Verhoor Erich Raeder 1

Ochtendzitting 15-05-1946

Inhoudsopgave

De PRESIDENT: Nu, Dr. Siemers, bent u zover?
Dr. SIEMERS: Heren Rechters, mag ik allereerst zeggen hoe ik van plan ben mijn zaak te presenteren.
Overeenkomstig de suggestie van het Hof zou ik Raeder willen oproepen als beklaagde in verband met alle documenten die de Aanklager tegen hem heeft ingebracht. Ik heb al die documenten aan Raeder gegeven zodat hij ze in de beklaagdenbank voor zich heeft en er geen tijd verloren zal gaan door het elk document afzonderlijk aan hem te overhandigen. De Britse delegatie is zo vriendelijk geweest de documenten, die zich niet het documentenboek van Raeder bevonden, te bundelen in een nieuw documentenboek 10a. Ik neem aan dat dit documentenboek in het bezit van het Tribnaal is.
Om de zaken te vereenvoudigen zal ik voor elk afzonderlijk document de paginanummers van het Engelse documentenboek 10a noemen of van het Engelse documentenboek 10.
Op hetzelfde moment ben ik van plan, met toestemming van het Tribunaal, uit mijn eigen documentenboek die documenten in te dienen die voor ieder geval corresponderen met het onderwerp van behandeling. Ik dank u.
Mag ik nu vragen of Admiraal Raeder naar de beklaagdenbank kan worden geroepen?
(Beklaagde Raeder neemt plaats in de beklaagdenbank.)
De PRESIDENT: Wilt u uw volledige naam zeggen?
ERICH RAEDER (Beklaagde): Erich Raeder.
De PRESIDENT: Wilt u mij deze eed nazeggen: Ik zweer bij God, de Almachtige en Alwetende dat ik de zuivere waarheid zal spreken, niets zal achterhouden en niets zal toevoegen.
(de beklaagde herhaalt de eed.)
Neemt u plaats.
Dr. SIEMERS: Admiraal Raeder, mag ik u allereerst vragen het Tribunaal kort te vertellen over uw verleden en uw professionelel loopbaan?
RAEDER: Ik ben in 1876 in Wandsbeck bij Hamburg geboren. Ik ging in 1894 bij de Marine en werd in 1897 officier. Daarna de gebruikelijke promoties: twee jaar op de Marineacademie, in elk jaar drie maanden om talen te studeren; in Rusland tijdens de Russisich-Japanse oorlog. Van 1906 tot 1908 op het Reichsmarineamt bij de Inlichtingendienst Von Tirpitz, verantwoordelijk voor de buitenlandse pers en de uitgaven Die Marinerundschau en Nautikus.
Van 1910 tot 1912 navigatieofficier aan boord van het Keizerlijke Jacht Hohenzollern; van 1912 tot begin 1918 Eerste Officier van de Marinestaf en Chef Staf van Admiraal Hipper die het bevel voerde over de slagschepen.
Na de Eerste Wereldoorlog bij de Admiraliteit, als Chef van de Centrale Divisie van Admiraal Von Trotha. Daaran twee jaar schrijfwerk op het Marinearchief; geschiedenis van de maritieme oorlogvoering. Van 1922 tot 1924 met de rang van Schout-bij-Nacht inspecteur Trainingen en Opleidingen bij de Marine. Van 1925 tot 1928 vice-admiraal, hoofd van de Baltische marinebasis in Kiel.
Op 1 oktober 1928 benoemde Reichspräsident Von Hindenburg, op voorstel van Reichsverteidigungsminister Groner mij tot Chef Oberkommando der Marine in Berlijn. In 1935 werd ik Oberbefehlshaber der Kriegsmarine en op 1 april 1939 Grossadmiral.
Op 30 januari 1938 trad ik af als OBK en kreeg de titel Inspecteur-admiraal van de Marine maar bleef echter zonder officiële taken.
Dr. SIEMERS: Ik zou op een punt willen terugkomen. U zei dat u in 1935 Opperbevelhebber van de Marine werd. Was dat een nieuwe naam, als ik gelijk heb?
RAEDER: Het was slechts een nieuwe naam.
Dr. SIEMERS: U was dus hoofd van de Marine van 1928 tot 1943?
RAEDER: Ja.
Dr. SIEMERS: Na het Verdrag van Versailles had Duitsland een leger van slechts 100.000 man en een Marine van 15.000 man inclusief officieren. In verhouding tot de grootte van het Reich was de Wehrmaht dus uitzonderlijk klein.
Was Duitsland in de jaren twintig met deze kleine Wehrmacht in staat zich te verdedigen tegen mogelijke aanvallen door buurlanden en met welke gevaren moest Duitsland destijds rekening houden?
