Verhoor Hjalmar Schacht 2

Ochtendzitting 1 01-05-1946

Inhoudsopgave

De PRESIDENT: Voordat we verder gaan met de zaak tegen beklaagde Schacht wenst het Tribunaal de beslissing mee te delen over de aanvragen van Dr. Sauter namens beklaagde Von Schirach.
De eerste aanvraag waartegen bezwaar werd gemaakt betrof de groep documenten met de nummers 30, 31, 45, 68, 73, 101, 124, en 133. De aanvraag betreffende die groep documenten is geweigerd.
De volgende kwestie was een aanvraag betreffende nummer 118(a). Die aanvraag is goedgekeurd en het document moet worden vertaald.
Het volgende was nummer 121 en in dat geval is de aanvraag afgewezen. Wat getuigen betreft, heeft Dr. Sauter zijn verzoek, getuige Marsalek op te roepen, ingetrokken.
In verband met de andere aanvragen willigt het Tribunaal het verzoek in om Ulberreither als getuige op te roepen.
Dat is alles.
Dr. DIX: Gisteren heb ik zeer tot mijn spijt nagelaten, na een antwoord van Dr. Schacht op mijn vraag of hij teleurgesteld was in Hitler of dat hij zich door hem misleid voelde, een passage voor te lezen uit een document dat over hetzelfde onderwerp handelt. Ik verwijs naar een document dat bij het Tribunaal is ingediend en waaruit herhaalde malen is geciteerd, bewijsstuk Schacht-34, pagina 114 van de Engelse tekst van het documentenboek. De passage kan woren gevonden op pagina 114 van het Engelse documentenboek en luidt als volgt:
“Dr. Schacht had zelfs in de jaren 1935-1936, zoals uit diverse documenten is gebleken, de rol aangenomen van een man die in goed vertrouwen zijn krachten en vaardigheden aan Hitler ter beschikking had gesteld maar die zich nu bedrogen voelde.
“Van de vele uitspraken die Schacht heeft gedaan,citeer ik er slechts een die Schacht deed bij gelegenheid van een souper met mijn vrouw en mijzelf in de zomer van 1938. Toen de heer Schacht verscheen was het duidelijk dat hij zich in een staat van innerlijke opwinding bevond en tijdens het souper gaf hij plotseling uitdrukking aan zijn gevoelens toen hij in grote opwinding mijn vrouw bijna toeschreeuwde: “Beste mevrouw, we zijn in handen van misdadigers gevallen – hoe heb ik dat ooit kunnen verwachten?”
Dat is de beëdigde verklaring afgelegd door Schniewind.
Gisteren heb ik drie documenten genoemd: namelijk een rede van Schacht over Geografie en Statistiek, gehouden in Frankfurt-am-Main op 9 december 1936, daarna een artikel dat Schacht had geschreven over het koloniale probleem en een rede, gehouden door Schacht in Königsberg.
Ik wens deze documenten in te dienen: De rede over Geografie en Statistiek in Frankfurt is document Schacht-19, pagina 48, Engelse tekst pagina 54. Het artikel over de koloniale kwestie is document Schacht-21, Duitse versie pagina 53 en Engelse versie pagina 59. De rede in Königsberg is document Schacht-25 in mijn documentenboek, in de Duitse versie op pagina 44 en in de Engelse op pagina 73.
Dr. Schacht, we zijn gebleven bij medio 1934, kort voordat u aantrad op het Ministerie van Economische Zaken en toen u Minister van Economische Zaken werd; u was op de hoogte van de gebeurtenissen van 30 juni 1934 en de rechtvaardiging daarvan door het Kabinett. Had u geen twijfels om zitting te nemen in het Kabinett of welke redenen deden u die twijfels opzij zetten?
SCHACHT: Voor zover het mijn persoonlijke gemoedsgesteldheid en houding zou hebben betroffen zou het heel eenvoudig zijn geweest geen functie te aanvaarden en af te treden. Natuurlijk vroeg ik mijzelf af wat dat zou betekenen voor de toekomstige ontwikkeling van het Duitse beleid als ik die functie weigerde. We waren al op een punt waar iedere openlijke tegenstand en kritiek op het regime van Hitler onmogelijk was gemaakt. Er konden geen vergaderingen worden gehouden, verenigingen konden niet worden opgericht, ieder krantenartikel was onderworpen aan censuur en alle politieke oppositie, zonder welke geen regering kan functioneren was door Hitler met zijn bewind van terreur onmogelijk gemaakt. Er was maar een manier mogelijk om kritiek uit te oefenen en zelfs een oppositie te vormen die kon voorkomen dat de regering slechte en verkeerde maatregelen zou nemen. En deze oppositie kon alleen maar ontstaan binnen de regering zelf. Aldus overtuigd nam ik zitting in de regering en hoopte in de loop der jaren een zekere steun te vinden bij het Duitse volk. Er was nog steeds een grote massa van geestelijke leiders, professoren, wetenschappers en onderwijzers waarvan ik niet verwachtte dat zij zich eenvoudig zouden neerleggen bij een regime van dwang. Er waren ook veel industriëlen, economische leiders waarvan ik niet aannam dat zij zich zouden neerleggen bij een beleid van dwang dat niet strookte met een vrije economie. Ik verwachtte een zekere mate van steun uit al die kringen, steun die mij in staat gesteld zou hebben een matigende, controlerende invloed op de regering te hebben. Daarom nam ik zitting in Hitler’s kabinet, niet van harte maar omdat het nodig was te blijven werken voor het Duitse volk en een remmende invloed binnen de regering uit te oefenen.
