Verhoor Alfred Jodl 3

Ochtendzitting 1 06-06-1946

Inhoudsopgave

(beklaagde Jodl neemt weer plaats in de beklaagdenbank).
Dr. NELTE: Generaal, gisteren zei u op mijn laatste vraag over Generaal Thomas dat hij regelmatig rapport uitbracht aan u en Feldmarschall Keitel over het oorlogspotentieel van de vijandelijke machten. Werden die belangrijke rapporten altijd aan Hitler overlegd?
JODL: Die rapporten, met gedetailleerde grafieken, schetsen en tekeningen werden regelmatig aan de Führer overlegd en lokten vaak heftige discussies uit omdat de Führer die overzichten van het vijandelijk potentieel sterk overdreven vond.
Dr. NELTE: Waren u en Feldmarschall Keitel van mening dat de overzichten van Generaal Thomas goed onderbouwd waren?
JODL: Feldmarschall Keitel en ik waren beiden van mening, na een grondige studie van de prestaties van de vijand op het gebied van wapenproductie, dat die rapporten van Thomas over het algemeen zeer nauwgezet waren.?
Dr. NELTE: U hebt getuige Gisevius horen zeggen dat Thomas een tegenstander geweest zou zijn van Hitler’s leiding over de oorlog. Was u zich in de loop der jaren en door de opgemaakte rapporten ooit van dit feit bewust?
JODL: Dat heb ik niet gemerkt. Het enige wat ik merkte was dat hij bezwaar had tegen het overdreven optimisme dat de Führer gewoonlijk toonde en dat hij wellicht in de basis eerder van pessimistische dan van optimistiche aard was.
Dr. NELTE: Werd Generaal Thomas door toedoen van Keitel ontslagen uit zijn functie van hoofd van het Wehrmachtrüstungsamt van het OKW?
JODL: Nee, toen hij zich uit de actieve dienst terugtrok stond Generaal Thomas onder Minister Speer, maar Minister Speer had er geen zin meer in verder met hem samen te werken en verzocht de Führer hem uit die functie, die Speer had overgenomen te ontslaan. En dat werd op bevel van de Führer door de Feldmarschall gedaan.
Dr. NELTE: Ik kan dus vaststellen ....
De PRESIDENT: Dr. Nelte, wat voor belang heeft het bewijsmateriaal over Generaal Thomas voor de zaak tegen Keitel – hoe is de vraag of Generaal Thomas al of niet handelde tegen de veronderstelde belangen van Duitsland van belang voor de zaak tegen Keitel of Jodl? Het bewijsmateriaal van Gisevius was van belang voor de zaak tegen beklaagde Schacht. Het lijkt mij toe – en ik meen ook het Tribunaal – van geen enkel belang te zijn voor de beklaagde die u vertegenwoordigt of voor de zaak tegen beklaagde Jodl. Wat interesseert het ons of Generaal Thomas handelde met het doel te proberen Hitler omver te werpen of niet?
Dr. NELTE: De vraag die betrekking heeft op beklaagde Keitel is of Feldmarschall Keitel de rapporten die Thomas indiende overlegde en steunde. Getuige Gisevius heeft hier gezegd, verwijzend naar Thomas als bron van informatie, dat Hitler deze rapporten van Thomas onthouden werden.
Daarom is dit bewijsmateriaal ......
De PRESIDENT: Daar hebben we het gisteren over gehad en nu heeft beklaagde Jodl gezegd dat de rapporten van Thomas aan de Führer werden voorgelegd. Maar waar ik u op wees was dat de vraag of Thomas zijn rapporten waarheidsgetrouw opstelde of niet totaal onbelangrijk is.
Dr. NELTE: Naar mijn mening niet voor wat betreft de geloofwaardigheid van de informatiebronnen van Gisevius; maar ik zal de vraag terug trekken. In dit verband moet ik echter nog een vraag stellen met betrekking tot die andere informatiebron, Canaris.
(tot de beklaagde): Canaris was een regelmatige gast op het hoofdkwartier van de Führer en een gast van u. Wat waren de betrekkingen tussen Feldmarschall Keitel en zijn oudste bureauchef?
JODL: De betrekking tussen Feldmarschall Keitel en Canaris was van de eerste tot de laatste dag opvallend vriendelijk – en helaas een van teveel blind vertrouwen.
Dr. NELTE: Mag ik vragen hoe die relatie was na de 20ste juli?
JODL: Ik weet dat Feldmarschall Keitel zelfs na de 20ste juli de beschuldigingen tegen Canaris niet geloofde en dat hij na de arrestatie van Canaris zijn gezin met geld steunde.
Dr. NELTE: Hoe was de relatie tussen Canaris en Heydrich?
JODL: Dat heb ik al eerder genoemd. Canarias probeerde altijd goede relaties te onderhouden met Himmler en Heydrich zodat ze hem niet zouden wantrouwen.
Dr. NELTE: Wat kunt u zeggen over de houding van Feldmarschall Keitel over Hitler’s plannen van oktober, 1939, het plan om in het Westen aan te vallen?
JODL: Ik weet dat Feldmarschall Keitel blijkbaar sterk onder de indruk was van de houding van de Opperbevelhebber van de strijdkrachten en de Generale Staf van het leger en hij verhief ook een waarschuwende stem tegen deze aanval in het Westen. Ik weet, hoewel ik het niet persoonlijk ervaren heb maar Schmundt heeft me er later over verteld; ik weet dat hij in deze periode ook een verschil van mening met de Führer had dat aanleiding gaf tot zijn eerste verzoek om ontslag. Dat is wat ik kan melden op grond van wat Schmundt mij heeft verteld; ik heb het niet zelf opgemerkt en Feldmarschall Keitel heeft mij daar persoonlijk toen ook niets over verteld.
Dr. NELTE: In document 447-PS dat de Aanklager heeft ingediend – dit zijn de richtlijnen voor speciale opdrachten die uitgegeven zijn met Directief nummer 21 – onder 2b staat de nu beroemde alinea volgens welke de Reichsführer SS in de operatiegebieden van het leger namens de Führer speciale taken krijgt in verband met de voorbereiding op een politiek bestuur dat ontstaat uit het onvermijdelijke conflict tussen twee politiek tegengestelde systemen. Tot zover het korte citaat. Ik ga u het document niet overhandigen omdat u er vast en zeker goed mee op de hoogte bent en om de zaak kort te houden zal ik u alleen maar vragen het Tribunaal te vertellen hoe Feldmarschall Keitel reageerde op het uitgeven van deze order.
