Verhoor Konstantin von Neurath 1

Ochtendzitting 1 22-06-1946

Inhoudsopgave

De PRESIDENT: Dr. Von Lüdinghausen, het Tribunaal ziet dat u een aanvullend verzoek heeft gedaan voor een extra getuige, Ambassadeur François-Poncet; is dat juist? En voor een paar extra aanvullende documenten?
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Jawel, Meneer de President. Mag ik met betrekking tot het verzoek om M. François-Poncet de volgende opmerkingen maken. Ambassadeur François-Poncet heeft in de tussentijd gereageerd op de oproep die hij heeft ontvangen en ik kreeg zijn brief 2 dagen geleden via de Franse delegatie, zij het als een afschrift. De Franse delegatie heeft mij echter beloofd dat het origineel bij het Tribunaal zal worden ingediend en zij, zowel als de Britse delegatie hebben geen bezwaar tegen het gebruik ervan. Daarom zal het verzoek om ondervraging van de getuige …..
De PRESIDENT: Dat de brief wordt gebruikt, bedoelt u?
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Het oproepen en het verhoor van de getuige zijn dus onnodig, evenals dat verzoek van mij.
De PRESIDENT: Dat lijkt het Tribunaal een geschikte procedure, afhankelijk natuurlijk van enige relevante vraag over het onderwerp van die brief.
Nu wat betreft de documenten waar u om vraagt, heeft de Aanklager daar bezwaar tegen of niet?
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Ja, in twee gevallen die ik al heb weggestreept. De twee documenten die ik ook wilde indienen en waartegen de Aanklager bezwaar heeft gemaakt, heb ik weggelaten, die zitten niet langer meer in mijn documentenboeken.
De PRESIDENT: Volgens het document dat voor mij ligt schijnt de Aanklager tegen drie ervan bezwaar te hebben gemaakt. Ik weet niet of dat waar is of niet.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Twee, nummers 93 en 101 uit mijn documentenboeken; daartegen is bezwaar gemaakt en die ik heb ik teruggenomen.
De PRESIDENT: Ja, neemt u mij niet kwalijk, ik had ongelijk. Goed dan, u hebt ze ingetrokken; dat is prima. Gaat u alstublieft verder.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Meneer de President, mag ik allereerst zeggen dat tot nu toe alleen de vertaling van documentenboek 1 compleet is. Dat boek staat iedereen ter beschikking. De andere zijn echter nog niet klaar. Ik zou niettemin graag willen dat mij wordt toegestaan allereerst de documenten uit de documentenboeken te citeren in verband met de desbetreffende vragen; ik zal de nummers geven en een korte beschrijving en er wellicht ook korte passages uit citeren zodat het verband intact blijft en ons wellicht de moeite wordt bespaard de documenten nogmaals in te dienen nadat ze zijn vertaald; iets wat per slot tijdsverspilling zou zijn.
De PRESIDENT: U bedoelt dat u de documenten wilt gebruiken voordat u de beklaagde hebt opgeroepen?
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Nee, nee, in de loop van het verhoor.
De PRESIDENT: Ja, u stelt dus voor de beklaagde op te roepen?
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Ja.
(Beklaagde Von Neurath gaat naar de beklaagdenbank,)
De PRESIDENT: Wilt u alstublieft uw naam zeggen?
KONSTANTIN VON NEURATH (Beklaagde): Konstantin von Neurath.
De PRESIDENT: Wilt u mij deze eed nazeggen: Ik zweer bij God, de Almachtige en Alwetende dat ik de zuivere waarheid zal spreken, niets zal achterhouden en niets zal toevoegen.
(de beklaagde herhaalt de eed.)
De PRESIDENT: Neemt u plaats.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Meneer Von Neurath, wilt u ons alstublieft in het kort iets vertellen over uw achtergrond, uw opvoeding thuis en uw opleiding?
VON NEURATH: Ik ben op 2 februari 1873 geboren. Van vader’s kant kom ik uit een oud geslacht van ambtenaren. Mijn grootvader, overgrootvader en mijn over-overgrootvader waren Minister van Justite en van Buitenlandse Zaken in Württemberg. Van moeder’s kant kom ik uit een edel Schwabisch geslacht waarvan de voorouders voornamelijk officier waren in het Keizerlijke Oostenrijkse leger.
Tot aan mijn twaalfde werd ik in grote soberheid op het platteland opgevoed met bijzondere nadruk op de plichten van trouw, verantwoordelijkheid, patriotisme en een Christelijke levenswijze samen met een Christelijke verdraagzaamheid ten opzichte van andere geloven.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Later behaalde u uw schooldiploma en ging naar de universiteit. Waar en wanneer?
