Verhoor Alfred Jodl 2

Ochtendzitting 1 05-06-1946

Inhoudsopgave

(Beklaagde Jodl neemt weer plaats in de beklaagdenbank).
De BODE: Met welnemen van het Tribunaal, ik deel mee dat beklaagde Seyss-Inquart afwezig is.
PROFESSOR DR. HERBERT KRAUS (Raadsman van beklaagde Schacht): Meneer de President, met instemming van de Aanklager verzoek ik toestemming een memorandum van Hitler te mogen indienen, betreffende het Vierjarenplan van 1936. Het is een gewaarmerkt afschrift, gewaarmerkt door een Brits officier in Kamp Dustbin. Ik heb het nummer Schacht-48 gegeven. Tijdens de middagzitting van 1 mei heeft mijn confrère Dr. Dix naar dit memorandum verwezen dat op dat moment niet in het verslag kon worden opgenomen. Dr. Schacht heeft toen enkele passages uit dit memorandum geciteerd. De President heeft bepaald dat we dit memorandum op een later tijdstip konden indienen op voorwaarde natuurlijk dat de Aanklager ermee instemt. De Aanklager heeft toegestemd en daarom vertrouw ik erop dat het mij nu wordt toegestaan het in te dienen.
Bovendien dien ik een aantal Engelse vertalingen in. Ik betreur het dat ik nog niet in staat ben geweest vertalingen in de andere talen te laten maken en ik verzoek toestemming die vertalingen later in te dienen.
De PRESIDENT: Dr. Kraus, totdat de andere vertalingen ook werkelijk gemaakt zijn kunnen de documenten geen deel uitmaken van het verslag.
Dr. KRAUS: Nee, de Engelse vertalingen zijn beschikbaar en de andere zijn nog niet klaar. Mag ik die later indienen?
De PRESIDENT: Ja zeker. En dan worden ze opgenomen in het verslag.
Dr. KRAUS: Ja, als supplement van het documentenboek.

Dr. EXNER: Generaloberst, u hebt ons gisteren verteld dat u tijdens de oorlog Chef was van de Staf Operaties van de Strijdkrachte en dat uw voornaamste taak bestond uit het voorbereiden van militaire operationele plannen. Dat is juist, niet waar?
JODL: Dat is juist.
Dr. EXNER: Waar kreeg u die plannen dan vandaan? Wie besliste welke plannen u moest maken?
JODL: Het was hetzelfde als bij iedere militaire staf. De Opperbevelhebber - in dit geval de Führer persoonlijk – kreeg gegevens over de beslissingen die moesten worden genomen: kaarten, sterkte van onze eigen en de vijandelijke troepen en gegevens over de vijand. Hij nam dan zijn eigen beslissingen en daarna zette ik mijn generale staf aan het werk om deze besluiten de militaire vorm te geven die nodig was voor het hele apparaat van de Wehrmacht.
Dr. EXNER: Nu hebt u in de loop van die taken en studies ook moeten werken aan operaties die in feite nooit werden uitgevoerd?
JODL: Ik heb een groot aantal van dergelijke operaties voorbereid. Van het totale aantal operaties waarvoor ik de instructies en orders heb voorbereid was er maar een waarvan ik zeker wist dat die zou worden uitgevoerd; dat was de operatie tegen Joegoslavië. In het geval van alle andere operationele plannen bleef het lang onbeslist of die wel of niet zouden worden uitgevoerd. Als voorbeeld van operationele plannen die tot in bijzonderheden waren opgesteld maar nooit uitgevoerd noem ik de invasie van Engeland, de inval in Spanje, de verovering van Gibraltar, de verovering van Malta, de verovering van het Fischer schiereiland bij Petsamo en een winteroffensief bij Kandalakscha tegen de Moermansk spoorweg.
Dr. EXNER: Deze taken van u omvatten dus alle oorlogsgebieden?
JODL: Aan het begin van de oorlog betrof het werk van mijn generale staf helemaal geen oorlogsgebieden maar de instructies van de Führer gingen alleen naar de afdelingen van de Wehrmacht – dat wil zeggen naar het leger, de marine en de Luftwaffe; het was pas tijdens de Noorse campagne dat er voor het eerst een situatie ontstond waarin de Staf Operaties van de Strijdkrachten de verantwoordelijkheid kreeg over een oorlogsgebied. En deze situatue veranderde drastisch toen begin 1942 de Führer zelf het opperbevel over het leger op zich nam. Kesselring is hier al over ondervraagd maar gaf er geen antwoord op. Het spreekt natuurlijk vanzelf dat de Führer, als Opperbevelhebber van de Strijdkrachten geen orders kon geven via Jodl aan hemzelf in zijn hoedanigheid van Opperbevelhebber van het leger en die dan door Generaloberst Zeitzler liet uitvoeren. Dus kwam er een scheiding tot stand. Vanaf dat moment leidde hij, samen met de Generale Staf van het leger het hele Oostfront terwijl de Staf Operaties van de Strijdkrachten de verantwoordelijkheid kreeg voor het werk van de generale staf in alle andere oorlogsgebieden.
Dr. EXNER: Nu heeft getuige Feldmarschall von Paulus tegenover het Tribunaal verklaard dat het OKW verantwoordelijk was voor het bevel Stalingrad te behouden en in feite zijn zowel Keitel en Jodl herhaaldelijk door de buitenlandse pers beschuldigd van het geven van die rampzalige order. Is dat waar?
JODL: Nee, dat is niet waar. De getuige, voor wie ik de meeste sympathie koester en met wie ik op de meest kameraadschappelijke wijze heb samengewerkt kon daar niets over hebben geweten. De feiten zijn als volgt: Op het moment dat er gevaar dreigde, werd de beslissing dat Stalingrad moest worden behouden door de Führer genomen tijdens een persoonlijk onderhoud met Generaloberst Zeitzler en tegen het advies van laatstgenoemde in. Zeitzler vertelde me dat zelf toen hij terugkwam van dat gesprek. Op een later tijdstip, toen de stormen al over de Don steppe raasden werd de kwestie van een doorbraak door het garnizoen in Stalingrad weer besproken. Feldmarschall Keitel, Generaloberst Zeitzler en ik waren bij dat gesprek aanwezig.
