Verhoor Hjalmar Schacht 3

Ochtendzitting 1 02-05-1946

Inhoudsopgave

De PRESIDENT: Dr. Siemers, het Tribunaal zou graag precies van u willen weten wat de brief betekent die wij van u hebben ontvangen betreffende de volgende documenten die volgens die brief zijn ingetrokken. Wat ik wil weten is of dat betekent dat die niet moeten worden vertaald? Laat me u de nummers voorlezen: : 18, 19, 48, 53, 76, 80, 81, 82, 86 en 101. Betekent uw brief dat die documenten niet moeten worden vertaald?
Dr. SIEMERS: Nee, Edelachtbare, het betekent dat de Britse delegatie mij gisterenmorgen heeft meegedeeld dat hun bezwaren tegen deze documenten zijn ingetrokken.
De PRESIDENT: Ik begrijp het.
Dr. SIEMERS: Ik heb de brief op 30 april ‘s middags geschreven nadat ik een gesprek heb gehad met Sir David. De volgende morgen werd mij meegedeeld ....
De PRESIDENT: Dat is niet belangrijk. U zegt dat hun bezwaren niet langer bestaan. Als ze daarmee instemmen, prima.
SIR DAVID: Edelachtbare, er is blijkbaar enig misverstand ontstaan over drie ervan, nummers 80, 101 en 76. Tegen de andere is geen bezwaar gemaakt.
De PRESIDENT: Ja.
SIR DAVID: Edelachtbare, over 76 schijnt er een misverstand te bestaan tussen Dr. Siemers en mij. Ik heb begrepen dat hij niet aandringrt op het juridische verslag van het Altmatk incident en ik meen dat Dr. Siemers dacht dat ik er niet op aandrong. Ik dacht echter dat Dr. Siemers dat document had ingetrokken.
De PRESIDENT: Ja, hebt u er dan nog steeds bezwaar tegen?
SIR DAVID: Edelachtbare, ik maak er nog steeds bezwaar tegen als het niet wordt ingetrokken. Tegen de andere op de lijst die u noemde – nummers 18, 19, 48, 53, 81, 82, en 86 bestaat geen bezwaar.
De PRESIDENT: Ja.
Dr. SIEMERS: Wat betreft document 76 ben ik het met Sir David eens. Nummer 76 kan wat mij betreft worden geschrapt.
De PRESIDENT: Prima, dat is alles wat ik wilde weten.
Dr. SIEMERS: Nummer 80 waarover ik in bijzonderheden met de Britse delegatie heb gesproken ..
De PRESIDENT: Daar hoeft u me niet over te vertellen.
Dr. SIEMERS: Ik nam aan dat er geen bezwaar tegen bestond. Ik zou willen vragen om dat in ieder geval toe te laten.
De PRESIDENT: Ja, dat klopt. Om ervoor te zorgen dat de vertaalafdeling zo snel mogelijk aan het werk kan, heeft het Tribunaal een beslissing genomen over deze documenten en de enige kwestie waarover het Tribunaal een beslissing heeft genomen is dat ze moeten worden vertaald. Over de kwestie van de toelaatbaarheid zal worden beslist nadat ze zijn vertaald en ik zal ze doornemen in de volgorde die in het memorandum van Sir David wordt genoemd.
In categorie A, de eerste wordt nummer 66 toegelaten. Nummer 76, zoals Dr. Siemers nu heeft gezegd, vervalt. De Nummers 101 en 106 worden toegelaten, de rest in categorie A wordt geweigerd.
In categorie B worden de volgende nummers toegelaten: 39, 63, 64, 99, en 100; en natuurlijk 102 tot 107 die al in categorie A zijn toegelaten. De rest wordt geweigerd.
Categorie C; de volgende worden toegelaten 38, 50, 55, and 58. De rest wordt geweigerd.
Categorie D; toegelaten worden de nummers 29, 56, 57, 60 en 62.
Categorie E; de volgende worden toegelaten: 31, 32, 36, 37, 39, 41, en natuurlijk 99 en 101 die al zijn toegelaten.
Voor de laatste categorie, F; heeft het Tribunaal grote twijfels over het belang van elk van die documenten in die categorie; maar het zal ze allemaal laten vertalen met uitzondering van document 73.
Lt.COL. GRIFFITH-JONES: Edelachtbare, ik vraag me af of het Tribunaal mij zou willen toestaan de documentnummers van de toegevoegde uittreksels uit Der Stürmer te noemen die tijdens het verhoor van Streicher zijn ingediend. Ik had de nummers klaar om ze op een gunstig tijdstip te noemen.
