Verhoor Albert Speer 2

Ochtenzitting 1 20-06-1946

Inhoudsopgave

De PRESIDENT: Ik heb enkele mededelingen. Ten eerste, aanvullende getuigen zullen worden gehoord aan het einde van de zaak tegen beklaagden. Ten tweede, vragenlijsten en andere documenten die tegen die tijd zijn ontvangen moeten dan ook als bewijsmateriaal worden gepresenteerd. Ten derde, vragenlijsten en andere documenten die voor het einde van de bewijsvoering zijn toegelaten maar op een latere datum zijn ontvangen, zullen tot aan het einde van het proces door het Tribunaal worden ingenomen en beoordeeld. Dat is alles.
(Beklaagde Speer neemt weer plaats in de beklaagdenbank)
Dr. FLÄCHSNER: Gisteren eindigden we met de bespreking van het gebruik van mankracht in de industrie en nu zullen we de kwestie behandelen hoe de mankracht aan de fabrieken werd geleverd; anders gezegd de kwesties van aantallen en speciale eisen aan arbeiders.
Meneer Speer, in uw getuigenis van 18 oktober 1945 verklaarde u allereerst dat u stelselmatig nieuwe arbeiders van Sauckel vroeg, ten tweede dat u wist dat er zich onder deze arbeiders buitenlanders zouden bevinden, ten derde dat u hebt geweten dat sommige van deze buitenlandse arbeiders tegen hun wil in Duitsland werkten. Wilt u alstublieft iets over deze verklaring zeggen?
SPEER: Deze vrijwillig afgelegde verklaring is helemaal juist. Ik was Sauckel zeer dankbaar voor iedere arbeider die ik tijdens de oorlog van hem kreeg. Vaak hield ik hem verantwoordelijk voor het feit dat door gebrek aan mankracht de wapenindustrie niet die resultaten bereikte die zij had kunnen bereiken maar ik heb altijd de verdiensten benadrukt die hem toekwamen vanwege zijn werk voor de wapenindustrie.
Dr. FLÄCHSNER: Toen u in uw getuigenis van 18 oktober 1945, en nu weer, verwees naar mankracht, bedoelt u mankracht in het algemeen, waaronder Duitse arbeiders, vreemdelingen uit bezette gebieden, vreemdelingen uit geannexeerde gebieden en ook krijgsgevangenen?
SPEER: Ja. Vanaf het midden van 1943 had ik onenigheid met Sauckel over kwesties met betrekking tot productie en over de onvoldoende beschikbaarheid van Duitse arbeidsreserves. Maar dat heeft niets te maken met mijn fundamentele houding ten opzichte van het werk van Sauckel.
Dr. FLÄCHSNER: Welk percentage van het totaal toegewezen arbeiders was Sauckel verplicht u op aanvraag te leveren?
SPEER: U bedoelt het totaal aan mankracht, geen vreemdelingen?
Dr. FLÄCHSNER: Ja.
SPEER: Tot aan augustus 1944 – anders gezegd, tot aan het moment waarop ik de wapenproductie voor de Luftwaffe overnam – ongeveer 30 of 40 % van het totaal. De overgrote meerderheid daarvan bestond natuurlijk uit Duitse arbeiders. Toen ik in augustus 1944 de wapenproductie voor de Luftwaffe overnam had ik nauwelijks behoefte aan arbeiders omdat de bombardementen op het transportstelsel in Duitsland een gestage daling van de wapenproductie tot gevolg hadden.
Dr. FLÄCHSNER: Was uw behoefte aan arbeiders onbeperkt?
SPEER: Nee. De omvang van de wapenproductie en van onze totale productie en mijn overeenkomstige behoefte aan arbeiders was afhankelijk van onze aanvoer van grondstoffen.
Dr. FLÄCHSNER: Dat betekent, de behoefte was beperkt door de beschikbare hoeveelheid grondstoffen?
SPEER: Mijn behoefte aan arbeiders was beperkt door de hoeveelheid grondstoffen.
Dr. FLÄCHSNER: U bereikte een sterke stijging van het productievolume aan wapens. Nam het aantal tewerkgestelde arbeiders ook in verhouding toe om deze stijging te bereiken?
SPEER: Nee. In 1944 werden er 7 maal zoveel wapens geproduceerd als in 1942, 1½ keer zoveel pantserwagens en 6 maal zoveel munitie. Het aantal arbeiders in deze sectoren nam slechts met 30 % toe. Dit succes kwam niet tot stand door een grotere inzet van arbeiders maar eerder door het afschaffen van verouderde productiemethoden en door een verbeterd systeem van controle op wapenproductie.
Dr. FLÄCHSNER: Wat werd bedoeld met het concept "Kriegsproduktion"?
SPEER: De term Kriegsproduktion die hier regelmatig is gebruikt is niets anders dan het normale concept, productie. Dat omvat alles dat door fabrieken of door handwerkslieden wordt geproduceerd waaronder de behoeften voor de burgerbevolking.
Dr. FLÄCHSNER: Wat werd in Duitsland bedoeld met het concept "bewapening"?
SPEER: Het concept "bewapening" was in geen geval beperkt tot het gebied dat beschreven staat in de Geneefse Conventie voor krijgsgevangenen. De moderne opvatting van "bewapening" is een veel bredere. Het omvat een veel groter scala aan activiteiten. Er waren geen basisprincipes vastgelegd voor onze opvatting van "bewapening." Het kenmerk van een wapenindustrie was dat het Heereswaffenamt als bemiddelende autoriteit er de zorg voor had en er toezicht op hield. In Duitsland bijvoorbeeld viel de volledige productie van ruw staal onder de wapenindustrie, alle walserijen, gieterijen en smederijen; de productie van aluminium en moderne synthetische materialen; de chemische productie van stikstof, van brandstof of synthetische rubber; de productie van synthetische wol; de productie van afzonderlijke zaken waarvan het gebruik in wapens op het moment van productie niet kan worden voorspeld zoals kogellagers, tandwielen, kleppen, zuigers enzovoorts, of de productie van werktuigmachines, het opzetten van assemblagelijnen; evenzo de productie van auto's en de bouw van locomotieven, koopvaardijschepen; ook textielfabrieken en fabrieken die artikelen van leer of hout produceren.
