Verhoor Walter Funk 2

Ochtendzitting 1 06-05-1946

Inhoudsopgave

(Beklaagde Funk neemt weer plaats in de beklaagdenbank.)
Dr. SAUTER: Meneer de President, ik zal mijn ondervraging van de beklaagde Dr. Funk voortzetten. Op zaterdag hebben we de benoeming van Dr. Funk tot Reichswirtschaftsminister besproken en ik ga nu over op zijn benoeming tot Reichsbankpräsident.
Beklaagde, ik meen dat het in januari 1939 was toen u ook President van de Reichsbank werd als opvolger van Dr. Schacht. Hoe kwam die benoeming tot stand?
FUNK: Ik was half januari 1939 net teruggekeerd van een reis. Ik werd bij de Führer geroepen en trof hem in grote staat van opwinding. Hij vertelde me dat de Reichsfinanzminister hem had gemeld dat Schacht de noodzakelijke kredieten had geweigerd en dat het Reich zich in grote financiële nood bevond. De Führer zei mij in grote opwinding dat Schacht zijn beleid saboteerde, dat hij de bemoeienissen van de Reichsbank met zijn beleid niet langer zou dulden en dat de heren van het Reichsbankdirektorat grote idioten waren als zij dachten dat hij het zou accepteren. Geen regering en geen staashoofd ter wereld kon beleid afhankelijk stellen van het al of niet meewerken van de centrale bank.
De Führer verklaarde verder dat hij zelf van nu af aan, op voorstellen en vragen van de Reichsfinanzminister alle kredieten zou regelen die door de Reichsbank aan het Reich moesten worden verstrekt. Hij had Lammers instructie gegeven om samen met de Reichsfinanzminister een decreet op te stellen waarbij de status van de Reichsbank, zoals vastgelegd in de bepalingen van het Verdrag van Versailles zou worden gewijzigd en waardoor de voorwaarden voor het verstrekken van kredieten aan het Reich voortaan door hemzelf zouden worden bepaald.
De Führer zei verder dat hij mij ging vragen de leiding van de Reichsbank op mij te nemen, waarop ik antwoordde dat ik graag aan zijn verzoek zou voldoen maar dat ik eerst van hem de verzekering moest hebben dat de voorwaarden voor het stabiliseren van de munt gehandhaafd zouden worden.
De mening die hier door een getuige is geüit dat er inflatie zou ontstaan door een verder verstrekken van kredieten in die tijd is verkeerd en volkomen onhoudbaar. Hoewel 12.000 miljoen aan kredieten de inflatie kunnen bevorderen, zal 20.000 miljoen niet noodzakelijk tot inflatie leiden wanneer de staat de nodige bevoegdheden heeft om lonen en prijzen te stabiliseren en de regeling van prijzen uit te voeren en als de bevolking in dit opzicht de nodige discipline handhaaft en als tenslotte het geld dat als gevolg van toegenomen kredieten een bovenmatige koopkracht vertegenwoordigt terugvloeit via belastingen of met leningen wordt opgenomen, dan is er wat de munt betreft geen enkel gevaar.
Het is een feit dat de Reichsmark, tot aan de uiteindelijke ineenstorting, op een stabiele basis werd gehouden. Voor zover het de eerste levensbehoeften betreft was de koopkracht in Duitsland verzekerd. Natuurlijk was de waarde beperkt omdat gebruiksgoederen slechts in zeer geringe mate werden geproduceerd want bijna alle productiecapaciteit werd besteed aan bewapening.
Dr. SAUTER: Dr, Funk, bent u klaar?
FUNK: Een ogenblik graag, ik vind dat dit een zeer belangrijke vraag is.
In andere landen werden gedurende oorlog ook grote kredieten verstrekt die op geen enkele wijze een inflatie veroorzaakten. De nationale schuld van de Verenigde Staten was net als in Engeland relatief en voor een deel zelfs absoluut hoger dan die van Duitsland. En ook in deze landen werd door een gezond financieel beleid de oude theorie onderuit gehaald dat een oolorg per definitie de vernietiging van de geldswaarde veroorzaakt.
Het Duitse volk heeft tot aan het einde, tot aan de vreselijke ineenstorting een bewonderenswaardige discipline getoond. Geld zal als functie van de staat zijn waarde behouden en een munteenheid zal functioneren zolang de staat de bevoegdheid heeft een stabiele basis te handhaven, de economie onder controle te houden en zolang de mensen zelf de nodige discipline in acht nemen.
Dus nam ik die functie over, niet in de wetenschap dat Duitsland een periode van inflatie tegemoet ging maar in tegendeel, ik wist heel goed dat door het handhaven van een juist regeringsbeleid de munt kon worden beschermd en dat gebeurde ook. Het kardinale verschil tussen mijn positie en die van Schacht lag echter in het feit dat gedurende Schacht’s zittingsperiode de Reichsbank het verlenen van kredieten aan het Reich kon bepalen, terwijl deze bevoegdheid mij werd ontnomen en de verantwoordelijkheid voor de nationale financiering werd daarom overgedragen aan de Minister van Financiën of natuurlijk aan de Führer zelf.
Dr. SAUTER: Dr. Funk, ik heb nog een vraag. Misschien kunt u, ondanks uw slechte gezondheidstoestand van vandaag iets luider spreken zodat de stenografen u wat beter kunnen horen. Probeert u het alstublieft en we zullen dit zo kort mogelijk houden.