De PRESIDENT: De bewijsstuknummers?
Lt.COL. GRIFFITH-JONES: Ja.
De PRESIDENT: U bedoelt u wilt ze oplezen?
LT.COL. GRIFFITH-JONES: Met toestemming van het Tribunaal heb ik voorgesteld dat rooster te overhandigen dat in feite een catalogus of index is van de twee pakketten die het Tribunaal had - pakket A en pakket B – en ik had voorgesteld die index zelf als bewijsstuk in te dienen, dat wordt dan GB-450, documentnummer D-833 en als het Tribunaal daarmee instemt zou dat tijd besparen bij het voorlezen.
De PRESIDENT: Ja.
LT. COL. GRIFFITH-JONES: Ik wil nog een ander verzoek doen. De originele exemplaren van de krant ‘Das Israelisches Wochenblatt’ zijn ingediend. Die exemplaren heb ik van een bibliotheek geleend en ik zou toestemming van het Tribunaal willen vragen de originelen te laten fotograferen en te laten vervangen door de foto’s en de originelen terugnemen zodat ze kunnen worden teruggebracht.
De PRESIDENT: Daar schijnt geen bezwaar tegen te zijn.
LT.COL. GRIFFITH-JONES: Ik ben u zeer verplicht.
De PRESIDENT: U hebt daar geen bezwaar tegen, Dr. Marx?
Dr. MARX: Nee, Meneer de President, daar heb ik geen bezwaar tegen. Ik behoud mij het recht voor enkele tegendocumenten in te dienen mocht dat nodig zijn. Maar de presentatie van deze documenten is in overeenstemming met wat Kolonel Griffith-Jones in de loop van dit proces heeft gesteld – als ze worden ingediend ...
De PRESIDENT: U hebt een afschrift van dit document hier, dit bewijsstuk?
Dr. MARX: Ja.
De PRESIDENT: Ik vroeg u of u er bezwaar tegen heeft dat de originele exemplaren van die Joodse krant worden teruggebracht ....
Dr. MARX: Nee.
De PRESIDENT: ..... nadat ze zijn gefotografeerd.
Dr. MARX: Nee, daar heb ik geen bezwaar tegen.
De PRESIDENT: Dank u.
LT.COL. GRIFFITH-JONES: Ik ben u zeer verplicht.
De PRESIDENT: Nu, Dr. Dix?

Dr. DIX: Dr. Schacht, ik denk dat u nog een aanvullend antwoord moest geven op een vraag die ik u gisteren stelde. Ik legde u voor dat diverse memoranda, brieven en dergelijke van u aan Hitler volstonden met Nationaalsocialistische termen. Ik zei dat u te maken had met brieven en memoranda vanaf de datum van de machtsovername tot later toen u in de oppositie ging. De Aanklager verwees echter, zeker tijdens de mondelinge presentatie van de beschuldigingen voor zover ik me herinner, naar tenminste één brief die u voor de machtsovername in november 1932 aan Hitler schreef en in het dossier bevindt zich nog een brief van augustus 1932 met overeenkomstige inhoud. Ik denk dat u uw houding moet uitleggen ten opzichte van deze twee brieven, als aanvuilling op het antwoord op mijn vraag.
SCHACHT: Ik heb u gisteren al uitgelegd dat ik tot aan de beslissende verkiezingen van juli 1932 mij op geen enkele manier bemoeide met de ontwikkeling van de Nazi beweging, maar er buiten bleef. Nadat die beweging in juli 1932 dat overweldigende succes had behaald, waar ik het gisteren over had, voorzag ik heel duidelijk de ontwikkeling die nu zou ontstaan. Volgens de principes van het democratische politieke concept was er nu maar een mogelijkheid namelijk dat de leider van die overweldigend grote partij nu een nieuwe regering zou moeten vormen. Ik wees vanaf het begin de andere theoretische mogelijkheid van een militair bewind af en een mogelijk daaruit voortvloeiende burgeroorlog als zijnde onmogelijk en niet verenigbaar met mijn principes.
Daarom stelde ik, nadat ik deze feiten had erkend, alles in het werk om invloed te krijgen op Hitler en zijn beweging en de twee brieven die u net noemde werden in die geest geschreven.
Dr. DIX: Wat wist u van zijn plannen voor Tsjecho....? Wat wist u van Hitler’s plannen voor Oostenrijk?