In de vragenlijsten die ik naar mijn getuigen heb gestuurd wilde ik hen laten vermelden welk percentage van de Duitse wapenindustrie wapens produceerde zoals die zijn omschreven in de Geneefse Conventie en ik zou u de aantallen willen noemen. Mijn medewerkers zijn het er unaniem over eens dat tussen 40 en 20 % van het bewapeningsprogramma te maken had met de productie van wapens, pantserwagens, vliegtuigen, oorlogsschepen of de algemene uitrusting die voor de diverse onderdelen van de strijdkrachten vereist was. Het merendeel van het materiaal bestond daarom niet uit wapens in de zin van de Geneefse Conventie. De reden voor de verruiming van het concept "bewapening" in Duitsland was naast redenen van productie de voorkeursbehandeling die deze fabrieken genoten; een behandeling die tot gevolg had dat talloze fabrieken stonden te dringen om wapenindustrie genoemd te mogen worden.
Dr. FLÄCHSNER: Meneer de President, in de vragenlijsten die nog niet bij het Tribunaal zijn ingediend omdat het boek nog niet klaar is, houden de getuigen Sauer onder nummer 7 en 10, de getuige Schieber onder nummer 6 tot en met 9 en de getuige Kehrl onder nummer 4 tot en met 7 zich bezig met de definitie zoals die toegepast moet worden op het concept "bewapening."
De PRESIDENT: Hoe luidde die laatste naam?
Dr. FLÄCHSNER: Kehrl.
Meneer Speer, bij wijze van voorbeeld, u kent Krupp in Essen. In hoeverre produceerde dit concern wapens in de zin van de Geneefse Conventie betreffende krijgsgevangenen; anders gezegd, wapens, munitie en andere zaken die direct noodzakelijk zijn voor de oorlogvoering?
SPEER: Krupp is een prachtig voorbeeld voor het feit dat een bewapeningsindustrie slechts een klein deel van zijn productie reserveert voor oorlogsuitrusting. Ik moet natuurlijk op het feit wijzen dat in het bijzonder het Krupp concern een van die bewapeningsindustriën was die, net als andere, procentueel gezien de minste wapens produceerde. Het voornaamste belang van Krupp lag in mijnbouw en in drie grote fabrieken die ruw staal en edelstaal produceerden. De bouw van locomotieven en fabricage van producten voor de chemische industrie waren een specialiteit van Krupp. Aan de andere kant, van de specialiteit in wapens van Krupp – de bouw van geschutskoepels voor oorlogsschepen en grote, bijzondere kanonnen – werd tijdens deze oorlog helemaal geen gebruik gemaakt. Pas in 1944 richtte Krupp bij Breslau de eerste fabriek op voor de productie van kanonnen. Tot aan die tijd hield Krupp zich voornamelijk bezig met de ontwikkeling van nieuwe wapens, terwijl voor de productie daarvan andere fabrieken een licentie kregen. Al met al kan men stellen dat bij Krupp 10 tot 15 % van het personeel wapens maakte in de zin van de Geneefse Conventie, hoewel het hele concern geregistreerd stond als bewapeningsindustrie.
Dr. FLÄCHSNER: Hadden u en uw Ministerie er iets over te zeggen of een fabriek Duitse of buitenlandse arbeiders zou krijgen?
SPEER: Mijn Ministerie had geen enkele invloed in die richting. De behoefte aan arbeiders werd door de fabrieken die aan mij ondergeschikt waren, aan mijn Ministerie gemeld. Zij meldden het totaal aan benodigde arbeiders en er werd geen onderscheid gemaakt of zij buitenlanders, krijgsgevangenen of Duitse arbeiders wilden. Dit totaal aantal werd doorgegeven aan de Algemeen Gevolmachtigde für den Arbeitseinsatz. Sauckel weigerde gespecificeerde eisen te aanvaarden en hij had hierin volkomen gelijk want hij kon geen gespecificeerde richtlijnen geven aan de diensten die onder hem stonden, met betrekking tot het percentage Duitse of buitenlandse arbeiders die aan de plaatselijke fabrieken moesten worden toegewezen.* De uiteindelijke verdeling van de arbeiders over de fabrieken werd verzorgd door de arbeidsbureau's – zonder tussenkomst van mijn diensten of agenten. Daarom hadden we er hier ook geen invloed op of Duitsers, buitenlanders of krijgsgevangenen aan enige fabriek werden toegewezen. De fabriek moest ons dan terug melden over het aantal nieuw ontvangen arbeiders. Deze melding werd in de vorm van een totaal aantal naar mijn ministerie gestuurd zodat ik niet kon nagaan of en hoeveel buitenlanders en krijgsgevangenen in het totaal begrepen waren. Ik wist natuurlijk dat er buitenlandse arbeiders aan wapens werkten en ik was het daar volkomen mee eens.
Dr. FLÄCHSNER: Meneer de President, om de zaken voor het Tribunaal wat eenvoudiger te maken zou ik willen opmerken dat de punten 1, 7, 8, en 17 van de vragenlijst van getuige Schmelter over deze kwesties handelen. In de vragenlijst van Schieber wordt dit punt bij 10, 11, 30 en 31 behandeld. Verder bevat de vragenlijst van Kehrl relevant materiaal in de antwoorden op de vragen 8 en 9.