De PRESIDENT: Dr. Exner, ik zie hier het belang niet helemaal van in, hoewel Feldmarschall Von Paulus hier iets over gezegd kan hebben. Ik bedoel hij kan wat bewijzen hebben genoemd over de gevechten bij Stalingrad en dat heeft hij ongetwijfeld gedaan; maar ik zie niet in wat het te maken heeft met de zaak die voor ons ligt of wat het te maken heeft met de zaak tegen Jodl.
Dr. EXNER: Meneer de President, hierdoor is de kwestie al opgelost. Het was nodig de fout van Feldmarschall Von Paulus recht te zetten. Maar de kwestie is nu opgelost.
(tot de beklaagde): We komen nu toe aan de tijd toen u in 1939 uit Wenen werd teruggeroepen naar Berlijn. Welke toestand trof u in Berlijn aan bij uw aankomst?
JODL: Ik trof in Berlijn een volkomen onbegrijpelijke situatie aan – tenminste onbegrijpelijk voor mij. Niemand wist wat waarheid of bluf was. Het pact met Rusland versterkte al onze hoop op het behoud van vrede, een hoop die nog verder werd versterkt door het onverwacht afgelasten van de aanval die op 26 augustus had moeten plaatsvinden. Geen van de soldaten die ik sprak verwachtte in die tijd een oorlog tegen de Westerse mogendheden. Er was niets voorbereid, behalve de operaties voor de aanval op Polen.
Er was maar één defensieve opstelling van troepen aan de Westwall. De troepen die daar waren gelegerd waren zo zwak dat we niet eens alle bunkers konden bemannen. De feitelijke inspanningen tot het behoud van vrede, inspanningen waarover ik hier heb gehoord van de Reichsmarschall, de naam Dahlerus – al die onderhandelingen bleven mij onbekend voor zover die niet in de pers werden gepubliceerd. Maar tot slot kan ik een ding zeggen. Toen we van Engeland en Frankrijk een oorlogsverklaring ontvingen was dat voor ons soldaten die in de Eerste Wereldoorlog hadden gevochten als een slag met een knuppel. En ik hoorde in vertrouwen van Generaal Stapf – vandaag de dag is die kwestie niet langer vertrouwelijk – dat de Reichsmarschall op precies dezelfde manier reageerde.
Dr. EXNER: Weet u wanneer Polen zich mobiliseerde?
JODL: Dat kan ik niet zeggen. Ik weet alleen maar dat toen ik in Berlijn aankwam en door Generaal von Stülpnagel voor het eerst werd ingelicht over de situatie en over onze eigen sterkte, er al een Poolse troepeninzet langs de grens aan de gang was, net als aan onze kant.
Dr. EXNER: Dat op zich bevestigt al de beschuldiging die in het openingspleidooi tegen u is geüit, namelijk de “voorbereiding op een aanval tegen Polen.”
Hebt u een plan tegen Polen voorbereid?
JODL: Nee, nog met geen pennestreek heb ik deel gehad aan de voorbereidingen op de oorlog tegen Polen.
Dr. EXNER: Dan heb ik gelijk met te zeggen, om het af te ronden, dat toen u Berlijn verliet er nog geen plan van operatie tegen Polen bestond?
JODL: Nee.
Dr. EXNER: En toen u terugkeerde naar Berlijn was het plan klaar?
JODL: Ja. Het aanvalsplan was geheel uitgewerkt.
Dr. EXNER: Hebt u de toespraak van de Führer van 22 augustus 1939, die hier al zo vaak is aangehaald, gehoord?
JODL: Nee, op die dag was ik nog in Wenen.
Dr. EXNER: Wanneer hoorde u over die toespraak?
JODL: Voor het eerst hier in Neurenberg.
Dr. EXNER: Herinnert u zich de bijeenkomst in de speciale trein van de Führer op 9 september 1939 die hier door Generaal Lahousen is beschreven? Kunt u zich dat herinneren?
JODL: Ja, ik herinner me die bijeenkomst goed.
Dr. EXNER: Wat was het onderwerp van gesprek tijdens die bijeenkomst in de trein van de Führer?
JODL: Ik ontmoette de Führer in het zogenaamde commandorijtuig, in de kaartenkamer waar Feldmarschall Keitel, Canaris en Lahousen waren, Canaris deed kort verslag over de informatie die hij uit het Westen had gekregen en gaf als zijn mening dat een Franse aanval in het gebied rond Saarbrücken op handen was. De Führer sprak dit tegen en ik ook. Afgezien daarvan werd er niets anders besproken.
Dr. EXNER: Dan is Lahousen’s verklaring juist dat u alleen aanwezig was tijdens dat bijzondere deel van het gesprek?
JODL: Wat mij betreft heb ik niets in te brengen tegen Lahousen’s verklaring. Absoluut juist.
Dr. EXNER: Tijdens dit proces is het artillerie- en luchtbombardement op Warschau regelmatig ter sprake gebracht. Had u deel aan het uitgeven van de bevelen hiervoor?
JODL: Ja, daar had ik deel aan in zoverre dat de opperbevelhebber van het leger de Führer om toestemming had verzocht Warschau te bombarderen zogauw de opstelling van de artillerie eenheden voltooid was. De Führer weigerde dat. Hij zei: “Wat hier vanwege de Polen gebeurt is waanzin.” Hij gaf mij opdracht nieuwe strooibiljetten te maken – wat ik zelf direct deed – en liet die nogmaals boven Warschau afwerpen. Pas toen wanneer deze hernieuwde eis de hopeloze tegenstand op te geven volkomen nutteloos was gebleken, gaf hij toestemming voor artilleriebombardementen en luchtaanvallen op de vesting Warschau – en ik leg de nadruk op het woord vesting.