SCHACHT: Ik wist nooit iets van plannen voor Oostenrijk. Ook wist ik niet tot in bijzonderheden over plannen die Hitler voor Oostenrijk had. Ik wist alleen – net als de meerderheid van alle Duitsers – dat hij voorstander was van een Anschluss van Oostenrijk met Duitsland.
Dr. DIX: Wat wist u van zijn plannen voor Tsjechoslowakije?
SCHACHT: Ik wist tot de Conferentie van München niets van zijn plannen voor Tsjechoslowakije.
Dr. DIX: Hoorde u na de Conferentie van München, anders gezegd na de vreedzame oplossing, nou ja vreedzame regeling van de Sudetenkwestie een opmerking van Hitler over München die van belang was voor uw latere persoonlijke houding jegens Hitler? Wilt u het Tribunaal de opmerking vertellen die Hitler maakte?
SCHACHT: Mag ik allereerst zeggen dat op grond van mijn kennis van de toestand van destijds, Hitler in München meer werd toegezegd dan hij ooit had gehoopt. Naar mijn weten – en ik heb dit ook gezegd in het gesprek met Ambassadeur Bullitt destijds – was het Hitler’s doel om onafhankelijkheid te bereiken voor de Duitsers in Tsjechoslowakije. In München presenteerden de Geallieerden hem de overdracht van het Sudeten-Duitse gebied op een zilveren presenteerblad. Ik nam natuurlijk aan dat aan Hitler’s ambities nu wel meer dan voldaan was en ik kan alleen maar zeggen dat ik verbaasd en geschokt was, toen ik Hitler een paar dagen na München zag – ik had destijds geen gesprekken meer met hem maar ik ontmoette hem met zijn gevolg, veelal SS’ers – en uit het gesprek tussen hem en de SS’ers kon ik alleen de opmerking opvangen: “De man heeft mijn intocht in Praag verpest.” Anders gezegd, hem onmogelijk gemaakt.
Hij was blijkbaar niet tevreden met het enorme succes op het gebied van buitenlandse politiek dat hij had behaald maar ik noemde toen ik het er gisteren over had het feit dat ik uit die opmerking opmaakte dat hij de glorie en een grootse intocht miste.
Dr. DIX: En wat waren uw gevoelens met betrekking tot uw hele politieke houding jegens Hitler na München?
SCHACHT: Ondanks het succes op het gebied van de buitenlandse politiek betreurde ik ten zeerste, en mijn goede vrienden ook, dat door deze tussenkomst van de kant van de Geallieerde mogendheden onze pogingen om het Hitler regime omver te werpen voor lange tijd waren verkeken – we wisten toen natuurlijk niet wat er in de toekomst zou gebeuren – maar natuurlijk moesten we er ons op dat moment bij neerleggen.
Dr. DIX: Wat wist u van Hitler’s plannen voor Memel?
SCHACHT: Daar wist ik helemaal niets van en heb er ook nooit iets over gehoord. Voor zover ik weet hoorde ik over de annexatie van Memel door Duitsland tijdens mijn reis naar India waar ik toen al aan begonnen was.
Dr. DIX: En omdat u om die tijd in India was hebt u natuurlijk ook niets gehoord over de onderhandelingen enzo die vooraf gingen aan de aanval op Polen?
SCHACHT: Ik had daar geen weet van en daarom wist ik ook niets van die bijeenkomst in mei 1939 die hier herhaaldelijk is besproken. Begin maart verliet ik Berlijn en verbleef daarna enige tijd in Zwitserland; eind maart ging ik via Genau naar India en dus hoorde ik helemaal niets over de affaire Hacha, anders gezegd de stichting van het protectoraat in Tsjechoslowakije, noch over Memel, noch over Polen omdat ik pas begin augustus van mijn reis naar India terugkeerde.
Dr. DIX: De invasie van België, Nederland, Noorwegen en Denemarken is hier aan de orde geweest. Stemde u in met deze acties en maatregelen?
SCHACHT: In geen geval.
Dr. DIX: Was u ooit in staat uw afkeuring waar dan ook te uiten en hoe?
SCHACHT: Voor de invasie van België kreeg ik op bevel van de Chef van de Generale Staf Halder bezoek van de Kwartiermeester-generaal, voormalig Kolonel, later Generaal Wagner, die na de ineenstorting zelfmoord pleegde. Hij lichtte me in over de voorgenomen invasie van België. Ik was geschokt en zei toen: “Als u die waanzin ook wilt begaan, bent u onbereikbaar voor elke hulp.”
De PRESIDENT: Wanneer?