Beklaagde, naast deze functies van u die we tot nu toe hebben besproken had u uiteindelijk nog een functie als opvolger van Dr. Schacht, namelijk die van Algemeen Gevolmachtigde voor Economie. Kunt u ons in dit verband bijzonderheden geven over uw mening teneinde uw situatie te verduidelijken, uw activiteiten en wat u bereikt hebt?
FUNK: Van alle functies die ik bekleedde was dit de minst indrukwekkende. Zoals de Reichsmarschall terecht heeft opgemerkt en zoals Dr. Lammers dat bevestigde, bestond die alleen maar op papier. Dat was ook een groot verschil tussen de positie die Schacht had en die ik had.
Schacht was benoemd tot Algemeen Gevolmachtigde voor de Oorlogseconomie. Aan de andere kant was ik Algemeen Gevolmachtigde voor de Economie. Op grond van het Reichsverteidigungsgesetz van 1938 had de Algemeen Gevolmachtigde voor de Economie tot taak de civiele economische departementen te coördineren bij de voorbereiding op oorlog. Maar in de tussentijd waren deze economische departementen ondergeschikt gemaakt aan de Gedelegeerde voor het Vierjarenplan en ik, als Algemeen Gevolmachtigde voor de Economie was ook ondergeschikt aan de Gedelegeerde voor het Vierjarenplan.
Als gevolg heerste er verwarring en kwesties van bevoegdheid en gezag, zoals die formeel waren vastgelegd, overlapten elkaar. Het resultaat was een decreet van de Führer net voor het begin van de oorlog dat de jure en formeel het gezag van de Algemeen Gevolmachtigde voor de Economie, voor zover het de civiele economische departementen betrof, overhevelde naar de Gedelegeerde voor het Vierjarenplan.
Dr. SAUTER: Wanneer was dat?
FUNK: Dat was in december 1939. Er bleef slechts een formele bevoegdheid over om besluiten uit te vaardigen, dat wil zeggen ik kon besluiten ondertekenen namens de vijf civiele economische departementen. die op grond van het Reichsverteidigungsgesetz ondergeschikt waren aan de Gevolmachtigde. Ik behield het gezag over het Ministerie van Economische Zaken en over de Reichsbank, dat ik toch al had.
Dr. SAUTER: Maar zelfs in die functies bleef u ondergeschikt aan de Gedelegeerde voor het Vierjarenplan; is dat juist?
FUNK: Ja, net als de vijf civiele economische departementen. Alleen met de Minister van Economische Zaken zelf had ik een nauwere band.
Dr. SAUTER: Beklaagde, in augustus 1939, direct voor het begin van de Poolse campagne, riep u in uw hoedanigheid als Algemeen Gevolmachtigde voor Economie de civiele economische departementen bijeen voor overleg en document 33247-PS gaat over deze bijeenkomst. Het lijkt me belangrijk dat u uw houding op dit punt ook beschrijft, in het bijzonder met verwijzing naar het feit dat uw brief aan Hitler van 25 augustus blijkbaar een gevolg van deze bijeenkomst was. Deze kwestie wordt genoemd op pagina 24 van uw Akte van Beschuldiging. Wilt u daar iets over zeggen?
FUNK: Tijdens de zittingsperiode van Schacht bestond er een bureau voor de Algemeen Gevolmachtigde voor Economie en er werd een werkcommissie gevormd die bestond uit vertegenwoordigers van de diverse economische departementen, van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, van de Algemeen Gevolmachtigde voor het Bestuur, van het OKW en bovenal van het Vierjarenplan.
Toen Schacht aftrad werd de leiding van deze commissie en die van het bureau van de Algemeen Gevolmachtigde voor Economie overgedragen aan Dr. Posse, zijn voormalige staatssecretaris terwijl onder Schacht Staatsrat Wohlthat er de leiding over had gehad. Deze mensen voerden natuurlijk voortdurend overleg waarin ze de maatregelen bespraken die op economisch gebied nodig waren voor het voeren van een oorlog. En dit was de organisatie van de Algemeen Gevolmachtigde voor Economie waarover ik het had in mijn toespraak in Wenen die hier is genoemd. Die organisatie bestond naast het Vierjarenplan en had in het algemeen de taak de vredeseconomie soepel te laten overgaan in een oorlogseconomie in geval van een oorlog en de voorbereiding van het economisch bestuur onder oorlogsomstandigheden.
Toen er in augustus 1939 een oorlog met Polen dreigde riep ik de hoofden van de economische departementen bijeen en ook de vertegenwoordigers van het Vierjarenplan en in onderling overleg werkten we de maatregelen uit die nodig waren voor een soepele overgang met zo min mogelijk verstoringen naar een oorlogseconomie in geval van een oorlog.
Dat waren de voorstellen die ik deed in mijn brief aan de Führer van 25 augustus 1939, op een tijdstip waarop de Duitse en Poolse legers al in volledige staat van paraatheid tegenover elkaar stonden.
Het was natuurlijk mijn taak er alles aan te doen om ontregeling van de vredeseconomie in geval van oorlog te voorkomen en het was mijn plicht als President van de Reichsbank de voorraden goud en vreemde valuta zo veel mogerlijk te vergroten.
Dat was allereerst nodig vanwege de algemene politieke spanning die er toen heerste. Het zou ook nodig zijn geweest als de oorlog helemaal niet was uitgebroken maar zelfs als er alleen maar economische sancties zouden worden opgelegd zoals te verwachten was op grond van de algemene politieke spanning die destijds in het buitenland heerste. En het was net zo goed mijn taak als Minister van Economie er alles aan te doen om de productie te verhogen.
