Verhoor Ernst Kaltenbrunner 2

Ochtendzitting 1 12-04-1946

Inhoudsopgave

(Beklaagde Kaltenbrunner neemt weer plaats in de beklaagdenbank.)
Dr. KAUFFMANN: Meneer de President, gisteren werd het geval Sagan door de beklaagde behandeld maar gezien zijn eigen betrokkenheid sprak hij slechts een paar woorden. De Aanklager neemt aan dat hij er direct bij betrokken was, zelfs al voordat de vliegers werden neergeschoten. De twee getuigen, Westhoff en Wielen hebben naar mijn mening voor beklaagde ontlastend bewijs geleverd en ik verzoek nu het Tribunaal mij te zeggen of beklaagde toestemming kan krijgen op bijzonderheden in te gaan in verband met de wijze waarop hij actief betrokken was bij deze zaak of dat het Tribunaal genoegen neemt met de wijze waarop deze kwestie is behandeld.
De PRESIDENT: Het Tribunaal is van mening dat wanneer beklaagde kennis draagt van de feiten die ermee in verband staan, hij die liever moet geven. Hij hoeft niet verder dan noodzakelijk op bijzonderheden in te gaan maar gelet op het bewijsmateriaal van getuige Wielen meen ik dat hij het moet behandelen.
Dr. KAUFFMANN: (tot de beklaagde) U stelde gisteren dat u het eerst over de kwestie Sagan hoorde nadat de gebeurtenis had plaatsgevonden. Blijft u daar vandaag bij?
KALTENBRUNNER: Ja.
Dr. KAUFFMANN: Hoe kwam u later op de hoogte van de kwestie Sagan en wat deed u eraan?
KALTENBRUNNER: Ik ben nooit officieel ingelicht over de kwestie Sagan maar ongeveer zes weken na het gebeuren raakte ik ervan op de hoogte, Toen die vliegers ontsnapten en toen die bevelen werden gegeven – wat naar mijn mening als volgt verliep: Hitler-Himmler-Müller-Nebe, of misschien Himmler-Fegelein-Nebe, dat weet ik niet – omdat ik toen niet in Berlijn maar in Hongarije was en na een aantal tussenstops uiteindelijk op bezoek ging bij Minister Speer in Dahlem. Op 2 of 3 april keerde ik terug naar Berlijn. Tot op dat moment had niemand me erover ingelicht. De eerste keer dat ik over de kwestie hoorde was toen Buitenlandse Zakan bezwaar maakte, of liever van Müller en Nebe eiste dat de kwestie moest worden opgehelderd zodat zij antwoord konden geven op een nota die meen ik door de beschermende instantie naar Buitenlandse Zaken was gestuurd.
De beschrijving van de getuige Generaal Westhoff is naar mijn mening misleidend. Ik denk dat hij de kwestie Sagan noemde ongeveer vier weken na het incident, tijdens een ander gesprek met mij. Ik denk dat het minstens zes weken daarna was. Het moet mogelijk zijn om na te gaan wanneer Buitenlandse Zaken om die informatie vroeg. Dan zou het mogelijk zijn de juiste datum vast te leggen.
Dr. KAUFFMANN: Later, toen u met Müller en Nebe sprak, wat werd er bedacht ter camouflage van deze zaak en waar werd aan gedacht?
KALTENBRUNNER: Er werd in mijn kantoor niet over camouflage gedacht of gesproken maar toen Müller en Nebe zeiden dat ze de vraag van Buitenlandse Zaken moesten beantwoorden en mij in dat verband voor de eerste maal inlichtten over dat afschuwelijke bevel, vroeg ik wie dat bevel had gegeven en zij antwoordden: “Himmler.” Ik zei hen direct contact met deze meerdere op te nemen en hem te vragen hoe verder met de kwestie te handelen. Ik weigerde bij die kwestie betrokken te raken. Het was mij tot op dat moment niet bekend en ik vond het een vuil zaakje.
Dr. KAUFFMANN: Maar werd er in dat verband niet gezegd dat gemeld zou worden dat de vliegers het leven hadden verloren door bombardementen of dat ze op de vlucht waren neergeschoten? Wat weet u in dat verband? De getuige Schellenberg heeft verklaard dat er dergelijke gesprekken gevoerd zijn.
KALTENBRUNNER: Zulke woorden kunnen zijn gezegd, ja. Er is hier beschreven hoe de Grossfahdung werd uitgevoerd en in verband met deze mensenjacht vonden er executies plaats. Zelfs Duitsers werden in dat verband neergeschoten. Een SS-Oberführer werd in de Elzas neergeschoten toen hij geen gehoor gaf aan een stopteken bij een wegversperring die in verband met die zoekactie was opgericht. Twee of drie van de vliegers kwamen door bommen om het leven, zoals mij werd verteld. Ik denk dat het aan de Baltische kust was, in Kiel of in Stettin en ik begreep dat twee politiemensen ook hun leven verloren tijdens dit ongeval. Hun weduwen kregen daarop een pensioen. Dat kan worden vastgesteld. In dit verband zijn bombardementen en verliezen door bombardementen zeker genoemd maar een camoufleren van de hele kwestie werd in ons kantoor niet besproken; in elk geval, het antwoord werd opgesteld door Müller, Nebe en Himmler in Himmler’s kantoor. Ik weet dat direct na de vraag van Buitenlandse Zaken deze twee per vliegtuig vertrokken naar Himmler’s hoofdkwartier.
Dr. KAUFFMANN: Probeert u dus te zeggen dat de verklaring, volgens welke deze vliegers door bommen om het leven waren gekomen, of op de vlucht neergeschoten, niet van u afkomstig was.?
KALTENBRUNNER: Nee zeker niet, die was niet van mij afkomstig.
Dr. KAUFFMANN: Met verwijzing naar het Kerkbeleid van Amt IV beschuldigt Aanklager u van het volgende: zogeheten Bijbelonderzoekers, of Internationale Bijbelstudenten werden vaak ter dood veroordeeld op grond van hun innerlijke overtuiging alleen maar omdat ze weigerden op welke manier dan ook aan de oorlog deel te nemen. Mijn vraag aan u luidt: Wist u van deze gang van zaken en op welke manier was u bij deze kwestie betrokken?
KALTENBRUNNER: Duitse wetgeving die als basis werd gebruikt voor processen tegen deze secte van Internationale Bijbelstudenten was de Wet op de Bescherming van de Defensie van de Duitse Natie. Op grond van deze wet kon iedereen die zich mengde in de Duitse defensieve sterkte door te weigeren in de strijdkrachten te dienen, worden bestraft met gevangenisstraf of met de dood. Op grond van deze wet legden militaire zowel als civiele rechtbanken zelfs de doodstraf ook op aan deze Internationale Bijbelstudenten. Doodvonnissen werden natuurlijk niet uitgesproken door de Gestapo.