SCHACHT: Voor de inval in België. Wanneer precies kan ik niet zeggen. Het kan al in november 1939 geweest zijn, het kan april 1940 geweest zijn. Ik weet niet meer precies wanneer dat was.
Dr. DIX: Hoewel u die actie niet goedkeurde was Duitsland per slot van rekening verwikkeld in een strijd op leven en dood. Zette dat u niet aan tot actieve medewerking omdat u nog steeds Minister zonder Portefeuille was, hoewel u geen bepaalde functie bekleedde?
SCHACHT: Dat deed ik niet.
Dr. DIX: Vroeg iemand u dat te doen?
SCHACHT: Het bezoek van Kwartiermeester-generaal Wagner, op bevel van de Chef van de Generale Staf Halder, dat ik net noemde was bedoeld om mij over te halen de belangen van Duitsland te behartigen bij de verwachte bezetting van België. Ik moest toezicht houden op en leiding geven aan geldhandel, financiën en bankzaken in België. Dat weigerde ik resoluut. Later werd ik nogmaals benaderd door de toenmalige Militärverwalter in België, Generaal Von Falkenhausen voor advies betreffende het Belgische financiële bestuur. Ik weigerde weer advies te geven en heb geen enkele verklaring afgelegd of op enige wijze meegwerkt.
Dr. DIX: Wanner hebt u voor de eerste keer ....
SCHACHT: Ik zou misschien nog een gelegenheid kunnen noemen waarop ik werd benaderd. Op een dag kort nadat Amerika bij de oorlog betrokken was geraakt kreeg ik een verzoek van de krant, uitgegeven door Goebbels of ik vanwege mijn kennis van de situatie in Amerika een artikel zou willen schrijven voor Das Reich, om het Duitse volk ervan te verzekeren dat het oorlogspotentieel van de Verenigde Staten niet overschat moest worden. Ik weigerde dat artikel te schrijven juist omdat ik de Amerikaanse situatie heel goed kende en mijn artikel dus alleen maar het tegenovergestelde effect zou hebben. En dus weigerde ik ook in dit geval.
Dr. DIX: Wanneer hoorde u voor het eerst over de bijeenkomst die we maar de Hossbach bijeenkomst zullen noemen, de bijeenkomst die ging over het Hossbach protocol?
SCHACHT: Tot mijn grote verrassing werd ik pas op 20 oktober 1945, hier in mijn cel over die bijeenkomst ingelicht en ik was er zeer verbaasd over dat ik gedurende al die inleidende verhoren nooit naar dat dossier ben gevraagd omdat daaruit duidelijk kan worden opgemaakt dat de Reichsregierung niet mocht worden ingelicht over Hitler’s oorlogsplannen en er daarom ook niets over kon weten.
Dr. DIX: Nam u deel aan gelijksoortige bijeenkomsten voorafgaande aan een aanval, bijvoorbeeld de bijeenkomst in november 1940 waar de aanval op Rusland werd besproken? Ik wil niet verkeerd worden begrepen – het document van Speer waar u het gisteren over had behandelt een aanval waarmee volgens Hitler door Rusland was gedreigd. Ik heb het nu over gesprekken met als onderwerp een aanval op Rusland.
SCHACHT: De vrees voor een aanval door Rusland dateert van de herfst van 1936 en heeft daarom niets met deze oorlog te maken. Ik heb nooit deelgenomen aan enige conferentie die een intentie tot oorlog aangaf en dus ook niet aan de conferentie over de voorgenomen aanval op Rusland en ik heb daar ook nooit iets over gehoord.
Dr. DIX: Geldt dat ook voor de bijeenkomst van mei 1941?
SCHACHT: Op het moment weet ik niet welke bijeenkomst dat is maar ik heb op geen enkele wijze deelgenomen aan wat voor bijeenkomst dan ook in mei 1941 omdat gedurende de hele periode toen ik Minister zonder Portefeuille was ik nooit heb deelgenomenen aan enige officiële bijeenkomst.
Dr. DIX: Dan hebt u dus ook geen enkele informatie gekregen over de onderhandelingen die de Japanse Minister van Buitenlandse Zaken Matsuoka in Berlijn voerde?
SCHACHT: Ik had niet het minste idee van de bijeenkomst met Matsuoka anders dan wat erover wellicht op de radio of in de pers over is gezegd.
Dr. DIX: Er is op een of andere manier genoemd dat u op een gegeven moment 200.000 Reichsmark ter beschikking hebt gesteld voor Nazi propagandadoeleinden in Oostenrijk. Schuilt daar enige waarheid in?