Maar ik bemoeide mij niet met de financiële eisen van de Wehrmacht en ik had niets te maken met kwesties van bewapening omdat, zoals ik al heb gezegd de leiding, in vredestijd zowel als in oorlogstijd was overgedragen aan de Gedelegeerde voor het Vierjarenplan.
De reden dat ik mij destijds afzijdig hield van het werk van die commissie is de volgende:
Persoonlijk geloofde ik niet dat er oorlog zou komen en iedereen die destijds dit onderwerp met mij besprak zal dit bevestigen. In de maanden voor het uitbreken van de oorlog concentreerde ik al mijn energie op internationale onderhandelingen om een beter internationaal economisch stelsel tot stand te brengen en de handelsrelaties tussen Duitsland en haar buitenlandse partners te verbeteren.
Destijds werd er geregeld dat de Britse ministers Hudson en Stanley mij in Berlijn zouden bezoeken. Zelf zou ik voor onderhandelingen naar Parijs gaan, waar ik in 1937 enkele leden van het kabinet had leren kennen toen ik daar een grote Duitse culturele manifestatie organiseerde.
Het onderwerp kortlopende buitenlandse kredieten moest weer worden besproken en geregeld, het zogeheten moratorium. Ik had hiervoor nieuwe voorstellen uitgewerkt die enthousiast werden ontvangen, in het bijzonder in Engeland. In juni 1939 vond er een internationale financiële discussie plaats op mijn departement in Berlijn waaraan vooraanstaande vertegenwoordigers van banken uit de Verenigde Staten, Engeland, Nederland, Frankrijk, België, Zwitserland en Zweden deelnamen.
Deze besprekingen leidden tot resultaten die iedereen tevreden stelden. Op hetzelfde moment voerde ik de ruil of overdracht van Reichsbankbezittingen in het buitenland uit. Deze ruil van goudcertificaten werd ook in kringen van buitenlandse banken en in de buitenlandse pers zeer eerlijk en rechtvaardig gevonden.
In juni van dat jaar ging ik naar Nederland om over handelsovereenkomsten te onderhandelen. Ik nam ook, tot in juli 1939 deel aan het gebruikelijke maandelijkse overleg op de International Clearing Bank in Basel. Ondanks de sterke politieke spanning die toen heerste was ik ervan overtuigd dat een oorlog kon worden voorkomen en ik uitte die overtuiging in al mijn gesprekken, thuis en in het buitenland. En het is daarom dat ik in die maanden nauwelijks was geïnteresseerd in de discussies en gesprekken over het financieren van de oorlog en de vorm van de oorlogseconomie.
Ik had natuurlijk aan de Reichsbank instructies gegeven om haar beschikbare economische bezittingen in het buitenland zoveel mogelijk te gebruiken om goud te verkrijgen en onze buitenlandse bezittingen te vergroten. Maar in die paar maanden voor de oorlog van mijn activiteit op dit gebied was het succes van die pogingen maar gering. Onze bezittingen aan goud en vreemde valuta, zoals die door Schacht aan mij werden overgedragen, bleven in het algemeen ongewijzigd tot aan de oorlog.
In mijn vragenlijst aan de vice-President van de Reichsbank heb ik om opheldering gevraagd over deze transacties omdat het Direktoraat van de Reichsbank en haar directeur, destijds was dat Puhl, informatie over deze kwestie moeten hebben. De antwoorden op deze vragen zijn helaas, moet ik zeggen, nog niet binnen.
Dr. SAUTER: Beklaagde, u hebt deze details blijkbaar gegeven om aan te tonen dat u ondanks de politieke spanning van toen zelfs niet serieus aan oorlog dacht?
FUNK: Niet tot augustus 1939.
Dr. SAUTER: We hebben in de loop van deze processen gehoord over een reeks gesprekken die Hitler voerde met generaals en andere personen en die gingen over militaire en politieke zaken. Al deze gesprekken, moeten we vandaag zeggen, stonden in nauw verband met voorbereidingen op oorlog.
Bij welke van deze gesprekken was u aanwezig en wat maakte u daaruit op?
FUNK: Ik werd nooit bij politieke en militaire gesprekken geroepen en ik heb deelgenomen aan geen van de gesprekken die hier zijn genoemd in verband met de beschuldiging van het voorbereiden van aanvalsoorlogen, voor zover het gesprekken met de Führer betreft. Ik werd ook niet ingelicht over de inhoud van die gesprekken. En voor zover ik mij kan herinneren was ik bijna nooit aanwezig bij gesprekken met de Reichsmarschall wanneer dit onderwerp werd behandeld.
Ik ben hier geconfronteerd met een bijeenkomst die in oktober 1938 plaatsvond.
Dr. SAUTER: 14 oktober 1938? Ik kan u het documentnummer geven. Het is 1301-PS.
FUNK: Ja.
Dr. SAUTER: Was u bij die bijeenkomst aanwezig?
FUNK: Nee.
Dr. SAUTER: Dat was de bijeenkomst ......
FUNK: Ja, dat was de bijeenkomst waarop, volgens de tegen mij ingediende aanklacht, Göring erop wees dat hij van de Führer instructie had gekregen de bewapening tot een abnormaal hoog peil op te voeren. De Luftwaffe moest zo snel mogelijk tot het vijfvoudige worden uitgebreid.
Volgens het officiële verslag (Deel V, pagina 163 en 164) beweert de Aanklager dat Göring mij bij dit overleg aansprak met de woorden van een man die al in oorlog was. Ik was in die dagen niet eens in Duitsland, maar in Bulgarije en dus kan ik niet hebben deelgenomen aan die bijeenkomst.