In dit verband werd dat vaak een onrechtvaardige wreedheid genoemd tegenover het standpunt waaraan die secteleden uit overtuiging vasthielden. Ik benaderde de Parteikanzlei en ook de Minister van Justitie, Himmler en Hitler wanneer ik verslag uitbracht en wees hen op deze feiten; in diverse gesprekken met Thierack eiste ik dat dit soort rechtspraak beëindigd moest worden. Het gevolg was dat er twee dingen gebeurden. Bij gelegenheid van het eerste gesprek, nadat Thierack navraag had gedaan bij het kantoor van Bormann en Hitler, die hij duidelijk niet persoonlijk ontmoette, werd er direct een richtlijn uitgegeven aan het Openbaar Ministerie dat de vonnissen die al waren uitgesproken opgeschort moesten worden. Tijdens een volgend gesprek werd er nog een stap gezet, namelijk dat het Openbaar Ministerie in het algemeen instructie kreeg niet langer de doodstraf te eisen.
De derde stap was dat Internationale Bijbelstudenten niet langer voor de rechtbank werden gedaagd. Ik beschouw het als een duidelijk succes van mijn persoonlijke tussenkomst bij Thierack – die later werd besproken met Hitler zelf – dat de vervolging van deze secten geheel werd afgeschaft.
Dr. KAUFFMANN: Ik dien nu in een document 1063 .....
KALTENBRUNNER: Mag ik het volgende aan mijn verklaring toevoegen: Deze ontwikkelingen en de wijziging in de Duitse strafwetgeving werden destijds in het buitenland ook bekend. Ik herinner me heel goed dat een goed bekend staande Zweedse medicus mij persoonlijk bedankte en verklaarde dat deze daad in Zweden zeer goed ontvangen was.
De PRESIDENT: Dit is echt een overbodig detail over wat er met een Zweeds persoon buiten Duitsland gebeurde met betrekking tot hoe men over zijn acties dacht.
Dr. KAUFFMANN: Ja. Ik kom nu toe aan Document 1063(d)-PS, bewijsstuk USA-219. Het is een richtlijn van de Chef van de SIPO en de SD, gedateerd 17 december 1942. Het is een geheime brief en geadresseerd aan alle hoofden van de SIPO en de SD en is ter informatie gestuurd aan Pohl, aan de HSSPF en de inspecteurs van de concentratiekampen. Het is een richtlijn op grond waarvan tenminste 35.000 personen die tot werken in staat zijn tegen het einde van januari 1943 op zijn laatst naar concentratiekampen moeten worden overgebracht. De brief is getekend door Müller. Ik vraag u: weet u iets van deze brief of weet u iets van een dergelijke zaak af?
KALTENBRUNNER: Ik ken de brief niet, noch weet ik iets van deze zaak af.
De PRESIDENT: Wilt u ons het nummer nog een keer noemen?
Dr. KAUFFMANN: Document 1063(d)-PS, bewijsstuk USA-219.
KALTENBRUNNER: Uit de datum van deze brief blijkt dat hij geschreven is voordat ik in functie kwam. Ik ben er later ook niet over ingelicht. De handtekening is van Müller, die handelde namens Himmler zoals blijkt uit regel 2. Het is een typisch geval dat bewijst hoe onbeperkt het gezag van Müller was en de mate van vertrouwen dat hij genoot, als hij een dergelijke richtlijn kon uitgeven. Ik maak uit de inhoud van de brief op – hij verwijst naar een dag eind januari 1943 – dat het onmogelijk is dat deze kwestie aan mij is gemeld.
Dr. KAUFFMANN: De Aanklager houdt u verantwoordelijk voor het volgende: Er bestond een overeenkomst tussen de voormalige Minister van Justitie Thierack en Himmler, gedateerd 18 september 1942, op grond waarvan Joden, Polen enzovoorts onderworpen werden aan strafmaatregelen van de politie in plaats van gestraft te worden door reguliere rechtbanken. Ik vraag u: wist u van de overeenkomst en zo ja, wat ondernam u om de normale rechtsgang te herstellen, voor zover dat mogelijk was?
KALTENBRUNNER: Een dergelijke overeenkomst tussen Thierack en Himmler is mij niet bekend. Zoals u zei werd die gesloten in de herfst van 1942, denk ik. Maar nogmaals, keer op keer werkte ik er naar toe en deed voorstellen dat alle politierechtbanken moesten worden afgeschaft ten gunste van reguliere rechtbanken. Ik heb een juridische achtergrond en om die reden heb ik meer respect voor rechtbanken dan Himmler. Dat was een van de belangrijkste redenen waarom we elkaar nooit begrepen en het was een van de belangrijkste redenen voor de meningsverschillen die zelfs al tijdens ons eerste gesprek in 1942 in Berchtesgaden ontstonden. Ik kan dan ook niet begrijpen waarom Thierack een dergelijke overeenkomst met Himmler sloot want later, zoals ik weet, sprak hij zich bij herhaling openlijk uit tegen de politierechtbanken.
Dr. KAUFFMANN: Ik kom nu toe aan de vraag of u wist van de verwoesting van het getto van Warschau, dat in 1943 plaats vond. Er is een verslag hierover beschikbaar van de SSPF in Warschau, wiens naam Stroop luidde. Het verslag is geadresseerd aan de Generaal van Politie Krüger en verwijst naar de zogenaamde oplossing van het Jodenvraagstuk in Gallicië. Nu vraag ik u: wanneer hoorde u van deze oplossing van het Jodenvraagstuk in Gallicië en hebt u alle mogelijkheden te baat genomen om deze oplossing zo mogelijk te voorkomen?
KALTENBRUNNER: Allereerst moet ik in dit verband opmerken dat ik misschien niet genoeg wist van het enorme machtsinstrument dat Himmler had gevormd door de Hogere SS en politieleiders in de bezette gebieden onder zijn directe bevel te plaatsten. Want de SS en politieleiders, Stroop in dit geval, waren ondergeschikt aan de Hogere SS en politieleiders, in dit geval dus Generaal Krüger in het Generaalgouvernement. Geen enkel ministerie in het Reich werd ingelicht over of had deel aan een actie, hetzij ervoor of erna, die bevolen was door Himmler via Krüger aan Stroop.
Zeker, Berlijn wist van te voren niets van een dergelijk bevel. Later, ik kan niet zeggen hoeveel later, werd er over het getto van Warschau zowel in dit land als er buiten gesproken en geschreven. Er werden in het buitenland ernstige beschuldigingern geuit. Gisteren begon ik te verklaren dat ik in dit verband de eerste dossiers die ik in mijn bezit had over deze maatregelen en dit beleid aan de Reichsführer SS had overhandigd. Ik deed dat nadat ik in november 1943 verslag had uitgebracht aan de Führer. Bij die gelegeneheid heb ik zeker met hem ook over Warschau gesproken want hij en zijn “Endlösung der Judenfrage” werden in het buitenland bekritiseerd.
