Vonnis Karl Dönitz

Dönitz wordt aangeklaagd op de Punten Een, Twee en Drie van de Aanklacht (uitleg). In 1935 nam hij het bevel over het eerste U-boot eskader op zich; was officier sinds 1918, werd in 1936 commandant van het U-boot wapen, werd in 1940 bevorderd tot Vice-admiraal, in 1942 tot Admiraal en op 30 januari 1943 tot Opperbevelhebber van de Kriegsmarine. Op 1 mei 1945 volgde hij Hitler op als staatshoofd.

Misdaden tegen de vrede


Hoewel Dönitz het Duitse U-boot wapen uitbouwde en opleidde, toont het bewijsmateriaal niet aan dat hij op de hoogte was van de samenzwering tot het voeren van een oorlog van agressie of dat hij dergelijke oorlogen voorbereidde of er het initiatief toe nam. Hij was een frontofficier die uitsluitend tactische taken uitvoerde. Hij was niet aanwezig bij de belangrijke conferenties waar de plannen voor een oorlog van agressie werden aangekondigd en er is geen bewijs voor dat hij werd ingelicht over de besluiten die daar werden genomen. Dönitz voerde echter een oorlog van agressie in de betekenis van het woord zoals dat in het Handvest wordt gebruikt. De duikbootoorlog, die onmiddellijk bij het uitbreken van de oorlog begon, werd gevoerd in nauwe samenwerking met de andere takken van de Wehrmacht. Het is duidelijk dat zijn U-boten, klein in aantal destijds, volledig waren voorbereid op het voeren van oorlog.
Het is waar dat hij tot aan zijn aanstelling tot opperbevelhebber in januari 1943 geen “Oberbefehlshaber” was. Maar deze uitspraak doet geen recht aan het belang van de positie van Dönitz. Hij was geen gewone leger- of divisiecommandant. Het U-bootwapen was het belangrijkste onderdeel van de Duitse vloot en Dönitz was de leider. De oppervlaktevloot deed in de beginjaren van de oorlog enkele kleine, maar niettemin spectaculaire aanvallen, maar de werkelijke schade aan de vijand werd vrijwel uitsluitend door zijn U-boten veroorzaakt, hetgeen bewezen wordt door de miljoenen tonnen tot zinken gebrachte Geallieerde en neutrale scheepsruimte. Het Marinecommando behield zich alleen het recht voor het aantal duikboten in ieder gebied te bepalen. Tijdens de invasie van Noorwegen in oktober 1939 deed hij bijvoorbeeld aanbevelingen voor duikbootbases waarvan hij beweerde dat het slechts een stafstudie was en in maart 1940 stelde hij de orders op voor de ondersteunende U-boten, zoals elders in dit vonnis wordt besproken.
Dat zijn belang voor de Duitse oorlogsinspanning zo hoog werd ingeschat, blijkt duidelijk uit Raeder’s aanbeveling van Dönitz als zijn opvolger en zijn benoeming door Hitler op 30 januari 1943 tot Opperbevelhebber van de Duitse Kriegsmarine. Hitler wist ook dat de duikbootoorlog het belangrijkste deel van Duitsland’s oorlog ter zee vormde.
Vanaf januari 1943 werd Dönitz vrijwel voortdurend door Hitler geraadpleegd. Het bewijsmateriaal toont aan dat zij in de loop van de oorlog ongeveer 120 keer vraagstukken rond de marine bespraken.
Nog in april 1945, als hij toegeeft dat hij wist dat de strijd hopeloos was, spoort Dönitz als haar Opperbevelhebber de marine aan haar strijd voort te zetten. Op 1 mei 1945 werd hij staatshoofd en als zodanig gaf hij de Wehrmacht bevel de strijd in het Oosten voort te zetten tot aan de capitulatie op 9 mei 1945. Dönitz verklaarde dat de reden voor deze bevelen was er zeker van te zijn dat de Duitse burgerbevolking kon worden geëvacueerd en het leger zich ordelijk uit het Oosten kon terugtrekken.
Naar de mening van het Tribunaal toont het bewijsmateriaal aan dat Dönitz actief betrokken was bij het voeren van een oorlog van agressie.