JODL: De eis van de Führer voor inmenging in het gezag van het leger in haar operatiegebied door Himmler en de politie, leidde tot dagen van bittere discussie met de Führer. Dezelfde disccussies waren al gevoerd toen Terboven in Noorwegen werd benoemd. Men hoeft alleen maar de notities in mijn dagboek te lezen, 1780-PS. Natuurlijk weet ik nu waarom de Führer onder alle omstandigheden vasthield aan deze mening en waarom hij de politie onder Himmler dwong, de operatiegebieden binnen te gaan. Dat was tegen al onze regels. Het was tegen alle voorgaande afspraken met de politie en met Himmler, maar uiteindelijk drukte Hitler deze maatregel door ondanks de tegenstand van alle kanten.
Dr. NELTE: De Aanklager heeft hier beweerd dat Feldmarschall Keitel in 1940 order gaf om Generaal Weygand om te brengen, destijds Chef van de Generale Staf van het Franse leger. Deze uitspraak is grotendeels gebaseerd op het bewijs van een getuige, Generaal Lahousen. Ik ga u over deze kwestie een paar korte vragen stellen. Had Feldmarschall Keitel de bevoegdheid, bevel te geven om een generaal om te brengen?
JODL: Nee, welk doodvonnis dan ook moest door de Führer bekrachtigd worden.
Dr. NELTE: Nu, in dit verband bedoel ik geen doodvonnis.
JODL: Nou ja, niemand heeft het recht opdracht te geven tot moord.
Dr. NELTE: Ik vraag dit omdat Lahousen het in zijn verklaringen deed voorkomen alsof deze order door Feldmarschall Keitel aan Admiraal Canaris zou zijn gegeven. Als we aannemen dat een dergelijk bevel door Hitler was gegeven zou dat politiek gezien een zeer belangrijke daad zijn geweest, gezien de persoon van Generaal Weygand.
JODL: Ongetwijfeld.
Dr. NELTE: Zou het ook geen dwaze daad geweest zijn in termen van politiek?
JODL: Het zou allereerst een misdaad geweest zijn. De PRESIDENT: Dr. Nelte, dit zijn allemaal argumenten en u stelt uw vragen op zeer suggestieve wijze. Het werkelijke bezwaar ertegen is dat het argumenten zijn. Gaat u verder.
Dr. NELTE: Als een dergelijk bevel zou zijn gegeven, zou dat voor u onbekend kunnen zijn gebleven?
JODL: Ik kan me niet voorstellen dat Feldmarschall Keitel, die belast was met het geven van het bevel tot die moord, er niet met mij over gesproken zou hebben.
Dr. NELTE: Wat hebt u precies gehoord over de zaak Weygand?
JODL: Ik heb nooit een enkel woord gehoord over de zaak Weygand. Ik heb maar een ding gehoord toen Himmler in mijn bijzijn verslag uitbracht aan de Führer: “Ik heb Weygand een hele mooie villa in Baden Baden gegeven. Er wordt voor hem gezorgd op een manier waardoor hij tevreden kan zijn.” Dat is het enige wat ik ooit heb gehoord waarin de naam Weygand voorkwam.
Dr. NELTE: Getuige Lahousen is ook verhoord over de kwestie van Generaal Giraud. Weet u iets over dit geval dat veel aandacht trok?
JODL: Ik heb iets meer gehoord over de zaak Giraud. Kort na de succesvolle ontsnapping van Giraud vertelde Feldmarschall Keitel mij eens tijdens een gesprek dat hij Giraud door Canaris in de gaten liet houden zodat hij niet naar Noord-Afrika zou gaan, waar de Führer altijd bang voor was en daar leiding geven aan de vorming van het Koloniale Leger tegen ons en dat hij dan kon worden gearresteerd in het geval hij zich weer bij zijn familie zou voegen in het bezette gebied. Dat is wat hij mij vertelde. Een paar maanden later zei hij weer tegen mij: “Ik heb die taak van Canaris nu ingetrokken want de Führer heeft die aan Himmler gegeven. Als twee instanties er zich mee bezig houden ontstaan er alleen maar problemen en moeilijkheden.”
De derde keer dat ik over de zaak Giraud hoorde was toen Feldmarschall Keitel mij vertelde dat een vertegenwoordiger van Giraud – het was meen ik eind 1943 of in het voorjaar van 1944 – de contra-spionagedienst benaderde en zei dat Giraud, die het in Noord-Afrika niet eens kon worden met De Gaulle, vroeg of hij niet naar Frankrijk terug kon keren. Ik zei toen tegen Feldmarschall Keitel dat we dat onmiddellijk moesten toestaan omdat dat voor ons politiek gezien uiterst gunstig was. Dat is het enige wat ik ooit over de zaak Giraud heb gehoord. Verder niets.
Dr. NELTE: Eergisteren had u het over de gesprekken in de trein van de Führer in september 1939 waarbij Generaal Lahousen ook aanwezig was. In dat verband zei u: “Ik heb geen bezwaar tegen Lahousen’s verklaringen.” Maar om misverstanden te voorkomen zou ik graag willen dat u zegt of u daarmee bedoelt dat de hele getuigenis van Lahousen, die ook Giraud en Weygand betrof, geloofwaardig en correct is of alleen het gedeelte betreffende uw aanwezigheid in de trein van de Führer.
JODL: Natuurlijk bedoelde ik alleen de uitlatingen die Lahousen over mij maakte. Wat de andere uitlatingen betreft die hij hier deed, daarover heb ik mijn eigen mening maar dat zou hier wellicht niet passend zijn.
Dr. NELTE: Gisteren , in antwoord op een vraag van Dr. Stahmer had u het over de discussie over de 80 ontsnapte officieren. Om deze kwestie op te helderen, die Feldmarschall Keitel zwaar wordt aangerekend, zou ik het volgende willen weten: Hoorde u dat Keitel heftig bezwaar maakte omdat de opgepakte officieren RAF officieren aan Himmler werden overgedragen, anders gezegd aan de Gestapo?
JODL: Toen ik gedurende die paar minuten bij het gordijn stond, hoorde ik de Führer allereerst zeggen: “Dat is ongehoord. Dat is al de tiende keer dat er tientallen officieren zijn ontsnapt. Deze officieren vormen een groot gevaar. U realiseert zich niet” – hij bedoelde Keitel – “dat voor de 6 miljoen vreemdelingen die in Duitsland werken en gevangen zitten, zij de leiders zijn die een opstand zouden kunnen organiseren. Dat is het gevolg van de onverschillige houding van de commandanten. Deze ontsnapte RAF officieren moeten onmiddellijk aan Himmler worden overgedragen.”
Toen hoorde ik Feldmarschall Keitel antwoorden: “Mein Führer, sommigen zijn al teruggebracht naar hun kamp. Ze zijn weer krijgsgevangenen. Ik kan ze niet overdragen.”
En de Führer zei: “Goed, dan kunnen ze daar blijven.” Dat is op dat moment wat ik met mijn eigen oren hoorde totdat ik weer voor een telefoongesprek werd weg geroepen.
Dr. NELTE: Hebt u later met Feldmarschall Keitel over dit incident gesproken?
