Dick van Faassen, oorlogsbeleving van een jongetje uit Lutten

Hongertochten

Eind 1944 werd alles zo schaars dat in het westen praktisch niets eetbaars meer te krijgen was. Er was geen vervoer meer mogelijk. De winkels werden niet meer bevoorraad. De bevolking van de grote steden leed honger en kou. Een verschrikkelijke toestand; velen stierven van de honger. Wie nog een beetje krachten had, ging het platteland op om zo nog wat voedsel zien te krijgen, de zogenaamde “hongertochten”. Met wrakke fietsen zonder banden, karretjes, oude kinderwagens of een oude handkar kwamen ze naar het platteland om wat etenswaar op te scharrelen.Vaak moesten ze hun sieraden of andere dingen van enige waarde inruilen voor eten. Er was veel medelijden, maar er werd door sommige Nederlanders ook van geprofiteerd. Er zijn mensen rijk geworden van de ellende van anderen. Ook zijn mensen onderweg gestorven van honger en kou of omdat hun krachten het begaven.

Op een dag, eind 1944, kwam aan het eind van de middag een man aan de deur. Hij was gekleed in een oude, veel te wijde, winterjas en zijn broek was met een touw om zijn middel vastgebonden. Hij droeg 2 paar sokken over elkaar heen en grote oude werkschoenen. Aan mijn moeder vroeg hij of hij wat water mocht drinken. Hij zei dat hij Gerard heette.

Omdat ik laat thuis was gekomen had mijn moeder nog een restje soep voor mij warm gehouden op het fornuis. Ik had medelijden met de man en zei mijn moeder hem maar mijn soep te geven. Gretig slobberde de man de soep naar binnen. “Oh,” zei hij, “hij is lekker, hij is vet”. Op de soep hadden een schaars paar vetoogjes gedreven. Het was immers maar een soort surrogaatsoep uit een pakje van Fino.

De man vertelde dat hij uit Rotterdam was komen lopen, een afstand van meer dan 200 kilometer. Hij had bij een paar boeren wat rogge en bruine bonen gekregen. Hij was bezorgd om zijn oude moeder, die in Rotterdam was achtergebleven. Mijn moeder vroeg of nog wat witte bonen wilde. Wij hadden nog wel wat voorraad, afkomstig uit onze eigen tuin. “Kunt u het missen, mevrouw?” zei Gerard. “Wij hebben nog wel wat”, zei mijn moeder, “wij zijn gewend te delen wat we hebben”.

Gerard had aan zijn touwceintuur allerlei kleine zakjes met gekregen etenswaar hangen en toen moeder uit een schaal wat witte bonen in één van die zakjes schudde, vielen er een paar naast. De man kroop op zijn buik over de grond om de laatste boontjes op te zoeken. Dat maakte op ons een bijzondere indruk. Wij hadden eigenlijk geen idee hoe groot de ellende was.

Gerard wilde niet blijven slapen. Hij had de vorige nacht bij een vriendelijke boer doorgebracht en wilde ook nu daar weer naar toe. Toen hij afscheid nam, zei hij met tranen in de ogen “Ik doe dit niet meer; ik kan het niet; dit stuit me tegen de borst. Ik voel me een bedelaar”. Na nogmaals nadrukkelijk en beleefd bedankt te hebben, vertrok hij. Of hij ooit in Rotterdam is teruggekomen......? Zouden hij en zijn oude moeder de oorlog overleefd hebben......?

Pagina navigatie

Informatie

Artikel door:
Dick van Faassen
Geplaatst op:
24-03-2008
Laatst gewijzigd:
12-05-2009
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

Categorieën


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2018
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.