Oorlogsmisdaden


Dönitz wordt ervan beschuldigd een onbeperkte duikbootoorlog gevoerd te hebben, die in strijd is met het Marine Protocol van 1936, waarvan Duitsland mede-ondertekenaar was en waarin de regels voor duikbootoorlog, zoals die zijn vastgelegd in het Marine Pact van Londen van 1930, nogmaals worden bevestigd.
De Aanklager heeft gesteld dat op 3 september 1939 het Duitse U-boot wapen de onbeperkte duikbootoorlog inzette tegen alle koopvaardijschepen, vijandelijk of neutraal, daarbij het Protocol cynisch negerend en dat gedurende de oorlog bewuste pogingen werden gedaan deze praktijken te verhullen door het maken van hypocriete verwijzingen naar internationale wetgeving en veronderstelde schendingen door de Geallieerden.
Dönitz houdt vol dat de Marine ten allen tijde binnen de beperkingen van de internationale wetgeving en het Protocol bleef. Hij getuigde dat toen de oorlog uitbrak, de leidraad voor de duikbootoorlog werd gevormd door het Duitse Reglement Oorlogsbuit, dat vrijwel letterlijk uit het Protocol was overgenomen; dat hij ingevolge de Duitse zienswijze de U-boten opdracht gaf alle in konvooi varende koopvaardijschepen aan te vallen alsmede alle schepen die weigerden te stoppen of hun radio gebruikten wanneer een U-boot in zicht kwam. Toen uit zijn rapporten bleek dat Britse koopvaarders werden gebruikt om per radio informatie te verzamelen, voorzien werden van bewapening en U-boten aanvielen zo gauw die in zicht kwamen, gaf hij op 17 oktober 1939 zijn U-boten bevel zonder waarschuwing alle vijandelijke koopvaarders aan te vallen met als reden dat tegenstand kon worden verwacht. Er waren op 21 september 1939 al orders uitgevaardigd om alle schepen, waaronder neutrale, die ‘s nachts zonder lichten in het Engelse Kanaal voeren, aan te vallen.
Op 24 november 1939 deed de Duitse regering een waarschuwing uitgaan aan alle neutrale scheepvaart dat vanwege de talloze schermutselingen die in de wateren rond de Britse eilanden en voor de Franse kust plaatsvonden tussen U-boten en bewapende Geallieerde koopvaarders en opdracht hadden die wapens te gebruiken en ook om U-boten te rammen, de veiligheid van neutrale schepen in die wateren niet langer vanzelfsprekend was. Op 1 januari 1940 gaf het Duitse U-bootcommando, handelend op instructies van Hitler, U-boten bevel alle Griekse koopvaarders aan te vallen in de wateren rond de Britse eilanden, die door de Verenigde Staten voor de eigen schepen tot verboden gebied waren verklaard en ook koopvaarders van alle nationaliteiten in het beperkte gebied van het Kanaal van Bristol. Vijf dagen later werd aan de U-boten het bevel gegeven “onmiddellijk en onbeperkt gebruik te maken van wapens tegen alle schepen.” Tenslotte kregen op 18 januari 1940 de U-boten toestemming om zonder waarschuwing vooraf, alle schepen tot zinken te brengen die “zich in die wateren voor de vijandelijke kust bevonden waarin het gebruik van mijnen kan worden voorgewend.” Uitzonderingen moesten worden gemaakt voor schepen onder Amerikaanse, Italiaanse, Japanse en Russische vlag.
Kort na het uitbreken van de oorlog bewapende de Britse Admiraliteit, in overeenstemming met haar Handboek met Instructies voor de Koopvaardij uit 1938, haar koopvaardijschepen, liet ze in veel gevallen in konvooi varen met bewapende escorteurs, gaf bevel posities door te geven bij het waarnemen van U-boten; zodoende koopvaardijschepen inpassend in het netwerk van de marine inlichtingendienst. Op 1 oktober 1939 kondigde de Britse Admiraliteit aan dat Britse koopvaardijschepen opdracht hadden gekregen, zo mogelijk U-boten te rammen. Gezien de feitelijke omstandigheden van dit geval is het Tribunaal niet bereid, Dönitz verantwoordelijk te stellen voor zijn manier van oorlogvoeren tegen Britse bewapende koopvaarders.
Echter, het uitroepen van operationele zones en het tot zinken brengen van neutrale koopvaarders die dergelijke zones binnen varen roept een andere vraag op. Deze methode werd door Duitsland toegepast in de oorlog van 1914-1918 en als vergelding overgenomen door Groot-Brittannië. Het verdrag van de Conferentie van Washington van 1922, het Marine Pact van Londen van 1930 en het Protocol van 1936 werden aangegaan in de volle wetenschap dat dergelijke zones in die oorlog waren gebruikt. Het Protocol maakte echter geen uitzondering voor operationele zones. Het bevel van Dönitz, om zonder waarschuwing neutrale schepen tot zinken te brengen wanneer die in deze zones werden aangetroffen was, naar de mening van het Tribunaal, daarom een schending van het Protocol.
Er wordt ook beweerd dat het Duitse U-bootwapen niet alleen de voorschriften voor waarschuwing en redding van het Protocol niet naleefde maar dat Dönitz opzettelijk bevel zou hebben gegeven schipbreukelingen te vermoorden, vijandelijk dan wel neutraal. De Aanklager heeft veel bewijsmateriaal ingebracht rond twee bevelen van Dönitz, Kriegsbefehl Nummer 154, uitgegeven in 1939 en het zogeheten Laconia bevel van 1942. De Verdediging brengt daar tegenin dat deze bevelen en het ondersteunende bewijs een dergelijk beleid niet aantonen en heeft veel tegenbewijs ingebracht. Het Tribunaal is van mening dat op grond van het bewijsmateriaal niet met de vereiste zekerheid kan worden vastgesteld of Dönitz opzettelijk opdracht heeft gegeven tot het doden van schipbreukelingen. De orders waren ongetwijfeld dubbelzinnig en vereisen de grootst mogelijke terughoudendheid.