SCHACHT: Ik weet er absoluut niets van.
Dr. DIX: We komen nu toe aan uw ontslag als President van de Reichsbank. Zoals u hebt gehoord heeft de Aanklager beweerd dat u uiteindelijk zelf uw ontslag veroorzaakte teneinde de financiële verantwoordelijkheid te ontlopen. Ik vraag u te reageren op die beschuldiging en het Tribunaal kort maar volledig de redenen en de tactische overwegingen mee te delen die geleid hebben tot uw ontslag en dat van uw medewerkers. Die staan hier in het memo van het Directoraat van de Reichsbank dat hier al een paar keer is behandeld.
SCHACHT: Ik zou die vraag in tweeën willen splitsen: de eerste vraag is of ik zelf afwilde van mijn functie als President van de Reichsbank. Mijn antwoord op die vraag is een hartgrondig ja. Sinds medio 1938 vonden we bij de Reichsbank altijd dat wanneer er geen verandering in het beleid zou komen, wij in geen geval in functie wilden blijven omdat we – en dat brengt me op het tweede deel van de vraag – wij niet de verantwoordelijkheid wensten te dragen die toen van ons werd verwacht.
Voor alles wat we voorheen deden en voor een defensieve herbewapening teneinde gelijke rechten te bereiken voor Duitsland op het vlak van internationale politiek, daarvoor namen wij graag de verantwoordelijk op ons en die aanvaarden wij voor de geschiedenis en voor dit Tribunaal. Maar de verantwoordelijkheid voor een voortschrijdende herbewapening die mogelijk een serieus potentieel gevaar van een oorlog in zich droeg of die zelfs opzettelijk een oorlog ten doel had – die verantwoordelijkheid wenste niemand van ons te aanvaarden. Toen het dus duidelijk werd dat Hitler aanstuurde op een verdere toename van de herbewapening – en daar heb ik het gisteren over gehad in verband met dat gesprek van 2 januari 1939 – toen we ons daarvan bewust werden schreven wij dat memorandum dat openlijk werd geciteerd en dat als bewijsstuk in handen is van het Tribunaal. Het toont duidelijk aan dat wij tegen elke verdere stijging van de staatsuitgaven waren en er geen verantwoordelijkheid voor wensten te aanvaarden. Daaruit maakte Hitler op dat hij in geen geval langer in staat was de Reichsbank met haar huidige directoraat en president voor verdere financiële doeleinden te gebruiken. Daarom bleef er maar een alternatief over: het directoraat te wijzigen want zonder de Reichsbank kon hij niet verder. En hij moest een tweede stap zetten: de Wet op de Reichsbank wijzigen; anders gezegd, er moest een eind worden gemaakt aan de onafhankelijkheid van de Reichsbank van regeringsbesluiten. Eerst deed hij dat met een geheime wet – we hadden dergelijke dingen – van 19 of 20 januari 1939. Die wet werd ongeveer zes maanden later gepubliceerd. Die wet schafte de onafhankelijkheid van de Reichsbank af en de President van de Reichsbank werd niet meer dan een kassier voor de kredietaanvragen van het Reich, van Hitler dus.
Het Directoraat van de Reichsbank wenste niet mee te gaan in deze ontwikkeling. Daarom werden op 20 janauri de President van de Reichsbank, de vice-President en de belangrijkste financiële expert, Rijksbankdirecteur Hülse ontslagen; drie andere leden van het Directoraat, Geheimrat Vocke, Directeur Erhard en Directeur Blessing drongen voortdurend aan op hun ontslag totdat het hen ook werd verleend. Twee andere leden van het Directoraat, Directeur Puhl, wiens naam hier al is genoemd en en een achtste directeur, Directeur Pötschmann bleven in het Directoraat, zelfs in de nieuwe situatie. Ze waren beiden partijlid, de enigen binnen het Directoraat en daarom konden zij zich niet gemakkelijk terugtrekken.
Dr. DIX: Dat is een beschuldiging die door de Aanklager is gedaan betreffende uw redenen om dat memorandum te schrijven, anders gezegd om de financiële verantwoordelijkheid te ontlopen. De tweede beschuldiging luidt dat dit memorandum nadrukkelijk met geen woord melding maakt van een beperking van de bewapening maar dat het in wezen alleen gaat om valutakwesties, financieel-technische kwesties en economische overwegingen; en het was daarom dat de Dr. Schacht die in zijn hoedanigheid van bankdirecteur meer bezorgd was over valuta dan een tegenstander van herbewapening, die zichzelf via dit memorandum liet horen. Het is noodzakelijk dat u als mede opsteller – als hoofd opsteller – van dit memorandum uw standpunt kenbaar maakt met betrekking tot deze belastende uitleg van het memorandum.
