Vonnis Hjalmar Schacht

Vonnis 11 Hjalmar Schacht

Schacht wordt aangeklaagd op de punten een en twee van de aanklacht (uitleg).
Schacht fungeerde van 1923 tot 1930 als Wšhrungskommissar en President van de Reichsbank; werd op 17 maart 1933 herbenoemd tot President van de Reichsbank; werd Minister van Economische Zaken in 1934 en Algemeen Gevolmachtigde voor Oorlogseconomie in 1935. Hij legde deze twee functies in 1937 neer en werd benoemd tot Mninister zonder Portefeuille. Hij werd op 16 maart 1937 voor een jaar herbenoemd tot President van de Reichsbank en op 9 maart 1938 voor de duur van vier jaar, maar werd op 20 januari 1939 ontslagen. Hij werd op 22 januari 1943 ontslagen als Minister zonder Portefeuille.

Misdaden tegen de Vrede

Schacht steunde de nazipartij actief voordat deze op 30 januari 1933 aan de macht kwam en hij steunde de benoeming van Hitler tot Reichskanzler. Na die datum speelde hij een belangrijke rol in het grote herbewapeningsprogramma dat was aangenomen en hij zette de mogelijkheden van de Reichsbank maximaal in bij deze inspanning. In haar traditonele hoedanigheid van financieel agent voor de Duitse regering verstrekte de Reichsbank langlopende leningen waarvan de opbrengsten voor de herbewapening werden gebruikt. Hij ontwierp een systeem waarbij promessen met een looptijd van vijf jaar, bekend als mefo-notaís, gegarandeerd door de Reichsbank en in werkelijkheid door niets anders gedekt dan door haar positie als bank van uitgifte, werden verstrekt om grote sommen geld voor de herbewapening uit de kortlopende geldmarkt te verkrijgen. Als Minister van Economische Zaken en als Algemeen Gevolmachtigde voor Oorlogseconomie was hij actief bij de voorbereiding van de Duitse economie op oorlog. Hij ontwierp gedetailleerde plannen voor de mobilisatie van de industrie en de samenwerking tussen het leger en de industrie in geval van oorlog. Hij was in het bijzonder bezorgd over tekorten aan grondstoffen en begon een beleid voor het aanleggen van voorraden en een systeem voor de controle van de handel, ontworpen om te vookomen dat de zwakke positie van Duitsland's buitenlandse handel het verkrijgen van grondstoffen uit het buitenland, nodig voor de herbewapening, zou hinderen. Op 3 mei 1935 stuurde hij een memorandum aan Hitler waarin hij zei ď... dat het voltooien van het programma van herbewapening met de benodigde snelheid en in de benodigde hoeveelheid het probleem van het Duitse beleid is en dat al het andere aan dit doel ondergeschikt moet worden gemaakt."

Tegen april 1936 begon Schacht zijn invloed als centrale figuur in de Duitse herbewapening te verliezen toen GŲring werd benoemd tot coŲrdinator voor grondstoffen en buitenlandse handel. GŲring was voorstander van een sterk uitgebreid programma voor de productie van synthetische grondstoffen, iets waar Schacht tegen was omdat de financiŽle druk die daar het gevolg van was tot inflatie zou kunnen leiden. De invloed van Schacht brokkelde verder af toen GŲring op 16 oktober 1936 werd benoemd tot Algemeen Gevolmachtigde voor het Vierjarenplan met als taak: de gehele economie binnen vier jaar op oorlogssterkte te brengen. Schacht had geprotesteerd tegen de aankondiging van dit plan en de benoeming van GŲring om het Vierjarenplan te leiden en het is duidelijk dat Hitlerís actie inhield dat het economische beleid van Schacht te conservatief was voor het beleid van drastische herbewapening dat Hitler wilde invoeren.