Dr. EXNER: Wanneer u bevelen uitgaf, had u iets te maken met de coördinatie tussen de Duitse en Sovjet Russische operaties?
JODL: Ja. Toen we nog op drie dagmarsen van de Vistula stonden hoorde ik toen ik het hoofdkwartier van de Führer binnen ging tot mijn grote verbazing van – meen ik de vertegenwoordiger van Buitenlandse Zaken – dat de Sovjet Unie de Poolse gebieden zou bezetten ....
De PRESIDENT: Beklaagde, als het voor u hetzelfde is, vind ik dat u wat sneller mag spreken.
JODL: ..... dat de Poolse gebieden ten oosten van een overeengekomen demarcatielijn door Sovjet Russische troepen op de afgesproken tijd zouden worden bezet. Toen we deze overeengekomen demarcatielijn naderden, die mij op een kaart werd getoond – de lijn liep van de oost-Pruissisch - Lithouwse grens, via Narew, de Vistula en de San – belde ik met mijn militaire attaché in Moskou en deelde hem mee dat we vermoedelijk in de loop van de volgende dag de demarcatielijn op enkele plaatsen zouden bereiken. Kort daarna werd mij telefonisch meegedeeld dat de Russische divisies nog niet klaar waren.
Toen we de dag daarna de demarcatielijn bereikten en die moesten oversteken bij de achtervolging van Polen kreeg ik om 02:00 uur weer bericht uit Moskou dat de Sovjet Russische divisies hun posities om 04:00 langs het hele front zouden innemen. Deze manoeuvre werd stipt uitgevoerd en daarna stelde ik een order op voor onze Duitse troepen dat waar ze ook maar contact hadden gemaakt met troepen van de Sovjet Unie, ze zich met hun instemming achter de demarcatielijn moesten terugtrekken.
Dr. EXNER: Weet u op welke dag dit allemaal gebeurde?
JODL: Ik kan u niet precies zeggen wanneer de troepen de demarcatielijn bereikten maar ik zou zeggen dat het op 14 of 15 september was.
Dr. EXNER: We gaan het nu hebben over aanvalsoorlogen tegen de neutrale landen ......
De PRESIDENT: Dr. Exner, wat beklaagde ons net allemaal heeft verteld lijkt me gewoonweg tijdverspilling zonder ook maar enig verband met deze zaak te hebben en waarom u het hem laat vertellen weet ik niet.
Dr. EXNER: U bent ervan beschuldigd, uw persoonlijke invloed en uw nauwe relatie met de Führer te hebben gebruikt om een hele serie neutrale landen aan te vallen. Is dat waar?
JODL: Nee, dat is niet waar. Ik herinner me dat een getuige het hier had over een duistere invloed, een sleutelpositie van een duistere aard – hoe dan ook, iets duisters. Maar mijn invloed op de Führer was helaas zeker niet zo groot als die had kunnen zijn of misschien had moeten zijn gezien de positie die ik bekleedde. De reden lag in de sterke persoonlijkheid van deze despoot die nooit blij was met raadgevers.
Dr. EXNER: Wanneer hoorde u voor het eerst van een plan voor de mogelijke bezetting van Noorwegen?
JODL: De Führer sprak eerst met mij – ik denk dat het midden november 1939 was – hoe dan ook, vrij lang nadat Grossadmiral Raeder met hem had gesproken. Bij dat eerste overleg, dat meen ik op 10 oktober plaatsvond, had ik nog nergens iets over gehoord en de Führer gaf mij ook geen enkele informatie. Maar half november sprak hij erover met mij. Ik hoorde het eerst over de bijzonderheden tijdens het mondelinge verslag dat de opperbevelhebber van de Marine deed op 12 november en waarbij ik aanwezig was.
Dr. EXNER: In dit verband zou ik uw aandacht willen vestigen op document C-64, bewijsstuk GB-86 op pagina 496 van het documentenboek. Maar ik hoef dat niet voor te lezen. Deel I, pagina 46.
Wat was het standpunt van de Führer?
JODL: De algemene houding van de Führer destijds was – die is ook schriftelijk vastgelegd: “Ik ben absoluut niet geïnteresseerd in een uitbreiding van de oorlogsgebieden maar als het gevaar van een bezetting van Noorwegen door Engeland werkelijk bestaat en als dat waar is, dan zou de situatie heel anders worden.”
Dr. EXNER: Werd er destijds iets bevolen?
JODL: Er werd destijds nergens een bevel voor gegeven maar hij droeg me alleen op deze kwestie in zijn algemeenheid te bekijken. Het voorbereidende werk begon op 27 januari 1940, zoals uit de documenten blijkt.
Dr. EXNER: Dat blijkt uit document C-63, bewijsstuk GB-87.
Was u destijds van mening dat de verzekering die Hitler in december en oktober 1939 gaf dat de Noorse neutraliteit zou worden gerespecteerd – was u van mening dat deze garantie werd gegeven met het doel Noorwegen een vals gevoel van veiligheid te geven, zoals door de Aanklager is beweerd?
JODL: Die beschuldiging kan definitief worden weerlegd door middel van een aantal data die ik nu zal noemen. Deze garanties, deze politeke garanties werden door de Führer – of door de Reichsregierung, ik weet niet meer door wie – op 2 september en 6 oktober gegeven. Op 9 oktober las en ondertekende de Führer het beroemde memorandum dat bekend staat als document L-52. Ik weet niet of het Tribunaal op de hoogte is van het feit dat dit een persoonlijk memorandum van de Führer is.
Dr. EXNER: Dat is document L-52, bewijsstuk USA-540. Het is afgedrukt op pagina 48, deel I van mijn documentenboek.
In dit memorandum – voor wie werd dit memorandum geschreven?
JODL: Dit memorandum, wat meen ik duidelijk blijkt uit het document, ging uit naar de drie opperbevelhebbers en naar de Chef van het OKW. Het werd woord voor woord door de Führer zelf gedicteerd en werd in 2 nachten voltooid.