SCHACHT: Zelfs op een eerder moment heb ik hier gezegd dat ieder bezwaar dat ik maakte en tegen Hitler moest maken – en dat geldt niet alleen voor mijzelf maar voor alle ministers – kon alleen maar worden gemaakt met argumenten die voortkwamen uit de betrokken departementen.
Zou ik tegen Hitler hebben gezegd: “Ik geef u geen geld meer omdat u van plan bent een oorlog te beginnen,” dan zou ik niet het genoegen hebben dit aangename gesprek hier met u te voeren. Ik zou dan een priester hebben geraadpleegd en het zou dan wel een zeer eenzijdige affaire zijn geweest omdat ik dan rustig in mijn kist zou hebben gelegen en de priester een grafrede zou hebben gehouden.
Dr. DIX: Dit memorandum is zeker zeer belangrijk en daarom moeten we nu een moment pauzeren. Samenvattend – en verbetert u mij alstublieft – denk ik dat ik uw mening op deze manier kan weergeven: Aan het einde bevatte dit memorandum eisen zoals werving van meer fondsen door een verhoging van belastingen of door gebruik te maken van de aandelenmarkt, beide onmogelijk. De belastingen konden niet verder verhoogd worden. Op de aandelenmarkt was de aanvraag voor een lening gestrand.
Als deze feitelijk onmogelijke eisen zouden zijn ingewilligd zou de Reichsbank garanties hebben verstrekt dat verdere fondsen niet zouden worden gebruikt voor een of andere vorm van herbewapening. Dat succes was niet te verwachten; u kon eerder uw eigen ontslag verwachten. Gaf mijn beknopte samenvatting van deze kwestie uw mening juist weer?
SCHACHT: Die hele brief was zo opgesteld dat er eigenlijk maar twee antwoorden mogelijk waren; ofwel een verandering van het financiële beleid – en dat betekende stopzetting van de herbewapening dat zou zijn neergekomen op een complete wijziging van Hitler’s beleid – ofwel het ontslag van de Reichsbankpräsident; en dat gebeurde ook. We hadden dat verwacht omdat ik destijds niet meer geloofde dat Hitler zijn beleid zo volkomen zou wijzigen.
Dr. DIX: Dus heeft de Aanklager gelijk wanneer hij zegt dat uw missie eindigde met uw ontslag?
SCHACHT: Hitler bevestigde dat zelf beslist en in de ontslagbrief aan mij zei hij dat uitdrukkelijk. We hebben uit de getuigenis van de heer Lammers voor dit Hof gehoord dat Hitler eigenhandig die toevoeging aan die brief heeft geschreven, dat mijn naam verbonden zou blijven aan de eerste fase van de herbewapening. Ik wees de tweede fase van de herbewapening af en Hitler heeft dat heel goed begrepen want toen hij die brief van de Reichsbank ontving zei hij tegen de aanwezigen: “Dat is muiterij.”
Dr. DIX: Hoe weet u dat?
SCHACHT: Getuige Vocke die hopelijk voor dit Hof zal verschijnen zal hierover getuigen.
Dr. DIX: Verder beweerde de Aanklager dat uw aftocht van het politieke podium niet kon worden toegeschreven aan uw oppositiebeleid tegen oorlog maar aan onenigheden met Hermann Göring over macht en rangen. Als zodanig lijkt me die beschuldiging al weerlegd met verklaringen die Göring en Lammers tot nu toe hebben afgelegd. We zullen dat niet herhalen. Ik wil u alleen maar vragen of u iets hebt toe te voegen aan de verklaringen die Göring en Lammers over dit onderwerp hebben afgelegd of dat u het er niet mee eens bent.
SCHACHT: In zijn mondelinge presentatie heeft de Aanklager gezegd dat hij in al het materiaal dat hij bestudeerd heeft geen stukje bewijs kon vinden voor mijn oppositie tegen een beleid van oorlog. Ik kan in dat verband alleen maar dit zeggen: Als iemand vanwege zijn bijziendheid een boom op een vlakte niet kan zien staan is dat zeker nog geen bewijs dat die boom er niet is.