Dr. KAUFFMANN: Wat was de datum van dat verslag in vergelijking met die actie tegen de Joden in Gallicië?
KALTENBRUNNER: Ik kan me niet herinneren wanneer die actie was. Mijn rapportage, eerst aan Hitler en een dag later aan Himmler, was in november 1943.
Dr. KAUFFMANN: Ik kom nu toe aan een document dat al door de Aanklager is genoemd, Document L-53, bewijsstuk USA-291. De Aanklager houdt beklaagde, in zijn hoedanigheid als Chef van de SIPO en de SD, verantwoordelijk voor wat wordt genoemd de zuivering van concentratiekampen en kampen van de SIPO en de SD. Dit document is een brief van de commandant van de SIPO en de SD in Radom, gedateerd 21 juli 1944, volgens welk de commandant van de SIPO en de SD in het Generaalgouvernement bevel had gegeven dat alle genoemde gevangenissen moesten worden gezuiverd en dat de bewoners moesten worden geliquideerd. Bekijkt u dit document, afzender en handtekening en legt u dan een verklaring af betreffende de vraag of u van deze gebeurtenissen afwist.
KALTENBRUNNER: Ik vestig uw aandacht op wat ik net gezegd heb. Deze commandostructuur valt onder het gezag van de HSSPF in bezet gebied. De weg van de bevelen: Himmler, de HSSPF, zijn deskundige, Opperbevelhebber en commandant van de SIPO en de SD; dat kanaal heeft niets te maken met het gecentraliseerde kanaal voor bevelen die uit Berlijn kwamen.
Dr. KAUFFMANN: Met andere woorden, u wilt daarmee zeggen dat deze Höhere SS und Polizeiführer direct ondergeschikt waren aan Himmler?
KALTENBRUNNER: Ja, inderdaad.
Dr. KAUFFMANN: Wilt u daar ook mee zeggen dat u als Chef van het RSHA geen mogelijkheden had u te mengen in bevelen en richtlijnen van zulke Polizeiführer?
KALTENBRUNNER: Daar was geen sprake van want zij waren direct ondergeschikt aan Himmler. Er was geen andere manier om weerstand te bieden tegen deze mannen, zoals heel duidelijk blijkt uit het verhoor van beklaagde Frank. Ik heb natuurlijk herhaaldelijk inlichtingen gekregen over misstanden en misdaden die via deze kanalen werden gepleegd. In het Generaalgouvernement werd Krüger bijvoorbeeld door mij zeer fel aangevallen. Het was aan mij te danken dat Krüger uit zijn functie in Krakow werd gezet, een feit dat Frank’s dagboek ook moet aantonen.
Dr. KAUFFMANN: Ik kom nu toe aan een ander document, nummer 1573-PS, bewijsstuk USA-498. De Aanklager houdt beklaagde als Chef van het RSHA ervoor verantwoordelijk dat na wijziging van bestaande methoden, slavenarbeiders waren ingezet in de bewapeningsindustrie. Het voor ons liggende document is een geheim bevel, dat alweer is ondertekend door Müller. Het is gericht aan alle politiebureau’s. De datum is 18 juni 1941. Het bevel betreft maatregelen tegen emigranten en buitenlandse arbeiders uit Russische gebieden. Het vermeldt dat vanwege het voorkomen van hun terugkeer zonder toestemming en iedere inmenging van hun kant, de betrokken prsonen zullen worden gearresteerd wanneer de gelegenhgeid zich voordoet. Tot nader order kunnen deze mensen hun woonplaats niet verlaten tenzij zij toestemming hebben van de SIPO; en als ze zonder deze toestemming hun werkplek verlaten worden ze gearresteerd. Waren dergelijke gebeurtenissen u bekend?
KALTENBRUNNER: Nee. In dit verband kan ik er ook alleen maar op wijzen dat dit een bevel van Müller is dat 1½ jaar voor mijn benoeming werd gegeven. Müller, die zijn orders rechtstreeks van Himmler kreeg en die enorme macht en bevoegdheden bezat zag geen reden me hierover in te lichten, zelfs later niet.
Dr. KAUFFMANN: Hoe verklaart u dat Müller in een positie was om een dergelijke macht uit te oefenen en dat zelfs tijdens uw dienstperiode, van 1943 tot 1945, deze gang van zaken voortduurde zonder dat u de mogelijkheid had de man tegen te houden? Daarom vraag ik u nu: Was het u bekend dat Müller een zo grote macht bezat? In dit verband, wilt u het Tribunaal vertellen hoe groot Amt IV, de Gestapo was en hoe kan worden verklaard dat u over deze honderden of zelfs duizenden bevelen en instructies niet werd ingelicht?
KALTENBRUNNER: Müller was Chef van de Gestapo. Ik weet niet wanneer hij benoemd werd maar ik moet aannemen dat het in 1933 of 1934 of uiterlijk 1935 geweest moet zijn. Maar al veel eerder, zoals ik nu weet, had hij nauwe banden met Himmler en later met Heydrich. Hij kwam uit de Beierse Landespolizei waar Himmler hem ontmoette. Hij genoot zijn persoonlijk vertrouwen gedurende tenminste 12 of 15 jaar. Hij nam deel aan en voerde samen met hem elke actie uit die op het terrein van de Staatspoltie lag en waarvoor Himmler bevel gaf in zijn honger naar macht of het najagen van zijn doelen als Hoofd van de Duitse politie. Dit vertrouwen groeide gedurende 12 tot 15 jaar alsmaar verder en bleef rotsvast tot aan de laatste dagen van de oorlog toe. Müller bleef ook in Berlijn nadat hij bevel had gekregen bij Himmler te blijven. Himmler vertrouwde blindelings op hem als een betrouwbaar instrument.
De PRESIDENT: Dr. Kauffmann, hij schijnt de vraag, of de vragen die u hem gesteld hebt – u hebt hem er een aantal gesteld -niet te beantwoorden. De belangrijkste vraag was of hij van deze acties van Müller afwist. Hij houdt nu een lange toespraak over hoeveel vertrouwen Himmler in Müller stelde. Iets anders heeft hij nog niet gezegd.
Dr. KAUFFMANN: Meneer de President, ik meen dat deze vraag in het bijzonder enigszins uitvoerig moet worden behandeld want waarvan de Gestapo en Müller worden beschuldigd, daarvan wordt ook Kaltenbrunner beschuldigd als Chef van de Gestapo.
De PRESIDENT: Waar ik u op wees was dat u hem een aantal vragen tegelijk stelde en het belangrijkste deel van de vraag was of hij wist dat Müller een dergelijke macht bezat en die ook uitoefende.
Dr. KAUFFMANN: Wilt u die vraag nu kort en bondig beantwoorden?