JODL: We reden later vanaf de Berghof terug naar Berchtesgaden. Feldmarschall Keitel was buiten zichzelf van woede want op de heenweg had hij mij verteld dat hij de ontsnapping van deze vliegers niet aan de Führer zou melden. Hij hoopte ze de volgende dag allemaal weer terug te hebben. Hij was woedend op Himmler die het onmiddellijk aan de Führer had gemeld. Ik vertelde hem dat wanneer de Führer, gezien de algemene situatie in Duitsland zo’n groot gevaar zag in de ontsnapping van buitenlandse officieren, dan zou Engeland moeten worden ingelicht zodat wellicht dat bevel, dat alle gevangen genomen officieren pogingen tot ontsnappen moeten doen, kon worden ingetrokken.
Ik moet eerlijk zeggen dat geen van ons ook maar het geringste vermoeden had dat deze opgepakte vliegers wellicht zouden worden neergeschoten want ze hadden niets anders gedaan dan ontsnappen uit een kamp, iets wat Duitse officieren ook tientallen keren hadden gedaan. Ik stel me voor dat hij ze wilde onttrekken aan disciplinaire maatregelen van het leger die naar zijn mening zeker te mild zouden zijn en ze voor straf enige tijd onder Himmler in een concentratiekamp laten werken. Dat stelde ik mij voor.
Dr. NELTE: Hoe dan ook, in uw aanwezigheid en volgens uw waarneming werd Hitler’s order aan Himmler, deze officieren te fusilleren niet gegeven?
JODL: Dat weet ik absoluut zeker want ik weet hoe ik mij voelde toen ik opeens het bericht ontving dat ze waren neergeschoten.
Dr. NELTE: Ik zou u nu enkele korte vragen willen stellen ter afsluiting.
Het Tribunaal heeft Keitel in de beklaagdenbank gevraagd of hij schriftelijke verzoeken tot zijn ontslag had ingediend. U was erbij. Wat kunt u het Tribunaal vertellen over Keitel’s pogingen om zijn functie neer te leggen?
JODL: De eerste keer die ik een tijdje geleden noemde moet in het voorjaar van 1940 geweest zijn vanwege de campagne in het Westen. Schmundt heeft mij daarover verteld maar ik heb het niet zelf meegemaakt. Het tweede geval dat ik wel precies ken was in 1941 in november toen er een enorme ruzie ontstond tussen de Führer en Feldmarschall Keitel en de Führer de uitdrukking gebruikte: “ik heb hier alleen maar met stomkoppen te maken”. De PRESIDENT: We hoeven de bijzonderheden niet te horen. Ik bedoel, hij kan ons zeggen wanneer Keitel probeerde af te treden .....
JODL: De tweede keer was in de herfst van 1941. Na de ruzie schreef Feldmarschall Keitel zijn verzoek om ontslag. Toen ik zijn kamer binnenkwam lag zijn pistool voor hem op zijn bureau en ik heb het zelf van hem afgepakt.
De PRESIDENT: Dr. Nelte, ik heb u gezegd dat het Tribunaal de bijzonderheden niet wenst te horen en nu wordt ons verteld over zijn ontslag, over de manier waarop het gebeurde.
Dr. NELTE: Kan het voor het Tribunaal niet van belang zijn te weten dat de kwestie voor Feldmarschall Keitel zo ernstig was dat hij zelfs zijn pistool wilde gebruiken?
De PRESIDENT: Hij gaat in op welk bureau het document werd neergelgd of zoiets. Hij bood zijn ontslag schriftelijk aan. Dat is van belang.
Dr. NELTE: U kunt getuigen over deze keer, toen Feldmarschall Keitel schriftelijk zijn verzoek tot ontslag indiende?
JODL: Ik heb het hem zien schrijven en de inleiding gelezen.
Dr. NELTE: Als deze dingen regelmatig gebeurden, zoals u in de loop van uw verhoor hebt gezegd en als die zover gingen als het pistool incident aangeeft, hoe komt het dan dat Keitel altijd aanbleef?
JODL: Omdat de Führer onder geen beding van hem af wilde. Hij weigerde pertinent hem te laten gaan. Ik geloof dat er vanuit andere bronnen ook diverse pogingen in die richting werden gedaan maar de Führer liet hem niet gaan. Op de tweede plaats was onze gemeenschappelijke houding natuurlijk dat we per slot verwikkeld waren in een strijd op leven en dood en dat een officier uiteindelijk niet thuis kon blijven zitten om sokken te breien. Keer op keer was het ons plichtsbesef dat de bovenhand kreeg en ons alle moeilijkheden liet dragen.
Dr. NELTE: U zult begrijpen dat men de generaals zal voorhouden: “trouw tot in de dood” en die trouw kan alleen maar gaan tot het punt waar de menselijke eer niet wordt aangetast. Hebt u daar wel eens over nagedacht?
JODL: Daar heb ik vaak over nagedacht.
De PRESIDENT: Dat is voor een advocaat zeker geen vraag om te stellen. Het is een argument niet waar? Het is een argument, geen bewijs. Het is geen behoorlijke vraag om te stellen.
Dr. NELTE: Ik ben klaar.

Dr. THOMA: Beklaagde, is het waar dat Rosenberg u en Generaal Zeitzler medio januari 1943 het ontwerp van een proclamatie voor de volkeren in het Oosten gaf?
JODL: Dat is waar. Het gebeurde na de bespreking van de situatie. Rosenberg was op het hoofdkwartier aanwezig. Hij vroeg Zeitzler en mij om even een kamer binnen te gaan en zei dat hij een proclamatie voor de volkeren in het Oosten aan de Führer wilde overhandigen en hij wilde hem eerst graag aan ons overleggen. Dat herinner ik me.
Dr. THOMA: Herinnert u zich de inhoud nog?
JODL: Het was een nogal uitgebreide concessie met betrekking tot de onafhankelijkheid van deze afzonderlijke oostelijke staten. Het was een uitgesproken poging om met een beleid van verzoening onrust en weerstand tegen het Duitse systeem te bestrijden.
Dr. THOMA: Hebt u tegenover Rosenberg uw tevredenheid over deze proclamatie uitgedrukt?
JODL: We zeiden toen dat dat altijd al ons idee was geweest maar dat we eraan twijfelden of het al niet te laat was.
Dr. THOMA: Wat was het resultaat van dit memorandum?
JODL: Zoals Rosenberg me na de bespreking vertelde borg de Führer het weg, zoals hij zo vaak deed; anders gezegd hij wees het niet af maar zei: “Leg daar maar neer.”
Dr. THOMA: Had u de indruk dat de voorstellen van Rosenberg voortkwamen uit bezorgdheid over de gevaren die door Koch’s methoden ontstonden?