Dr. DIX: U hebt van de Aanklager gehoord dat u ervan wordt beschuldigd lid van het Kabinett te zijn gebleven als Minister zonder Portefeuille. Dat was ook de reden voor het misverstand van gisteren. Ik wilde gisteren alleen maar zeggen dat u was afgetreden als actief minister en hoofd van een departement, dat u aftrad als Minister van Economische Zaken en de Voorzitter wees er terecht op dat u natuurlijk tot janauri 1943 aanbleef als Minister zonder Portefeuille, zonder een specifiek werkterrein. Daarvan wordt u door de Aanklager beschuldigd. Wat bewoog u om Rijksminister zonder Portefeuille te blijven? Waarom deed u dat? Had u een bijzondere financiële reden? Neem me niet kwalijk dat ik het zeg maar in de akte van beschuldiging wordt u op pagina 5 van dat motief beschuldigd.
SCHACHT: Ik heb al herhaaldelijk uitgelegd dat mijn aftreden als Minister van Economische Zaken met grote moeilijkheden gepaard ging en u hebt ook diverse verklaringen ingediend die dat feit bevestigen.
Hitler wilde onder geen enkele voorwaarde bekend laten worden dat er een breuk of zelfs maar een meningsverschil was ontstaan tussen een van zijn medewerkers en hem zelf. Toen hij uiteindelijk in mijn ontslag toestemde verbond hij daar de voorwaarde aan dat ik in naam Minister zonder Portefeuille zou blijven.
Wat betreft de tweede beschuldiging, die is net zo onwaardig als hij vals is. Er bestond een wet in Duitsland die stelde dat wanneer een persoon twee functies bekleedde, hij er slechts voor een betaald kon worden. Omdat ik bovendien President van de Reichsbank was kreeg ik voortdurend mijn inkomen van de Reichsbank, eerst mijn salaris en later mijn pensioen; daarom verdiende ik als minister geen salaris.
Dr. DIX: Had u gedurende uw hele periode als Rijksminister zonder Portefeuille in die hoedanigheid enige andere functie te vervullen. Nam u deel aan belangrijke beslissingen van het Kabinett, nam u deel aan discussies – in het kort, was de titel Minister zonder Portefeuille slechts een wassen neus of was het een echte functie?
SCHACHT: Ik heb al keer op keer benadrukt voor dit Hof – en ik kan het alleen maar herhalen – dat ik na mijn vertrek bij de Reichsbank geen enkel officieel gesprek voerde; ik nam deel aan geen enkele ministersconferentie of officiële conferentie en dat het mij helaas niet mogelijk was enig onderwerp ter discussie te stellen, want ik had geen feitelijke basis of aanleiding voor een dergelijke mogelijkheid om de simpele reden dat ik niets had om te besturen. Ik geloof dat ik de enige minister zonder Portefeuille was – er waren nog een paar anderen – die op geen enkele wijze actief was. Voor zover ik weet was Seyss-Inquart ongetwijfeld Minister zonder Portefeuille; hij had zijn bestuur in Nederland. Frank was Minister zonder Portefeuille en hij had zijn bestuur in Polen. Von Schirach – ik weet niet of hij Minister zonder Portefeuille was; ik meen dat het een keer genoemd is maar weet niet of het juist is dat hij zijn bestuur over Oostenrijk in Wenen had. Ik had verder niets te maken met het staatsbestuur of op enige andere wijze met de staat of de partij.
Dr. DIX: Hoe staat het met de gewone gang van zaken? Waren er misschien circulaires die door Lammers werden verstuurd en waarop u actie ondenam?
SCHACHT: Over het algemeen – en ik denk dat het begrijpelijk is na wat ik hier heb gezegd – lette ik zorgvuldig op elke mogelijkheid om er op enige manier weer tussen te komen maar ik herinner me en stel met absolute zekerheid dat ik gedurende de hele periode tot aan de ineenstorting alles met elkaar slechts drie officiële memoranda heb ontvangen. De vele uitnodigingen voor staatsbegrafenissen en gelijksoortige sociale staatsaangelegenheden hoeven hier niet echt als officiële stukken te worden genoemd. Ik was bij dat soort gelegenheden ook niet aanwezig.
Deze drie gelegenheden zijn echter interessant. De eerste keer was het een brief van Hitler – pardon van Himmler – een circulaire of een verzoek of een wetsvoorstel van Himmler die van plan was de berechting van de zogenaamde asociale elementen binnen de bevolking over te dragen aan de politie, liever gezegd de Gestapo, anders gezegd een grondprincipe van de rechtsgang, de functies van aanklager en rechter te scheiden ......