Dr. DIX: Ontstond er nooit oppositie binnen de partij in de loop der tijd?
SCHACHT: Om die vraag te beantwoorden zou ik willen zeggen dat natuurlijk binnen de partij de fatsoenlijke elementen ver in de meerderheid waren; het grootste deel van de bevolking was lid geworden vanwege een gezond instinct en met goede bedoelingen, gedreven door de nood waarin de Duitse natie zich bevond.
Ik zou bijvoorbeeld over de SS willen zeggen dat zich in het begin een aantal fatsoenlijke mensen bij de SS aansloot omdat Himmler de SS had doen voorkomen als te vechten voor een leven van idealen. Ik zou uw aandacht willen vestigen op een boek, geschreven door een SS man dat destijds verscheen onder de veelzeggende titel ‘Schafft anständige Kerle.’
Maar in de loop der tijd wist Hitler hoe hij alle slechte elementen om zich heen moest verzamelen, binnen de partij en haar organisaties en al die elementen nauw aan zich te binden omdat hij wist hoe hij elke fout, elke vergissing, elk wangedrag van hun kant scherpzinnig kon uitbuiten. Gisteren had ik het over dronkenschap als een wezenlijk onderdeel van de Nazi ideologie; ik deed dat niet om iemand persoonlijk af te vallen. Ik deed het om eem heel andere reden.
In de loop van de verdere ontwikkelingen merkte ik dat zelfs partijleden die in dit net van Hitler verstrikt waren geraakt en min of meer leidende posities bekleedden geleidelijk aan bang werden voor de gevolgen van de onrechtmatigheden en de duivelse daden waartoe zij door het regime werden aangezet; ik had duidelijk het gevoel dat deze mensen terugvielen op alcohol en diverse verdovende middelen teneinde te vluchten voor hun eigen geweten en het was alleen maar die vlucht voor hun eigen geweten die hen in staat stelde te handelen zoals zij handelden. Anders zou er geen verklaring zijn voor het grote aantal zelfmoorden dat werd gepleegd aan het einde van het Nazi regime.
Dr. DIX: U weet dat u ervan wordt beschuldigd deelgenoot te zijn geweest aan een samenzwering die tot doel had de illegale schending van de vrede. Hebt u ooit geheime besprekingen gevoerd, geheime bevelen of richtlijnen uitgegeven die tot dat doel leidden?
SCHACHT: Ik kan zeggen dat ik nooit enig bevel heb ontvangen of enige wens heb vervuld die kan hebben ingedruist tegen de opvatting van het recht. Hitler heeft ook nooit iets van mij gevraagd waarvan hij wist dat ik het zeker niet zou doen omdat het niet strookte met mijn morele opvattingen. Maar ik heb ook nooit gemerkt dat een van mijn collega ministers of een van de andere leidende personen die niet tot Hitler’s nauwe kring behoorde – ik had natuurlijk geen controle over die kring – of wie dan ook die ik bij officiële contacten ontmoette op enige manier liet blijken dat het de bedoeling was een oorlogsmisdaad te plegen; in tegendeel, we waren altijd verheugd als Hitler weer eens een van zijn grote toespraken hield waarin hij niet alleen de hele wereld, maar bovenal het Duitse volk verzekerde dat hij aan niets anders dacht dan aan vrede en vredesarbeid. Het feit dat Hitler de wereld, het Duitse volk en veel van zijn medewerkers bedroog is een van de dingen die ik gisteren heb genoemd.
Dr. DIX: Hebt u ooit – en ik bedoel buiten uw normale ambtseed – enige eed gezworen of uzelf op een of andere manier aan de Partei of een andere Nationaalsocialistische organisatie gebonden?
SCHACHT: Geen enkele eed en geen enkele verplichting afgezien van mijn ambtseed aan het Staatshoofd.
Dr. DIX: Had u nauwe persoonlijke banden met leidende Nationaalsocialisten, bij voorbeeld met Hitler of met Göring?
SCHACHT: Ik neem aan dat u nauwe vriendschappelijke of sociale contacten bedoeld?
Dr. DIX: Ja.
SCHACHT: Ik heb nooit dergelijke banden met Hitler gehad. Hij verzocht mij in de eerste jaren herhaaldelijk dringend naar de lunches in de Reichskanzlei te komen waar hij met zijn nauwere vrienden lunchte. Ik heb dat twee keer geprobeerd. Ik ben er met diverse tussenpozen twee keer geweest en ik moet zeggen dat niet alleen het peil van de conversatie tijdens de lunch en de verachtelijke nederigheid die aan Hitler werd betoond mij tegenstonden maar ik mocht de hele menigte ook niet en ik ben nooit teruggegaan.
