bewijs dat deze waarschuwingen gegrond waren. Hij zei dat het de letterlijke waarheid was dat toen de laatste Duitse schepen in de fjord van Trondheim aankwamen ze al beschoten waren door de eerste van de naderende Britse schepen.
Dr. THOMA: In dit verband heb ik nog maar een vraag: Riep Hitler u ooit op om een vergadering over buitenlandse politiek of een militaire conferentie bij te wonen in uw hoedanigheid als hoofd van het Bureau Buitenlandbeleid?
ROSENBERG: De Führer maakte een strikt onderscheid tussen het officiële buitenlands beleid en het beleid dat gevoerd werd vanwege dringende initiatieven of suggesties die mij van buiten bereikten, ik meen dat alle documenten aantonen dat hij me nooit vroeg deel te nemen aan enige conferentie betreffende buitenlands beleid of militaire voorbereidingen.
Dr. THOMA: Dat betekent, u werd nooit opgeroepen om deel te nemen aan de operaties tegen Oostenrijk, Tsjechoslowakije, Polen, Rusland en dergelijke?
Ik geloof, meneer de President dat dit een goed moment is om te schorsen.
(het Tribunaal werd verdaagd tot 16 april 1946 om 10:00 uur

Definitielijst

democratie
Letterlijk: demos (volk) kratein (regeert). Democratie is een bestuursvorm waar de regering door een meerderheid van het volk gekozen wordt en waarbij het volk de leiders op het rechte pad houdt door de mogelijkheid deze regering weg te sturen als een meerderheid van het volk het niet meer eens is met de regering.
Eerste Wereldoorlog
Ook wel Grote Oorlog genoemd, conflict dat ontstond na een groei van het nationalisme, militarisme en neo-kolonialisme in Europa en waarbij twee allianties elkaar bestreden gedurende een vier jaar durende strijd, die zich na een turbulent begin, geheel afspeelde in de loopgraven. De strijdende partijen waren Groot-Brittannië, Frankrijk, Rusland aan de ene kant (de Triple Entente), op den duur versterkt door o.a. Italië en de Verenigde Staten, en Duitsland, Bulgarije, Oostenrijk-Hongarije en het Ottomaanse Rijk aan de andere kant (de Centrale Mogendheden of Centralen). De strijd werd gekenmerkt door enorme aantallen slachtoffers en de inzet van vele nieuwe wapens (vlammenwerpers, vliegtuigen, gifgas, tanks). De oorlog eindigde met de onvoorwaardelijke overgave van Duitsland en zijn bondgenoten in 1918.
Führer
Duits woord voor leider. Hitler was gedurende zijn machtsperiode de führer van nazi-Duitsland.
Geallieerden
Verzamelnaam voor de landen / strijdkrachten die vochten tegen Nazi-Duitsland, Italië en Japan gedurende WO 2.
ideologie
Het geheel van beginselen en ideeën van een bepaald stelsel.
militarisme
Grote invloed van het leger op de burgerlijke samenleving.
nationalisme
Streven van een volk staatkundig onafhankelijk te worden of die onafhankelijkheid veilig te stellen.
neutraliteit
Onpartijdigheid, onzijdigheid, tussen de partijen instaand, geen partij kiezen.
propaganda
Vaak misleidende informatie die gebruikt wordt om aanhangers / steun te winnen. Vaak gebruikt om ideele en politieke doelen te verwezenlijken.
Radenrepubliek
Staatsvorm, gebaseerd op het principe van het Radenstelsel. Gekozen vertegenwoordigers hebben directe uitvoerende macht. Staasvorm kwam na WO I enige tijd voor in Beieren en Hongarije.
revolutie
Meestal plotselinge en gewelddadige ommekeer van bestaande (politieke) verhoudingen en situaties.
Socialisme
Politieke ideologie die streeft naar geen of geringe klassenverschillen. Produktiemiddelen zijn in handen van de staat. Ontstaan als reactie op het kapitalisme. Karl Marx probeerde het socialisme wetenschappelijk te onderbouwen.
Volkenbond
Internationale volkerenorganisatie voor samenwerking en veiligheid (1920-1941). De bond was gevestigd in Genève, in het altijd neutrale Zwitserland. In de dertiger jaren kon zij weinig uitrichten tegen het agressieve optreden van Japan (Mantsjoerije), Italië (Abessinië) en Hitler. De Volkenbond was in feite de voorganger van de Verenigde Naties.

Pagina navigatie

Afbeeldingen


Alfred Rosenberg, partij-ideoloog en minister van het Oosten, leest een document tijdens het proces in Neurenberg.
(Bron: USHMM)

Informatie

Vertaald door:
Arnold Palthe
Geplaatst op:
08-01-2008
Laatst gewijzigd:
18-04-2010
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

Categorieën


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2017
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.