Het bewijsmateriaal toont verder aan dat er geen maatregelen tot redding werden genomen en dat beklaagde bevel gaf dat die niet mochten worden genomen. Het argument van de Verdediging is dat de veiligheid van de duikboot, als eerste regel op zee, voorrang heeft op redding en dat de ontwikkeling van vliegtuigen het redden onmogelijk maakt. Dit mag zo zijn, maar het Protcol is overduidelijk. Als de commandant geen redding kan uitvoeren kan hij volgens de bepalingen van het Protocol een koopvaarder niet tot zinken brengen en moet haar ongehinderd zijn persicoop laten passeren. Deze bevelen bewijzen dus dat Dönitz schuldig is aan schending van het Protocol.
Gezien alle bewezen feiten en in het bijzonder een order van de Britse Admiraliteit, aangekondigd op 8 mei 1940, op grond waarvan in het Skagerrak alle schepen ‘s nachts tot zinken moeten worden gebracht en het antwoord op vragen door Admiraal Nimitz dat in de Indische Oceaan een onbeperkte duikbootoorlog werd gevoerd vanaf de dag dat die natie bij de oorlog betrokken werd, wordt het vonnis van Dönitz niet vastgesteld op grond van zijn inbreuken op de internationale regels van de duikbootoorlog.
Dönitz werd ook beschuldigd van verantwoordelijkheid voor Hitler’s Kommandobefehl van 18 oktober 1942. Dönitz gaf toe dat hij van de order afwist en hem ook ontving toen hij Vlagofficier Onderzeedienst was maar wees de verantwoordelijkheid af. Hij wijst erop dat de order door zijn duidelijke bepalingen mannen uitsluit die tijdens zeegevechten gevangen zijn genomen, dat de Marine geen gezag had over gebieden aan land en dat U-bootcommandanten nooit Commando’s zouden tegenkomen.
Bij een gelegenheid in 1943, toen hij Opperbevelhebber van de Kriegsmarine was, werd de bemanning van een Geallieerde motortorpedoboot door Duitse marine eenheden gevangen genomen. Ze werden voor het verkrijgen van inlichtingen namens de admiraal ter plaatse verhoord en later op diens bevel aan de SD overgedragen en gefusilleerd. Dönitz zei dat wanneer ze door de marine gevangen waren genomen, hun executie in strijd met het Kommandobefehl zou zijn, dat de executie niet was aangekondigd in het Wehrmachtcommuniqué en dat hij nooit over het incident was ingelicht. Hij wees erop dat de admiraal in kwestie niet onder zijn bevel stond maar ondergeschikt was aan de generaal van de landmacht die het bevel over de bezetting van Noorwegen voerde.
Maar Dönitz stond toe dat de order volledig van kracht bleef toen hij opperbevelhebber werd en in die zin is hij verantwoordelijk.
Dönitz zei tijdens een vergadering op 11 december 1944 dat er “12.000 gevangenen uit concentratiekampen als extra werkrachten op scheepswerven tewerk gesteld zullen worden.”
In die periode had hij geen zeggenschap over scheepsbouw en beweert dat dit bij die vergadering slechts een voorstel was dat de verantwoordelijke gezagsdragers iets zouden gaan doen aan het bouwen van schepen; dat hij geen stappen ondernam om deze arbeiders te verkrijgen omdat het buiten zijn bevoegdheid viel en dat hij niet weet of zij er ooit zijn gekomen. Hij geeft toe dat hij van concentratiekampen afwist. Een man in zijn positie moet noodzakelijkerwijs hebben geweten dat burgers uit bezette landen in grote getale in de concentratiekampen werden vastgehouden.
In 1945 vroeg Hitler naar de mening van Jodl en Dönitz of de Geneefse Conventie verlaten moest worden. De notulen van de vergadering tussen de twee militaire leiders op 20 februari 1945 tonen aan dat Dönitz als zijn mening uitte dat de nadelen van een dergelijke actie niet opwogen tegen de voordelen. De samenvatting van de houding van Dönitz,, aangetoond in de notulen gemaakt door een officier, bevatte de volgende zin: “Het zou beter zijn de noodzakelijk geachte maatregelen zonder waarschuwing en tot elke prijs uit te voeren om gezichtsverlies in het buitenland te voorkomen.”
De Aanklager hield vol dat “de maatregelen” waarnaar werd verwezen betekenden dat de Conventie niet moest worden verlaten maar naar willekeur moest worden geschonden. De uitleg van de Verdediging luidt dat Hitler de Conventie om twee redenen wilde verlaten: om aan Duitse troepen de bescherming van de Conventie te ontnemen en zo te verhinderen dat ze zich in grote aantallen aan de Britten en Amerikanen overgaven; en ook om wraakneming op Geallieerde krijgsgevangenen mogelijk te maken vanwege de bombardementen. Dönitz beweert dat hij met “de maatregelen” disciplinaire maatregelen tegen Duitse troepen bedoelde om te voorkomen dat ze zich overgaven en geen betrekking had op maatregelen tegen de Geallieerden; dat dit slechts een suggestie was en dat er in elk geval nooit dergelijke maatregelen werden genomen, noch tegen Geallieerden, noch tegen Duitsers. Het Tribunaal gelooft deze uitleg echter niet. De Geneefse Conventie werd door Duitsland echter niet verlaten. De Verdediging heeft diverse verklaringen ingebracht als bewijs dat krijgsgevangen Britse marinemensen in kampen onder gezag van Dönitz strikt volgens de bepalingen van de Conventie werden behandeld en het Tribunaal neemt dit feit in overweging en merkt het aan als een verzachtende omstandigheid.