Ik heb Hitler nooit opgezocht voor persoonlijke kwesties. Natuurlijk was ik aanwezig bij de grote publieke evenementen waar al de ministers, het Corps Diplomatique en hoge ambtenaren enzo bij aanwezig waren, maar ik heb nooit enig intiem, sociaal of ander nauw contact met hem gehad. Dat geldt ook voor de andere heren.
Het spreekt vanzelf dat we in de eerste maanden van onze kennismaking elkaar bij gelegenheid bezochten maar alle zogenaamde sociale bijeenkomsten die in de eerste periode nog plaats vonden hadden een min of meer officieel karakter. Nauwe persoonlijke banden bestonden eenvoudig niet.
Dr. DIX: En geldt dit antwoord net zo goed voor alle andere leidende Nationaalsocialistien?
SCHACHT: Voor allemaal.
Dr. DIX: Wanneer sprak u voor het laatst met de volgende personen? Laten we beginnen bij Bormann.
SCHACHT: Uit uw woord beginnen maak ik op dat u ook anderen gaat noemen.
Dr. DIX: Ja, Himmler, Hess, Ley en Von Ribbentrop.
SCHACHT: In dat geval zou ik een paar inleidende opmerkingen willen maken. Aan het einde van de campagne tegen Frankrijk, toen Hitler triomfantelijk en als overwinnaar uit Parijs terugkwam kregen wij allemaal – ministers, de Reichsleiter, en de andere hoogwaardigheidsbekleders van de Partei naar ik aanneem en staatssecretarissen enzovoorts – een uitnodiging van de Reichskanzlei om aanwezig te zijn op de Anhalter Bahnhof om Hitler bij zijn aankomst te begroeten. Omdat ik op dat moment in Berlijn was kon ik die uitnodiging onmogelijk weigeren. Dit was in 1940 en het conflict tussen mij en Hitler speelde al een tijdje en het zou een ware belediging zijn geweest als ik thuis was gebleven. Dus ging ik naar het station en ontmoette een groot aantal partijbonzen, ministers enzovoorts maar natuurlijk herinner ik me niet meer wie al die mensen waren.
Dr. DIX: Neem me niet kwalijk dat ik u onderbreek maar ik heb een slecht geheugen voor films en in het bijzonder voor nieuwsflitsen maar ik meen dat die ontvangst in het journaal werd getoond en ik meen dat u zo ongeveer de enige burger onder al die mensen was.
SCHACHT: Zelf heb ik die film niet gezien maar mijn vrienden hebben mij erover verteld. Ze noemden in het bijzonder dat ik tussen al dat goud de enige in burgerkleding was. Natuurlijk kan op die film worden vastgesteld wie daar toen allemaal waren.
Ik noem die ontvangst omdat het kan zijn dat ik tegen veel mensen “goede morgen” heb gezegd en naar hun gezondheid geïnformeerd enzo en ik herinner me ook dat ik bij het station aankwam met medebeklaagde Rosenberg in dezelfde auto, omdat er altijd twee personen in een auto zaten. Ik heb de receptie in de Reichskanzlei die daarop volgde niet bijgewoond. Rosenberg ging wel maar ik zei; “Ik ga liever niet. Ik ga naar huis,”
Dr. DIX: Dan mag ik aannemen dat u waarschijnlijk de leidende figuren, Hess, Ley, Von Ribbentrop, Rosenberg, Frick, Frank, Von Schirach, Speer, Sauckel, Seyss-Inquart, Kaltenbrunner, et cetera, voor de laatste keer ontmoette?
SCHACHT: Het is best mogelijk dat al die heren daar waren, maar ik heb met geen van hen uitvoerig gesproken behalve met Hitler zelf.
Dr. DIX: Sprak u toen met Hitler?
SCHACHT: Hitler sprak mij aan en dat was een van de vreemdste scenes in mijn leven. We stonden allemaal in de rij en Hitler ging vrij snel van de een naar de ander. Toen hij mij zag kwam hij met een triomfantelijke glimlach naar mij toe en stak op vriendelijke manier zijn hand uit, iets dat ik in lange tijd niet van hem had meegemaakt en hij zei tegen mij: “Nu meneer Schacht, wat hebt u nu te zeggen.”
Daarna verwachtte hij natuurlijk dat ik hem zou feliciteren of mijn bewondering uitdrukken of iets dergelijks of zou toegeven dat mijn voorspelling omtrent de oorlog en over de ramp van die oorlog verkeerd was, want hij kende mijn opvatting over de oorlog heel goed. Het was erg moeilijk voor me een dergelijk antwoord te voorkomen en ik pijnigde mijn hersens om iets te zeggen, uiteindelijk zei ik: “Ik kan alleen maar tegen u zeggen, moge God u behoeden.” Dat was het enige belangrijke gesprek dat ik die dag had. Ik meende dat het de beste manier was om afstand te bewaren met zo’n geheel neutrale en nietszeggende opmerking.