JODL: Ongetwijfeld was het een poging om deze methoden tegen te werken die geleidelijk aan door Himmler werden gebruikt en in het bijzonder door Koch.
Dr. THOMA: Dank u. ik heb verder geen vragen.

Dr. CARL HÄNSEL (raadsman van de SS): Viel de strategische inzet van de divisies van de Waffen-SS onder u?
JODL: De divisies van de Waffen-SS, voor wat betreft hun inzet, werden in het algemeen net zo behandeld als de divisies van het leger.
Dr. HÄNSEL: Hoeveel divisies van de Waffen-SS waren er volgens u? Noemt u het aantal Wehrmacht divisies alstublieft ook zodat we een middel ter vergelijking hebben.
JODL: Aan het begin van de oorlog begonnen we meen ik met drie SS divisies. Het aantal nam tot het einde van de oorlog toe tot een geschatte 35 tot 37 divisies, tegenover een aantal Wehrmacht divisies dat varieerde maar dat ruwweg 280 tot 300 bedroeg.
Dr. HÄNSEL: Wat was de procedure voor het formeren van nieuwe divisies? Wie maakte uit of een dergelijke nieuwe divisie er een van de Waffen-SS of van de Wehrmacht zou worden.
JODL: Zo gauw de Führer bevel had gegeven voor de vorming van een aantal nieuwe divisies zei hij, nadat hij met Himmler had overlegd. dat er zo en zoveel nieuwe divisies moesten worden geformeerd en zo en zoveel voor de Waffen-SS. Hij bepaalde het aantal.
Dr. HÄNSEL: Werd er een bepaalde standaard gehanteerd of gebeurde dat willekeurig? JODL: Ik had de indruk dat de Führer bij het formeren van SS divisies zover wilde gaan als hij ook maar enigszins kon.
Dr. HÄNSEL: En wat beschouwt u – toen u zei “kon” – wat beschouwt u als de limiet? JODL: De limiet lag in het feit dat de soldaten van deze SS divisies vrijwilliger moesten zijn; het moment kwam zeer snel waarop Himmler moest rapporteren: “ik krijg geen vervanging meer voor de divisies,” en vanaf die tijd ontstond de situatie dat wanneer mannen voor militaire dienst werden opgeroepen, het puikje van het puikje naar de SS ging en deze mensen, zelfs al waren het streng-katholieke boerenzonen, werden toegevoegd aan de SS divisies. Zelf kreeg ik hierover verbitterde brieven van boerinnen.
Dr. HÄNSEL: In verband met de werving voor de Waffen-SS die u net hebt beschreven, werd er ook rekening gehouden met politieke opvattingen? Werd een rekruut eerst op een of andere manier politiek aan de tand gevoeld voordat hij lid werd van de Waffen-SS of werd daar geen rekening mee gehouden?
JODL: Nee, de beslissende factor was dat de vent groot was, er gezond uitzag en beloofde een goed soldaat te worden. Dat was het belangrijkste.
Dr. HÄNSEL: U zei gisteren dat er bij de werving geen rekening mee werd gehouden of iemand wel of geen lid was van de SA. Geldt hetzelfde voor het lidmaatschap van de Allgemeine SS? Ik bedoel in die zin, werd er rekening mee gehouden of de rekruut lid was van de Allgemeine SS, hetzij bij de werving, bij de opleiding of bij promoties?
JODL: Niet in die uitgesproken mate als bij de SA. Ik geloof dat het merendeel van de mannen in de Allgemeine SS vrijwillig naar de Waffen-SS ging. Maar ik weet ook dat zeer velen dat niet deden en die werden op de normale manier door het leger opgeroepen zodat ze daar net zo behandeld werden als iedere andere Duitser.
Dr. HÄNSEL: Als ik u dus goed begrijp waren er aan de ene kant veel leden van de Allgemeine SS die in het leger dienden en aan de andere kant waren er veel die noch tot de Partij, noch tot de SS behoorden maar bij de Waffen-SS dienden?
JODL: Dat is waar; het geldt niet voor het begin van de oorlog maar het is zeker waar voor de tweede helft van de oorlog.
Dr. HÄNSEL: En tijdens deze tweede helft van de oorlog ontstond het grootste aantal?
JODL: Ongetwijfeld, dat – de tweede helft – noem ik altijd zo na de grote verliezen tijdens de eerste Russische campagne in 1941.
Dr. HÄNSEL: Wat was ongeveer de totale sterkte van de Waffen-SS tegen het einde van de oorlog?
JODL: Ongeveer 480.000 man.
Dr. HÄNSEL: De verliezen, doden en gewonden, zijn die bij dat aantal opgeteld?
JODL: Ja, die zijn er bijgeteld.
Dr. HÄNSEL: En hebt u daar cijfers van?
JODL: Het is moeilijk een schatting te geven betreffende de SS.

Mr. ROBERTS: Beklaagde, u hebt het Tribunaal twee dagen geleden verteld dat het soldatisme u in het bloed zat. Is dat juist ?
JODL: Ja, dat is waar.
Mr. ROBERTS: Heel goed. En u zei gisteren dat u hier zit om de eer van de Duitse soldaat te verdedigen?
JODL: Ja, dat doe ik in hoge mate.
Mr. ROBERTS: Heel goed, ja. En u vindt zichzelf een eervol soldaat?
JODL: Met mijn volledige geweten, ja.
Mr. ROBERTS: En u vindt zichzelf een waarheidsgetrouw man?
JODL: Zo heb ik mij opgesteld en dat ben ik ook.
Mr. ROBERTS: Heel goed. Vanwege de dingen waarvan u zegt dat u die in de laatste 6 of 7 jaar hebt moeten doen, denkt u dat uw eer besmeurd is?
JODL: Mijn eer was zeker niet besmeurd, daar heb ik persoonlijk tegen gewaakt.
Mr. ROBERTS: Heel goed; u zegt dat uw eer niet besmeurd is.
Hebt u gedurende de laatste 6 of 7 jaar, toen u de dingen veroorzaakte waarvan u zegt dat u die hebt moeten doen, is uw waarheidsgetrouwheid op hetzelfde peil gebleven?
(Er komt geen antwoord.)
Kunt u die vraag niet beantwoorden?
JODL: Ik geloof dat ik te dom ben voor zo’n vraag.
Mr. ROBERTS: Heel goed, als u zichzelf dan te dom vindt zal ik er niet op doorgaan; ik ga verder. Ik laat de vraag voor wat hij is en ga verder. In 1935 stond u als luitenant-kolonel aan het hoofd van de Landesverteidigung van de Wehrmacht. Is dat juist?
JODL: Absoluut juist.
Mr. ROBERTS: Dat is Abteilung L, Landesverteidigung, niet waar?
JODL: Ja, dat is juist.
Mr. ROBERTS: En was Feldmarschall von Blomberg uw meerdere?
JODL: Feldmarschall von Blomberg was niet mijn directe meerdere maar een van mijn meerderen.