Meneer Speer, wie dienden de eisen voor mankracht, benodigd voor de wapenindustrie, in bij de Algemeen Gevolmachtigde für den Arbeitseinsatz?
SPEER: De vraag om arbeiders werd opgesplitst naar de diverse sectoren, overeenkomstig de diverse economische sectoren. Er bestonden ongeveer 15 verschillende sectoren die elk hun eisen indienden. Ik stelde de eisen voor de bewapening van het leger, de marine en de bouw en vanaf september 1943 voor de sectoren chemie, mijnbouw en andere productie. Bewapening voor de Luftwaffe had zijn eigen afdeling toewijzing en die eisen werden gesteld door het Reichsluftfahrtministerium.
Dr. FLÄCHSNER: In de vragenlijsten heeft getuige Schmelter deze kwestie behandeld in zijn antwoord op vraag 2; getuige Schieber in zijn antwoord op vragen 2, 3 en 5 en getuige Kehrl onder vragen 2 en 3.
Werden de eisen voor mankracht voor de drie onderdelen van de strijdkrachten niet in uw Ministerie samengebracht?
SPEER: Nee. Natuurlijk had ik vanaf maart 1942 in naam althans het Heereswaffenamt onder Generaal Thomas van het OKW overgenomen en dit Amt was een gezamenlijk bureau voor de drie legeronderdelen waar kwesties rond de toewijzing van mankracht ook werden besproken. Op grond van een overeenkomst tussen Göring en mij was besloten dat de Luftwaffe, onafhankelijk van mij, haar eigen belangen rond bewapening zou behartigen. Deze overeenkomst was nodig omdat ik in het begin, als Minister für Heeresrüstung tegenstrijdige belangen had en daarom geen beslissingen wilde nemen betreffende de vraag naar mankracht voor een onderdeel dat niet aan mij ondergeschikt was.
Dr. FLÄCHSNER: In hoeverre bent u verantwoordelijk voor de inzet van krijgsgevangenen in de wapenindustrie en hier bedoel ik bewapening in beperkte zin en in strijd met de Geneefse Conventie?
SPEER: Ik deed mijn invloed niet gelden om krijgsgevangenen tewerk te stellen in strijd met de door het OKW uitgegeven besluiten. Ik kende het standpunt van het OKW, volgens welk de Geneefse Conventie strikt gehandhaafd moest worden. Natuurlijk wist ik ook dat deze bepalingen niet golden voor Russische krijgsgevangenen en Italiaanse gevangenen. Ik kon geen enkele invloed aanwenden bij de toewijzing van krijgsgevangenen aan afzonderlijke fabrieken. Deze toewijzing werd bepaald door de arbeidsbureau's in overleg met de diensten die afhankelijk waren van het hoofd van het Kriegsgefangenenwesen, het Stalag.
Dr. FLÄCHSNER: In dit verband zou ik willen verwijzen naar de vragenlijst van getuige Schmelter; zijn antwoord op vraag 14.
Meneer Speer, wie was de bevoegde officier namens het OKW?
SPEER: Het toezicht op de juiste toewijzing van krijgsgevangenen werd uitgeoefend door de Wehrwirtschaftsoffizier als bemiddelende autoriteit. Hij maakte deel uit van de plaatselijke Militärverwaltung dat onder gezag van het leger stond.
Dr. FLÄCHSNER: De Aanklager heeft een beëdigde verklaring van Mr. Deuss, een Amerikaans statisticus, ingediend. Dat is document 2520-PS.
Volgens deze verklaring waren er 400.000 krijgsgevangenen tewerk gesteld bij de productie van oorlogsuitrusting. Deze aantallen worden verondersteld afkomstig te zijn van statistieken van uw Ministerie. Wilt u iets over dit aantal zeggen?
SPEER: De getallen zijn mij vanuit mijn hoedanigheid als minister goed bekend en ze zijn correct. Dit aantal van 400.000 krijgsgevangenen omvat het totaal aantal krijgsgevangenen dat in de wapenindustrie tewerk was gesteld.
In deze verklaring wordt de verkeerde conclusie getrokken dat al deze krijgsgevangenen betrokken waren bij de productie van wapens zoals omschreven in de Geneefse Conventie. Statistieken betreffende het aantal krijgsgevangenen die in die fabrieken werkten die wapentuig produceerden zoals omschreven in de Geneefse Conventie werden door ons niet bijgehouden en daarom kan een dergelijk aantal niet in mijn documenten worden aangetroffen.
Afgezien daarvan omvat dit aantal van 400.000 krijgsgevangenen 200.000 tot 300.000 Italiaanse gevangen militairen die destijds allemaal in mijn productieproces werden opgenomen. Deze verklaring bewijst daarom nog niet dat er krijgsgevangenen werden ingezet bij de productie van wapens als zodanig.
Dr. FLÄCHSNER: Het Centraal Planbureau is hier regelmatig genoemd. U was lid van dit bureau. Kunt u tot in bijzonderheden het ontstaan van dit bureau beschrijven en het scala aan activiteiten ervan?
SPEER: Toen ik in 1942 in functie kwam was het van het grootste belang de toewijzing en verdeling van grondstoffen voor de drie onderdelen van de strijdkrachten te centraliseren en de juiste koers van de oorlogseconomie voor lange tijd te verzekeren. Tot aan die tijd was dat een zaak geweest van het Reichswirtschaftsministerium en deels van het OKW. Beide instellingen waren te zwak om het overwicht over de drie onderdelen van de strijdkrachten te houden.
Op grond van mijn voorstel werd in maart 1942 door de Gedelegeerde voor het Vierjarenplan het Centraal Planbureau opgericht. De drie leden, Milch, Korner en ikzelf konden slechts unanieme besluiten nemen die echter altijd zonder problemen konden worden bereikt. Het is duidelijk dat ik vanwege mijn vooraanstaande positie de beslissende factor in dit Centraal Planbureau was.