Dr. DIX: Nou .....
SCHACHT: Maar misschien wilt u dat ik naar de heren afzonderlijk verwijs en ik kan u, met deze uitzondering vertellen wanneer ik voor het laatst met deze heren heb gesproken.
Dr. DIX: Himmler?
SCHACHT: Himmler, ik meen dat ik hem misschien het laatst in 1936 sprak.
Dr. DIX: Hess?
SCHACHT: Hess, natuurlijk – ik bedoel niet de gesprekken hier in de gevangenis. Ik had al jaren voor de oorlog niet meer met Hess gesproken.
Dr. DIX: Ley?
SCHACHT: Ley heb ik sinds het begin van de oorlog niet meer gezien.
Dr. DIX: Von Ribbentrop?
SCHACHT: Ik heb de heer Von Ribbentrop voor het laatst ontmoet toen ik uit de Reichsbank werd gegooid omdat ik hem moest spreken over de aanstaande reis naar India en dat moet denk ik zijn geweest in februari 1939. Sindsdien heb ik hem niet meer gesproken.
Dr. DIX: Rosenberg?
SCHACHT: Rosenberg, afgezien van die receptie van Hitler, misschien niet meer sinds 1936.
Dr. DIX: Frick?
SCHACHT: Ik zag Frick misschien voor het laatst in 1938.
Dr. DIX: Von Schirach?
SCHACHT: Ik kende Von Schirach niet eens.
Dr. DIX: Speer?
SCHACHT: Ik ontmoette Speer voor het laatst – en dat kan ik u precies vertellen – toen ik in 1937 naar de Wereldtentoonstelling in Parijs ging.
Dr. DIX: U bedoelt natuurlijk altijd de tijd voordat u gevangen werd genomen?
SCHACHT: Ja natuurlijk, ik heb hier natuurlijk .....
Dr. DIX: Sauckel?
SCHACHT: Niet sinds het begin van de oorlog.
Dr. DIX: Seyss-Inquart?
SCHACHT: Seyss-Inquart, ik denk dat ik hem voor het laatst sprak in 1936 toen ik een collega opzocht bij de Nationale Bank van Oostenrijk.
Dr. DIX: Kaltenbrunner?
SCHACHT: Ik ontmoette Kaltenbrunner hier in de gevangenis voor het eerst.
Dr. DIX: We zullen ons later bezig houden met Hitler. Frank is nog niet gevonden.
SCHACHT: Ik zag Frank voor het laatst misschien in 1937 of 1938.
Dr. DIX: Zeer waarschijnlijk ter gelegenheid van de rede die u gisteren noemde.
SCHACHT: Ja, waarschijnlijk ook daarna op een officiële receptie maar ik denk niet dat ik hem na 1938 nog ontmoet heb.
Dr. DIX: Nu, hoe staat het met de vooraanstaande heren van de Wehrmacht, Keitel bijvoorbeeld.
SCHACHT: Ik heb nooit enig contact gehad met Keitel. Ik ontmoette hem misschien op een of andere sociale bijeenkomst, maar niet na 1938.
Dr. DIX: Jodl?
SCHACHT: Ik maakte hier in de gevangenis pas kennis met de heer Jodl.
Dr. DIX: Donitz?
SCHACHT: Ik ontmoette Dönitz voor het eerst hier in de gevangenis.
Dr. DIX: Raeder?
SCHACHT: De heer Raeder,ik meen dat ik hem lange tijd heb gekend. In het begin wisselden we zo af en toe bezoeken uit binnen de familie, bezoeken met een semi officieel karakter maar altijd op vriendschappelijke basis; ik geloof echter dat ik hem ook niet meer gezien of gesproken heb sinds 1938.
Dr. DIX: Von Brauchitsch?
SCHACHT: Ik heb sinds 1939 of 1938 niet meer met Von Brauchitsch gesproken, sinds de affaire Fritsch.
Dr. DIX: Hoe staat het met Halder?
SCHACHT: Zoals u weet zag ik Halder in verband met de Putsch in de herfst van 1938 maar daarna niet meer.
Dr. DIX: Hoe vaak ontmoette u Hitler na uw ontslag als president van de Reichsbank?
SCHACHT: Na mijn ontslag als president van de Reichsbank?
Dr. DIX: Sinds januari 1939
SCHACHT: Ik ontmoette hem nog een keer in januari 1939 omdat ik mijn toekomstige activiteiten en zo met hem moest bespreken. En bij die gelegenheid vroeg hij mij – hij wist dat ik al heel lang een lange reis wilde maken – dat ik wellicht van die gelegenheid gebruik zou kunnen maken om die reis nu te maken, zodat er niet zoveel gepraat zou worden over mijn vertrek bij de Reichsbank. Toen werden we het eens over de reis naar India. Bij die gelegenhied zag ik ook Göring voor de laatste keer. En toen – na mijn terugkeer in augustus – ontmoette ik hem niet weer; toen kwam de oorlog en in de loop daarvan ontmoette ik hem twee keer.