KALTENBRUNNER: De relatie tussen Himmler en Müller was zo nauw dat hij geen reden had aan mij te rapporteren. Ik wist er niets van en al in december 1942 verklaarde Himmler duidelijk dat de hoofden van Amt IV en V zijn directe ondergeschikten waren, zoals het geval was geweest sinds de dood van Heydrich.
Dr. KAUFFMANN: Er wordt nu aan u voorgelegd dat op basis van zekere verklaringen van getuigen en ander bewijsmateriaal moet worden aangenomen dat er overleg moet hebben plaatsgevonden tussen de hoofden van departementen, u en Müller en het lijkt onwaarschijnlijk dat u niet in algemene zin op de hoogte was van de decreten die Müller uitvaardigde. Is die beschuldiging gerechtvaardigd?
KALTENBRUNNER: Hij lijkt gerechtvaardigd maar is het niet. Wat hier een overleg tussen hoofden van departementen wordt genoemd was een gezamenlijke lunch, die niet elke dag werd gehouden maar laten we zeggen drie of vier keer per week, een gezamenlijke lunch van adjudanten, afdelingshoofden en gasten die dan toevallig in Berlijn waren. Die informele atmosfeer alleen al maakte het onmogelijk dat interne of liever geheime zaken in het bijzijn van al die mensen werden besproken.
Dr. KAUFFMANN: In 1943 en volgende jaren, was u altijd in Berlijn, of kan ik beter zeggen, was u voornamelijk in Berlijn? Maakte uw werk als Chef van de Inlichtingendienst het noodzakelijk dat u vaak uit Berlijn weg moest?
KALTENBRUNNER: Ik was regelmatig weg uit Berlijn. Ik kan denk ik wel zeggen dat de helft van de werktijd werd doorgebracht buiten Berlijn. Ik was pas permanent in Berlijn vanaf het moment dat het hoofdkwartier daar naartoe werd overgeplaatst.
Dr. KAUFFMANN: Wanneer was dat?
KALTENBRUNNER: Dat was in de maanden februari en maart 1945. Ik was zelfs in april 1945 gedurende lange tijd niet in Berlijn, een periode tussen 28 maart en 15 april en daarna van 19 april tot aan de laatste dag van de oorlog. In de jaren 1943 en 1944 kwam ik niet eerder naar Berlijn dan in mei 1943 want tot die tijd moest ik mijn eigen dienst in Wenen reorganiseren zodat die naar Berlijn kon worden overgeplaatst. Ik denk dat ik maar een keer in de eerste of tweede week van februari 1943 in Berlijn verbleef om bezoeken af te leggen en vanaf half februari 1943 tot februari 1945 was ik tenminste de helft van de tijd altijd op reis. Ik heb tijdens mijn werk meer dan 400.000 kilometer per auto en vliegtuig afgelegd.
Dr. KAUFFMANN: Wat waren uw werkzaamheden wanneer u uit Berlijn weg was? Had u gedurende die tijd geen direct contact met Müller?
KALTENBRUNNER: Zeer zeker niet met Müller. Tijdens al mijn reizen door het hele Reich ben ik nooit een enkel bureau van de Gestapo binnen gegaan. Een uitzondering is het bureau van de Gestapo in Linz, waar mijn familie korte tijd woonde en vanwaar ik telexen naar Berlijn kon sturen; zuiver om technische redenen gebruik makend van de plaatselijke staatspolitie. Ik had daar geen andere telex faciliteiten.
Dr. KAUFFMANN: Ik ga nu een kwestie met u bespreken waarvan u door de Aanklager wordt beschuldigd. Dit zijn in enkele woorden de feiten waar het om gaat: Tijdens de onderdrukking van de opstand in Warschau in 1944 werden de inwoners van Warschau naar concentratiekampen afgevoerd. De Aanklager schat het aantal op 50.000 tot 60.000. Verdere deportaties worden verondersteld te zijn beëindigd vanwege een tussenkomst van Beklaagde Frank bij Himmler, U was er persoonlijk bij betrokken vanwege het feit dat Beklaagde Frank en zijn staatsstecretaris Bühler u hadden gevraagd deze mensen uit de kampen weg te halen en naar hun huizen terug te brengen. Om mee te beginnen vraag ik u, vond er een vergadering over dat onderwerp plaats in uw kantoor?
KALTENBRUNNER: Een gesprek tussen Bühler en mij heeft plaats gevonden. Het onderwerp ging over heel iets anders en ik vraag u het mij duidelijk uit te laten leggen. De zogenaamde opstand in Warschau werd in een puur militaire actie neergeslagen. Ik denk dat dit gevecht plaats vond onder commando van de chef van de anti patizaneneenheden, Von dem Bach-Zalewski. Ik weet niet over welke gevechtseenheden hij het bevel voerde maar ik moet aannemen dat het een gemengde troepenmacht was van de strijdkrachten en de politie. Er kan vanaf het begin geen sprake zijn van deelname van mijn dienst aan deze zuiver militaire actie. Wat Himmler en die eenheden met de gevangenen deden werd natuurlijk niet aan mij gemeld. De reden waarom Bühler mij opzocht was een heel andere. Frank had denk ik 1½ jaar of zelfs langer geprobeerd Hitler over te halen een ander beleid in het Generaalgouvernement in te voeren. Frank was voorstander van meer zelfstandigheid van het Poolse volk. In oktober 1944, ik denk ter gelegenheid van een Poolse feestdag was Frank van plan geweest een verruiming van hun onafhankelijkheid aan te kondigen. Hitler’s weigering, waarin hij gesteund werd door Himmler en ook door anderen, was duidelijk. Daarom stuurde hij Bühler naar mij toe met het voorstel dat ik met hetzelfde doel suggesties zou doen via de inlichtingendienst, dat wil zeggen, deelname van Polen aan het districtsbestuur en het bekleden van hoge functies binnen de regering.
Ik beloofde Bühler beide zaken. Hij ging verder met te zeggen: “Voor deze gelegenheid wil Frank dat er een algemene amnestie in Polen wordt afgekondigd en dat betekent ook het vrijlaten van de gevangenen van de opstand van Warschau. Kunt u ons daar mee helpen?” Ik vroeg hem: “Waar zijn die gevangenen?” Hij antwoordde: “Himmler heeft ze allemaal naar concentratiekampen voor krijgsgevangenen gestuurd.” Mijn antwoord kon alleen maar zijn geweest: ”Dan moet hij ze in ieder geval in de bewapeningsindustrie te werk hebben gesteld en het zal moeilijk zijn ze daar uit te krijgen maar ik zal een amnestie bepleiten.” Naar mijn weten lag de kwestie zo.
Dr. KAUFFMANN: Zou het voor u mogelijk zijn geweest een vrijlating te bewerkstelligen door uw gehele invloed aan te wenden?