Dr. SAUTER: Meneer de President, ten bewijze van het feit dat beklaagde Funk niet in Duitsland was ten tijde van dit gesprek met Göring op 14 oktober 1938 heb ik in het documentenboek Funk enkele documenten ingediend; dat zijn uittreksels uit de Völkische Beobachter, nummers 5, 6, 7 en 8 in het documentenboek Funk. Deze documenten zijn hoofdzakelijk ingediend omdat ze aantonen dat vanaf 13 oktober 1938 tot 15 oktober 1938 Funk in Sofia in Bulgarije was en dus niet aanwezig had kunnen zijn op de bijeenkomst met Göring op 14 oktober.
Wat Funk in Bulgarije zei over economische betrekkingen hoef ik niet tot in detail voor te lezen. Maar ik zou in het bijzonder willen verwijzen naar zijn toespraak van 15 oktober 1938, documentenboek Funk, nummer 7 waarin beklaagde Funk, in het bijzonder in de eerste alinea openlijk verklaarde dat hij een samengaan van de Duitse economie met de zuidoost-Europese economie in gedachten had en waarin Funk een eenzijdige afhankelijkheid van de zuidoostelijke staten van het economische stelsel van Duitsland zeer beslist afwees.
Ik verzoek het Tribunaal daarom deze documenten als bewijsmateriaal te willen aanvaarden en om tijd te besparen zal ik er niet verder op ingaan.
Beklaagde, onder document 3562-PS heeft de Aanklager een document ingediend dat handelt over een conferentie op 1 juni 1939. U was zelf niet bij die conferentie aanwezig maar volgens de presentielijst waren diverse vertegenwoordigers van uw Ministerie er wel, net als de vertegenwoordiger van de Reichsbank. Op deze conferentie werden de vermoedelijke financiële behoeften van het Reich, de productiecapaciteit van de Duitse economie en die van het Protectoraat besproken. In de kantlijn van dit verslag staat een notitie die luidt dat het verslag aan u moest worden overhandigd. Kunt u in het kort zeggen of dit ook werkelijk gebeurde?
FUNK: Nee, dat is niet gebeurd. Ik heb het document hier. Als dit verslag aan mij zou zijn overhandigd zou ik mijn initialen W.F. eronder hebben gezet. Bovendien behandelt dit document de voortdurende discussies, die ik al heb genoemd, over het financieren van de oorlog en de maatregelen die op het terrein van de civiele economie moesten worden genomen in geval van oorlog. De beslissende maatregelen voor de financiering werden natuurlijk door de Reichsfinanzminister voorbereid en deze werden uitvoerig op deze conferentie besproken waar de vraag over het dekken van de uitgaven door middel van belastingen een van de hoofdonderwerpen was. Hoe dan ook, destijds werden er voortdurend dergelijke gesprekken gevoerd door de vertegenwoordigers van de diverse departementen en die vonden plaats op het kantoor van de leiding van de Gevolmachtigde voor Economie. Toevallig heb ik deze naam gevonden die ik me eerst niet kon herinneren: dit was het orgaan – de commissie - die in de dagen van Schacht werd gevormd en later werd voortgezet.
Dr. SAUTER: Dr. Funk, op 30 maart 1939 legde u een verklaring af over uw programma in een toespraak voor het centrale comité van de Reichsbank.
Ik heb een uittreksel van die toespraak, die voor dit proces van belang is, opgenomen in documentenboek Funk onder nummer 9. Ik kom op deze toespraak terug omdat die voor het centraal comité werd gehouden kort nadat beklaagde aantrad als president van de Reichsbank en die een beeld geeft van zijn programma in verband met diverse zaken die hier een rol hebben gespeeld.
Dr. Funk, misschien kunt u ons in een paar korte woorden de essentiële punten uit uw toespraak noemen, voor zover de Aanklager daarin is geïnteresseerd.
FUNK: Ik denk niet dat ik dat hoef te doen. Ik heb even geleden kort aangestipt dat ik in die maanden internationale onderhandelingen voerde over de noodzaak van een nieuw stelsel van internationale economische betrekkingen en dat ik ook wees op de bereidheid van Duitsland hier een positieve rol in te spelen. Daarom denk ik niet dat ik nog meer uit die toespraak hoef voor te lezen; het is alleen maar bedoeld om aan te tonen dat ik destijds niet werkte aan voorbereidingen op een oorlog maar probeerde een internationale economische verstandhouding tot stand te brengen en dat mijn pogingen in het buitenland openlijk werden erkend, in het bijzonder in Engeland.
Dr. SAUTER: Deze bedoeling om gunstige en vertrouwelijke betrekkingen met het buitenland te scheppen, anders gezegd, met de financiële en economische kringen was, daar ben ik zeker van waren een beslissende factor bij een latere maatregel waar u even geleden al naar verwees, namelijk dat de tegemoetkoming voor buitenlandse aandeelhouders van de Reichsbank, die voornamelijk in Engeland, Nederland en Zwitserland woonden, op een bijzonder gunstige manier werd beoordeeld en betaald.
FUNK: Ja, dat heb ik al gezegd.
Dr. SAUTER: Dr. Funk, u noemde eerder een brief die u aan Hitler schreef. Deze brief zou mij in zoverre interesseren omdat ik zou willen weten waarom u hem schreef en waarom u het daarin had over “mijn voorstellen” hoewel die in het algemeen zaken betroffen die niet van u afkomstig waren. Misschien kunt u enkele woorden over deze brief zeggen?