De taken van dit Centraal Planbureau waren strak omlijnd en vastgelegd in een besluit van Göring dat ik had opgesteld. Het bijhouden van statistieken over de behoeften aan arbeidskrachten of de toewijzing van arbeiders was geen zaak die in dit besluit was vastgelegd. Deze taak werd niet stelselmatig door het Centraal Planbureau uitgevoerd, ondanks documenten die hier zijn ingebracht. Voor zover het beslissingen betreffende behoefte aan en toewijzing van arbeiders betrof, probeerde ik die door het Centraal Planbureau te laten nemen, omdat dat een belangrijke factor zou zijn bij de sturing van de economie. Dat had echter altijd een weigering van Sauckel tot gevolg want hij beschouwde dat als een inbreuk op zijn rechten.
Dr. FLÄCHSNER: Vanwege dit punt dien ik in het decreet van Göring betreffende de oprichting van een Centraal Planbureau onder het Vierjarenplan. Het werd uitgevaardigd op 25 april 1942 en dit wordt document Speer-42, bewijsstuk nummer 7.
Meneer de President, de tekst staat op pagina 17 van het Engelse documentenboek.
Het terrein van activitieten van het Centraal Planbureau ........
De PRESIDENT: Een moment. Welk nummer geeft u het? Op het document hier staat het nummer Speer 142.
Dr. FLÄCHSNER: Nee, dat moet een typefout zijn. Het moet 42 zijn, Meneer de President; het staat op .....
De PRESIDENT: Wat is het nummer van het bewijsstuk? Dr. FLÄCHSNER: Bewijsstuk Speer-7.
De PRESIDENT: Wat betekent die 42? Wat heeft het voor nut er 42 op te zetten als het bewijsstuk nummer 7 is?
Dr. FLÄCHSNER: Meneer de President, dat is het nummer van het document volgens welk het werd toegelaten toen we het documentenboek samenstelden. Het bewijsstuk nummer 7 is echter het beslissende nummer in dit geval.
De PRESIDENT: Prima.
Dr. FLÄCHSNER: Het is alleen maar bedoeld om het in het documentenboek gemakkelijker terug te kunnen vinden. Het staat op pagina 17 van de Engelse tekst en wellicht wordt mij toegestaan, de aandacht van het Hoge Tribunaal te vestigen op punt 32 van het decreet. Op grond hiervan moest het Centraal Planbureau beslissen over alle noodzakelijke nieuwe industriële projecten, over de toename van de productie van grondstoffen en hun verdeling, en ook over de afstemming van de behoeften met het transportstelsel. Dit decreet voorziet niet in enige regeling betreffende de kwestie van arbeid.
Meneer Speer, hoe kwam het dat ondanks dat binnen het Centraal Planbureau de behoeften aan mankracht werden besproken?
SPEER: Deze notulen van alle 60 vergaderingen van het Centraal Planbureau, die plaats vonden van 1942 tot 1945 zijn opgenomen in het stenografisch verslag. Deze 5.000 getypte pagina's geven een duidelijk beeld van de taken en activiteiten van het Centraal Planbureau. Voor iedere kenner is het overduidelijk dat er met betrekking tot de toewijzing van mankracht geen planning was want het is duidelijk dat een plan voor de toewijzing van arbeid tenminste iedere drie maanden herzien zou moeten worden, net zoals we dat voor grondstoffen moesten doen. In feite vonden er binnen het Centraal Planbureau drie of vier vergaderingen plaats die handelden over de toewijzing van mankracht. Deze discussies werden om de volgende reden gehouden: in 1942 en 1943, voordat ik het beheer over de totale productie overnam behield ik iedere keer dat er soldaten werden opgeroepen voor de strijdkrachten, voor mij zelf het recht om de diverse oproepen over de verschillende sectoren van de productie te verdelen. Bij een vergadering werd deze verdeling uitgevoerd door het Centraal Planbureau als neutraal orgaan. Bij deze bijeenkomst was er natuurlijk een vertegenwoordiger van de Algemeen Gevolmachtigde für den Arbeitseinsatz aanwezig omdat tezelfder tijd het probleem van vervanging moest worden opgelost.
Een ander probleem dat door het Centraal Planbureau werd besproken was de distributie van kolen voor het volgende jaar. Net als in Engeland was kolen ook in onze hele oorlogseconomie de beslissende factor. Bij deze gesprekken moesten we ook meteen bepalen hoe aan de vraag naar mankracht voor de mijnen door de Algemeen Gevolmachtigde für den Arbeitseinsatz kon worden voldaan want alleen in overeenstemming met hem konden de juiste plannen voor het volgende jaar worden gemaakt. Deze gesprekken hadden als gevolg de toewijzing van Russisiche krijgsgevangenen aan de mijnen, een kwestie die hier is besproken.
Verder vonden er twee bijeenkomsten plaats waar de eisen, gesteld door alle belanghebbende partijen, ook werkelijk werden besproken en op een manier die de Aanklager graag zou willen gebruiken als zijnde van toepassing op het hele scala aan activiteiten van het Centraal Planbureau. Deze twee vergaderingen vonden plaats in februari en maart 1944 en er werden daarvoor en daarna geen andere gehouden. Bovendien vonden deze twee sessies plaats tijdens mijn ziekte. Zelfs toen was het mij niet helemaal duidelijk waarom het juist tijdens mijn ziekte was dat Sauckel eerst gehoor gaf aan mijn wens, het Centraal Planbureau hierin te betrekken maar later zijn belofte introk.
Dr. FLÄCHSNER: De Aanklager heeft diverse uittreksels ingediend die betrekking hebben op bijeenkomsten van het Centraal Planbureau.
Voor zover u weet, werden deze uittreksels uit het stenografisch verslag genomen of werden die uit de notulen genomen?