KALTENBRUNNER: Nee, gedurende de tijd dat ik in functie was, zoals ik al herhaaldelijk heb verklaard tijdens verhoren voorafgaand aan dit proces, heb ik tenminste 1.000 individuele aanvragen voor vrijlating ontvangen en ieder individueel geval werd aan Himmler voorgelegd of hem toegezonden – meestal aan hem voorgelegd want ik voegde die toe aan mijn rapporten en besprak die met Himmler tijdens mijn geregeld overleg met hem. In misschien 2/3 van alle gevallen had ik succes in die zin dat hij voor vrijlating zorgde. Maar in de mate waarin Frank wilde dat ik met behulp van Bühler wat bij Himmler probeerde te bereiken had ik nooit de mogelijkheid een besluit te nemen of te laten nemen over een zaak die geheel in Himmler’s handen lag en die vastlag in het beleid met betrekking tot Polen waarin hij en Hitler hadden toegestemd.
Dr. KAUFFMANN: Ik leg u nu een verklaring voor van de getuige Schellenberg (Zie Verhoor Schellenberg). Op 3 januari verklaarde deze getuige voor dit Tribunaal dat de evacuatie van het concentratiekamp Buchenwald was bevolen door Kaltenbrunner. “Kaltenbrunner,” zei hij, “heeft verklaard: ja dat is juist; deze evacuatie is vanwege een Führerbefehl dat aan hem, Kaltenbrunner door de Führer is bevestigd.” Kunt u hier een verklaring voor geven?
KALTENBRUNNER: Die verklaring is absoluut onjuist. Die is onjuist alleen al vanwege het feit dat Hitler zeer beslist nooit bevel heeft gegeven voor het al of niet evacueren van concentratiekampen. Een dergelijk bevel kon alleen maar van Himmler afkomstig zijn.
De PRESIDENT: Ligt er een beëdigde verklaring of heeft hij dat getuigd – Schellenberg?
Dr. KAUFFMANN: Het was de verklaring van een getuige.
De PRESIDENT: Dat werd gepresenteerd als bewijsmateriaal niet waar?
Dr. KAUFFMANN: Het is de verklaring van een getuige op 3 januari.
De PRESIDENT: Ja.
Dr. KAUFFMANN: Maar wie gaf dan feitelijk een dergelijke order?
KALTENBRUNNER: Het kan alleen maar een bevel van Himmler zelf geweest zijn. De bevelsstructuur is duidelijk: Himmler-Pohl-Glücks-de kampcommandant. Het is niet onmogelijk dat Himmler het bevel rechtstreeks aan de kampcommandant heeft gegeven. Dat weet ik niet.
Dr. KAUFFMANN: Ik wil een vraag tussenvoegen. Raakte u op de hoogte van dit bevel?
KALTENBRUNNER: Nee, ik heb er niet over gehoord en deze bevelen konden ook op geen enkele wijze met mij in verband worden gebracht want ik had precies het tegenovergestelde bevolen betreffende Mauthausen. Ik zal later uitleggen waarom ik in het geval Mauthausen in staat was voor de eerste en laatste keer een bevel te geven. Dat heeft te maken met de bevoegdheden die ik op 19 april 1945 kreeg. Tot dat tijdstip had ik geen enkele mogelijkheid namens Himmler een dergelijk bevel te geven.
Dr. KAUFFMANN: In het zelfde verband noem ik de verklaring die op 3 januari door getuige Berger is afgelegd. Ik lees er enkele zinnen uit voor:
“De commandant van Dachau”, zegt Berger, “of zijn plaatsvervanger belde rond 12:00 uur en vertelde mij dat hij dit bevel had ontvangen, dat wil zeggen, het bevel van Kaltenbrunner voor evacuatie nadat hij ontboden was door de Gauleiter van München, de Reichskommissar.”
Ik vraag u: Weet u iets over de evacuatie van Dachau?
KALTENBRUNNER: Nee. Deze verklaring van Berger moet duidelijk in twijfel worden getrokken want hij was de man die van Himmler het volledige gezag over Beieren en alle gebieden ten westen daarvan had gekregen. Dat werd hem verleend op dezelfde dag waarop mij het volledige gezag over Oostenrijk werd verleend. Daarom zou het voor mij .....
Dr. KAUFFMANN: Viel het concentratiekamp in Dachau binnen de invloedssfeer van Berger die u zojuist noemde of viel het binnen uw invloedssfeer?
KALTENBRUNNER: Omdat Dachau bij München in Beieren ligt valt het natuurlijk onder het gezag van Berger.
Dr. KAUFFMANN: Werd Dachau eigenlijk wel ontruimd?
KALTENBRUNNER: Dat weet ik niet; ik ben na 19 april niet meer in Beieren geweest.
Dr. KAUFFMANN: De getuige verwijst naar de datum, 23 april 1945 of wat later, zegt hij.
KALTENBRUNNER: Ja, dat was ik vergeten.
Dr. KAUFFMANN: Waar was u toen?
KALTENBRUNNER: Op 19 april om 03:00 uur ‘s ochtends verliet ik Berlijn en ging via Praag naar Linz; mijn bestemming was Innsbrück waar ik Burckhardt’s vertegenwoordiger weer wilde ontmoeten. Vanaf dat moment had ik geen contact meer met Berlijn, noch heb ik ooit nog een voet op Beierse bodem gezet of daar bevelen gegeven. Mijn invloedssfeer hield op bij de Oostenrijkse grens.
Dr. KAUFFMANN: Hoe kunt u een dergelijke uitspraak verklaren?
KALTENBRUNNER: De enige manier waarop ik het kan verklaren is dat er hier sprake is van een vergissing en als ik oog in oog met Berger kom ben ik er volledig van overtuigd dat het opgehelderd kan worden.
Dr. KAUFFMANN: Kan het een bevel tot evacuatie geweest zijn met de handtekening van Himmler eronder?
KALTENBRUNNER: Zeker, heel goed mogelijk.
Dr. KAUFFMANN: Naast andere zaken bent u er door de Aanklager van beschuldigd, een misdaad tegen de vrede te hebben gepleegd. Wilt u het Tribunaal vertellen of u iets deed, en zo ja wat u tijdens uw zittingsperiode deed om de oorlog te beëindigen?
KALTENBRUNNER: Ik begon op 1 februari 1943 met mijn werk. De situatie die ik in het Reich aantrof was zodanig dat het op die dag – om preciezer te zijn, 2 februari 1943, met de kwestie Stalingrad – mijn overtuiging was dat voor Duitsland de oorlog als beslist verloren moest worden beschouwd. De toestanden die ik aantrof, komend uit een totaal andere omgeving, Oostenrijk, bevestigden deze mening alleen maar. Ik herinner me dat ik mijn eerste bezoek bracht aan Onderminister Luther van Buitenlandse Zaken – ik denk dat het op 2 of 3 febrauri was. Ik sprak vanaf ongeveer half elf ‘s ochtends tot twee uur in de middag nietsvermoedend met hem. We spraken over de buitenlandse taken voor de inlichtingendienst die we samen moesten uitvoeren. Om 04:00 uur in de middag werd diezelfe onderminister door de Gestapo gearresteerd en naar een concentratiekamp afgevoerd. Ik denk niet dat ik met een nog erger voorbeeld de situatie kan uitleggen waarin ik werd geplaatst en hoe dergelijke gebeurtenissen ......