Dr. EXNER: Ik zal alinea 2, op pagina 48 van mijn documentenboek voorlezen:
“De Noordse staten.”
“Er kan worden aangenomen dat hun neutraliteit, vooropgesteld dat er geen onvoorspelbare dingen gebeuren, ook in de toekomst kan worden gehandhaafd. De voortzetting van de Duitse handel met deze landen lijkt mogelijk, zelfs als de oorlog lang gaat duren.”
JODL: Er is absoluut geen sprake van dat de Führer in dit streng geheime memorandum alles genoemd kon hebben behalve zijn ware doel van destijds. Dat echter wordt nog meer begrijpelijk omdat pas 1 dag later, namelijk op 10 oktober, Grossadmiral Raeder deze vrees het eerst aan de Führer meldde.
Dr. EXNER: Was de bezetting van Noorwegen een zware beslissing voor de leiding?
JODL: Het was een zeer zware beslissing. Om het kort te zeggen: het betekende een gok met de hele Duitse vloot. Het resultaat ervan was dat we een kustlijn van meer dan 3.000 kilometer moesten verdedigen en dat betekende dat er meer dan 300.000 man daar niets lag te doen. Daarom hing de beslissing af van werkelijk betrouwbare inlichtingen dat er ook werkelijk gevaar voor Noorwegen dreigde. Dat is de reden waarom er geen precieze datum werd vastgesteld voor deze operatie “Weserübung,” en de reden waarom ik later voorstelde dat de troepen voor de Noorse campagne in geval die nodig mocht worden en voor een aanval in het Westen volledig los van elkaar moesten staan.
Dr. EXNER: Wat waren de redenen waarom de bezetting tot in bijzonderheden moest worden voorbereid?
JODL: De redenen worden heel duidelijk en openlijk vermeld in de order van 1 mei 1940, document C-174 .....
Dr. EXNER: Dat is bewijsstuk GB-89.
JODL: Ja, we moesten in ieder geval voorbereid zijn.
De PRESIDENT: Is dat document 174-PS of wat is het?
Dr. EXNER: Het is niet afgedrukt in mijn documentenboek. Het verwijst naar een document dat de Britse Aanklager heeft ingediend als bewijsstuk GB-89.
De PRESIDENT: Maar 174 moet iets betekenen, niet waar? Op het document staat 174.
Dr. EXNER: Document C-174.
Mr. ROBERTS: Edelachtbare, het is C-174.
De PRESIDENT: C-174. Goed.
Mr. ROBERTS: En het is door Mr. Elwyn Jones ingediend. In documentenboek III.
De PRESIDENT: Ja.
Dr. EXNER: Nu zegt u in uw dagboek dat de Führer naar een rechtvaardiging zocht. De betekenis is hier al uitgelegd maar u zult zelf het beste weten wat de betekenis is, omdat u het zelf geschreven hebt. Wat betekent het?
JODL: De Führer zei in die dagen toen ik het opschreef – niet in mijn dagboek maar in mijn notitieboek, mijn memoboek – hij zei: “Om een dergelijke beslissing te nemen moet ik over absoluut betrouwbare informatie beschikken waarmee ik deze beslissing voor de wereld kan rechtvaardigen en kan bewijzen dat die noodzakelijk was. Ik weet niet, ik hoorde van de heer Quisling alleen maar ..... “ En om die reden hield hij in die dagen in het bijzonder de Inlichtingendienst druk aan het werk om nog nauwkeuriger informaitie voor de Führer in te winnen over de vele rapporten die wij ontvingen.....
Dr. EXNER: Nu heeft Grossadmiral Raeder de feiten verklaard waaruit de plannen van Engeland konden worden afgeleid. Hebt u daar iets aan toe te voegen of is die kwestie afgedaan?
JODL: Algemeen gezegd heeft Grossadmiral Raeder alle informatie al gegeven. Er is een ding wat mij in herinnering is gebleven en wat ook in mijn notitieboek staat. Dat is dat speciale erop aandringen, heel openlijk gesteund in de Franse pers, dat onder alle omstandigheden Duitsland moet worden afgesneden van de Zweedse ertsvoorraden. Dan kwam het mijnen leggen in Noorse wateren; dan kwam het Altmark incident dat volgens mijn studie van het internationaal recht een grove schending was van de overeenkomst die de rechten en plichten van neutrale staten regelt bij de maritieme oorlogvoering, en de Artikelen 1 en 2....
Dr. EXNER: Betreffende de eerste twee punten die beklaagde heeft genoemd zou ik de aandacht wilen vestigen op document 1809-PS – anders gezegd, zijn dagboek, bewijsstuk GB-88, pagina 53 van deel I van mijn verzameling. Er staat een notitie van 10 maart:
“Het nieuws over de Fins-Russische onderhandelingen is vanuit politiek oogpunt zeer bevredigend. De Franse pers is er woedend over want die vindt het noodzakelijk dat Duitsland wordt afgesneden van het Zweedse erts.”
En dan de notitie van 25 maart:
“De Engelsen zijn begonnen onze koopvaarders in Deense en Noorse territoriale wateren lastig te vallen of te beschieten.”
Vertelt u ons nu alstublieft wat de aanleiding was voor de beslissing om aan te vallen.
JODL: De uiteindelijke beslissing van de Führer werd genomen op 2 april en was gebaseerd op twee inlichtingenrapporten. Allereerst de rapporten van de Marine betreffende het herhaaldelijk onder vuur nemen van Duitse koopvaarders in zowel Noorse als Deense territoriale wateren. Ten tweede een rapport van Canaris dat Britse troepen en transportschepen klaar lagen bij het noordelijk gedeelte van de Engelse kust.
Dr. EXNER: Wat zouden de gevolgen voor ons zijn geweest als Engeland daar het eerst was aangekomen?