VON NEURATH: Na het doorlopen van de middelbare school studeerde ik rechten in Tübingen en Berlijn en slaagde daar voor de beide staatsexamens rechten.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Welke officiële functies bekleedde u na uw examens tot aan het moment waarop u werd benoemd tot Reichsaussenminister?
VON NEURATH: In 1901 kwam ik in de buitenlandse dienst van het Reich. Allereerst werkte ik op het Ministerie in Berlijn en in 1903 werd ik toegevoegd aan de consul-generaal in Londen. Van daar keerde ik terug naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken in Berlijn en werkte daar op alle afdelingen van dat Ministerie. In 1914.....
De PRESIDENT: Wanneer?
VON NEURATH: 1914.
De PRESIDENT: Bedoelt u dat u 11 jaar in Londen bent geweest?
VON NEURATH: Bijna, ja. Daarna werd ik naar Constantinopel gestuurd als Ambassaderaad. Eind 1916 nam ik ontslag uit de diplomatieke dienst – vanwege een onenigheid met het beleid van Reichskanzler Von Bethmann-Holweg. Daarna werd ik Chef van het Kabinet van de Koning van Württemberg tot aan de revolutie van 1918.
In februari 1919 verzocht de Sociaaldemocratische volkscommissaris, Ebert mij terug te keren in diplomatieke dienst. Dat deed ik op voorwaarde dat ik mijn eigen politieke meningen mocht behouden en werd toen Minister voor Denemarken waar mijn voornaamste taak bestond uit het beslechten van de geschillen die wij met Denemarken hadden over de zogenaamd kwestie Schleswig.
In december 1921 werd ik Ambassadeur in Rome bij de Italiaanse regering waar ik tot 1930 bleef. Daar maakte ik de Fascistische revolutie mee met zijn bloedige gebeurtenissen en de gevolgen. Vanaf het begin had ik felle meningsverschillen met Mussolini die geleidelijk uitgroeiden tot een vertrouwelijke relatie van zijn kant.
Gedurende de Eerste Wereldoorlog was ik kapitein in een regiment Grenadiers en in december 1914 werd ik wegens dapperheid in actie onderscheiden met het EK1 (Eisernes Kreuz 1ste Kl). Ik raakte gewond en keerde daarna naar mijn post in Constantinopel terug.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Wat is uw houding ten opzichte van Kerk en religie?
VON NEURATH: Zoals ik u al heb verteld, ben ik Christelijk opgevoed en ik heb altijd de Christelijke Kerk en de Christelijke moraal beschouwd als het fundament van de Staat. Daarom heb ik keer op keer geprobeerd Hitler over te halen niet toe te staan dat de anti-kerkelijke houding van bepaalde groeperingen binnen de Partij werkelijkheid zouden worden. In gevallen van excessen die door Partijorganisaties en individuele Partijleden werden begaan tegen kerken, kloosters en zo ben ik altijd tussenbeide gekomen, voor zover ik daartoe in staat was.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Meneer de President, in dit verband zou ik willen citeren uit de verklaring, afgelegd door de provinciale bisschop Wurm in Stuttgart. Deze verklaring heeft nummer Von Neurath-1 in mijn documentenboek 1. Ik citeer:
"Ik leerde de heer Von Neurath kennen ten tijde van de Kerkstrijd. Ik meende dat ik mij tot hem kon wenden als een man uit dezelfde provincie en als afstammeling van een geslacht dat vriendschappelijk stond ten opzichte van de Protestantse Kerk. Zijn vader was lid van de provinciale Protestantse synode. Ik werd in dit vertrouwen niet teleurgesteld. Hij ontving mij regelmatig en regelde vaak besprekingen voor mij met andere leden van het Reichskabinett. In het bijzonder steunde hij mij, samen met Innenminister Dr. Frick en Reichsjustizminister Dr. Gürtner in de herfst van 1934, toen ik uit mijn ambt was gezet en huisarrest had gekregen vanwege een onwettige tussenkomst van de kant van Reichsbischof Ludwig Müller als gevolg van mijn weerstand tegen de overheersing van de Kerk door Duitse Christenen. Hij bereikte mijn vrijlating uit mijn huisarrest en mijn herbenoeming door de Staat tot Reichsbischof. Hij bracht in de Reichskanzlei ook een discussie op gang met als gevolg de afschaffing van de illegale wetgeving van de kant van de Reichsbischof. Gedurende latere perioden in de Kerkstrijd kreeg ik altijd een vriendelijk onthaal en van zijn kant een volledig begrip voor de zorgen van de Kerk."