De PRESIDENT: Waarop is dit een antwoord? Op welke vraag is dit een antwoord?
Dr. KAUFFMANN: U zou iets sneller ter zake moeten komen. De vraag was wat u deed om de oorlog zo snel mogelijk tot een einde te brengen.
KALTENBRUNNER: Ik kan in dit verband een groot aantal feiten opnoemen. Mijn eerste poging was in de lente van 1943; ik denk dat het zelfs nog in febrauri 1943 was toen ik een grondige herziening van het Kerkbeleid bepleitte teneinde het Vaticaan over te halen als bemiddelaar op te treden. Dat was mijn eerste poging in die richting.
Dr. KAUFFMANN: Ik noem nu de naam Dulles. Had u direct of indirect contact met hem en wat was het doel van het leggen van deze contacten?
KALTENBRUNNER: Ja, ik had contact met hem, namelijk via Hottl. Vanaf mei 1943 haalde ik beetje bij beetje Hottl en andere Oostenrijkers over, die politiek in de oppositie waren, en raakte ervan op de hoogte hoe zij proefballonnetjes voor vrede oplieten in andere landen. Via deze kanalen hoorde ik van Roosevelt’s afgezant voor centraal Europa. Ik denk dat hij zijn economisch deskundige was, een zekere meneer Dulles die verondersteld werd in Zwitserland te zijn.
Dr. KAUFFMANN: In dit verband wil ik een vraag invoegen: Wat zou er gebeurd zijn als Hitler of Himmler van uw activiteiten hadden gehoord?
KALTENBRUNNER: Mijn opdracht aan Hottl en mijn kennis van zijn activiteiten betekenden, strikt genomen, hoogverraad want de opvattingen van de Führer waren mij in die tijd bekend. Die luidden dat er geen contacten voor vrede zouden worden gelegd en geen discussies gevoerd over vrede. Hitler veranderde pas op 15 april 1945 van mening tijdens een gesprek met mij in aanwezigheid van een zekere Wolf.
Dr. KAUFFMANN: In de loop van dit vredesoverleg dat u net beschreef, reisde er toen een vertegenwoordiger naar Zwitserland om contact te leggen met deze meneer Dulles?
KALTENBRUNNER: Ja, er werd veel heen en weer gereisd, en niet alleen door Hottl maar ook door anderen. Ik wijs bijvoorbeeld op een gesprek dat ik had met een Graaf Potock aan wie ik vroeg contact te leggen met dergelijke kringen en dezelfde informatie door te spelen aan Anglo-Amerikaanse kringen in Zwitserland.
Dr. KAUFFMANN: Ik denk dat we van dit onderwerp af kunnen stappen. Naar mijn mening hebt u de belangrijkste zaken wel genoemd.
KALTENBRUNNER: Dat waren niet de enige pogingen, er waren er nog veel meer.
Dr. KAUFFMANN: Ik kom nu toe aan uw relatie met de President van het Rode Kruis, Professor Burckhardt en ik vraag u: is het waar dat u in 1945 overleg voerde met Professor Burckhardt met als doel dat de kampen, krijgsgevangenen- en concentratiekampen, opengesteld zouden worden voor het Rode Kruis zodat medische voorraden naar deze kampen konden worden gebracht?
KALTENBRUNNER: Ik heb lang geprobeerd dit bij Burckhardt voor elkaar te krijgen. Ik werd geholpen door het feit dat hijzelf om een gesprek met Himmler had gevraagd. Himmler kreeg echter geen toestemming van Hitler voor een dergelijke ontmoeting omdat hij toen Opperbevelhebber van het noordelijke front aan de rivier de Vistula was. Een ontmoeting met Burckhardt kon alleen maar aan het front plaatsvinden. Ik heb daarom zelf geprobeerd een ontmoeting te regelen tussen Burckhardt en een andere gezaghebbende persoonlijkheid binnen het Reich. Na een hoop gedoe en ondanks vele moeilijkheden slaagde ik daarin. Op 12 maart vond een persoonlijke ontmoeting met Burckhardt plaats. Dr. KAUFFMANN: Kwam u tot een overeenkomst en werd er in het kader van deze overeenkomst echt hulp verstrekt en in welke vorm?
KALTENBRUNNER: Ja, er werd aanzienlijke hulp geboden. Er werd overeengekomen dat alle buitenlandse burgergevangenen met hulp van het Rode Kruis uit alle kampen in het Reich werden gehaald en naar hun vaderland overgebracht. Maar in de eerste plaats, door tijdens deze gesprekken in te stemmen met Burckhardt’s verzoek bereikte ik dat de belangrijke departementen van het Reich er zo nauw bij betrokken raakten dat ze niet langer onder deze overeenkomst uit konden en ik denk dat dat mijn grootste succes bij Burckhardt was.
Dr. KAUFFMANN: Is het waar dat u toen, om ongeveer 3.000 Franse en Belgische burgergevangenen door de frontlinies te krijgen, contact opnam met het hoofdkwartier van Generaal Kesselring?
KALTENBRUNNER: Ik stuurde een telegram naar het hoofdkwartier met de vraag dat zo gauw de Amerikanen en Britten erin toestemden, ook de Duitsers zouden moeten toestaan dat dergelijke gevangenen de frontlinies zouden kunnen passeren.
Dr. KAUFFMANN: Dat is voldoende.
De PRESIDENT: Dr. Kauffmann, hij zei 12 maart maar noemde geen jaartal.
Dr. KAUFFMANN: Ik begrijp het niet. Ja, 12 maart.
De PRESIDENT: In welk jaar?
Dr. KAUFFMANN: 1945. (tot de getuige) Hoe groot is het totaal aantal mensen dat dankzij uw tussenkomst hun vaderland bereikte?
KALTENBRUNNER: U moet hier onderscheid maken tussen twee periodes: de eerste periode voor het privé onderhoud op 12 maart en de periode daarna.
Dr. KAUFFMANN: Naar mijn mening kunt u een kort antwoord geven op die vraag. De periode doet niet ter zake.
KALTENBRUNNER: Het ging bij deze gesprekken over tenminste 6.000 burger gevangenen uit Frankrijk en België en alle Oost-Europese staten inclusief de Balkan. Tenminste 14.000 Joden werden in Gunskirchen aan het Rode Kruis ter onmiddellijke verzorging overgedragen. Dat geldt voor het hele kamp Theresienstadt.