JODL: Wat dat betreft kan ik verwijzen naar de verklaringen van Grossadmiral Raeder en ik kan alleen maar zeggen dat wanneer Noorwegen eenmaal in Britse handen zou zijn, de oorlog voor ons al half verloren zou zijn geweest. We zouden aan de noordelijke flank strategisch zijn omsingeld en vanwege de zwakte van onze vloot zouden we niet in staat zijn geweest dit ooit nog recht te zetten.
Dr. EXNER: Werd er onweerlegbaar bewijs gevonden dat de Britse plannen ook werkelijk bestonden?
JODL: We veroverden de complete dossiers van de Britse brigade die in Namsos en andere plaatsen landde. In Narvik, waar hij alles verwachtte behalve de aankomst van Duitse schepen, anders had hij aan arrestatie kunnen ontsnappen, verrasten we Romilly, de Britse oorlogscorrespondent en namen hem gevangen. Op de vraag wat hij wilde rapporteren over de oorlog in het vreedzame Narvik kon hij ons helemaal geen inlichtingen geven.
Later veroverden we alle dossiers van de Franse Generale Staf waarvan al een deel door de raadsman van Admiraal Raeder is gepresenteerd. Bijzonder leerzaam en van groot belang voor mij waren de dagboeken die de Engelse officieren en sommige onderofficieren die we in Noorwegen gevangen namen, bij zich hadden. Die bewezen tenminste een ding, namelijk dat al deze troepen al waren ingescheept en weer aan land gezet op het moment waarop onze vloot naar Noorwegen opstoomde.
Dr. EXNER: Ik zou nogmaals willen verwijzen naar twee notities in het dagboek, deel I van mijn documentenboek; de notitie van 24 april en die van 26 april. Daar staat:
“Majoor Soltmann brengt verslag uit over de ondervraging van de Engelsen en legt daarbij belangrijke aanvullende documenten over waaronder de geheime legerlijst. De eerste gevangenen arriveerden tegen de middag in Berlijn. Ze worden verhoord in de Alexander kazerne en bevestigen de echtheid van de orders. Al het materiaal wordt overgedragen aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Tot slot vestig ik ook uw aandacht op Soltmann’s vragenlijst. Het is document AJ, nummer 4 bewijsstuk Jodl-57 dat ik nu indien; pagina 173 in deel II. Ik hoef het niet voor te lezen; ik vestig alleen uw aandacht op het antwoord van Soltmann op de vragen 4 en 5.
Nu een laatste vraag over deze Noorse affaire. De vertegenwoordiger van de Engelse Aanklager heeft gezegd dat dit aantoont hoe edelmoedig de soldaten waren die Noorwegen aanvielen en hoe die daarna gebruik maakten van leugens en uitvluchten. Wat zegt u hierover?
JODL: De Aanklager heeft daarmee een zuiver operationeel probleem op het niveau van soldateneer of menselijke eer geplaatst. Tot nu toe is dat in deze wereld nooit de gewoonte geweest. Ik kan alleen maar zeggen dat ik de Noren niet heb aangevallen en ik heb ook mijn toevlucht niet genomen tot leugens of uitvluchten. Maar ik heb wel degelijk al mijn kracht gebruikt om bij te dragen aan het succes van een operatie die ik als absoluut noodzakelijk beschouwde teneinde een soortgelijke actie van de kant van de Engelsen te voorkomen. Wanneer de zegels van de archieven ooit worden verbroken dan zal de juistheid van mijn houding duidelijk worden aangetoond. Maar zelfs als die verkeerd was dan kan om die reden de eerlijkheid van mijn subjectieve mening op geen enkele manier worden veranderd.
Dr. EXNER: We gaan het nu hebben over de oorlog in het Westen. Was er aan het einde van de Poolse campagne al een operatieplan voor aanvallen in het Westen?
JODL: Nee, om te beginnen bestond er geen plan voor een aanval in het Westen; integendeel, in het bijzonder bij de Landmacht heerste de wijd verspreide mening dat de oorlog als een nachtkaars zou uitgaan wanneer we ons in het Westen alleen maar rustig hielden. Dat ging zelfs zover dat de Opperbevelhebber van de Landmacht parate infanteriedivisies terughaalde naar de kazernes en hen al het mobiele materiaal afnam.
Dr. EXNER: Wist u tijdens de Poolse campagne al wat de bedoelingen van de Führer waren met betrekking tot het Westen?
JODL: De Führer had tijdens de Poolse campagne zelf zijn twijfels. Hij kon ook geen redelijke verklaring vinden voor de inactiviteit van de Franse en Engelse troepen in Frankrijk die slechts een schijnoorlog (the phoney war, Vert.) voerden met behulp van hun oorlogscommuniquées. In werkelijkheid werd er aan het front geen schot gelost. Maar tegen eind september, als ik me goed herinner, realiseerde de Führer zich wel degelijk dat wanneer Engeland aan een oorlog begint, zij die tot het bittere einde uitvecht.
Dr. EXNER: Als officier van de Generale Staf zou u in staat moeten zijn de volgende vragen beter te beantwoorden dan wie dan ook. Konden wij vanuit puur strategisch oogpunt in het defensief blijven voor zover het het Westen betrof?
JODL: Ik zal het zeer kort houden want dergelijke problemen houden geen direct verband met dit proces. Ik wil alleen maar zeggen dat het de grootst mogelijke strategische misser zou zijn geweest, want het overwicht dat we destijds hadden zou noodzakelijkerwijs kleiner zijn geworden in verhouding tot ons uitstel er agressief gebruik van te maken want Engeland bracht voortdurend meer divisies over naar Frankrijk, net als de Fransen dat deden uit hun koloniale rijk.
Ik geloof dat ik daar niet meer over hoef te zeggen.
Dr. EXNER: Ik vestig uw aandacht op document C-62, bewijsstuk GB-106, deel I van mijn documentenboek, pagina 56. Ik hoef het echter niet voor te lezen. Het is een richtlijn voor het voeren van de oorlog en bevat de principiële ideeën die we al hebben gehoord.