SPEER: Ze zijn uit het stenografisch verslag gehaald. Naast dit stenografisch verslag werden er notulen gemaakt van het resultaat van de vergadering. Deze notulen vermelden het feitelijke resultaat van de vergadering. Tot dusverre is er geen materiaal uit de notulen zelf door de Aanklager ingediend. De inhoud van het stenografisch verslag bestaat natuurlijk uit opmerkingen en discussies die altijd plaats vinden wanneer dergelijke belangrijke zaken worden besproken; in iedere oorlogseconomie van ieder land, zelfs wanneer de betrokken autoriteiten niet rechtstreeks verantwoordelijk zijn voor kwesties als die welke de toewijzing van mankracht betreffen.
Dr. FLÄCHSNER: Daarom, gaan de citaten die we hier hebben gehoord over beslissingen genomen door het Centraal Planbureau of door u?
SPEER: Dat heb ik al beantwoord.
Dr. FLÄCHSNER: Ik zou u nog een vraag willen stellen. U was Gevolmachtigde voor Bewapening binnen het Vierjarenplan. Hoe zit het daarmee?
SPEER: In maart 1942 creërde Göring, gehoor gevend aan mijn voorstel, de functie Gevolmachtigde voor Bewapening en Oorlogsproductie binnen het Vierjarenplan en ik werd in die functie benoemd. Dat was maar een formaliteit. Het is algemeen bekend dat Göring onenigheid had gehad met mijn voorganger, Todt, omdat de wapencontrole voor het leger binnen het Vierjarenplan niet onder zijn toezicht was geplaatst. Bij het aanvaarden van deze functie van Gevolmachtigde voor Bewapening en Oorlogsproductie had ik mij ondergeschikt gemaakt aan Göring. Feitelijk verkreeg de Gevolmachtigde voor Bewapening en Oorlogsproductie nooit enige invloed. Ik vaardigde in die hoedanigheid geen enkel besluit uit. Als Minister bezat ik voldoende gezag en het was niet nodig, het gezag te gebruiken dat ik onder het Vierjarenplan had.
Dr. FLÄCHSNER: Ten behoeve van het Tribunaal mag ik wellicht, wanneer ik de kwestie van het Centraal Planbureau behandel verwijzen naar het feit dat getuige Schieber in zijn vragenlijsten hierop betrekking hebbende verklaringen heeft afgelegd onder de punten 4 en 45 en dat getuige Kehrl dat deed in zijn vragenlijst onder punt 2.
Ik ga nu over op de kwestie van de verantwoordelijkhheid voor het aantal buitenlandse arbeiders in het algemeen.
Meneer Speer, de Aanklagher beschuldigt u ervan, medeverantwoordelijk te zijn voor het totaal aantal buitenlandse arbeiders dat naar Duitsland werd afgevoerd. Uw medebeklaagde Sauckel heeft in dit verband verklaard dat hij in deze kwestie allereerst voor u werkte zodat zijn werkzaamheden in hoofdzaak werden bepaald door uw behoeften. Wilt u hier iets over zeggen?
SPEER: Natuurlijk verwachtte ik van Sauckel dat hij bovenal voldeed aan de eisen voor oorlogsproductie maar er kan niet aan worden vastgehouden dat hij voornamelijk aan mijn eisen voldeed want vanaf het voorjaar van 1943 ontving ik maar een deel van de arbeiders die ik nodig had. Als aan mijn maximun eis zou zijn voldaan zou ik ze allemaal hebben gekregen. Hiervoor hoef ik slechts een voorbeeld aan te halen. In die zelfde periode werden er ongeveer 200.000 Oekrainse vrouwen ter beschikking gesteld voor huishoudelijk werk en het is vrijwel zeker dat ik van mening was dat ze beter ingezet konden worden in de wapenproductie. Het is ook duidelijk dat de Duitse arbeidsreserve niet volledig gebruikt werd. In januari 1943 waren deze reserves nog toereikend. Ik had belang bij het hebben van Duitse arbeiders – waaronder natuurlijk ook vrouwen – en dit niet gebruiken van Duitse reserves bewijst ook dat ik niet alleen verantwoordelijk kan worden gehouden voor het voldoen aan de noodzakelijke behoeften, anders gezegd voor het vragen om buitenlandse arbeiders.
Dr. FLÄCHSNER: Ik zou erop willen wijzen dat de volgende getuigen in verband met deze kwestie verklaringen hebben afgelegd in hun respectieve vragenlijsten: Getuige Schmelter onder de punten 12, 13 en 16, getuige Schieber onder punt 22; getuige Rohland onder de punten 1 en 4 en getuige Kehrl onder punt 9.
Meneer Speer, wanneer u of uw departement om arbeiders vroeg, wist u natuurlijk dat er zich onder hen ook buitenlandse arbeiders zouden bevinden. Had u deze buitenlandse arbeiders nodig?
SPEER: Ik had ze slechts gedeeltelijk nodig, gezien mijn eisen voor de productie. De kolenmijnen bijvoorbeeld konden niet zonder Russische krijgsgevangenen. Het zou volkomen onmogelijk geweest zijn, in deze mijnen Duitse reserves in te zetten die voornamelijk uit vrouwen bestonden. Verder waren er bijzondere opdrachten waarvoor het wenselijk was buitenlandse vakmensen in te zetten, maar aan het merendeel van de behoeften kon door Duitse arbeiders worden voldaan, zelfs door Duitse vrouwen. Het zelfde principe werd in de wapenindustrie van Engeland en Amerika toegepast en zeker ook in de Sovjet Unie.
De PRESIDENT: Kunt u niet verder gaan, Dr. Flächsner? U hoeft niet te wachten.
Dr. FLÄCHSNER: Ja. In mijn gedocumenteerd bewijsmateriaal zal ik op dit punt nog in bijzonderheden terugkomen.