Na de benoeming van GŲring raakten Schacht en GŲring direct verwikkeld in een aantal meningsverschillen. Hoewel er een element van persoonlijke controverse door die meningsverschillen liep, was Schacht het met GŲring oneens over bepaalde fundamentele beleidskwesties. Om financiŽle redenen was Schacht voorstander van een bezuiniging in het herbewapeningsprogramma, bestreed hij als zijnde oneconomisch veel van de voorgestelde uitbreiding van productiefaciliteiten, in het bijzonder voor synthetische materialen, drong hij aan op een drastische beperking van leningen door de regering en een voorzichtig beleid bij het beheer van Duitsland's reserves aan buitenlandse valuta. Als gevolg van dit meningsverschil en van een felle onenigheid waarin Hitler Schacht beschuldigde van het ondergraven van zijn plannen door zijn financiŽle methoden, ging Schacht op 5 september 1937 met verlof en trad hij op 16 november 1937 af als Minister van Economische Zaken en als Algemeen Gevolmachtigde voor de Oorlogseconomie.

Als President van de Reichsbank bleef Schacht betrokken bij meningsverschillen. Gedurende geheel 1938 bleef de Reichsbank fungeren als financieel agent voor de Duitse regering bij het verstrekken van langlopende kredieten om de herbewapening te financieren. Maar op 31 maart 1938 beŽindigde Schacht de praktijk van het verstrekken van kortlopende leningen voor bewapeningsuitgaven. Eind 1938, in een poging de controle over het fiscale beleid door de Reichsbank te herwinnen weigerde Schacht een dringend verzoek van de Minister van FinanciŽn voor een speciaal krediet, dat niet gedekt was door bestaande fondsen, om de salarissen van ambtenaren te betalen. Op 2 januari 1939 had Schacht een bespreking met Hitler waarbij hij erop aandrong de uitgaven voor bewapening te verlagen. Op 7 januari 1939 overlegde Schacht een rapport, getekend door de directeuren van de Reichsbank, aan Hitler waarin werd aangedrongen op een drastische verlaging van de uitgaven voor bewapening en een evenwichtige begroting als de enige methode om inflatie te voorkomen. Op 19 januari ontsloeg Hitler Schacht als President van de Reichsbank. Op 22 januari ontsloeg Hitler Schacht als Minister zonder Portefeuille vanwege zijn ďhele houding gedurende het huidige noodlottige gevecht van de Duitse natieĒ. Op 23 juli 1944 werd Schacht door de Gestapo gearresteerd en tot het einde van de oorlog vastgehouden in een concentratiekamp.

Het is duidelijk dat Schacht een centrale figuur was in het herbewapeningsprogramma van Duitsland en de stappen die hij ondernam Ė zeker in de eerste dagen van het naziregime Ė droegen bij aan Duitsland's snelle groei als militaire grootmacht. Maar herbewapening op zichzelf is niet misdadig volgens het Handvest. Om een Misdaad tegen de Vrede te zijn volgens Artikel 6 van het Handvest moet worden aangetoond dat Schacht deze herbewapening uitvoerde als onderdeel van de plannen van de naziís tot het voeren van agressieve oorlogen.

Schacht heeft toegegeven dat hij alleen maar deelnam aan het programma van herbewapening omdat hij een sterk en onafhankelijk Duitsland wilde opbouwen dat een buitenlands beleid zou voeren dat op basis van gelijkheid respect zou afdwingen bij de andere Europese landen; dat hij, toen hij ontdekte dat de naziís zich om agressieve redenen aan het herbewapenen waren, probeerde het tempo van de herbewapening te vertragen en dat hij na het ontslag van Von Fritsch en Von Blomberg deelnam aan plannen om Hitler kwijt te raken, eerst door hem tot aftreden te dwingen, later door moord.

Schacht begon al in 1936 een beperking te bepleiten van het herbewapeningsprogramma om financiŽle redenen. Als het door hem voorgestane beleid zou zijn uitgevoerd dan zou Duitsland niet klaar geweest zijn voor een algemene Europese oorlog. Vasthoudendheid aan zijn beleid leidde tot zijn uiteindelijke ontslag uit alle economisch belangrijke functies in Duitsland. Aan de andere kant bevond Schacht zich, met zijn grondige kennis van de Duitse financiŽn, in een uitzonderlijk goede positie om het werkelijke belang in te zien van Hitlerís vertwijfelde herbewapening en zich te realiseren dat het aangenomen economische beleid alleen maar consequent gevoerd kon worden met als doel een oorlog.