JODL: Nog een ding is misschien belangrijker. De Führer achtte dit gevaar, dat we ons overwicht op de lange duur niet zouden handhaven, zo groot dat hij in feite in de winter wilde aanvallen hoewel alle militairen hem dat zonder uitzondering afraadden.
Dr. EXNER: Hier mag de aandacht worden gevestigd op ons document, deel I, pagina 48 en 49. Het is een memorandum van de Führer over de oorlogvoering in het Westen waaruit Jodl al document L-52, bewijsstuk USA-540 heeft geciteerd. Een gedetailleerde rechtvaardiging hiervan staat op pagina 49 van mijn documentenboek.
Waarom werd Frankrijk niet aangevallen zonder de neutraliteit van Nederland, Luxemburg en België te schenden?
JODL: Het was voor de Führer geen kleinigheid om nieuwe vijanden te maken die een sterkte hadden van 500.000 man, de omvang van de Nederlandse en Belgische troepen. Het gevolg was dat wij in het Westen moesten aanvallen met in feite minder troepen, namelijk met 110 divisies tegen de ongeveer 135 van de vijand. Geen enkele militaire commandant zou zo iets doen behalve in een noodgeval.
Dr. EXNER: Wat waren de redenen dan?
JODL: We waren niet in een positie om op het sterkste punt door de Maginotlinie heen te breken - die dan niet in onze handen zou blijven – namelijk tussen de Rijn en de Luxemburgse grens, of de Boven-Rijn waar de Vogezen een extra hindernis vormden bij het doorbreken van de Westwall op deze punten, deze Maginotlinie. Voor dat doel ontbrak het ons aan zware artillerie. Maar dat was geen morele reden, in feite een nogal immorele.
Het grote gevaar lag in het feit dat een dergelijke langdurige aanval op de fortificaties ons bloot zou stellen aan een aanval in de rug door de gecombineerde Engelse en Franse mobiele eenheden die door België en Nederland oprukten; ze stonden voor deze specifieke taak om zo te zeggen al ten noorden van Lille met draaiende motoren klaar. En de beslissende factor was dat op grond van de vele rapporten die ons bereikten de Führer en wij zelf, de militairen beslist de indruk hadden dat de neutraliteit van België en Nederland slechts schijn was en misleidend.
Dr. EXNER: Hoe kwm u tot die conclusie?
JODL: Afzonderlijk zijn die rapporten niet van groot belang. Er waren echter een oneindig aantal rapporten van Canaris. Die werden aangevuld en bevestigd door brieven van Il Duce, Mussolini. Maar wat onomstotelijk werd bewezen en volkomen zeker was dat ik zelf iedere dag op de kaarten kon zien was het ‘s nachts heen en weer vliegen door de RAF, zonder zich iets van de neutraliteit van Nederland of België aan te trekken. Dat versterkte ons in onze overtuiging dat zelfs wanneer de twee landen dat wensten – en misschiern wensten die landen dat in het begin ook – dat ze op de lange duur onmogelijk neutraal konden blijven.
Dr. EXNER: Wat voor gevaar zou een bezetting van België en Nederland door Engeland en Frankrijk voor ons hebben betekend?
JODL: Die gevaren werden duidelijk door de Führer aangegeven, eerst in zijn memorandum Document L-52 dat hier herhaaldelijk is geciteerd. Daar staat, op pagina 48 van het documentenboek, in de laatste alinea op de pagina een verwijzing naar het enorme belang van het Roergebied waarvoor – dit terzijde – zelfs vandaag de dag voldoende bewijs bestaat.
In zijn rede van 23 november 1939 tot de opperbevelhebbers – document 789-PS , bewijsstuk USA-23 – beschrijft hij op pagina 59, deel I van het documentenboek nogmaals precies wat dat gevaar voor het Roergebied zou zijn als op een dag Britse en Amerikaanse troepen bij verrassing in dat gebied zouden verschijnen. Hij verwees ernaar als de “Achilleshiel”en dat is precies wat het voor de Duitse oorlogsstrategie was.
Dr. EXNER: En daar zei hij, op pagina 59 van ons documentenboek:
“We hebben een Achilleshiel, het Roergebied. De strategie van de oorlog hangt af van het in bezit hebben van het Roergebied. Als Engeland en Frankrijk door België en Nederland doorstoten naar het Roergebied zullen we in het allergrootste gevaar verkeren.”
JODL: Ik kan natuurlijk nu niet, of kon destijds niet zweren op de absolute juistheid van de rapporten van Canaris maar het materiaal dat we later veroverden – en in dit verband zou ik willen wijzen op de vergadering van de Opperste Oorlogsraad in Londen van 17 november 1939 – bevestigde over het algemeen de juistheid van de inlichtingenrapporten.
Dr. EXNER: Blijkbaar had u destijds geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van Canaris, niet waar?
JODL: Nee. Destijds was er niet de minste reden tot twijfel.
Dr. EXNER: Ja, maar nu is er enige twijfel gerezen rond zijn betrouwbaarheid.
Nu zou de Duitse aanval oorspronkelijk in november 1939 beginnen. Waarom stelde de Führer die keer op keer uit? Er liggen niet minder dan 17 orders voor ons waarin keer op keer de aanval wordt uitgesteld.
JODL: Het is niet helemaal juist te stellen dat de Führer bevel had gegeven voor de aanval midden november maar eerder wilde hij bevel geven voor de aanval op een tijdstip waarop de weerkundigen ongeveer 6 tot 7 dagen met helder vriesweer konden voorspellen. Maar de weerkundigen faalden hierin volledig. Soms dachten we: ze konden een bepaalde weerssituatie voorspellen en dus werden alle voorbereidingen voor de aanval getroffen. Dan trokken ze die weersverwachting weer in en de laatste voorbereidingen voor de aanval werden weer stilgelegd. Daarom troffen we zo vaak voorbereidingen voor een aanval maar zagen af van de uitvoering ervan.