FUNK: De toon en inhoud van die brief kunnen worden verklaard uit de algemene geest die destijds overal in Duitsland heerste. Buiten dat is het een zuiver persoonlijke brief aan de Führer: daarin bedankte ik hem voor zijn gelukwensen met mijn verjaardag. Om die reden is de stijl van die brief wat persoonlijk. Als ik het had over “mijn voorstellen” kan dat worden teruggevoerd op het feit dat ik enige tijd daarvoor aan de Führer had uitgelegd welke maatregelen nodig zouden zijn als er een oorlog zou uitbreken. En in het algemeen waren dat de maatregelen die later werden aanvaard als resultaat van besprekingen met de andere economische diensten en waarnaar ik in die brief verwees. Het was dus niet helemaal correct van mij om te zeggen “mijn voorstellen.” Ik zou eigenlijk hebben moeten zeggen: “De voorstellen die samen met de andere economische diensten werden uitgewerkt.”
Dr. SAUTER: Dr. Funk, bent u klaar?
FUNK: Nee. Ik zou deze hele brief met een paar woorden willen verklaren omdat die blijkbaar een van de pijlers van de beschuldiging van de Aanklager tegen mij is.
Zoals gezegd was het in de tijd dat twee parate legers tegenover elkaar stonden. Het was de tijd waarin de hele Duitse bevolking in staat van grote opwinding verkeerde vanwege de voortdurende provocaties en de slechte behandeling van het Duitse deel van de bevolking van Polen. Persoonlijk geloofde ik niet dat er werkelijk oorlog zou komen want ik was van mening dat men er met diplomatieke onderhandelingen weer in kon slagen de dreiging van oorlog te voorkomen en die oorlog zelfs kon voorkomen. Na de bijna wonderbaarlijke successen van de Führer op het gebied van de buitenlandse politiek moest het hart van iedere rechtgeaarde Duitser wel sneller gaan kloppen in de verwachting dat ook in het Oosten Duitsland’s wensen zouden worden vervuld. Anders gezegd, dat mijn afgescheiden thuisprovincie Oost-Pruissen met het Reich zou worden herenigd, dat de voormalige Duitse stad Danzig weer tot het Reich zou behoren en dat de kwestie van de Corridor zou worden opgelost.
De overgrote meerderheid van de Duitse bevolking, waaronder ook ik, geloofde niet dat deze kwestie in een oorlog zou eindigen. We waren er eerder van overtuigd dat Engeland erin zou slagen druk uit te oefenen op Polen zodat Polen de Duitse eisen betreffende Danzig en de Corridor zou inwilligen en het niet tot een oorlog zou laten komen. De verklaringen van getuige Gisevius moeten het iedereen in de hele wereld duidelijk hebben gemaakt dat Engeland niets deed om een verzoenende invloed op Polen uit te oefenen. Want als de Britse regering wist dat er in Duitsland een complot bestond waar de Chef van de Generale Staf, de Chef van het OKW, de Chef van de Duitse bewapening en andere leidende militaire personen en generaals bij waren betrokken en dat er een omverwerping was voorbereid in geval van een oorlog, dan zou de Britse regering echt dwaas geweest zijn als ze iets hadden ondernomen om Polen gerust te stellen en te verzoenen. De Britse regering moet ervan overtuigd geweest zijn dat wanneer Hitler een oorlog zou ontketenen, er een staatsgreep, een revolutie zou plaatsvinden en dat er ten eerste geen oorlog zou zijn en ten tweede dat het gehate Hitler regime omver zou zijn geworpen. Niemand kon op meer hopen.
Dr. SAUTER: Dr. Funk, we gaan hier niet over politiek discussiëren maar laten we terugkeren naar die brief van 25 augustus 1939. Mag ik het nummer herhalen, 699-PS. Laten we ons tot deze brief beperken. Als ik u goed heb begrepen kan ik uw verklaring als volgt samenvatten: deze nogal enthousiaste brief aan Hitler was geschreven omdat u hoopte dat Hitler uw thuisprovincie Oost-Pruissen met het Reich zou herenigen en nu eindelijk de kwestie van de Corridor zou oplossen zonder een oorlog. Heb ik u goed begrepen?
FUNK: Ja, maar gelijkertijd meen ik te moeten opmerken dat ik van mijn kant er alles aan deed om in geval van een oorlog de vredeseconomie zonder verstoringen te laten overgaan in een oorlogseconomie. Maar dit was het enige moment waarop ik als Gevolmachtigde voor Economie actief was met betrekking tot de andere economische afdelingen en het feit dat ik in deze brief naar mijn positie verwees kan heel gewoon worden verklaard; ik was er namelijk trots op in deze officiële positie eindelijk iets te hebben bereikt – iedereen wil graag succes hebben.
Dr. SAUTER: Dr. Funk, we hebben het nog steeds over de vraag of u wist van Hitler’s bedoeling een oorlog te ontketenen, in het bijzonder een aanvalsoorlog te voeren en daardoor veroveringen te maken. Ik zou u een paar vragen willen stellen die u voor het gemak met ja of nee kunt beantwoorden. Ik zou alleen willen weten of uw kennis en uw voorgevoel overeenkomen met de verklaringen die door enkele getuigen en enkele medebeklaagden zijn afgelegd.
Bijvoorbeeld, Reichsminister Lammers verklaarde dat u het erg moeilijk vond om Hitler zelfs maar te ontmoeten, dat u pas na lange tijd een audiëntie was verleend en dat u zelfs bij een gelegenheid meen ik dagen met Lammers op zijn hoofdkwartier moest wachten op het beloofde onderhoud en dat u weer weg moest zonder toegang te hebben gekregen. Is dat juist?