Mr. ROBERTS: Hebt u veel samengewerkt met Feldmarschall von Blomberg?
JODL: Bij verschillende gelegenheden bracht ik persoonlijk rapport aan hem uit maar natuurlijk niet zo vaak als aan de Chef van het departement van de strijdkrachten.
Mr. ROBERTS: Woonde u stafvergaderingen met hem bij?
JODL: Ik woonde geen grote besprekingen met Von Blomberg bij; ik meen dat er nooit meer personen aanwezig waren dan Generaal Keitel en ik en misschien een of twee afdelingshoofden.
Mr. ROBERTS: En dat werden stafvergaderingen genoemd?
JODL: Nee, die vergaderingen vonden plaats in het kantoor van de Chef van het departement van de Strijdkrachten.
Mr. ROBERTS: Ging u naar stafvergaderingen?
JODL: Natuurlijk want ik was lid van de staf.
Mr. ROBERTS: Heel goed, dat dacht ik al.
Wilt u nu alstublieft kijken naar document C-139, bewijsstuk USA-53. Kijkt u allereerst naar de handtekenig, wilt u? Die is van Von Blomberg niet waar?
JODL: Dat is getekend door Von Blomberg ja.
Mr. ROBERTS: Nu handelt dat over “Fall Schulung”. Herinnert u zich wat Fall Schulung was?
(Er komt geen antwoord.)
Dat is de herbezetting van het Rijnland, niet waar?
(Er komt geen antwoord.)
Kunt u geen antwoord geven?
JODL: Ik zal u antwoord geven zogauw ik dit gelezen heb.
De PRESIDENT: Beklaagde, de vraag was of u zich herinnert wat Fall Schulung was. Het is niet nodig om het document door te lezen om die vraag te kunnen beantwoorden.
JODL: Volgens mijn herinnering – ik weet niet of het komt door de bestudering van de documenten hier in Neurenberg – de term Schulung betekent voorbereidingen voor de bezetting van het Rijnland na ontruiming van de gebieden ten westen van de Rijn in geval van Franse sancties ....
Mr. ROBERTS: Heel goed, daar ben ik het mee eens.
JODL: Maar er valt in dat verband meer te zeggen.
Mr. ROBERTS: Wacht u nu even. Het document gaat dus over de herbezetting van het Rijnland; bent u het daar mee eens?
JODL: Nee, dat gaat niet over de bezetting van het Rijnland. Dat is absoluut verkeerd, want het...
Mr. ROBERTS: Laten we samen nu eens naar dat document kijken en maar zien wat er staat. Allereerst, het is gedateerd 2 mei 1935.
“Voor de operatie .....” ik lees het u voor, wilt u mij volgen en laat me eerst dit vaststellen: het is blijkbaar zo geheim dat het niet aan een stenograaf toevertrouwd kon worden, niet waar? Het hele document is met de hand geschreven, niet waar?
(Er komt geen antwoord.)
Mr. ROBERTS: U kunt die vraag vast wel beantwoorden. Kunt u zien of het met de hand geschreven is of niet?
JODL: Het is met de hand geschreven, ja.
Mr. ROBERTS: Nou, waarom zegt u het dan niet?
Laat ons nu het document bekijken. Het is afkomstig van de Reichsverteidigungsminister, dat is Von Blomberg, niet waar? Het is het tweede afschrift, “Alleen handmatig.” het is gericht aan de Chef van het Opperbevel, de Chef van het Opperbevel van de Marine en de Rijksminister voor Luchtvaart.
“Voor de operatie, die tijdens de laatste stafvergadering ” ziet u, daarom vroeg ik u of u stafvergaderingen bijwoonde “van de strijdkrachten werd voorgesteld, leg ik de codenaam Schulung vast.”
Als ik dan kort mag verwijzen naar de inhoud:
“Dit is een gezamenlijke onderneming van de drie takken van de Wehrmacht.... De operatie moet worden uitgevoerd” – en dit is een uitdrukking waarmee we later vertrouwd zijn geworden – “met een onverhoedse kalp en met bliksemsnelheid.
Strengste geheimhouding is noodzakelijk...... slechts vredessterkte...... “
En nummer 3:
“Elke verbetering in onze bewapening zal een grotere mate van paraatheid mogelijk maken....”
En dan:
“Aan het opperbevel van het leger wordt gevraagd: hoeveel divisies zijn er paraat?”
Geen spookbataljons, zoals u gisteren zei.
“Versterkingen van de noodzakelijkerwijs onvoldoende sterke troepen daar” in het Westen, “met oost-Pruisssische divisies zullen daar direct per spoor of per schip heen worden gestuurd.... Het opperbevel van de Marine dient te zorgen voor het veilige transport over zee van de oost-Pruissische troepen in het geval dat de route over land is versperd.” Waar kon dat op slaan, die geheime instructie – zo geheim dat hij met de hand moest worden geschreven – als het niet om de herbezetting van het Rijnland ging?
JODL: Als u mij toestaat een korte uitleg te geven zal dat het Tribunaal een reusachtige hoeveelheid tijd besparen.
Mr. ROBERTS: Alsublieft beklaagde, beantwoordt u eerst mijn vraag en geeft u daarna een uitleg, mits die kort is. De vraag is, waar kon dat anders op slaan dan op de herbezetting van het Rijnland?
JODL: Ik zit hier niet als helderziende, ik ken het document niet; ik heb het nooit gelezen, destijds was ik niet eens bij het departement van de strijdkrachten – dat had hele andere handtekeningen – ik was bij de sectie operaties van het leger. Ik heb dit document nooit gezien of erover gehoord. Als u naar de datum kijkt, 2 mei 1935, dan staat daar het schriftelijke bewijs: ik kwam pas midden juni 1935 op het departement voor de Strijdkrachten. Dus kan ik alleen maar op basis van mijn kennis van de Generale Staf u enkele veronderstellingen doen maar het Tribunaal wenst geen veronderstellingen.
Mr. ROBERTS: Heel goed, als dat uw antwoord is. En zegt u, die de stafvergadering van Feldmarschall von Blomberg heeft bijgewoond, dat u het Tribunaal niet kunt helpen waar dat geheime operatiebevel over gaat?
JODL: Dat was voor mijn tijd. Ik was toen nog niet bij Von Blomberg.
Mr. ROBERTS: Heel goed. Wilt u nu alstublieft kijken naar EC-405. Laat hem het Duitse boek zien, pagina 277. Edelachtbare, dat is pagina 26. Heeft hij geen Duits boek?
De PRESIDENT: Beklaagde, u zei toch, niet waar, dat u zich herinnert dat Fall Schulung de voorbereiding was voor de herbezetting van het Rijnland?
JODL: Nee, ik zei heel iets anders. Ik zei dat ik de term Schulung voor het eerst hier in deze zaal heb gehoord en ik vroeg me af wat dat kon betekenen.