Bij een dergelijke gelegenheid kreeg ik een rapport van Canaris dat een eenheid van het Franse leger al een deel van de Belgische grens was overgestoken. Of dat waar is weet ik niet.
Dr. EXNER: U bent door de Aanklager ervan beschuldigd, deze landen eerst te hebben misleid om ze daarna binnen te vallen. Vertelt u ons wat u over dat onderwerp te zeggen hebt.
JODL: Hier geldt hetzelfde wat ik eerder zei. Ik was geen politicus, en ik was ook niet de opperbevelhebber van de Wehrmacht. Ik had de indruk – en inderdaad, een indruk die kon worden bewezen - dat de neutraliteit van deze twee landen niet langer werd gerespecteerd. En wat betreft de ethische code van mijn acties moet ik zeggen dat dat gehoorzaamheid was – want gehoorzaamheid is nu eenmaal de ethische basis van de militair. Dat ik deze code van gehoorzaamheid niet uitbreidde naar de code van blinde gehoorzaamheid van de slaaf is naar mijn mening onomstotelijk bewezen door mijn eerdere getuigenis. Niettemin kunt u niet om het feit heen dat er in het bijzonder in operationele zaken voor de soldaat geen andere weg is dan gehoorzaamheid. En als de Aanklager zich vandaag in een positie bevindt om Duitse officieren te beschuldigen, dan heeft hij dat slechts te danken aan het ethische concept van gehoorzaamheid van zijn eigen dappere soldaten.
Dr. EXNER: We komen nu toe aan de Balkan. In uw dagboek, document 1809-PS maakte u op 19 maart de volgende notitie: “De Balkan moet en zal rustig blijven.” Dat staat op pagina 61 van deel I van mijn boek, bewijsstuk GB-88, document 1809-PS, de notitie van 19 maart. Er staat eerst:
“De Führer is stralend van blijdschap en geheel tevreden gesteld teruggekeerd van de conferentie met Il Duce. Volledige overenstemming....... De Balkan moet en zal rustig blijven.”
JODL: Professor, ik moet u verbeteren. Dit is mijn dagboek niet.
Dr. EXNER: Ja. Dan moet ik u een andere vraag stellen. Er wordt altijd over uw dagboek en uw dagboeken gesproken. Legt u eens uit wat dat is – waar we het hier over hebben. Is het ene een echt dagboek en het andere niet?
JODL: Er is maar een dagboek en dat is document 1780-PS, dat loopt van 1937 tot 1938 en ik maakte daar gewoonlijk iedere avond notities in.
Dr. EXNER: En n u dit dagboek, document 1809-PS, wat was dat?
JODL: Ik heb tijdens de oorlog helemaal geen dagboek bijgehouden, maar ik schreef natuurlijk dozijnen notitieboekjes vol. Wanneer een van deze boekjes vol was markeerde ik de belangerijke passages in rood in de kantlijn en die tikte mijn secretaris later uit omdat ze van belang konden zijn voor de geschiedschrijving van de oorlog en voor het officiële dagboek van de Staf Operaties van de Strijdkrachten. Document 1809-PS zou daarvan een voorbeeld kunnen zijn.
Dr. EXNER: Controleerde u wat uw secretaris had samengesteld?
JODL: Nee, dat controleerde ik niet en ik heb het nooit teruggezien. Het is toen in handen van de Aanklager gekomen.
Dr. EXNER: Nu is er nog een derde dat hier altijd wordt aangehaald als een dagboek. Dat is het dagboek van de Staf Operaties van de Strijdkrachten.
De PRESIDENT: U zei dat het in handen van de Aanklager kwam. Bedoelt u dat het niet een van de documenten was die u aan de Aanklager hebt overgedragen?
JODL: Nee, ik wist helemaal niet waar die uittreksels uit mijn notitieboekjes waren gebleven. De Aanklager heeft ze op een of andere manier in beslag genomen. Het restant bestaat uit uittreksels en gedeeltelijke uittreksels uit het officiële dagboek van de Staf Operaties van de Strijdkrachten.
Dr. EXNER: En wie hield dit officiële dagboek van de Staf Operaties van de Strijdkrachten bij? U niet?
JODL: Nee, het werd altijd bijgehouden door een door mij uitgekozen hoog gekwalificeerde expert.
Dr. EXNER: Controleerde u dat?
JODL: De uiteindelijke controle werd gedaan door Dr. Schramm, lector aan de Universiteit van Göttingen.
Dr. EXNER: We zullen hem als getuige verhoren.
Controleerde u de notities die in dat officiële dagboek werden gemaakt of niet?
JODL: Gewoonlijk had ik daar geen tijd voor maar Generaal Schei las het door en als hij iets bijzonders ontdekte vestigde hij er mijn aandacht op.
Dr. EXNER: Nou, dat is dan opgehelderd.
We komen nu weer terug op de kwestie van de Balkan. Er staat in uw zogenaamde dagboek: “De Balkan moet en zal rustig blijven.” Wat werd daarmee bedoeld?
JODL: Dat was een korte notitie bij de verklaring van de Führer namelijk dat hij met Mussolini volledig overeenstemming had bereikt dat de Balkan rustig gehouden moest worden.
Dr. EXNER: En probeerden we in feite niet de Balkanstaten zo rustig mogelijk te houden?
JODL: Ja, daartoe deden we onophoudelijke pogingen. Onze houding ten opzichte van Joegoslavië was net zo bezorgd alsof we met een prima donna te maken hadden. De kwestie ging zover dat toen we de Griekse campagne moesten voorbereiden, de Führer zelfs een voorstel van de Kwartiermeester-generaal van het leger weigerde dat verzegelde treinen – de bevoorradingstreinen - via Joegoslavië gestuurd zouden worden, iets dat op grond van internationale wetgeving toelaatbaar zou zijn geweest. Bovendien oefenden we druk uit op Bulgarije zodat zij zich buiten de aanstaande campagne tegen Griekenland zou houden, bovenal om Turkije niet van ons te vervreemden. En zelfs na de Grieks-Italiaanse campagne hoopte de Führer nog steeds dat een conflict, een echte oorlog tussen Griekenland en Duitsland voorkomen kon worden.