Meneer Speer, ik zou willen teruggaan naar uw getuigenis van 18 oktober 1945. Hier stelde u regelmatig dat u wist dat arbeiders uit bezette landen tegen hun wil naar Duitsland werden vervoerd. De Aanklager beweert dat u instemde met het gebruik van geweld en terreur. Zou u hier iets over willen zeggen?
SPEER: Ik had geen invloed op de manier waarop arbeiders werden aangeworven. Als de arbeiders tegen hun wil naar Duitsland werden afgevoerd betekent dat volgens mij dat zij wettelijk verplicht waren voor Duitsland te werken. Of dergelijke wetten rechtvaardig waren of niet, dat was een kwestie die ik toen niet heb nagegaan. Bovendien was het mijn zaak niet. Aan de andere kant, onder toepassing van geweld en terreur versta ik maatregelen door de politie, overvallen en arrestaties enzo. Ik keurde dergelijke gewelddadige methoden niet goed, wat bewezen wordt door het standpunt dat ik innam tijdens een gesprek dat ik op 11 juli 1944 met Lammers had. Destijds huldigde ik het standpunt dat noch een toename van geweld door de politie, noch overvallen of gewelddadige maatregelen de juiste methode waren. In dit document wordt op hetzelfde moment naar mij gewezen als een van degenen die bezwaar maakten tegen die gewelddadige maatregelen die waren voorgesteld.
De PRESIDENT: Waar is dat document?
Dr. FLÄCHSNER: Meneer de President, dat is document 3819-PS dat de Aanklager heeft ingediend tijdens het verhoor van, ik meen beklaagde Keitel en van beklaagde Sauckel. Ik heb het niet in mijn documentenboek opgenomen.
Meneer Speer, waarom was u tegen dergelijke gewelddadige maatregelen?
SPEER: Omdat vanwege dergelijke gewelddadige maatregelen een ordelijke werving van mankracht in de bezette landen op de lange duur onmogelijk zou worden. Ik wilde in de bezette landen de productie echter ordelijk laten verlopen. Gebruik van geweld zou voor mij een verlies aan mankracht in de bezette gebieden hebben betekend want het gevaar bestond dat deze mensen in steeds grotere aantallen zouden onderduiken zodat ze niet naar Duitsland konden en daarmee de gelederen van het verzetsbewegingen versterken. Dat leidde op zijn beurt weer tot sabotage en dat weer tot een afname van de productie in de bezette landen.
Daarom protesteerden de militaire commandanten en de commandanten van de legergroepen, net als ikzelf, steeds weer tegen voorgestelde grootschalige gewelddadige maatregelen.
Dr. FLÄCHSNER: Stelde u bijzonder belang in de werving van arbeiders uit bepaalde landen en zo ja, waarom?
SPEER: Ja, ik was bijzonder geïnteresseerd in arbeiders uit Frankrijk, België en Nederland – de landen in het Westen – en uit Italië omdat de Algemeen Gevolmachtigde für den Arbeitseinsatz besloten had dat vanaf het voorjaar van 1943 hoofdzakelijk arbeiders uit deze landen zouden worden toegewezen aan de oorlogsindustrie. Aan de andere kant zouden arbeiders uit het Oosten voornamelijk worden ingezet in de landbouw, de bosbouw en de aanlag van spoorwegen. Dit besluit werd mij door Sauckel herhaaldelijk onder de neus gewreven, zelfs tot in 1944.
Dr. FLÄCHSNER: In dit verband zou ik willen verwijzen naar document 3012-PS, bewijsstuk USA-190. Dit document staat in mijn documentenboek op pagina 19 van de Engelse tekst en pagina 16 van de Franse tekst. Ik citeer uit de vergadering van de Wirtschaftsinspektion Süd in Rusland. Peuckert, de vertegenwoordiger van Sauckel in Rusland – zegt hier en ik citeer nu:
"..... er zijn voorzieningen getroffen om Ostarbeiter voornamelijk in de landbouw en in de voedselindustrie in te zetten, terwijl arbeiders uit het Westen, in het bijzonder vaklieden geëist door de heer Speer ter beschikking van de wapenindustrie moeten worden gesteld....... "
Document 1289-PS, bewijsstuk RF-71, staat op pagina 42 van de Engelse tekst in mijn documentenboek en op pagina 39 van de Franse en Duitse tekst. Hier gaat het om een kanttekening van Sauckel van 26 april 1944 en ik citeer:
"Alleen door een hernieuwde mobilisatie van reserves in de bezette landen in het westen kan aan de dringende behoefte aan vaklieden voor de Duitse wapenindustrie worden voldaan. Hiervoor zijn de reserves in andere gebieden niet voldoende in aantal, noch in kwaliteit. Die zijn dringend nodig voor de behoeften van de landbouw, het transport en de bouw. Tot 75 procent van het aantal arbeiders uit het westen is altijd toegewezen aan de wapenindustrie."
De PRESIDENT: Dr. Flächsner, ik spreek vor mijzelf maar ik weet in de verste verte niet wat het probleem is dat u probeert op te lossen of welk argument u naar voren brengt. Ik weet ook niet of dit van enig belang is. Maakt het iets uit of zij vanuit het westen dan wel uit het oosten kwamen? Ik begrijp uw argument, of dat van beklaagde, dat een aantal industriële sectoren niet onder de bewapeningsindustrie volgens de Geneefse Conventie valt, waarvan de producten uiteindelijk in de wapenproductie worden gebruikt en het gaat alleen maar over zaken die rechtstreeks met munitie te maken hebben. Maar als u ons dat argument hebt voorgelegd, wat heeft het dan voor zin ons naar dergelijk bewijsmateriaal te verwijzen?
Ik bedoel, ik wil het alleen maar weten want ik begrijp absoluut niet waar u heen wilt.