RAEDER: Naar mijn mening was Duitsland helemaal niet in staat om zich goed tegen aanvallen te verdedigen, zelfs niet van de kleinste staten, omdat ze geen moderne wapens bezat; de buurlanden, Polen in het bijzonder waren met de meest moderne wapens uitgerust terwijl zelfs de moderne fortificaties Duitsland waren afgenomen. Het gevaar waar tegenover Duitsland zich in jaren twintig voortdurend zag geplaatst was .....
Dr. SIEMERS: Een moment. Gaat u verder, alstublieft.
RAEDER: Het gevaar dat in jaren twintig voortdurend voor Duitsland dreigde was een aanval door Polen op Oost-Pruissen met als doel dit gebied, dat al van de rest van Duitsland was gescheiden door de Corridor, af te snijden en te bezetten. Het gevaar was bijzonder duidelijk voor Duitsland want in die tijd was Vilna door de Polen bezet, midden in een periode van vrede met Lithouwen en Lithouwen nam het Memel gebied in. In het zuiden werd Fiume ook ingenomen, zonder dat de Volkenbond of iemand anders er bezwaar tegen maakte. Het was voor de Duitse regering van toen heel duidelijk dat een ding voor Duitsland niet mocht gebeuren in die tijd van zwakte en dat was de bezetting van Oost-Pruissen en haar afscheiding van het Reich. Onze inspannigen waren dus op gericht op het voorbeiden op en het met alle mogelijke middelen weerstaan van een invasie van Polen in Oost-Pruissen.
Dr. SIEMERS: U zei dat de vrees bestond dat een dergelijke invasie zou plaats vinden. Waren er in de jaren twintig niet diverse grensincidenten?
RAEDER: Ja zeker.
Dr. SIEMERS: Is het waar dat deze gevaren werden erkend, niet alleen door u en door militaire kringen maar ook door de regeringen in die jaren, in het bijzonder door de Sociaal Democraten en door Stresemann?
RAEDER: Ja, ik heb al gezegd dat de regering zich ook realiseerde dat men een dergelijke invasie niet kon laten gebeuren.
Dr. SIEMERS: Nu, de Aanklager heeft u ervan beschuldigd gehandeld te hebben in strijd met internationale wetgeving en in strijd met bestaande verdragen, zelfs al in de tijd voor Hitler.
Op 1 oktober 1928 werd u Chef van het Opperbevel van de Marine en klom dus op naar de hoogste positie binnen de Duitse Marine. Gebruikte u, gezien alle gevaren die u hebt beschreven, al uw krachten om de Duitse Marine op te bouwen binnen het kader van het Verdrag van Versailles, in het bijzonder met als doel het beschermen van Oost-Pruissen.
RAEDER: Ja, ik zette al mijn krachten in voor de wederopbouw van de Marine en dat ging ik als mijn levenswerk zien. In alle stadia van de periode van opbouw van de Marine ontmoette ik grote moeilijkheden en als gevolg moest ik voortdurend op alle mogelijke manieren een gevecht leveren om de wederopbouw te verwezenlijken. Misschien werd ik daardoor wat eenzijdig want dit gevecht om de wederopbouw van de Marine nam al mijn tijd in beslag en weerhield me van deelname aan allerlei andere zaken die er niet direct iets mee te maken hadden.
Behalve de materiële opbouw stelde ik alles in het werk om een kundig officierskorps en goed opgeleide en goed gedisciplineerde bemanningen te vormen. Admiraal Dönitz heeft al een en ander gezegd over het resultaat van deze training voor onze manschappen en officieren en ik zou alleen maar willen bevestigen dat deze Duitse Marinemensen in vredestijd zeer in aanzien stonden, zowel in binnen- als buitenland, voor hun waardige en goede gedrag en hun discipline; ook tijdens de oorlog, toen zij tot het einde toe op voorbeeldige wijze doorvochten. in volledige eenheid, met een vlekkeloze gevechtsmentaliteit en in het algemeen geen deel hadden aan enige wreedheden. Ook in de bezette gebieden waar zij kwamen, bijvoorbeeld in Noorwegen, verdienden zij de volledige instemming van de bevolking wegens hun goede en waardige optreden.
Dr. SIEMERS: Omdat u 15 jaar lang hoofd van de Marine was en hem in die jaren hebt opgebouwd, kan men zeggen dat u als hoofd van die Marine verantwoordelijk bent voor alles wat er gebeurde in verband met die wederopbouw?
RAEDER: Daar ben ik volledig verantwoordelijk voor.