Dr. EXNER: Ik verwijs hier naar Directief 18, op pagina 66 van deel I van ons documentenboek, dat een uittreksel bevat uit document 444-PS, bewijsstuk GB-116 en hier vinden we de volgende uitlating in de een na laatste alinea:
“De voorbereidende maatregelen van het Opperbevel voor het voeren van de oorlog in de nabije toekomst moeten worden genomen met inachtneming van de volgende leidende principes....
En dan staat er in de voorlaatste alinea op die pagina:
“Op het gebruik van de spoorweg door Joegoslavië voor de opstelling van deze troepen mag niet worden gerekend.....”
Nou, wat dwong ons die maatregel op te geven?
JODL: Die maatregel werd volledig om zeep geholpen door de willekeurige actie van Italië waarover de Reichsmarschall en de Grossadmiral al verklaringen hebben afgelegd. Ik heb slechts een korte toevoeging. Italië werd verslagen zoals gewoonlijk en stuurde de Chef van de Operationele Staf van het Oppercommando naar mij toe, smekend om hulp. Maar ondanks deze ramp greep de Führer niet in in de oorlog in Albanië. Hij stuurde er geen enkele Duitse soldaat heen, hoewel daar wel aan gedacht was. Hij gaf slechts bevel voor een operatie tegen Griekenland, te beginnen vanuit Bulgarije die voor het volgende voorjaar moest worden voorbereid.
Zelfs dat was voor het voornaamste doel de vlakte van Saloniki te bezetten, daarbij directe steun te verlenen aan de Italianen en alleen in het geval, waarvoor wel degelijk werd gevreesd, dat Engelse divisies op de Balkan landden als gevolg van de stommitiet van Italië. In dat geval werd besloten heel Griekenland als oorlogsgebied te beschouwen omdat we onmogelijk konden toestaan dat de RAF een basis zou krijgen in de onmiddellijke nabijheid van de Roemeense olievelden. En dit gevaar wordt duidelijk aangetoond in de order die bij het Tribunaal is ingediend als document 1541-PS, bewijsstuk GB-117, pagina 63 en 64 van het documentenboek. Ik zou twee passages willen citeren; twee hele korte passages eruit. In alinea 2, sub b op pagina 63 staat:
“Operatie Marita. Mijn plan daarvoor is – “ ik citeer – “om de troepen dwars door Bulgarije te sturen voor het bezetten van de noord Aegïsche kust en zonodig het hele vasteland van Griekenland.”
Ik citeer vervolgens van pagina 64, alinea 4, sub a:
“Het primaire doel van de operatie is de bezetting van Aegïsche kust en de vlakte van Saloniki. Het voortzetten van de aanval via Larissa en het schiereiland van Korinthië kan noodzakelijk zijn.”
Het is uit deze voorwaardelijke orders volkomen duidelijk dat een bezetting van heel Griekenland aleen bedoeld was als we hiertoe zouden worden gedwongen door de landing van Engelse troepen, wat toen nog niet het geval was.
De PRESIDENT: Ik schors de zitting.

Definitielijst

artillerie
Verzamelnaam voor krijgswerktuigen waarmee men projectielen afschiet. De moderne term artillerie duidt in het algemeen geschut aan, waarvan de schootsafstanden en kalibers boven bepaalde grenzen vallen. Met artillerie duidt men ook een legeronderdeel aan dat zich voornamelijk van geschut bedient.
brigade
Bestond meestal uit twee of meer Regimenten. Kon onafhankelijk of als een deel van een Divisie dienen. Soms waren ze deel van een Korps in plaats van een Divisie. In theorie bestond een Brigade uit 5.000 - 7.000 man.
Dustbin
Britse equivalent van de Ashcan, ofwel de Britse gevangenis voor hooggeplaatste nazi-functionarissen.
Eerste Wereldoorlog
Ook wel Grote Oorlog genoemd, conflict dat ontstond na een groei van het nationalisme, militarisme en neo-kolonialisme in Europa en waarbij twee allianties elkaar bestreden gedurende een vier jaar durende strijd, die zich na een turbulent begin, geheel afspeelde in de loopgraven. De strijdende partijen waren Groot-Brittannië, Frankrijk, Rusland aan de ene kant (de Triple Entente), op den duur versterkt door o.a. Italië en de Verenigde Staten, en Duitsland, Bulgarije, Oostenrijk-Hongarije en het Ottomaanse Rijk aan de andere kant (de Centrale Mogendheden of Centralen). De strijd werd gekenmerkt door enorme aantallen slachtoffers en de inzet van vele nieuwe wapens (vlammenwerpers, vliegtuigen, gifgas, tanks). De oorlog eindigde met de onvoorwaardelijke overgave van Duitsland en zijn bondgenoten in 1918.
Führer
Duits woord voor leider. Hitler was gedurende zijn machtsperiode de führer van nazi-Duitsland.
invasie
Gewapende inval.
Luftwaffe
Duitse luchtmacht.
Maginotlinie
Franse verdedigingslinie aan de Frans-Duitse grens.
neutraliteit
Onpartijdigheid, onzijdigheid, tussen de partijen instaand, geen partij kiezen.
Operatie Marita
Duitse codenaam voor de bezetting van Griekenland
Vierjarenplan
Duits economisch plan dat gericht was op alle sectoren van de economie waarbij de vastgestelde productiedoelen in 4 jaar gehaald moeten worden.
Westwall
Wordt ook wel Siegfriedlinie genoemd, de Duitse verdedingingslinie aan de Frans-Duitse grens.

Pagina navigatie

Informatie

Vertaald door:
Arnold Palthe
Geplaatst op:
01-07-2009
Laatst gewijzigd:
18-04-2010
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

Categorieën


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2017
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.