Dr. KAUFFMANN: En tenslotte, is het juist –antwoordt u alstublieft erg kort met ja of nee – dat er vanwege uw tussenkomst in Konstanz een speciale contactafdeling met het Rode Kruis werd opgericht met het doel dit programma verder te vergemakkelijken en uit te voeren?
KALTENBRUNNER: Er werd een contactafdeling met het Rode Kruis opgezet in Lindau en in Konstanz.
Dr. KAUFFMANN: Dat is voldoende.
De Aanklager houdt u verantwoordelijk voor een telegram dat u wordt verondersteld aan Fegelein te hebben gezonden en waarin staat:
“Wilt u alstublieft aan de Reichsführer SS melden en de Führer mededelen dat alle maatregelen betreffende Joden, politieke gevangenen en bewoners van concentratiekampen binnen het Protectoraat vandaag door mij persoonlijk zijn genomen.”
Ik vraag u: hebt u een dergelijk telegram verzonden?
KALTENBRUNNER: Het werd niet verzonden omdat de technische verbinding niet opnieuw tot stand kon worden gebracht.
De PRESIDENT: Wat is het nummer daarvan?
Dr. KAUFFMANN: Meneer de President, ik heb geen nummer genoemd. Het werd niet bij het Tribunaal ingediend maar het bevindt zich in de akte van beschuldiging op pagina 14.
De PRESIDENT: Ik denk dat het document 2519-PS is. Dat is bij het Tribunaal ingediend.
KALTENBRUNNER: Het telegram was gepland, de tekst is waarschijnlijk geschreven door de adjudant die mij vergezelde. Ik heb het zelf niet geschreven en zoals ik zei, het kon niet worden verzonden.
Op 19 april 1945 heb ik de bevoegdheid gekregen zelfstandig te handelen, in overeenstemming met de gesprekken met Burckhardt betreffende buitenlandse burgergevangenen en betreffende de openstelling van alle kampen voor het Rode Kruis. Bij die gelegenheid verklaarde ik in het bijzijn van Hitler en Himmler dat mijn route via Praag en Linz naar Innsbrück zou lopen en dat ik langs Theresienstadt zou komen. Ik zei dat daar niet alleen Joodse gevangenen waren die verzorgd moeten worden door het Rode Kruis maar ook Tsjechische politieke gevangenen. Ik stelde voor dat ook zij moesten worden vrijgelaten. Dat is de verklaring voor dat telegram. Maar pas op 19 april om 6 uur ‘s avonds kreeg in dit verband volledige volmachten.
Dr. KAUFFMANN: Maar de Aanklager zou uit die verklaring kunnen afleiden, en in eerste instantie ook terecht, dat u misschien ook bevoegd was in kwesties rond concentratiekampen. Ik vraag u – en antwoordt u alsublieft met ja of nee – is het waar dat de bevoegdheden die u noemde en die u op 19 april 1945 kreeg, uw eerste bevoegdheden op dat gebied waren?
KALTENBRUNNER: Ja. Ik zou helemaal geen nieuwe bevoegdheden nodig hebben gehad als ik ze tot die tijd al zou hebben gehad.
Dr. KAUFFMANN: In een toespraak die Himmler op 3 oktober 1943 in Posen hield voor Hogere SS en Politieleiders wordt u Heydrich’s opvolger genoemd. De Aanklager ziet dit als een bevestiging van uw totale uitvoerende macht en uw uitzonderlijke bevoegdheden op dit gebied.
Doet deze formele uitdrukking, die in dit verband zeker is gebruikt, recht aan de situatie of niet?
KALTENBRUNNER: Nee, ik protesteer er ten stelligste tegen – en dat heb ik tijdens alle verhoren gedaan – Heydrich’s opvolger genoemd te worden. Als Himmler in mijn afwezigheid als zodanig naar mij heeft verwezen, of er werd al eerder een opmerking of aankondiging van hem afkomstig in de pers gepubliceerd dan gebeurde dit zonder mijn medeweten en zonder dat ik het wilde. De eerste maal was er in verband met die publicatie een felle reactie van mij tegen Himmler. Op de dag die u hier noemde was ik in Berlijn, ik had een bloedvatontsteking en nam dus niet deel aan die discussie.
Noch mijn bevoegdheden, noch uiterlijke schijn rechtvaardigden enige vergelijking met Heydrich. Ik wil hier kort stellen dat ik tot op de laatste dag van mijn werkzaamheden 1.820 Reichsmark kreeg uitbetaald, het salaris van een generaal van politie en dat het inkomen van Heydrich uit zijn departement meer dan 30.000 Reichsmark bedroeg, niet omdat hij vanwege een hogere rang werd betaald maar als erkenning voor zijn totaal afwijkende positie. Elke vergelijking gaat volledig mank.
Dr. KAUFFMANN: Mijn volgende vraag is deze: Is het juist dat Himmler bang was voor Heydrich en wel omdat Heydrich volgens hem teveel macht had gekregen en dat hij om die reden dacht dat door u te benoemen hij juist die man had gevonden die voor hem, Himmler volledig ongevaarlijk zou zijn. In dit verband heeft de Aanklager een parallel getrokken tussen u en Heydrich en heeft, zoals ik net al zei, u omschreven als de tweede Heydrich?
KALTENBRUNNER: De relatie tussen Himmler en Heydrich kan in het kort als volgt omschreven worden: Heydrich was veruit de meest intelligente van de twee. Hij was in eerste instantie een uiterst gedwee en gehoorzaam ....
De PRESIDENT: Dr. Kauffmann, we hoeven niets te weten over Heydrich’s intelligentie. De beklaagde heeft keer op keer gezegd dat hij niet zijn opvolger was.
Dr. KAUFFMANN: In dat geval herhaal ik de vraag die ik al eerder stelde en dat is deze: Wilde Himmler, door u te benoemen, iemand hebben die voor hem volkomen ongevaarlijk was?
KALTENBRUNNER: Hij wilde nooit weer een dergelijke uitvoerende macht uit handen geven in de mate zoals Heydrich die had. Op het moment dat Heydrich stierf trok Himmler het hele departement naar zich toe en daarna gaf hij nooit meer de uitvoerende macht uit handen. Hij had een keer ondervonden, in de persoon van Heydrich, hoe gevaarlijk een Chef van de SIPO voor hem kon worden. Hij wilde dat risico niet nog eens lopen.
Dr. KAUFFMANN: Met andere woorden, wat u tenslotte wilt zeggen is dat na Heydrich’s dood Himmler de volledige uitvoerende macht in handen wilde hebben en houden?
KALTENBRUNNER: Ja.