Conclusie:


Het Tribunaal acht Dönitz niet schuldig aan Punt Een van de Aanklacht en acht hem schuldig aan de Punten Twee en Drie.

Uitleg van de vier aanklachten:

  1. Samenzwering tot het voeren van een agressieve oorlog ofwel misdaden tegen de vrede
  2. het voeren van een agressieve oorlog
  3. oorlogsmisdaden
  4. misdaden tegen de menselijkheid

Definitielijst

capitulatie
Overeenkomst tussen strijdende partijen met betrekking tot de overgave van een land of leger.
Geallieerden
Verzamelnaam voor de landen / strijdkrachten die vochten tegen Nazi-Duitsland, Italië en Japan gedurende WO 2.
invasie
Gewapende inval.
Kommandobefehl
Op 18 oktober 1942 vaardigde Adolf Hitler het Kommandobefehl uit. Dit hield in dat leden van geallieerde commando's en luchtlandingstroepen direct gedood moesten worden of overgedragen moesten worden aan de Sicherheitsdienst (SD).
Kriegsmarine
Duitse marine, naast de Heer en de Luftwaffe onderdeel van de Duitse Wehrmacht.
oorlogsmisdaden
Misdaden die in oorlogstijd worden begaan. Vaak betreft het hier misdaden van militairen ten opzichte van burgers.
U-boot
Duitse benaming voor onderzeeboot. Duitse U(ntersee)-boten hebben tot in mei 1943 een belangrijke rol gespeeld in de oorlogvoering. Ook veel vracht- en passagiersboten werden door deze sluipmoordenaars van de zee getorpedeerd en tot zinken gebracht.

Bronnen

International Military Tribunal, Nuremberg 1947.

Informatie

Artikel door:
Arnold Palthe
Geplaatst op:
15-07-2008
Laatst gewijzigd:
19-04-2010
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

Categorieën


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2017
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.