Ik zou ook graag willen verwijzen naar een verklaring die verschijnt onder nummer Von Neurath-2 in mijn documentenboek. Dat is een verklaring van een oude en intieme vriend van beklaagde, de jurist en notaris Manfred Zimmermann uit Berlijn. Ik zou graag een korte passage uit die verklaring willen citeren.
De PRESIDENT: Ik denk niet dat het nodig is dat allemaal voor te lezen. Het Tribunaal zal het natuurlijk in overweging nemen.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Prima, maar ik vond het belangrijk omdat dit tweede document afkomstig is van een man die de beklaagde gedurende de afgelopen 40 jaar zeer goed gekend heeft. Ik vond het om die reden belangrijk, naast de verklaring van Bisschop Wurm, een uitspraak te citeren van een man die bekend is met zijn dagelijks leven. Als u, Meneer de President, echter gelooft dat het niet nodig is als ik het hier voorlees, dan zal ik er slechts naar verwijzen.
De PRESIDENT: U hoeft het niet allemaal voor te lezen maar u kunt onze aandacht vestigen op de belangrijkste passages.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Meneer de President, de passage die ik wilde citeren staat op pagina 5 van die verklaring, onder alinea 5. Die begint met: "Constantin von Neurath is volgens zijn familie en op grond van zijn opleiding en ontwikkeling een man met in ieder opzicht een oprecht karakter."
Daar kan ik dus van af zien.
Ik zou een verklaring van Pastoor Roller en de burgemeester van Enzweihingen willen overleggen. Dat is het dorp waar Von Neurath woont. Dit is nummer Von Neurath-24 in mijn documentenboek 1.
Meneer Von Neurath, wat was in dit verband uw houding ten opzichte van het Jodenvraagstuk?
VON NEURATH: Ik ben nooit anti-semiet geweest. Mijn Christelijke en humanitaire opvattingen weerhielden mij daarvan. Een terugdringen van de ongepaste Joodse invloed op alle terreinen van het openbare en culturele leven, zoals die zich in Duitsland na de Eerste wereldoorlog had ontwikkeld, beschouwde ik echter als wenselijk. Maar ik was tegen zowel alle geweldsmaatregelen tegen de Joden als propaganda tegen de Joden. Ik vond de hele rassenpolitiek van de Nationaalsocialistische Partij verkeerd en om die reden bestreed ik die. Nadat de anti-Joodse wetten van kracht waren verklaard bestreed ik de uitvoering ervan en hield niet-Arisch personeel van Buitenlandse Zaken zolang mogelijk aan. Pas nadat de Partij de beslissing had geforceerd betreffende de benoeming van ambtenaren beperkte ik mij tot het verdedigen van individuele personen. Ik heb diverse van hen geholpen te emigreen.
Die zogenaamde rassenwet werd door een fanatiek racist binnen de Partij opgesteld en werd in Neurenberg aanvaard ondanks mijn heftige protesten.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: In dit verband zou ik willen verwijzen naar een verklaring van de voormalig Ambassadeur Dr. Curt Prufer en er een korte zin uit voorlezen. Dit document is Von Neurath-4 in mijn documentenboek. Ambassadeur Prufer was Ministerialdirektor op Buitenlandse Zaken toen Von Neurath Aussenminister was. Ik zou een korte passage willen citeren betreffende zijn houding jegens ambtenaren van diverse geloven.
De PRESIDENT: Wilt u ons het paginanummer noemen?
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Het is pagina 9 van de Duitse tekst.
De PRESIDENT: Ja, en bij ons pagina 21?
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Ja.
"Von Neurath kwam in veel gevallen op voor ambtenaren op Buitenlandse Zaken waartegen vanwege hun ras, hun geloof of hun vroegere lidmaatschap van andere partijen door de Nationaalsocialisten bezwaar werd gemaakt. Zodoende bleef een aantal ambtenaren van Joods of gemengd bloed in dienst tot aan de dood van Von Hindenburg en zolang Von Neurath nog alleen de zeggenschap had over kwesties betreffende ambtenaren. In feite maakten sommige van dergelijke ambtenaren nog promotie."
"Pas na de dood van Von Hindenburg, toen de Rijksministers net als andere afdelingshoofden het recht van definitieve beslissing in alle kwestie betreffende ambtenaren werd ontnomen door een decreet van de Führer en deze bevoegdheid werd overgedragen aan de plaatsvervanger van de Führer, drong het radicalisme van de Partij ook tot in deze sector door en nam, zeker na het aftreden van Von Neurath steeds grimmiger vormen aan."
De PRESIDENT: Waar was dat een antwoord op?
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Dat was de verklaring van voormalig Ambassadeur Dr. Curt Prufer.