Dr. DIX: Dat is bekend, Dr. Schacht. U kunt aannemen dat dat bekend is.
SCHACHT: Met betrekking tot deze vraag stemde ik onmiddellijk in met een afschrift dat Reichsminister Frank mij had gestuurd waarin hij stelling nam tegen deze schending van juridische principes en het ontwerp werd geen wet. Het zou inderdaad bijzonder spijtig zijn geweest want ik ben er heilig van overtuigd dat ikzelf een beslist asociaal element was in Himmler’s ogen.
Het tweede voorval was een brief betreffende een discussie over staatseigendommen in Joegoslavië nadat we dat land hadden bezet. Ik antwoordde dat ik geen deel had genomen aan de voorbereidende besprekingen over het ontwerp van die wet en men dus niet op mijn hulp in deze kwestie moest rekenen.
Ten slotte, het derde incident – en dit is het meest belangrijke – deed zich voor in november 1942. Waarschijnlijk per vergissing verscheen er een ontwerp van wet van de Rijksminister voor Luchtvaart dat de suggestie bevatte om leerlingen van 15 en 16 jaar van school te halen en ze in militaire dienst bij de luchtafweer te plaatsen, de Flakdienst. Ik beantwoordde die brief omdat dat voor mij een welkome gelegenheid was om in een lange en gedetailleerde reactie nog eens mijn mening te geven over de militaire situatie en die ik aan Göring stuurde.
Dr. DIX: Op 3 november?
SCHACHT: Het is een brief van 30 november die meen ik op 2 december in gesloten envelop door mijn secretaris persoonlijk aan de adjudant van Göring is overhandigd met het verzoek om hem zelf te openen.
Dr. DIX: Een ogenblik, Dr. Schacht.
(tot het Tribunaal): Die brief is al door de Aanklager ingediend onder nummer 3700-PS maar hij zit ook in ons documentenboek onder bewijsstuk 23, pagina 66 van de Engelse en 59 van de Duitse tekst. Als we niet zo in tijdnood zaten zou het voor mij zeer aangenaam zijn die brief hier in zijn geheel voor te lezen. Het is een hele mooie brief. Ik wil echter op de tijd letten en u alleen maar vragen Dr. Schacht, om kort uw mening over de inhoud te geven.
De PRESIDENT: Het Tribunaal zal de brief lezen. U hoeft hem nu niet voor te lezen, niet waar?
Dr. DIX: Goed dan. Wilt u voor de schorsing in het kort iets zeggen over die brief of wilt u er verder niets meer over zeggen.
SCHACHT: Ja, ik zou in dit verband willen zeggen, als dat mag, dat naar mijn weten die brief hier al is voorgelezen door de Amerikaanse hoofdaanklager, anders gezegd ...
Dr. DIX: Voorgelezen?
SCHACHT: Of genoemd, of tenminste zijn de belangrijkste punten voorgelezen. Ik meen dat het voldoende is wanneer u de brief bij het Hof indient als bewijsmateriaal.
Dr. DIX: Ja, dat is gebeurd.
Was dat uw hele activiteit als Rijksminister zonder Portefeuille?
SCHACHT: Ja, dat was alles.
Dr. DIX: Als men daarom uw positie in een woord zou willen omschrijven zou men kunnen zeggen een “Charaktermajor”?
SCHACHT: Ik weet niet wat een Charaktermajor is, hoe dan ook ik ben nooit majoor geweest maar heb altijd karakter gehad.
Dr. DIX: Maar Dr. Schacht, dit is een historische opmerking over het verlenen van gezag door Keizer Wilhelm I als Duitse Keizer aan Bismarck.
De PRESIDENT: Dit is meen ik een goed moment voor een schorsing.

Definitielijst

Anschluss
Duitse term voor aansluiting waarmee de annexatie van Oostenrijk door Nazi-Duitsland in 1938 (12 maart) wordt bedoeld. Hiermee ging Oostenrijk deel uitmaken van het Groot-Duitse Rijk.
Geallieerden
Verzamelnaam voor de landen / strijdkrachten die vochten tegen Nazi-Duitsland, Italië en Japan gedurende WO 2.
invasie
Gewapende inval.
muiterij
Opstand van soldaten of schepelingen tegen het gezag.
Nazi
Afkorting voor een nationaal socialist.

Pagina navigatie

Informatie

Vertaald door:
Arnold Palthe
Geplaatst op:
27-04-2009
Laatst gewijzigd:
18-04-2010
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

Categorieën


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2017
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.