Zal ik u vertellen over die twee gelegenheden?
Dr. DIX: Ja.
SCHACHT: Ik ontmoette hem een keer in februari 1940. Destijds hadden diverse Amerikaanse kranten en tijdschriften mij gevraagd om artikelen te schrijven over Duitsland’s uitleg van de situatie, haar wensen en haar positie in het algemeen. Ik was wel geneigd dit te doen maar we waren in oorlog en ik kon dat natuurlijk niet doen zonder eerst de Minister van Buitenlandse Zaken in te lichten. De Minister zei mij dat hij er op niets op tegen had als ik artikelen schreef voor een Amerikaans tijdschrift maar voordat ik een artikel kon versturen wilde hij dat eerst laten censureren. Dat sprak mij natuurlijk niet aan – ik had daar zelfs nog niet eens aan gedacht – en dus schreef ik dat artikel niet. Er kwamen echter meerdere verzoeken uit Amerika en ik zei tegen mezelf: “Het is voor mij niet voldoende om met de Minister van Buitenlandse Zaken te spreken, voor deze kwestie moet ik naar Hitler.” Met dat doel belde ik Hitler op die mij vrij spoedig na mijn verzoek ontving en ik vertelde hem toen onder andere wat mijn ervaringen met de heer Von Ribbentrop waren geweest en ik zei hem verder dat ik dacht dat het zeer nuttig zou zijn om die arikelen te schrijven en dat het mij belangrijk leek om voortdurend iemand in Amerika te hebben die via de pers en dergelijke de publieke opinie kon voorlichten over Duitsland en haar belangen.
Hitler was gunstig gestemd door deze suggestie van mij en zei tegen mij: “Ik zal deze kwestie met de Minister van Buitenlandse Zaken bespreken.” En dus liep deze hele kwestie op niets uit. Later, met voorspraak van mijn medebeklaagde Funk, die destijds vermoedelijk een discussie had gehad met Von Ribbentrop over dit onderwerp, probeerde ik tenminste een antwoord van Von Ribbentrop te krijgen. Dit antwoord, gegeven aan Funk kwam hier op neer dat het nog te vroeg was voor een dergelijke stap. En dat was mijn bezoek in 1940. Ik ontmoette Hitler weer in februari 1941...
Dr. DIX: Neemt u mij mijn onderbreking niet kwalijk. Om alle misverstanden te voorkomen, als Hitler u toestemming had gegeven om naar Amerika te gaan, wat zou u dan hebben gedaan? Vertelt u dat heel in het kort. Ik wil geen misverstanden.
SCHACHT: Allereerst had ik niet voorgesteld om zelf te gaan; ik deed slechts een algemene suggestie. Maar natuurlijk zou ik erg verheugd zijn geweest om naar Amerika te gaan want ik zag een mogelijkheid ....
De PRESIDENT: Het Tribunaal is van mening dat het niet van belang is te weten wat hij zou hebben gedaan als er iets was gebeurd dat niet gebeurde.
Dr. DIX: Ik wilde alleen ieder misverstand uitsluiten. Ik zei dat misverstanden .....
We laten dat onderwerp maar schieten.
(tot de beklaagde): Laten we naar uw tweede bezoek gaan.
SCHACHT: In 1941, in februari nam ik nog een keer contact op met Hitler over een persoonlijke aangelegenheid. Het jaar daarvoor was mijn vrouw gestorven en ik was van plan te hertrouwen. Als Minister zonder Portefeuille, wat ik nog steeds was, moest ik natuurlijk de Reichskanzler en het Staatshoofd inlichten over mijn plannen en daarom nam ik contact met hem op. Er vond bij deze gelegenheid geen politiek gesprek plaats. Toen ik naar de deur liep vroeg hij mij: “Eens had u het plan, of u adviseerde mij dat er iemand naar Amerika zou moeten gaan. Daar is het nu waarschijnlijk te laat voor.” Ik antwoordde onmiddellijk: “Natuurlijk is het daar nu te laat voor.“ En dat was de enige politiek getinte opmerking die werd gemaakt. Het gesprek ging voornamelijk over mijn huwelijk en sindsdien heb ik Hitler niet meer ontmoet.
Dr. DIX: En nu uw relaties met Göring?
SCHACHT: Sinds 1939 zag ik Göring ook niet.
Dr. DIX: Ik kom nu op een punt dat door de Aanklager herhaaldelijk benadrukt is, de propagandistische waarde van uw aanwezigheid bij partijbijeenkomsten en ik zou u willen herinneren aan wat Mr. Justice Jackson in zijn openingspleidooi al heeft genoemd. Ik vertaal vanuit het Engels omdat ik geen Duitse tekst heb:
“Gelooft iemand dat Hjalmar Schacht, die op de eerste rij zit bij de Nazi Partijbijeenkomst van 1935 en het Parteiabzeichen draagt alleen maar voor het artistieke effect aanwezig is? Deze grote denker gaf, door zijn naam aan deze afgesleten onderneming te lenen, er fatsoen aan in de ogen van elke twijfelende Duitser,”
Wilt u alsublieft uw mening hierover geven?