FUNK: Ja, moet ik helaas zeggen.
Dr. SAUTER: Nog een vraag: We hebben hier diverse documenten gezien – ik meen dat het documenten van Lammers zijn - waarin uitdrukkelijk wordt gesteld dat de Reichswirtschaftsminister en soms ook de Reichsaussenminister hadden verzocht bij deze discussies aanwezig te zijn, dat Minister Lammers zijn best deed dit voor elkaar te krijgen maar dat Hitler het niet toestond; dat hij u en de Reichsaussenminister uitdrukkelijk uitsloot van deze discussies hoewel u erop wees dat er belangrijke zaken betreffende uw departement werden behandeld. Is dat juist? Misschien dat u alleen met ja of nee kunt antwoorden.
FUNK: De bijeenkomst die u bedoelt ging over de inzet van mankracht. Ik zelf had daar geen direct belang bij en de Reichsaussenminister had er waarschijnlijk ook geen bijzondere interesse in. Ik neem dus aan dat de Führer mij daarom niet nodig had want zoals ik gisteren al zei, zijn richtlijnen voor het sturen van de economie waren tot aan het jaar 1942 aan de Reichsmarschall gegeven als verantwoordelijke man op dat terrein. Na 1942 werden die richtlijnen aan Speer gegeven want vanaf die datum overheerste de bewapening het hele economische leven en de behoeften van de bewapening hadden, op uitdrukkelijk bevel van de Führer prioriteit boven alle andere economische besluiten.
Dr. SAUTER: Dr. Lammers verklaarde in zijn getuigenis van 8 april – ik citeer:
“De Führer maakte vaak bezwaar, namelijk tegen Funk. Er waren diverse redenen om bezwaar te maken tegen Funk. Hitler stond afwijzend tegenover Funk en wilde niets met hem te maken hebben.”
Tot zover de verklaring van getuige Lammers. Kunt u uitleggen waarom Hitler afwijzend stond tegenover u?
FUNK: Nee, alleen maar door de objectieve uitspraak dat hij mij niet nodig had.
Dr. SAUTER: Met andere woorden, hij vond iedere discussie met u overbodig.
FUNK: Ja.
Dr. SAUTER: Beklaagde, in verband met het onderwerp aanvalsoorlogen, stel ik belang in het volgende: In de Aanklacht, op pagina 30 van de Duitse Akte van Beschuldiging wordt gesteld dat u persoonlijk en via uw officiële vertegenwoordigers, anders gezegd u persoonlijk zowel als via de vertegenwoordigers die door u werden benoemd, deel had aan de voorbereidingen op de aanvalsoorlog tegen Rusland en als enig bewijs hiervoor is document 1039-PS, bewijsstuk USA-146 ingediend. Dit document toont blijkbaar aan dat u, beklaagde, eind april 1941 een onderhoud zou hebben gehad met Rosenberg – die verantwoordelijk was voor de gebieden in het Oosten – over de economische kwesties die zouden ontstaan wanneer de plannen voor een aanval in het Oosten zouden worden uitgevoerd. Ik vraag u, Dr. Funk, nota te nemen van de datum van dit onderhoud: eind april 1941, kort voor het begin van de oorlog tegen Rusland. Om uw geheugen op te frissen wil ik erop wijzen dat op dat moment – voor de oorlog tegen Rusland – Rosenberg al was genoemd als Hitler’s gevolmachtigde voor het afhandelen van problemen in de Oostelijke gebieden. Ik vraag u nu uw mening te geven en te zeggen of uit dit onderhoud kan worden afgeleid dat u deel had aan een aanvalsoorlog tegen Rusland of aan de voorbereiding daarop en als u er al deel aan had, hoe dan?
FUNK: Ik wist niets van een aanvalsoorlog tegen Rusland. Ik was zeer verbaasd toen ik van Lammers hoorde dat de Führer Rosenberg had benoemd tot gevolmachtigde voor kwesties in het Oosten. Lammers verklaarde hier dat hij mij om persoonlijke redenen over die benoeming liet inlichten want hij wist dat ik bijzonder geïnteresseerd was in economische betrekkingen met Rusland. Met onze gezamenlijke inspanningen – van Rusland zowel als van Duitsland – waren we erin geslaagd onze handelsbetrekkingen sterk uit te breiden want in vroeger dagen – voor de Eerste Wereldoorlog – was de Duitse handel met Rusland de beslissende factor geweest op de balans van de Duitse handel en die beliep enkele duizenden miljoenen goudmarken.
De Russen – dat moet ik zeggen – leverden ons zeer snel graan, mangaanerts en olie terwijl onze leveranties van machines achterbleven om de simpele reden dat die machines eerst moesten worden gemaakt omdat de Russische orders in het bijzonder gespecialiseerde machines betroffen. Tot in welke mate legergoederen aan Rusland werden geleverd weet ik niet omdat ik mij daar niet mee bezig hield.
Ik was dus verbaasd door de benoeming van Rosenberg. Hij zocht me op voor een kort onderhoud waarin hij mij vertelde dat de taak die hem door de Führer was opgedragen ook het behandelen van economische kwesties inhield. Daarop stelde ik een Ministerialdirektor van mijn departement, Dr. Schlotterer aan Rosenberg ter beschikking om zich met deze kwesties bezig te houden. En toen het Ministerie voor het Oosten werd gevormd, ik meen in juli, nam Dr. Schlotterer samen met enkele collega’s de leiding over de economische afdeling in Rosenberg’s ministerie op zich. Tegelijkertijd werd, voor zover ik mij herinner, Dr. Schlotterer lid van de Wirtschaftsstab Ost. Dat was het orgaan van het Vierjarenplan dat hier tijdens dit proces al herhaaldelijk is genoemd en dat zich bezig hield met alle economische kwesties in de bezette gebieden in het Oosten.
