Dick van Faassen, oorlogsbeleving van een jongetje uit Lutten

Varken slachten

Mijn opa, die naast ons woonde, had een klein boerderijtje. Een paar koeien, wat kippen en een paard. Ook fokte hij een paar varkens, waarvan er één voor eigen gebruik was bestemd, de andere biggen moesten z.g. “afgeleverd” worden, wat inhield dat die uiteindelijk bij de Duitse Wehrmacht terecht kwamen.

In november werd een slachtvergunning aangevraagd. Zodra die er was, werd een afspraak met de slachter gemaakt voor de huisslachting. Dat was iets voor mij als schooljongen om bij te kijken en niets te missen. De slachter bond de poten van het varken vast en haalde een scherp mes uit zijn koker. Daarmee werd de halsslagader van het varken doorgestoken. Snel werd een emmer hieronder gehouden en als hij het mes terugtrok gutste het bloed in de emmer. Dit bloed werd een tijdje geroerd om klonteren te voorkomen. Het was bestemd voor het maken van bloedworst. Het schreeuwen van het varken ging je wel door merg en been. Maar de slachter kon geen schietmasker gebruiken omdat dit onder de vuurwapens viel, wat door de bezetter was verboden. Na het schreeuwen volgde een gerochel en het varken was dood.

Een buurjongen, Hendrik, kwam nieuwsgierig rondneuzen. Wij vonden hem niet sympathiek en ook de slachter had kennelijk een hekel aan hem. “Ënduk”, zei hij, “old em is ee’m an de starte vaste, goed trekk’n”. Hendrik pakte de staart van het dode varken vast. De slachter gaf het varken een flinke por in de zij, op de blaas, net voor de achterpoot. Een flinke straal urine spoot onder de staart vandaan, zodat Hendrik letterlijk en figuurlijk “in de zeik” gezet werd. Hendrik, foeterend “Dat za’k an mien va vertell’n, lillike keal!”, naar huis en wij lachten ons kapot.

Inmiddels kwam mijn grootvader met emmers heet water uit de fornuispot en werd het varken afgeborsteld en met een scherpe krabber van haren ontdaan. Daarna werd nog eens flink met schoon heet water nagespoeld. Nu werd het varken opengesneden en van de ingewanden ontdaan. Het werd op een ladder bevestigd en rechtop tegen de muur geplaatst. Het vlees moest “besterven”. De darmen werden schoongemaakt, uitgespoeld en in zout water gelegd. Later zouden ze dienen als omhulsel voor de metworst. ‘s Avonds kwam de slachter terug en werd het varken “afgehouwen”, dat wil zeggen in stukken vlees, zijden spek, hammen enz. verdeeld.

De volgende dagen waren mijn grootmoeder en tante druk bezig met het vlees te wecken en spek te zouten om te worden gedroogd. Bovendien werd er worst gemaakt. Bloed- en leverworst om te bakken en metworst om te drogen. Ik moest dan voor mijn opoe “veur ’n kwattien peper en groes” halen. Hiermee werd de worst gekruid. Verder hoofdkaas en balkenbrij, voornamelijk van het vlees van de kop. Het spek en de metworst werden aan stokken in de “wieme” (wiemsel) aan de zolder opgehangen.

Je had ook nog vetplaten uit de ribbenkast, de “russel”, (reuzel). Dat, in stukjes gesneden en uitgebakken, leverde “koachies”, (kaantjes) op - heerlijk op brood - en “smolt” (uitgebakken vet van de kaantjes), dat werd gebruikt als braadvet en ook wel als broodsmeersel in plaats van boter of margarine. Er was erg weinig slachtafval omdat bijna alles kon worden gebruikt. Een van de leuke dingen was de blaas van het varken. Die kreeg ik van de slachter. Mijn vader droogde die en pompte hem op met de fietspomp. Zo had je een prachtige voetbal, die net zo lang gebruikt werd tot hij helemaal afgetrapt was.

Pagina navigatie

Informatie

Artikel door:
Dick van Faassen
Geplaatst op:
24-03-2008
Laatst gewijzigd:
12-05-2009
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

Categorieën


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2018
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.