SCHACHT: Allereerst zou ik een paar kleine correcties willen aanbrengen. In 1935 had ik geen Parteiabzeichen. Ten tweede, Duitsers die nog twijfelden waren in 1935 niet meer van enig belang want Hitler’s overmacht was tegen 1935 stevig gevestigd. Er waren alleen nog maar mensen die zich van Hitler afkeerden en geen enkele die zich nog bij hem voegde. En dan moet ik het echt als een compliment beschouwen dat ik een belangrijk figuur wordt genoemd, een grote denker enzovoorts; maar ik geloof dat ik mijn redenen om zitting te hebben en te werken in het kabinet van Hitler voldoende uiteen heb gezet zodat ik daar niet meer op in hoef te gaan.
Het feit dat ik in het bijzonder in de eerste jaren moeilijk van partijbijeenkomsten weg kon blijven is denk ik begrijpelijk want die waren Hitler’s voornaamste vertoon van show en praal voor de buitenwereld en niet alleen zijn ministers namen aan die bijeenkomsten deel maar ook een groot aantal belangrijke gasten.
Mag ik er een paar woorden aan toevoegen?
Ik bleef weg van de latere partijbijeenkomsten. Bijvoorbeeld de bijeenkomst van 1935 die door de Aanklager is genoemd. Dat was de bijeenkomst – en daarom herinner ik het me toevallig – waarop de Neurenberger Wetten tegen de Joden werden aangekondigd en destijds was ik niet eens in Neurenberg. Ik woonde de bijeenkomsten van 1933 en 1934 bij. Ik weet niet zeker of ik er in 1936 of 1937 bij was. Ik denk eerder dat ik er in 1936 bij was. Ik was beslist afwezig bij de latere bijeenkomsten en het laatste bezoek dat ik aan de bijeenkomst bracht die ik net noemde was alleen maar op de “Tag der Wehrmacht.”
Dr. DIX: Bij deze partijbijeenkomsten waren prominente buitenlanders aanwezig, u noemde dat al. Werd het Corps Diplomatique vertegenwoordigd door de chefs van de diplomatieke missies?
SCHACHT: Ik geloof dat in de loop der jaren, met uitzondering van de Sovjet Ambassadeur alle vooraanstaande diplomaten de partijbijeenkomsten bijwoonden en ik moet zeggen, in grote getale, met veel pracht en praal en altijd op de eerste rij.
Dr. DIX: Hoe verklaart u dat? Het Corps Diplomatique neemt feitelijk alleen maar deel aan staatsaangelegenheden en dit was een zuivere partijaangelegenheid. Hoe werd die deelname verklaard?
Mr. JUSTICE JACKSON: Ik vind dit onaanvaardbaar. Met welnemen van het Tribunaal, ik ben in een positie om bezwaar te kunnen maken want ik word er niet door in verlegenheid gebracht, als er al sprake is van verlegenheid maar dat deze beklaagde het gedrag gaat verklaren van ambassadeurs van andere landen lijkt me als bewijsmateriaal volkomen onbruikbaar. Zijn mening over wat de ambassadeurs deden, waarom zij een partijbijeenkomst bijwoonden waaraan hij zijn naam leende lijkt mij niet van enig nut te zijn. Ik maak er geen bezwaar tegen dat zij aanwezig waren, maar het lijkt me toe dat hij gaat gissen, tenzij hij feiten kent – en ik wil duidelijk maken dat ik niet protesteer tegen elk feit dat deze beklaagde kent, en ik heb niet geprotesteerd tegen de meeste van zijn meningen die we zeer uitvoerig hebben gehoord. Maar ik vind dat zijn karakterisering van de acties van buitenlandse vertegenwoordigers ver uitgaat boven het kader van relevant en tastbaar bewijs.
SCHACHT: Mag ik als antwoord een opmerking maken?
De PRESIDENT: Ik vind dat u beter verder kunt gaan, Dr. Dix.
Dr. DIX: Ja, natuurlijk. Ik zou echter toestemming willen vragen om kort op Mr. Justice Jackson te antwoorden, niet omdat ik eigenwijs ben maar ik geloof dat wanneer ik nu antwoord geef latere discussies kan voorkomen en dus tijd besparen. Ik vroeg beklaagde niet naar zijn mening. Natuurlijk heeft Mr. Justice Jackson gelijk dat hij hier niet zit om meningen te verkondigen over de gebruiken van het Corps Diplomatique; maar ik vroeg hem naar een feit: hoe die deelname van de kant van het Corps Diplomatique, hetgeen belangrijk is, destijds werd uitgelegd. Ik vind dit belangrijk zoals meer dan eens gezien kan worden in het verloop van mijn ondervraging en daarom zeg ik het nu; dat gedurende de oppositie activiteiten van hem en zijn politeke vrienden het van groot belang is te weten wie hen morele, geestelijke of welke andere steun gaf en wie niet. En daarmee is natuurlijk het optreden in het openbaar van de officiële vertegenwoordigers van andere landen gedurende de hele periode van immens belang, met betrekking tot de mate van handelen van deze oppositiegroep. Men kan zo’n groep steunen, men kan er neutraal tegenover staan of men kan hem vanuit het buitenland ook bestrijden. Dat is de enige reden waarom ik mijn vraag stel en ik acht mij verplicht dit aspect van het probleem ook in de toekomst onder ogen te zien.