Dr. SIEMERS: Als ik het bij het rechte eind heb, de enige kwalificatie is de datum van 1 oktober 1928?
RAEDER: Wat de materiële wederopbouw betreft.
Dr. SIEMERS: Wie waren uw meerderen wat betreft de wederopbouw van de Marine? U kon natuurlijk niet volkomen zelfstandig handelen.
RAEDER: Ik was allereerst ondergeschikt aan de Reichswehrminister en via hem aan de Reichsregierung, omdat ik daar geen lid van was; ten tweede had ik in deze kwesties ook verantwoording af te leggen aan de Opperbevelhebber van de Wehrmacht. Van 1925 tot 1934 was Reichspräsident Von Hindenburg Opperbevelhebber van de Wehrmacht en na zijn dood op 1 agustus 1934 was Adolf Hitler dat.
Dr. SIEMERS: Meneer de President, mag ik in dit verband bewijsstuk Raeder-3 indienen, een kort uitteksel uit de Grondwet van het Reich. Het is Raeder-3, in documentenboek 1 op pagina 9. Artikel 47 luidt:
“De Reichspräsident voert het opperbevel over alle strijdkrachten van het Reich.”
Ik dien ook het Reichsverteidigungsgestez in als bewijsstuk Raeder-4, documentenboek 1, pagina 11. Ik moet er later op terugkomen maar ik verwijs nu naar Artikel 8 van het Reichsverteidigungsgesetz dat luidt als volgt:
“Het commando ligt uitsluitend in handen van de rechtmatige meerdere.”
“De Reichspräsident is de Opperbevelhebber van alle strijdkrachten. Onder hem heeft de Reichsverteidigungsminister beslissende bevoegdheden over alle strijdkrachten. Aan het hoofd van het Rijksleger staat een Generaal, als chef van het legercommando; aan het hoofd van de Rijksmarine een Admiraal als hoofd van het Marinecommando.” Deze artikelen bleven onder het Nationaalsocialistische regime volledig van kracht. Ik verwijs er alleen maar naar omdat ze bevestigen wat beklaagde heeft gezegd. Wat betreft de wederopbouw van de Marine was hij dus de derde in lijn: Reichspräsident, Reichsverteidigungsminister en dan de hoofden van de diverse afdelingen van de Wehrmacht.
Admiraal, de Aanklager beschuldigt u ervan de Marine te hebben opgebouwd, ten eerste in tegenspraak met het Verdrag van Versailles; ten tweede achter de rug van de Reichstag en van de Reichsregierung en ten derde met de bedoeling een aanvalsoorlog te voeren.
Ik zou u nu willen vragen of de wederopbouw van de Marine in deze periode gebeurde met agressieve of defensieve bedoelingen. Wilt u echter een chronologisch onderscheid maken en eerst spreken over de periode die werd overschaduwd door het Verdrag van Versailles, dat wil zeggen vanaf 1928 tot aan de Maritieme Overeenkomst met Engeland op 18 juni 1935.
Mijn vraag luidt: Vond in deze periode de wederopbouw van de Marine plaats met het doel het voeren van een aanvalsoorlog zoals de Aanklager heeft beweerd?
RAEDER: De wederopbouw van de Marine vond niet in elk opzicht plaats met agressieve bedoelingen. Ongetwijfeld betekende het een schending van het Verdrag van Versailles. Voordat ik op bijzonderheden inga zou ik toestemming willen vragen een paar korte passage voor te lezen uit een rede die ik in 1928 in Kiel en in Stralsund hield, de twee grootste bases van de Marine. Deze toespraak werd voor het publiek gehouden in een week die gewijd was aan een historische gebeurtenis; toen ik mijn functie in Berlijn aanvaardde werd deze rede als mijn programma aan Minister Severing overhandigd die me destijds met enige argwaan bekeek. Dat is de ....
Dr. SIEMERS: Een moment. Raeder’s uitlatingen in 1928 tonen zijn houding van destijds veel duidelijker aan dan zijn huidige herinneringen; en om die reden meen ik dat het Tribunaal mij zal toestaan deze rede in te dienen als bewijsstuk Raeder-6, documentenboek 1, pagina 15. De rede zelf begint op pagina 17. Ik lees voor .....
De PRESIDENT: Ja.?
Dr. SIEMERS: Meneer de President, het zal vijf of tien minuten in beslag nemen, mag ik dus vragen of dit een goed moment is voor eeen schorsing? Ik ben echter wel bereid om door te gaan.
De PRESIDENT: Ik schors de zitting. (de zitting wordt geschorst tot 14:00 uur.)