Dr. FLÄCHSNER: Meneer de President, ik doe dit als voorbereiding op de kwestie waarover ik het nu ga hebben en dat is de kwestie van de Sperrwerke. Door het opzetten van deze Sperrwerke probeerde Speer, als ik zo mag uitdrukken, een definitief einde te maken aan de verplaatsing van arbeiders uit het westen naar Duitsland. Daarom moet ik eerst aantonen dat tot aan die tijd zijn arbeiders, de mankracht voor zijn fabrieken, hoofdzakelijk uit het westen kwamen. Ik wil vaststellen dat ......
De PRESIDENT: Aangenomen dat hij inderdaad wilde voorkomen dat zij vanuit het westen naar Duitsland kwamen, wat maakt het uit?
Dr. FLÄCHSNER: Meneer de President, Speer wordt ervan beschuldigd, actief te hebben deelgenomen aan de deportatie van arbeiders uit het westen; arbeiders die in zijn wapenindustrie werden ingezet. Het tijdstip is hier van belang. Vanaf 1943 voerde hij een ander beleid. Voor die tijd waren de arbeiders die naar Duitsland kwamen, zoals uit het bewijsmateriaal blijkt, voor een groot deel vrijwillige arbeiders.
De PRESIDENT: Natuurlijk, als u kunt bewijzen dat het allemaal vrijwilligers waren zou dat van zeer groot belang zijn maar u voert helemaal geen bewijsmateriaal in die richting aan.
Dr. FLÄCHSNER: Meneer de President, dat is het uiteindelijke doel van mijn bewijsvoering. Ik zou dat graag tot aan het einde willen voort zetten.
De PRESIDENT: Ik zeg alleen maar dat ik niet begrijp wat uw doel is. Gaat u verder, wacht u niet langer.
Dr. FLÄCHSNER: Meneer Speer, de Algemeen Gevolmachtigde für den Arbeitseinsatz bestemde Italië en de bezette landen in het westen als de landen waar buitenlandse arbeiders hoofdzakelijk zouden worden geworven voor de bewapeningsindustrie.
In hoeverre ondersteunde u Sauckel's maatregelen in die landen?
SPEER: Tot aan het voorjaar van 1943 stond ik er volledig achter. Tot aan die tijd hadden die geen duidelijke nadelen voor mij tot gevolg. Vanaf het voorjaar van 1943 echter weigerden arbeiders in steeds grotere aantallen uit het westen naar Duitsland te gaan. Dat kan iets te maken hebben gehad met onze nederlaag bij Stalingrad en met de toegenomen luchtaanvallen op Duitsland. Tot aan het voorjaar van 1943 werd voor zover ik weet met min of meer goede wil aan de eisen voor mankracht voldaan. Echter vanaf het voorjaar van 1943 kwam er regelmatig slechts een deel van de arbeiders die waren opgeroepen zich melden bij de wervingsbureau's.
Daarom richtte ik vanaf ongeveer juni 1943 de zogeheten Sperrwerke (geblokkeerde bedrijven) op via de militaire commandanten in Frankrijk, België en Nederland en Italië volgde al spoedig dat voorbeeld bij het opzetten van die Sperrwerke. Het is van belang op te merken dat elke arbeider die in een van die Sperrwerke werkte automatisch was vrijgesteld van uitzending naar Duitsland en dat het iedere arbeider die voor Duitsland werd aangeworven vrij stond bij een Sperrwerk in zijn eigen land te gaan werken zonder dat de autoriteiten van de Arbeitseinsatz de mogelijkheid hadden hem daar weg te halen.
Dr. FLÄCHSNER: Wat voor gevolgen had dat voor de werving van arbeiders in de bezette landen in het westen?
SPEER: Na de instelling van de Sperrwerke nam de werving van mankracht uit de bezette landen in het westen af tot een fractie van wat het geweest was. Daarvoor kwamen er bijvoorbeeld ongeveer tussen de 80.000 en 100.000 arbeiders per maand uit Frankrijk naar Duitsland. Na de instelling van de Sperrwerke nam dat aantal af tot het onbetekenende aantal van 3.000 tot 4.000 per maand, zoals blijkt uit document RF-22. Het is duidelijk, en we moeten die feiten onder ogen zien, dat de afname van die aantallen ook te wijten was aan de verzetsbewegingen die toen in het westen begonnen toe te nemen.
Dr. FLÄCHSNER: Stonden u en uw departement achter het beleid dat Sauckel destijds voerde?
SPEER: Nee. Destijds rezen de eerste ernstige problemen rond de uitsluiting van deze arbeiders voor de Arbeitseinsatz in Duitsland. Dit werd veroorzaakt door het feit dat het verlies aan productiearbeiders dat ik in de bezette landen leed, groter was dan het aantal arbeiders dat uit de bezette landen in het westen naar Duitsland kwam. Dat kan worden opgemaakt uit document RF-22. Volgens dat document kwamen er in 1943 misschien 400.000 arbeiders vanuit Frankrijk naar Duitsland, in het bijzonder gedurende de eerste helft van dat jaar. Het aantal fabrieksarbeiders in Frankrijk daalde echter met 800.000 en het aantal Franse arbeiders dat in Frankrijk voor Duitsland werkte, nam af met 450.000.
Dr. FLÄCHSNER: Waarom eiste u in de zomer van 1943 de totale Duitse productie van het Reichswirtschaftsministerium over te nemen?
SPEER: Naar mijn mening was er nog steeds een aanzienlijke latente reserve in de Duitse productie omdat de Duitse vredeseconomie nog steeds niet op voldoende grote schaal was omgezet in een oorlogseconomie. Hier lag naar mijn mening, naast de Duitse vrouwelijke arbeiders, de grootste reserve aan Duitse arbeidskrachten.