De PRESIDENT: Dr. Dix, ik denk niet dat Mr. Justice Jackson bezwaar maakte tegen het feit dat de buitenlandse vertegenwoordigers daar aanwezig waren maar op het leveren van commentaar waarom ze daar waren. Als alles wat u wilt bewijzen het feit is dat ze daar aanwezig waren dan denk ik niet dat Mr. Justice Jackson daar bezwaar tegen maakte. Wat beklaagde wilde zeggen was zijn mening over waarom de diplomatieke vertegenwoordigers daar waren.
Dr. DIX: Ik denk niet dat ik nog verder hoef te antwoorden. Hij heeft al gezegd dat hij geen uitleg wil geven maar als Uedele het mij toestaat zal ik verder gaan.
(tot de beklaagde): Ongeveer rond die tijd kwam u zowel privé als officieel zeker in contact met vooraanstaande buitenlanders. Welke houding namen zij aan tegenover de loop der gebeurtenissen nadat de Nationaalsocialistien hun macht hadden gevestigd? En hoe beïnvloedde hun houding uw eigen houding en activiteiten?
Mr. JUSTICE JACKSON: Met welnemen van het Tribunaal. Ik houd er niet van steeds met protesten te onderbreken maar ik zie niet in hoe dit de beklaagde vrij pleit of helpt, dat vooraanstaande buitenlanders misleid kunnen zijn door een regime waarvoor hij met zijn eigen naam en prestige de versiering leverde. Ongetwijfeld waren het buitenlanders. Ik ben bereid te stellen dat er buitenlanders als Dahlerus waren die door deze opzet waarvan hij een prominent en lichtelijk respectabel onderdeel was werden misleid. Maar het lijkt me toe dat wanneer we ingaan op de houding van buitenlanders die hier niet zijn aangeklaagd of beschuldigd dat we eindeloze vragen tegemoet gaan zien.
Ik zie geen enkel belang in dit soort getuigenis.
De vraag is hier, en ik heb geprobeerd Dr. Dix hierop te wijzen, de enige aanklacht tegen beklaagde is dat hij deel had aan de de samenzwering om deze natie in een oorlog te storten en de oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid te plegen die daar bij horen.
Ik zie niet in hoe de houding van buitenlanders het Hof van nut kan zijn bij het beoordelen van deze vraag. Als dat wel zo is heb ik er geen bezwaar tegen, maar ik kan het belang ervan nu niet inzien.
Dr. DIX: Ik geloof echt dat Mr. Justice Jackson .....
De PRESIDENT: Wacht even, Dr. Dix, wat was precies de vraag die u toen stelde. Waar ging die over?
Dr. DIX: Ik vroeg de beklaagde wat de houding was van vooraanstaande buitenlanders met wie hij in contact kwam, privé dan wel officieel in de periode waarin het regime zijn macht vestigde. Wezen ze het regime af of stonden ze er sympathiek tegenover. Met andere woorden, in hoeverre beïnvloedden deze buitenlanders hem en zijn manier van denken. En mag ik .....
De PRESIDENT: Ik denk dat u weet Dr. Dix dat een getuige vragen naar de opvatting van anderen een veel te algemene manier van vragen is. Houding, wat betekent dat? Dat is veel te algemeen en ik begrijp niet precies wat u wilt bewjzen.
Dr. DIX: Ik zal de vraag nauwkeuriger stellen.
Dr. Schacht, hoe werd uw persoonlijke houding beïnvloed door uw uitwisseling van gedachten met buitenlanders? Hoe werden uw houding en uw activiteiten beïnvloed door de houding van deze buitenlanders?
(tot het Tribunaal): Dat is iets waarover alleen de heer Schacht kan getuigen omdat het voor de heer Schacht van intieme en persoonlijke aard is. Edelachtbare, ik wil heel openlijk dit punt bewezen hebben dat zeer belangrijk is voor de Verdediging en waarop deze vraag is gebaseerd. Ik wil niets verbergen. Ik, de Verdediger houd vol dat deze oppositiegroep - waarover Gisevius al heeft gesproken en waarvan Schacht een vooraanstaand lid was - dat deze groep niet alleen geen steun kreeg uit het buitenland maar dat buitenlanders die oppositie moeilijker maakten. Dat is geen kritiek op buitenlandse regeringen.
Het lijdt geen twijfel dat de vertegenwoordigers van deze landen die houding in goed vertrouwen aannamen en met een gevoel van plicht in dienst van hun land. Maar het was van beslissend belang voor de leden van deze oppositiegroep welke houding het buitenland aannam ten opzichte van dit regime; of ze het respecteerden dan wel het steunden door hun vertegenwoordigers prioriteit te geven, sociaal voor zover mogelijk of door voorzichtigheid en voorbehoud hun afkeer ervan te laten blijken en daardoor deze oppositiegroep te versterken.