Buiten dat had ik met deze zaken niets te maken. Natuurlijk vroeg ik zowel Lammers als Rosenberg wat dit betekende en beiden zeiden mij dat Hitler van mening was dat een oorlog met Rusland onvermijdelijk was; dat de Russen langs het hele oostfront sterke troepenconcentraties hadden opgesteld; dat de onderhandelingen met Molotov, waaraan ik part noch deel had, onbevredigend waren geweest; dat de Russen eisen stelden betreffende de Baltische staten, de Balkan en de Dardanellen die niet door Duitsland, door de Führer konden worden aanvaard. Hoe dan ook, deze hele affaire was voor mij net zo’n grote verrassing als voor het Duitse volk en ik ben ervan overtuigd dat deze oorlog een grote schok voor de Duitse bevolking was.
De PRESIDENT: De beklaagde had het over juli. Bedoelde hij juli 1940?
Dr. SAUTER: Voor zover ik weet juli 1941.
De PRESIDENT: Bedoelt u juli 1941? Dat was nadat de oorlog met Rusland was begonnen. Beklaagde kan zelf antwoord geven, niet waar?
(tot de beklaagde): Bedoelde u juli 1940?
FUNK: Het onderhoud met Rosenberg was eind april of begin mei 1941 en het ministerie van Rosenberg werd in juli 1941 gevormd.
Dr. SAUTER: Ik kom nu op een ander punt dat door de Aanklager ter sprake is gebracht. U wordt ervan beschuldigd, als Reichswirtschaftsminister strafbare feiten te hebben gepleegd in verband met het misdadige plan de Joden te vervolgen en ze uit het economische leven te verdrijven. Dat zijn de gebeurtenissen van november 1938. Wilt u nu uw activiteiten op dat terrein beschrijven?
FUNK: Mag ik het Tribunaal verzoeken mij de tijd te gunnen voor een nogal gedetaillerede reactie op dit onderwerp. Dan kunnen de punten waar we later op komen korter worden behandeld. Dit is de beschuldiging van de Aanklager die mij het diepst raakt.
Toen ik in februari 1938 het Ministerie van Economie overnam werd al vrij snel vanuit de Partij en in het bijzonder door Goebbels en Ley geëist de Joden uit het economisch leven te verdrijven, omdat ze niet langer werden geaccepteerd. Mij werd verteld dat de mensen nog steeds in Joodse winkels kochten en dat de Partij haar leden niet kon toestaan in dergelijke winkels te kopen; de Partij maakte ook bezwaar tegen het feit dat sommige hoge regeringsambtenaren, in het bijzonder hun vrouwen nog steeds bij dergelijke winkels kochten. De regionale voorzitter van het Arbeiterfront weigerde met Joodse ondernemers samen te werken. Er vonden voortdurend botsingen plaats, werd mij verteld en er zou geen rust komen wanneer de maatregelen die hier en daar al waren ingevoerd niet geleidelijk aan zouden worden uitgebreid om de Joden volledig van het economische leven uit te sluiten.
Onder de Wet op de Inzet van Nationale Arbeid, die onder mijn voorgangers was uitgevaardigd en die ook door hen in overeenstemming met het DAF werd uitgevoerd, waren politieke en Partijfunctionarissen ook toegewezen aan de binnenlandse economie. De bedrijfsleider was ook verantwoording schuldig aan de Partij maar boven al aan de Staat.
Sommige Joodse ondernemers gaven bereidwillig toe aan de druk en verkochten hun ondernemingen aan mensen en tegen prijzen waar we het absoluut niet mee eens waren. Ik had persoonlijke afspraken gemaakt met afzonderlijke vooraanstaande Joodse personen in de bankwereld, de zware industrie en de grote winkels en had zo hun terugtrekken uit posities in het economisch leven tot stand gebracht.
Er heerste geen rust en we moesten binnen een bepaalde tijd en in overeenstemming met bepaalde juridische besluiten de Joodse invloed op het economische leven geleidelijk aan terugdringen en uitschakelen. Zelf stond ik altijd op het standpunt dat ten eerste het proces langzaam moest worden uitgevoerd, met tussenpozen; ten tweede dat de Joden voldoende compensatie moesten krijgen en ten derde dat men hen bepaalde economische belangen in handen moest laten, in het bijzonder hun aandelenbezit. Ik legde hier bijzondere nadruk op tijdens de bijeenkomst met Göring die hier al zo vaak is genoemd.
Nu, terwijl deze ontwikkelingen vorm kregen werden de vreselijke gebeurtenissen in de nacht van 9 op 10 november 1938, die in München begonnen, over ons uitgestort en die raakten mij persoonlijk heel diep. Toen ik in de morgen van 10 november naar mijn Ministerie reed zag ik in de straten en de etalages de verwoestingen die waren aangericht en ik hoorde verdere bijzonderheden van mijn ambtenaren op het Ministerie. Ik probeerde Göring, Goebbels en ik meen Himmler te bereiken maar die waren allemaal nog onderweg vanuit München. Ik slaagde er uiteindelijk in Goebbels te bereiken. Ik zei hem dat deze terreur een persoonlijke belediging voor mij was, dat er hierdoor waardevolle goederen waren verwoest die niet meer konden worden vervangen en dat onze betrekkingen met het buitenland, waarvan we destijds bijzonder afhankelijk waren, aanzienlijk verstoord zouden worden.