Bovendien bleef Schacht deelnemen aan het economische leven van Duitsland en zelfs in mindere mate aan sommige vroege agressieve acties van de naziís. Voorafgaand aan de bezetting van Oostenrijk stelde hij een wisselkoers vast tussen de Reichsmark en de Schilling. Na de bezetting van Oostenrijk regelde hij de samensmelting van de Oostenrijkse Nationale Bank met de Reichsbank en hield een felle pro-nazi toespraak waarin hij stelde dat de Reichsbank altijd een nazibank zou blijven zolang hij eraan verbonden bleef; hij prees Hitler; hij verdedigde de bezetting van Oostenrijk; hij veegde bezwaren tegen hoe die was uitgevoerd van tafel en eindigde met ďtot onze FŁhrer, een driewerf Sieg Heil!Ē Hij heeft niet beweerd dat deze rede geen uitdrukking was van zijn opvattingen destijds. Na de bezetting van het Sudetenland regelde hij de omwisseling van valuta en de inlijving bij de Reichsbank van plaatselijke Tsjechische banken van uitgifte. Op 29 november 1938 hield hij een rede waarin hij met trots wees op zijn economische beleid dat geleid had tot de hoge graad van Duitslands bewapening en voegde eraan toe dat deze bewapening het buitenlands beleid van Duitsland mogelijk had gemaakt.

Schacht was niet betrokken bij de voorbereidingen van een van de specifieke oorlogen van agressie zoals genoemd in Punt Twee. Zijn deelname aan de bezetting van Oostenrijk en het Sudetenland (die geen van beide worden aangemerkt als een oorlog van agressie) was op een dusdanig beperkte schaal dat het niet neerkomt op deelname aan het gezamenlijke plan, genoemd in Punt Een. Hij behoorde duidelijk niet tot de kleine kring rond Hitler die zeer nauw bij dit gezamenlijke plan betrokken was. Hij werd door deze groep met onverholen vijandigheid bejegend. De getuigenis van Speer toont aan dat Schachtís arrestatie op 23 juli 1944 evenzeer gebaseerd was op Hitlerís vijandigheid ten opzichte van Schachtís houding van voor de oorlog als op verdenking van medeplichtigheid aan de bomaanslag. Het proces tegen Schacht is daardoor afhankelijk van de gevolgtrekking dat Schacht in feite afwist van de agressieve plannen van de naziís.

In deze uiterst belangrijke kwestie is door de aanklager bewijsmateriaal ingediend en een aanzienlijke hoeveelheid bewijsmateriaal door de verdediging.
Het Tribunaal heeft al dit bewijsmateriaal met grote zorgvuldigheid overwogen en komt tot de conclusie dat deze noodzakelijk gevolgtrekking niet boven redelijke twijfel is vastgesteld.

Conclusie

Het Tribunaal acht Schacht niet schuldig aan de aanklacht en bepaalt dat hij door de bode in vrijheid wordt gesteld zogauw de zitting is geschorst.

Uitleg van de vier aanklachten:

  1. Samenzwering tot het voeren van een agressieve oorlog ofwel misdaden tegen de vrede
  2. het voeren van een agressieve oorlog
  3. oorlogsmisdaden
  4. misdaden tegen de menselijkheid

Definitielijst

FŁhrer
Duits woord voor leider. Hitler was gedurende zijn machtsperiode de fŁhrer van nazi-Duitsland.
inflatie
Een langdurig economisch proces van algemene prijsstijging en geldontwaarding (koopkrachtdaling van het geld).
mobilisatie
Een leger in staat van oorlog brengen, dus eigenlijk de overgang van vredestoestand naar oorlogstoestand. Het Nederlandse leger werd gemobiliseerd op 29 augustus 1939.
nazi
Afkorting voor een nationaal socialist.
oorlogsmisdaden
Misdaden die in oorlogstijd worden begaan. Vaak betreft het hier misdaden van militairen ten opzichte van burgers.
Vierjarenplan
Duits economisch plan dat gericht was op alle sectoren van de economie waarbij de vastgestelde productiedoelen in 4 jaar gehaald moeten worden.

Bronnen

International Military Tribunal, Nuremberg 1947.

Informatie

Vertaald door:
Arnold Palthe
Geplaatst op:
17-03-2009
Laatst gewijzigd:
19-04-2010
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

CategorieŽn


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2017
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.