Dr. FLÄCHSNER: Wat deed u toen de totale productie door het Reichswirtschaftsministerium naar u was overgeheveld?
SPEER: Destijds had ik het volgende plan al uitgewerkt. Een groot deel van de Duitse industrie produceerde consumentengoederen. Dat waren bijvoorbeeld schoenen, kleding, meubels en andere noodzakelijke artikelen voor de strijdkrachten en de behoeften van burgers. In de bezette westelijke landen lagen de fabrieken die deze zaken produceerden echter stil omdat de grondstoffen ontbraken. Maar die hadden niettemin een groot potentieel. Bij de uitvoering van dit plan ontnam ik de Duitse industrie de grondstoffen die in Duitsland werden geproduceerd, zoals synthetische wol en stuurde die naar het westen. Daarmee kon ik op de lange duur een miljoen arbeiders meer in eigen land aan het werk hebben en zo kreeg ik 1 miljoen Duitse arbeiders vrij voor de wapenindustrie.
Dr. FLÄCHSNER: Wilde u tegelijkertijd niet de wapenproductie verhogen of die in Frankrijk ook op gang helpen?
SPEER: Nee. Al deze plannen mislukten. Voor het uitbreken van de oorlog slaagde de Franse regering er niet in de wapenproductie in Frankrijk op te zetten en ik slaagde daar ook niet in, of liever mijn departement slaagde daar ook niet in.
Dr. FLÄCHSNER: Wat waren uw bedoelingen met dit nieuwe plan? Welk voordeel dacht u te behalen?
SPEER: Ik zal daar heel in het kort commentaar op geven. Door dit plan kon ik hele fabrieken in Duitsland vrij maken voor wapenproductie en op die manier maakte ik niet alleen arbeiders vrij maar ook fabrieksruimte en administratief personeel. Ik bespaarde ook op electriciteit en transport. Afgezien daarvan, omdat deze fabrieken nooit van belang waren geweest voor de oorlogsinspanning hadden die nauwelijks buitenlandse arbeiders ontvangen en dus verkreeg ik bijna uitsluitend Duitse arbeiders voor de Duitse productie, arbeiders die natuurlijk veel waardevoller waren dan enige buitenlandse arbeider.
Dr. FLÄCHSNER: Hield een dergelijk plan geen gevaren en nadelen in voor de ontwikkeling van de Duitse industrie?
SPEER: De nadelen waren aanzienlijk omdat het sluiten van fabrieken ook betekende het weghalen van machines en op het einde van de oorlog zou een omschakeling naar vredesproductie tenminste 6 tot 8 maanden vergen. Ik zei destijds, op een bijeenkomst van Gauleiter in Posen, dat wanneer we succes zouden willen hebben in deze oorlog, wij degenen zouden moeten die de grootste offers zouden moeten brengen.
Dr. FLÄCHSNER: Hoe werd dit plan in werking gesteld?
De PRESIDENT: Dr. Flächsner, wat gaat het Tribunaal de bijzonderheden van deze plannen aan? Interesseert het ons of zijn plannen efficiënt waren of niet? De enige vraag die dit Tribunaal moet beantwoorden is of die plannen wettig waren en in overeenstemming met de geest van internationale wetgeving. Het maakt ons niet uit of zijn plannen goede of slechte plannen waren, of wat de bijzonderheden waren behalve voor zover die legaal of illegaal waren.
Dr. FLÄCHSNER: Jawel, Meneer de President.
De PRESIDENT: Het is pure tijdsverspilling om op details van deze plannen in te gaan.
Dr. FLÄCHSNER: Ik wilde aantonen dat het de bedoeling van beklaagde was bij zijn beleid van toewijzing dat hij buitenlanders in hun eigen land tewerk wilde stellen en de Duitse reserves alleen voor zijn eigen doelen te gebruiken, namelijk voor de wapenproductue zelf. Dus, alles dat ......
De PRESIDENT: Maar, Dr. Flächsner, dat is een kwestie van doelmatigheid, niet van wettigheid. Wat hij zegt is dat hij over een groot aantal Duitse arbeiders beschikte, goede arbeiders die consumentengoederen produceerden in plaats van wapens. Hij vond het beter die Sperrwerke op te zetten zodat de arbeiders in Frankrijk of in de andere westelijke landen konden blijven.
Wat hebben wij daarmee te maken? Als zij werden gedwongen daar te werken is het net zo illegaal als wanneer zij naar Duitsland zouden zijn vervoerd en gedwongen daar te werken. Tenminste, dat wordt door de Aanklager gesuggreeerd.
Dr. FLÄCHSNER: Ja, maar ik meen en geloof ........
De PRESIDENT: Ik schors de zitting nu.

Definitielijst

Arbeitseinsatz
Gedwongen tewerkstelling in Duitsland. Circa 11 miljoen Europese burgers werden in dit kader opgeroepen om dwangarbeid te verrichten in het Derde Rijk. Niet te verwarren met de Arbeidsdienst, een organisatie opgericht als nationaal-socialistisch vormingsinstituut voor Nederlandse jongeren.
Gauleiter
Leider en vertegenwoordiger van de NSDAP in een Gau.
Luftwaffe
Duitse luchtmacht.
mobilisatie
Een leger in staat van oorlog brengen, dus eigenlijk de overgang van vredestoestand naar oorlogstoestand. Het Nederlandse leger werd gemobiliseerd op 29 augustus 1939.
onderduiken
Het verstoppen voor de vijand.
Vierjarenplan
Duits economisch plan dat gericht was op alle sectoren van de economie waarbij de vastgestelde productiedoelen in 4 jaar gehaald moeten worden.

Pagina navigatie

Informatie

Vertaald door:
Arnold Palthe
Geplaatst op:
08-09-2008
Laatst gewijzigd:
18-04-2010
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

Categorieën


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2017
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.