Definitielijst

Divisie
Bestond meestal uit tussen de een en vier Regimenten en maakte meestal deel uit van een Korps. In theorie bestond een Divisie uit 10.000 - 20.000 man.
Eerste Wereldoorlog
Ook wel Grote Oorlog genoemd, conflict dat ontstond na een groei van het nationalisme, militarisme en neo-kolonialisme in Europa en waarbij twee allianties elkaar bestreden gedurende een vier jaar durende strijd, die zich na een turbulent begin, geheel afspeelde in de loopgraven. De strijdende partijen waren Groot-Brittannië, Frankrijk, Rusland aan de ene kant (de Triple Entente), op den duur versterkt door o.a. Italië en de Verenigde Staten, en Duitsland, Bulgarije, Oostenrijk-Hongarije en het Ottomaanse Rijk aan de andere kant (de Centrale Mogendheden of Centralen). De strijd werd gekenmerkt door enorme aantallen slachtoffers en de inzet van vele nieuwe wapens (vlammenwerpers, vliegtuigen, gifgas, tanks). De oorlog eindigde met de onvoorwaardelijke overgave van Duitsland en zijn bondgenoten in 1918.
invasie
Gewapende inval.
Kriegsmarine
Duitse marine, naast de Heer en de Luftwaffe onderdeel van de Duitse Wehrmacht.
Volkenbond
Internationale volkerenorganisatie voor samenwerking en veiligheid (1920-1941). De bond was gevestigd in Genève, in het altijd neutrale Zwitserland. In de dertiger jaren kon zij weinig uitrichten tegen het agressieve optreden van Japan (Mantsjoerije), Italië (Abessinië) en Hitler. De Volkenbond was in feite de voorganger van de Verenigde Naties.

Pagina navigatie

Informatie

Vertaald door:
Arnold Palthe
Geplaatst op:
26-04-2009
Laatst gewijzigd:
18-04-2010
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

Categorieën


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2017
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.