Goebbels zei me dat ik persoonlijk verantwoordelijk was voor deze gang van zaken, dat ik al lang geleden de Joden uit het economische leven had moeten verdrijven en dat de Führer Reichsmarschall Göring bevel zou geven de Joden volledig van het economische leven uit te sluiten; verdere bijzonderheden zou ik van de Reichsmarschall krijgen. Dit telefoongesprek met Goebbels werd later door hem bevestigd en getuigen zullen dit beamen.
De volgende dag, 11 november werd mij meegedeeld dat er op 12 november een bijeenkomst zou plaats vinden met Göring in zijn hoedanigheid van Gedelegeerde voor het Vierjarenplan met als doel de Joodse kwestie op te lossen. De Gedelegeerde voor het Vierjarenplan had het Ministerie instructie gegeven voor het opstellen van een decreet dat de basis moest vormen van de wetten voor de uitsluiting van Joden uit het economische leven.
Deze bijeenkomst, die hier herhaaldelijk ter sprake is gebracht, vond plaats op de 12de. Er was ‘s ochtends een discussie met de Reichsmarschall waarbij de Gauleiter aanwezig waren. De Reichsmarschall was zeer opgewonden; hij zei dat hij deze terreur niet zou accepteren en dat hij de diverse Gauleiter verantwoordelijk zou houden voor wat er in hun Gau was gebeurd.
Na deze bijeenkomst was ik daarom redelijk opgelucht maar tijdens die vergadering, waarvan het verslag hier enkele malen is voorgelezen, stelde Goebbels al gauw zijn radicale eisen en overheerste daarmee het hele gebeuren.
De Reichsmarschall werd steeds bozer en in die stemming deed hij de uitspraken die in het verslag zijn vermeld. Terzijde, het verslag zit vol met fouten en is erg onvolledig. Na deze bijeenkomst was het mij duidelijk dat de Joden nu inderdaad uit het economische leven moesten worden verdreven en, teneinde de Joden te beschermen tegen het volledige verlies van hun rechten, tegen verdere terreur, tegen aanvallen en uitbuiting, dat er wettelijke maatregelen moesten worden genomen. Ik trof voorzieningen, de Ministers van Financiën, Binnenlandse Zaken, Justitie en zo deden dat ook, voor de uitvoering van het oorspronkelijke decreet van de Gedelegeerde voor het Vierjarenplan waarin de overdracht van Joodse ondernemingen en Joodse aandelen aan vertrouwenspersonen werd geregeld. De Joden kregen een tegemoetkoming in de vorm van 3 procent’s obligaties en ik zorgde er altijd voor, voor zover het Ministerie van Economie hierbij was betrokken, dat dit besluit nauwkeurig en volgens de wet werd uitgevoerd en dat de Joden geen verder onrecht werd aangedaan.
Destijds was er absoluut geen sprake van het uitroeien van de Joden. Op die vergadering werd echter kort een plan besproken voor de georganiseerde emigratie van Joden. Persoonlijk had ik op geen enkele manier deel aan de terroristische, gewelddadige maatregelen tegen de Joden. Ik betreurde die zeer en veroordeelde ze scherp. Maar ik moest de maatregelen voor de uitvoering van deze wetten goedkeuren teneinde de Joden te beschermen tegen het volledig verlies van hun rechten en de wettelijke regels die destijds golden op een ordelijke manier uitvoeren.
Dr. SAUTER: Dr. Funk ...
De PRESIDENT: We kunnen nu beter schorsen.

Definitielijst

Eerste Wereldoorlog
Ook wel Grote Oorlog genoemd, conflict dat ontstond na een groei van het nationalisme, militarisme en neo-kolonialisme in Europa en waarbij twee allianties elkaar bestreden gedurende een vier jaar durende strijd, die zich na een turbulent begin, geheel afspeelde in de loopgraven. De strijdende partijen waren Groot-Brittannië, Frankrijk, Rusland aan de ene kant (de Triple Entente), op den duur versterkt door o.a. Italië en de Verenigde Staten, en Duitsland, Bulgarije, Oostenrijk-Hongarije en het Ottomaanse Rijk aan de andere kant (de Centrale Mogendheden of Centralen). De strijd werd gekenmerkt door enorme aantallen slachtoffers en de inzet van vele nieuwe wapens (vlammenwerpers, vliegtuigen, gifgas, tanks). De oorlog eindigde met de onvoorwaardelijke overgave van Duitsland en zijn bondgenoten in 1918.
Führer
Duits woord voor leider. Hitler was gedurende zijn machtsperiode de führer van nazi-Duitsland.
Gau
Door de NSDAP ingesteld landsdistrict van het Duitse Rijk.
Gauleiter
Leider en vertegenwoordiger van de NSDAP in een Gau.
inflatie
Een langdurig economisch proces van algemene prijsstijging en geldontwaarding (koopkrachtdaling van het geld).
Luftwaffe
Duitse luchtmacht.
revolutie
Meestal plotselinge en gewelddadige ommekeer van bestaande (politieke) verhoudingen en situaties.
staatsgreep
Poging om met geweld de macht in de staat over te nemen.
Vierjarenplan
Duits economisch plan dat gericht was op alle sectoren van de economie waarbij de vastgestelde productiedoelen in 4 jaar gehaald moeten worden.

Pagina navigatie

Informatie

Vertaald door:
Arnold Palthe
Geplaatst op:
14-08-2009
Laatst gewijzigd:
18-04-2010
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

Categorieën


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2017
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.