Dit bewijsmateriaal is voor mij van het allergrootste belang bij het voeren van de verdediging. Ik heb het heel openlijk gesteld en zal voor dit stukje bewijsmateriaal vechten zoveel ik kan.
De PRESIDENT: Dr. Dix, het Tribunaal heeft het argument overwogen dat u heeft voorgelegd en zij zijn van mening dat een onderzoek naar deze feiten een verspilling van tijd is en niet ter zake doet. Het Hof zal u daarom verzoeken verder te gaan met het verhoor van de beklaagde.
Dr. DIX: Dr. Schacht, u steunde de herbewapening met financiering door de Reichsbank. Waarom deed u dat?
SCHACHT: Ik vond dat Duitsland absoluut politiek gelijk moest zijn aan andere landen en vandaag heb ik die mening nog; om deze status te bereiken was het nodig dat ofwel de algehele ontwapening die door de Geallieerden was beloofd zou plaatsvinden of wanneer gelijke rechten moesten worden verkregen Duitsland zich tenminste op overeenkomstige schaal moest herbewapenen.
Dr. DIX: Was deze financiële steun door de Reichsbank alleen uw werk of was dat besloten door het Directoraat van de Reichsbank?
SCHACHT: Bij de Reichsbank werd het Führerprinzip nooit toegepast; ik wees dat principe voor de Reichsbank af. De Reichsbank werd bestuurd door een groep personen de allemaal even veel stemrecht bezaten en wanneer die stemmen staakten dan was de stem van de voorzitter de beslissende, buiten dat had de voorzittter geen rechten in die raad.
Dr. DIX: U bent bekend met de verklaring van de voormalige directeur van de Reichsbank Puhl. Nam de heer Puhl ook deel aan het geven van financiële steun voor de herbewapening door de Reichsbank – ik stel de vraag rekening houdend met de inhoud van deze verklaring waarvan het Tribunaal op de hoogte is.
SCHACHT: De heer Puhl had deel aan alle beslissingen die door het Directoraat van de Reichsbank over dit onderwerp werden genomen en hij heeft nooit een genomen beslissing aangevochten.
Dr. DIX: Is het u bekend dat de methode van financiering door de Reichsbank bestond uit het aflossen van de zogeheten Mefo nota’s. De Aanklager heeft dit feit tot in detail besproken en de eerder genoemde door Puhl getekende verklaring vermeldt dat deze methode het mogelijk maakte de omvang van de herbewapening geheim te houden. Is dat juist?
SCHACHT: We kunnen er zelfs niet over praten de herbewapening geheim te houden. Ik vestig uw aandacht op uittreksels uit enkele documenten die door de Aanklager zelf als bewijs zijn ingediend. Ik citeer eerst uit de verklaring van George Messersmith, gedateerd 30 augustus 1945, document 2385-PS waarin op pagina 3, regel 19 staat:
“Direct nadat de Nazi’s aan de macht waren gekomen begonnen zij aan een omvangrijk programma van herbewapening,” en op pagina 18 staat: “Het enorme Duitse bewapeningsprogramma dat nooit een geheim was ..... “
Dus wist Mr. George Messersmith die destijds in Berlijn was, van deze kwestie en ik ben er zeker van dat hij zijn collega’s ook inlichtte.
Ik citeer verder uit document EC-461. Dat is het dagboek van Ambassadeur Dodd waarin onder 19 september 1934 staat, en ik citeer in het Engels omdat ik alleen de Engelse tekst hier heb:
“Toen Schacht verklaarde dat de Duitsers zich niet zo sterk bewapenden zei ik: “afgelopen januari en februari kocht Duitsland van Amerikaanse luchtvaartbedrijven ter waarde van een miljoen dollar eerste klas vliegtuigmateriaal en betaalde dat in goud.”
Dit komt uit een gesprek tussen Dodd en mij dat in september 1934 plaastvond en hij wijst erop dat er al in januari en februari oorlogsvliegtuigen .......
(het proces wordt onderbroken door problemen met het lichtsysteem.)
De PRESIDENT: De zitting wordt geschorst.

Definitielijst

Geallieerden
Verzamelnaam voor de landen / strijdkrachten die vochten tegen Nazi-Duitsland, Italië en Japan gedurende WO 2.
ideologie
Het geheel van beginselen en ideeën van een bepaald stelsel.
Nazi
Afkorting voor een nationaal socialist.
oorlogsmisdaden
Misdaden die in oorlogstijd worden begaan. Vaak betreft het hier misdaden van militairen ten opzichte van burgers.
Putsch
Staatsgreep, vaak gepaard gaand met het gebruik van geweld.

Pagina navigatie

Informatie

Vertaald door:
Arnold Palthe
Geplaatst op:
14-04-2009
Laatst gewijzigd:
18-04-2010
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

Categorieën


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2017
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.