Dr. KAUFFMANN: Nu een andere vraag. U verklaarde gisteren dat u pas later hoorde over de zogeheten Endlösung. In werkelijkheid gingen dergelijke instructies al in 1941 of 1942 van Himmler naar Heydrich en Eichmann. Is het waar dat u Himmler vaak ontmoette? Was u een vriend van Himmler?
KALTENBRUNNER: Het is volkomen verkeerd om de relatie tussen Himmler en mij vriendschappelijk te noemen. Net als iedere ambtenaar werd ik door hem op een uiterst koele en gereserveerde manier behandeld. Hij was geen man die een persoonlijke relatie met wie dan ook kon aangaan.
Dr. KAUFFMANN: Het ligt voor de hand om aan te nemen, als ik mij in de positie van de Aanklager verplaats, dat u geweten moet hebben van de Endlösung en van het plan, als u Himmler vaak ontmoette. Ik vraag u daarom nogmaals: Heeft Himmler ooit aan u duidelijk gemaakt wat deze Endlösung inhield?
KALTENBRUNNER: Nee, niet op die manier. Ik heb gisteren gezegd dat op basis van alle informatie die zich in de zomer en herfst van 1943 opstapelde, waaronder berichten van de vijandelijke radio en buitenlandse kranten, ik tot de overtuiging kwam dat de verklaring met betrekking tot de vernietiging van Joden waar was en dat ik dus, met die overtuiging onmiddellijk Hitler opzocht en de volgende dag Himmler en mij bij beiden beklaagde en zei dat ik een dergelijke actie geen minuut langer kon steunen. Vanaf dat moment .......
Dr. KAUFFMANN: Ja, nou dat zei u gisteren al. U hoeft het niet te herhalen.
De PRESIDENT: Dr. Kauffmann, hij heeft ons dat al eerder verteld en u hebt ons gezegd dat u met een uur klaar zou zijn; u bent nu al bijna anderhalf uur bezig.
Dr. KAUFFMANN: Ik heb nog slechts een paar vragen.
(tot de getuige) De akte van beschuldiging van de Aanklager bevat een verklaring van Schellenberg die luidt als volgt:
“Wat moet ik met Kaltenbrunner? Hij zou mij in dat geval geheel onder de duim hebben.”
Schellenberg zegt dit in een beëdigde verklaring en het wordt verondersteld te zijn gezegd door Himmler. Wilt u een korte verklaring geven betreffende de vraag of u een dergelijke uitspraak van Himmler eigenlijk wel waarschijnlijk vindt?
KALTENBRUNNER: Ik vind een dergelijke uitspraak niet waarschijnlijk. Als hij het al heeft gezegd, kan dat alleen zijn geweest in verband met .......
De PRESIDENT: Het Tribunaal is van mening dat u een dergelijke vraag niet aan de beklaagde kunt stellen.
Dr. KAUFFMANN: (tot de beklaagde) In de akte van beschuldiging wordt een dergelijk document gepresenteerd en tegen u gebruikt maar als de President die vraag niet wenst trek ik hem graag terug.
De PRESIDENT: Het schijnt slechts een punt van discussie te zijn en u kunt die verklaring niet in twijfel trekken als die als bewijsmateriaal is opgevoerd.
Dr. KAUFFMANN: Ik kom nu aan mijn laatste vraag. Ik vraag u of de mogelijkheid bestond dat u, naarmate u meer op de hoogte raakte van de toestanden binnen de Gestapo en de concentratiekampen enzovoorts, een verandering teweeg had kunnen brengen? Als die mogelijkheid bestond, kunt u zeggen dat u door in functie te blijven enige verlichting op dit gebied en een verbetering van de situatie bereikte?
KALTENBRUNNER: Ik heb herhaaldelijk gevraagd om overgeplaatst te worden naar de troepen aan het front maar de meest brandende vraag die ik voor mijzelf moest beantwoorden was: worden de toestanden daardoor verbeterd of verlicht? Zal er iets veranderen? Of is het mijn persoonlijke plicht in deze functie al het nodige te doen om deze scherp bekritiseerde toestanden te veranderen?
Na herhaalde weigeringen van mijn verzoek, naar het front overgeplaatst te worden had ik geen andere keus dan zelf te proberen een systeem te veranderen, waarvan de ideologische en juridische grondslagen niet door mij gewijzigd konden worden, zoals bewezen is door al die bevelen die voor mijn tijd zijn uitgevaardigd en hier als bewijsmateriaal zijn opgevoerd. Al wat ik kon doen was te proberen deze methoden te veranderen terwijl ik ernaar streefde, ze geheel en al afgeschaft te krijgen.
Dr. KAUFFMANN: Stond uw geweten u toe, ondanks dat in functie te blijven?
KALTENBRUNNER: Wanneer ik de mogelijkheid overwoog, keer op keer invloed uit te oefenen op Hitler, op Himmler en andere personen stond mijn geweten mij niet toe mijn functie op te geven. Ik achtte het mijn plicht persoonlijk een standpunt in te nemen tegen het kwade.
Dr. KAUFFMANN: Meneer de President, ik heb verder geen vragen.
De PRESIDENT: De zitting wordt geschorst.

Definitielijst

Endlösung
Eufemistische term, letterlijk eindoplossing, waarbij met oplossing bedoeld werd de oplossing voor het Jodenprobleem zoals dat door de nationaal-socialisten was geconstateerd. De Endlösung zou uiteindelijk vorm krijgen in de pogingen van de nazi's om het gehele Joodse volk in Europa uit te roeien in speciaal daarvoor ingerichte vernietigingskampen.
Führer
Duits woord voor leider. Hitler was gedurende zijn machtsperiode de führer van nazi-Duitsland.
Gauleiter
Leider en vertegenwoordiger van de NSDAP in een Gau.
getto
Grotendeels van de buitenwereld afgescheiden stadswijk voor Joden. Het aanstellen van getto's had als doel om Joden uit het dagelijkse leven te weren. Vanuit getto's konden Joden bovendien gemakkelijker gedeporteerd worden naar de concentratie- en vernietigingskampen. Ook bekend als 'Judenviertel' ofwel 'Joodse wijk'.
invloedssfeer
Gebied waar een staat veel invloed kan laten gelden, meestal onder stilzwijgende goedkeuring van andere staten.
Mauthausen
Plaats in Oostenrijk waar de nazi’s van 1938 tot 1945 een concentratiekamp gevestigd hadden.
RSHA
Reichssicherheitshauptambt. De centrale inlichtingen en veiligheidsdienst van het Derde Rijk
SIPO
Sicherheitspolizei. Samenvoegingsverband (sinds 1936) van de Gestapo en Kriminalpolizei
Theresienstadt
Stad in Tsjechië, hier hadden de nazi's een modelconcentratiekamp ingericht.

Pagina navigatie

Informatie

Artikel door:
Arnold Palthe
Geplaatst op:
29-02-2008
Laatst gewijzigd:
28-01-2013
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

Categorieën


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2017
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.