De PRESIDENT: Wel, het Tribunaal kan aan de hand van het stenografisch verslag nagaan wat u hebt gezegd. U zegt, niet waar dat u niet hebt gezegd dat Schulung de voorbereiding betekende van de herbezetting van het Rijnland. Is dat juist?
JODL: Ik bedoel dat ik als officier van de Generale Staf van de sectie operaties destijds moest weten welke militaire voorbereidingen er werden getroffen.
De PRESIDENT: Maar dat vroeg ik u niet. Wat ik wil weten is wat u net zei, toen u werd gevraagd of u zich herinnerde wat Fall Schulung betekende. Wat zei u? Er wordt verondersteld dat de vertaling bij ons wellicht niet goed is doorgekomen. Wat zei u?
JODL: Ik zei: “Ik meen mij te herinneren – ik weet niet of het komt door de bestudering van de documenten hier of eerder – dat de term Schulung betekent voorbereidingen voor de bezetting van het Rijnland na ontruiming van de gebieden ten westen van de Rijn in geval van Franse sancties want dat was het enige waar we ons destijds mee bezig hielden.”
Alle ontruimingsmaatregelen die ik later ook in document EC-405 heb genoemd, hoorden daarbij.
Mr. ROBERTS: Goed, u herinnert zich de datum van dat eerste document, 2 mei 1935. Ik verwijs nu naar EC-405 dat in het grote documentenboek zit. pagina 261 en het staat op pagina 277 van het Duitse boek, dat u hebt. Dit, beklaagde is een vergadering – kijkt u alstublieft op pagina 43 en 44 van het origineel dat u hebt. Hebt u 43 en 44?
JODL: 43 en 44 ja.
Mr. ROBERTS: Heel goed. Nu ziet u daar – het is een vergadering van het werkcomité van de Reichsverteidigungsrat. Het is gedateerd 26 juni 1935 en onder letter F: “Luitenant-kolonel Jodl .... over deelname aan voorbereidingen voor mobilisatie,” en de eerste drie alinea’s gaan over een algehele mobilisatie en die zal ik niet voorlezen, maar de vierde alinea luidt:
“De gedemilitariseerde zone vereist speciale behandeling. In zijn rede van 21 maart 1935 en in andere uitlatingen heeft de Führer gezegd dat de bepalingen van het Verdrag van Versailles en het Pact van Locarno worden nageleefd. Op het aide-mémoire van de Franse zaakgelastigde heeft de Duitse Rijksregering geantwoord dat noch aan burgerlijke wervingsbureau’s , noch aan andere instanties in de gedemilitariseerde zone mobilisatie maatregelen zijn toevertrouwd zoals het vormen, uitrusten en bewapenen van elk soort formatie in geval van een oorlog of de voorbereiding daarop.”
Nu, als Von Blomberg’s hand geschreven brief van 2 mei 1935 echt verwees naar voorbereidingen voor de bij verrassing bezetting van het Rijnland, was het natuurlijk hoogst oneerlijk van de Führer om 19 dagen later, op de 21ste mei te zeggen dat de verdragen van Versailles en Locarno werden nageleefd, niet waar?
JODL: Nee, het was niet oneerlijk, want het is volkomen waar dat de uitdrukking Schulung ....
De PRESIDENT: Neemt u mij niet kwalijk, u geeft commentaar.
Mr. ROBERTS: Edelachtbare, ik moet natuurlijk tijdens mijn verhoor bepaalde opmerkingen maken over de beklaagde. U zult zich ongetwijfeld realiseren dat ik niet zal afwijken van deze specifieke regel die blijkbaar alleen voor deze vraag geldt.
De PRESIDENT: Ik meen – het Tribunaal meent dat u geen commentaar moet leveren maar dat u zich bij uw kruisverhoor zoveel mogelijk moet beperken tot de feiten.
Mr. ROBERTS: Wel Edelachtbare, wat betreft uw regel heb ik natuurlijk in vele zaken een grote ervaring opgedaan en ik leg me volledig bij uw regel neer; maar het is voor een ondervrager uiterst moeilijk zich volledig tot de feiten te beperken. Maar ik zal mijn uiterste best doen.
(tot de beklaagde): Ik lees verder:
“Omdat politieke verwikkelingen in het buitenland onder alle omstandigheden nu moeten worden vermeden, mogen alleen die voorbereidende maatregelen worden getroffen die in de gedemilitariseerde gebieden absoluut noodzakelijk zijn. Het bestaan van dergelijke maatregelen of het voornemen die te nemen moeten zowel in de zone als in de rest van het Reich absoluut geheim worden gehouden......”
“Wapens, uitrusting, insignes, veldgrijze uniformen en andere zaken die voor de mobilisatie worden opgeslagen, moeten verborgen blijven.”
En nu wil ik verwijzen naar de laatste alinea:
“Het schrijven van richtlijnen voor mobilisatiedoeleinden is alleen maar toegestaan voor zover dat absoluut noodzakelijk is voor het soepel uitvoeren van de maatregelen voor de gedemilitariseerde zone. Zonder uitzondering moet dat soort materiaal in brandkasten worden bewaard.”
U verzamelde wapens en uniformen in de gedemilitariseerde zone, niet waar?
JODL: Dat waren wapens en uitrustingsstukken van de Landespolizei, de Ordnungspolizei en de Gendarmerie. Er lagen daar geen troepen. Er waren daar dus ook geen wapens voor hen.
Mr. ROBERTS: Droeg de politie veldgrijze uniformen?
JODL: Naar mijn weten droeg de politie een grijs-groen of een groen uniform.
Mr. ROBERTS: Waarom was die strenge geheimhouding dan nodig als het alleen maar om uitrustingsstukken van de politie ging?
JODL: Het waren de uitrustingsstukken ter aanvulling voor de versterkte grensbewaking, inspecteurs van de douane waarvan ik al eerder heb gezegd dat het de bedoeling was ..
Mr. ROBERTS: Mijn vraag was, beklaagde, wat was de noodzaak voor geheimhouding? Wat was de noodzaak voor geheimhouding als u niet eens het Verdrag van Versailles overtrad? Kunt u daar geen antwoord op geven?
JODL: Ik heb in mijn directe verhoor al tot in detail getuigenis afgelegd over de redenen al deze maatregelen geheim te houden. Ik bevestig dat er bij al deze maatregelen sprake van was – in het geval van een bezetting door Frankrijk van het gebied ten westen van de Rijn – een blokkade langs de grens te leggen met behulp van de politie, de gendarmerie en de versterkte grensbewaking. Dat was destijds de bedoeling, alleen voor die gelegenheid. Ik heb onder ede al verklaard dat ik pas 6 of 8 dagen daarvoor hoorde over de bezetting van het Rijnland.
Mr. ROBERTS: Dat weet ik, ziet u en ik leg u voor dat uw bewijsmateriaal op dat punt volkomen onwaar was; ik leg u voor dat het op vele punten volkomen onwaar is. Nu dan, wilt u alstublieft teruggaan naar de eerste alinea die ik heb voorgelezen. U zegt: “Op het aide-mémoire van de Franse zaakgelastigde heeft de Duitse Rijksregering geantwoord dat noch aan burgerlijke wervingsbureau’s, ..... maatregelen zijn toevertrouwd zoals het vormen, uitrusten en bewapenen van elk soort formatie in geval van een oorlog ...........”
Toont de volgende alinea over wapens, uitrusting, insignes en veldgrijze uniformen niet aan dat de Franse Zaakgelastigde de waarheid niet werd verteld?
JODL: Ik herhaal alleen maar het antwoord dat aan de Franse Zaakgelastigde werd gegeven. Ik meen dat dat in beginsel waar was: geen mobilisatietaken zoals opstelling, uitrusting en bewapening van formaties in geval van oorlog. Er was geen sprake van een oorlog, niemand noemde het zelfs met geen woord.
Mr. ROBERTS: Ik zal het punt dat ik u voorlegde niet herhalen – mag ik u alleen herinneren aan, ik denk dat er voor het Tribunaal afschriften van zijn – aan artikel 43 van het Verdrag van Versailles. Artikel 42 definieert het gebied, de linkeroever van de Rijn en de rechter tot ten westen van een lijn getrokken op 50 kilometer naar het oosten. Artikel 43:
“In het hierboven gedefinieerde gebied zijn het handhaven en verzamelen van gewapende eenheden, hetzij permanent, het zij tijdelijk en militaire operaties van elke soort; zowel als het onderhoud aan permanente installaties voor mobilisatie verboden.” Ik leg u voor dat de stappen die u nam, tijdens die vergadering genoemd, een duidelijke schending van het Verdrag van Versailles waren. Bent u het daarmee eens of niet?
JODL: Nee, daar ben ik het niet mee eens. Die werden genomen in geval de vijand zich niet aan het verdrag zou houden en ons weer aan zou vallen, zoals destijds in het Roergebied.
Mr. ROBERTS: Heel goed. Nu stel ik voor u te verwijzen naar een document dat soms omschreven is als uw toespraak, L-172 en ik wil eerst duidelijk maken wat u in het document zegt want u wilde de ene dag een ding zeggen en de andere het tegenovergestelde, niet waar, beklaagde? In dat document staat uw handschrift op sommige plaatsen, niet waar? Ik kan u de pagina’s noemen als u dat wilt. Kijkt u op pagina ....
JODL: Dat is niet nodig. Het bevat veel handgeschreven verbeteringen en notities van mij. Maar ik heb ....
Mr. ROBERTS: Dank u beklaagde dat u mij die moeite bespaart. En is dat een toespraak – de aantekeningen voor een toespraak – die u in 1943 in München voor Gauleiter hield?
JODL: Ik heb al duidelijk gezegd dat dit een ruw ontwerp is, niet de toespraak die ik hield maar gedeelten van het eerste ontwerp en het meeste van de inhoud bestaat uit notities van mijn staf die zij mij toestuurden voor de voorbereiding op deze toespraak. Ik heb hele pagina’s doorgestreept en het ruwe ontwerp weer teruggestuurd en pas toen hield ik die toespraak.
Mr. ROBERTS: Welnu, dat wil ik onderzoeken want u hebt heel iets anders gezegd, niet waar toen u door een Amerikaanse officier bij twee gelegenheden werd ondervraagd? U heeft heel wat anders gezegd, niet waar?
(Er komt geen antwoord.)
Bent u op 8 oktober vorig jaar door Kolonel Thomas Hinkel over deze kwestie ondervraagd? Herinnert u zich dat? Misschien herinnert u zich de datum niet.
JODL: Nee. Oh, we hebben een paar keer over deze kwestie gesproken.
Mr. ROBERTS: Ja, en u hebt een eed afgelegd toen u uw ondervragers antwoord gaf?
JODL: Ja.
Mr. ROBERTS: Goed, mag ik om uw geheugen op te frissen een afschrift van het verslag van die ondervraging voorlezen?
“Ik toon u een fotostatische reproductie van een aantal pagina’s van een toespraak die door u op 7 november 1943 gehouden zou zijn en ik vraag u of deze pagina’s een voorbeeld zijn van de toespraak die u hebt gehouden. Voor het verslag is die gekenmerkt als L-172.”
Dan antwoordt u:
“Ja, een paar dingen staan hier niet in, die heb ik uitgelegd aan de hand van de kaart.”
Vraag: U hebt de opmerkingen toegevoegd die niet in het geschreven deel staan, is dat juist?
Antwoord: Ja, ik heb bijzonderheden genoemd alleen aan de hand van de kaart.
Vraag: Is dat uw handschrift op het voorblad?
Antwoord: Nee, dat is niet van mij.
Vraag: Maar u herkent de overgebleven pagina’s als de geschreven versie van een toespraak in München?
Antwoord: Ik kan niet zeggen of het mijn toespraak was want ik zie de handtekening van Buttlar. Het is de toespraak zelf niet. Dat is het materiaal uit de brochures die aan mij werden gegeven.
Dan:
“Herkent u .... “ Wilt u dit alstublieft volgen, beklaagde?
“Herkent u de eerste 29 pagina’s als onderdeel van de toespraak die u hield?
Antwoord: (na bestudering van het document) Ja, dat is mijn toespraak.
Wilt u die beëdigde verklaring nu wijzigen, wilt u dat?
JODL: Ik heb het transcript van de notulen die hier zijn gemaakt niet gelezen. Ik ken de vertaling niet. Ik heb op dat vlak diverse andere uitlatingen gedaan, Ik merkte bij het tweede verhoor dat het in feite mijn toesprak niet was en dat .....
Mr. ROBERTS: Ik zal de tweede voorlezen, beklaagde. Die heb ik voor u. Dat was op de 16de ....
De PRESIDENT: Beklaagde, bent u klaar met wat u wilde zeggen?
JODL: Nee, ik was nog niet klaar. Ik werd onderbroken.
De PRESIDENT: Maakt u dan af wat u wilde zeggen.
JODL: Ik wilde zeggen dat voor ik het hele document had bekeken, ik op het eerste gezicht de indruk had dat dat het afschrift was waarvan ik mijn rede heb gehouden. Toen ik echter tijdens het verhoor het document nauwkeuriger bekeek merkte ik dat het alleen het materiaal was dat ik voor deze toespraak had verzameld en ik heb heel duidelijk gezegd:
“Dit bevat het eerste ontwerp, de grote lijnen en mijn conclusie. Het hele middengedeelte bestaat uit materiaal dat door mijn staf is geleverd en het geheel is helemaal niet de rede die ik heb gehouden.”
Dat is woord voor woord wat ik Kolonel Hinkel heb verteld.
Mr. ROBERTS: Ja. Laat me u nu voorlezen wat ik van plan was, het tweede verhoor. Dit is op 16 november 1945. 4 dagen voor het begin van dit proces:
“Dit document wordt voor het verslag geïdentificeerd als L-172. Ik toon u de fotostatische reproductie om uw geheugen hierover op te frissen.”
“Voor zover ik mij uw eerste verklaring herinner, luidde die dat het eerste deel van het document de toespraak is die u schreef om op die bijeenkomst te houden. Het tweede deel bestaat uit diverse notities op basis waarvan deze toespraak werd geschreven; is dat juist”?
“Antwoord: Een moment graag. Dit is niet mijn echte toespraak. Dit is een verzameling van stukken tekst die gedeeltelijk ontwerpen van mijzelf zijn, dat wil zeggen, de inleiding; maar alle aanhangsels vormen de basis voor mijn toespraak die door mij door mijn staf is geleverd.
“De fotostaten toegevoegd aan de oorspronkelijke toespraak – het was een gefotografeerd exemplaar – en ook een aantal kaarten die waren gemaakt zijn eraan toegevoegd.
“Dit is niet mijn toespraak als zodanig en de notities in handschrift waren niet van mij. Ik heb ze met eigen hand geschreven.
Ik ken de oorsprong van dit afschrift niet. Zeer waarschijnijk werd mij dat door het OKW gegeven voor het houden van die toespraak. Het is een verzameling van diverse stukken tekst en slechts beperkt bruikbaar. Echter ....
En luistert u hier eens naar, wilt u:
“.... wat de grote lijnen betreft, dit is wat ik voor die toespraak heb gebruikt.
Dan was de volgende vraag:
“Ik geloof dat u eerder zei dat de geschreven toespraak die u had niet werd gehouden zoals vermeld in de tekst omdat u tijdens die rede diverse opmerkingen toevoegde; in het bijzonder toen u verwees naar een van de kaarten die u aan het publiek toonde om de campagnes die u besprak te kunnen volgen. Is dat niet juist?
Luistert u nu hiernaar:
“Wat ik heb opgeschreven heb ik ook werkelijk gezegd en ik heb de door mij geschreven tekst gevolgd. Maar met betrekking tot de huidige situatie aan de diverse fronten” – en dat zijn de delen 3 en 4, waar u een notitie aantreft “die spontaan is toegevoegd” – had ik dat zo duidelijk in mijn hoofd dat ik mijn rede niet hoefde te baseren op geschreven uitlatingen. Ik heb ook vrijelijk naar de kaarten verwezen.”
Dan de laatste vraag over dit onderwerp:
“Is het echter niet waar dat het document dat voor u ligt in grote lijnen de toespraak weergeeft die u in november 1943 op deze bijeenkomst in München hield?
Het antwoord luidt:
“Ja, veel is ongetwijfeld hetzelfde. Alle aanhangsels met betrekking tot die diverse oorlogsgebieden en andere aanhangsels heb ik tijdens mijn toespraak niet gebruikt. Ik heb ze teruggegeven.
Stemt u in met uw antwoorden tijdens die ondervraging?
JODL: Over het algemeen hebt u alleen maar bevestigd wat ik heb gezegd. Ik weet alleen niet waarom we er zo lang over moeten praten. De kwestie is volkomen duidelijk. Het is ...
Mr. ROBERTS: Nou, maakt u zich alstublieft geen zorgen. Ik weet dat ik u tegen houd maar ik vrees dat ik u ervan weerhoud dingen te zeggen die totaal onbelangrijk zijn en in het belang van de tijd acht ik het mijn plicht u tegen te houden. Maakt u zich alstublieft geen zorgen over waarom ik iets zou moeten doen.
Ik wil weten of dat document in grote lijnen weergeeft wat u in die rede hebt gezegd. Het is heel wat anders dan wanneer het in de prullenbak ligt.
JODL: De inleiding en de conclusie, zoals vervat in het eerste ontwerp hier, waren natuurlijk in principe in deze vorm in de toespraak opgenomen. De hele toespraak werd echter uiteindelijk uitgewerkt op basis van dit eerste ontwerp; hij werd ingekort, gewijzigd, er werden delen geschrapt en fouten verbeterd. En pas dan kwam het belangrijkste deel waarvan alleen het materiaal hier is. Er bestaat geen bewijs voor en ik ben niet in een positie om te zeggen of ik ook maar een zin heb uitgesproken in de vorm waarin die in het eerste ontwerp is terug te vinden.
Mr. ROBERTS: Prima; ik zal dat aanvaarden.
JODL: Als u mij een afschrift van mijn echte toespraak geeft, zal ik die herkennen.
Mr. ROBERTS: Dit is alles wat we u kunnen geven, beklaagde want dit is alles wat we gevonden hebben.
De PRESIDENT: Ik meen dat we nu wel kunnen schorsen.
Mr. ROBERTS: Zoals u wilt, Edelachtbare.

Definitielijst

Abteilung
Maakte meestal deel uit van een Regiment en bestond uit een aantal Kompanien. De Abteilung was de kleinste eenheid die individueel kon opereren en zichzelf kon handhaven. In theorie bestond een Abteilung uit 500 - 1.000 man.
Berghof
Een diep in de Beierse alpen verborgen villa op de top van de Obersalzberg vlakbij Berchtesgaden. Deze villa was in het bezit van Hitler en het centrum van de zogeheten Alpenfestung. De villa kende een enorm tunnelcomplex van in totaal bijna 11 kilometer lengte. Vanuit de Berghof werd een groot deel van de tijd het Derde Rijk bestuurd door Hitler en zijn naaste medewerkers. Daarnaast bracht ook Eva Braun als minnares van Hitler er veel tijd door.
divisie
Bestond meestal uit tussen de een en vier Regimenten en maakte meestal deel uit van een Korps. In theorie bestond een Divisie uit 10.000 - 20.000 man.
Führer
Duits woord voor leider. Hitler was gedurende zijn machtsperiode de führer van nazi-Duitsland.
Gauleiter
Leider en vertegenwoordiger van de NSDAP in een Gau.
mobilisatie
Een leger in staat van oorlog brengen, dus eigenlijk de overgang van vredestoestand naar oorlogstoestand. Het Nederlandse leger werd gemobiliseerd op 29 augustus 1939.
Rijnland
Duitstalig na WO I gedemilitariseerd gebied aan de rechteroever van de Rijn dat door Hitler bezet werd in 1936.

Pagina navigatie

Informatie

Vertaald door:
Arnold Palthe
Geplaatst op:
18-09-2009
Laatst gewijzigd:
18-04-2010
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

Categorieën


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2017
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.