De PRESIDENT: Ja, dat weet ik. Ik wilde weten waarop dit een antwoord was.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Ik begrijp het, nummer 4. Het is een verklaring, geen vragenlijst in die zin.
De PRESIDENT: Dat is in ons afschrift in ieder geval in alinea’s ingedeeld.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Nummer 18, het is het antwoord op vraag 18.
Mag ik ook uw aandacht vestigen op een verklaring van Barones Ritter uit München. Barones Ritter is een ver familielid van beklaagde. Zij is de weduwe van de voormalige Beierse Ambassadeur bij de Heilige Stoel. Zij heeft Von Neurath vele jaren gekend en is goed op de hoogte van zijn manier van denken. Dit is nummer 3 in mijn documentenboek 1 en ik zou willen citeren van pagina 3, een korte passage slechts:
"Dezelfde verdraagzaamheid die hij toonde voor Christelijke geloven toonde hij ook ten opziche van het Joodse probleem. Daarom heeft hij uit principe Hitler’s rassenpolitiek afgewezen. In de praktijk wist hij tot aan 1937 ook te voorkomen dat vele Joden die onder zijn gezag stonden werden ontslagen. Verder hielp hij iedereen die professioneel of persoonlijk dicht bij hem stond en die getroffen was door de wetten betreffende de Joden, voor zover hij daartoe in staat was, om hen te behoeden voor financiële en andere nadelen."
Meneer Von Neurath, wat was uw houding ten opzichte van Hitler’s anti-Joodse tendens en maatregelen?
VON NEURATH: Daarin zag ik een anti-semitisme dat het Duitse volk niet helemaal vreemd was maar in de praktijk geen gevolgen had. Ik protesteerde bij Hitler tegen alle excessen waar ik van wist en niet alleen om redenen van buitenlandse politiek smeekte ik hem om in het bijzonder Goebbels en Himmler af te remmen.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: In verband met deze kwestie zou ik een vraag willen invoegen. Wat wist u van de activiteiten en de excessen van de Gestapo, de SA en de SS?
In dit verband zou ik u de getuigenis van Gisevius willen voorleggen die hier een paar dagen geleden is ondervraagd. Hij zei:
"Afgezien daarvan overhandigde ik aan een van de naaste medewerkers van de Aussenminister destijds," – dat was u – "Ambassadeur Von Billow-Schwante, de Chef Protocol zoveel materiaal als ik maar kon en volgens de informatie die Von Billow-Schwante mij gaf heeft hij dat materiaal regelmatig doorgegeven."
Dit is materiaal dat vermoedelijk excessen betreft, in het bijzonder tegen buitenlanders natuurlijk.
VON NEURATH: De verklaring van deze getuige Gisevius dat mijn Chef Protocol mij in het algemeen had moeten inlichten over de activiteiten van de Gestapo is een volkomen verkeerde conclusie. Officieel hoorde ik via klachten van ambassadeurs en ministers over opstootjes en ook over arrestaties door de politie en de SA maar ik wist niets van de algemene officiële instituten van de Gestapo en haar activiteiten.
In elk geval dat mij bekend werd eiste ik bovenal dat de Innenminister, het hoofd van de politie en de Gestapo mij een uitleg gaven en de schuldigen bestraften.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Wat wist u of wat werd u bekend over concentratiekampen? Wanneer hoorde u voor het eerst over deze instellingen en wanneer en van wie hoorde u over de toestanden die in deze kampen heersten?
VON NEURATH: Het instituut concentratiekamp was mij bekend uit de Boerenoorlog. Het bestaan van dergelijke kampen in Duitsland werd mij bekend in 1934 of 1935 toen twee ambtenaren van mijn departement, waaronder de Chef Protocol die de heer Gisevius noemde, plotseling werden gearresteerd. Toen ik naar hun verblijfplaats informeerde, ontdekte ik dat ze waren afgevoerd naar een zogenaamd concentratiekamp. Ik liet Himmler en Heydrich komen en protesteerde bij hen, wat uitliep op een zeer heftig meningsverschil. Ik beklaagde mij direct bij Hitler en deze twee ambtenaren werden vrijgelaten. Ik vroeg hen hoe zij waren behandeld en beiden gaven toe dat afgezien van het gebrek aan vrijheid, de behandeling niet slecht was geweest.
Het concentratiekamp waarheen ze waren afgevoerd was het kamp in Oranienburg. Later hoorde ik van het bestaan van een kamp bij Dachau en in 1939 hoorde ik ook over Buchenwald omdat de Tsjechische studenten die door Himmler waren gearresteerd daarheen waren afgevoerd.
De omvang van de concentratiekampen, zoals die hier bekend is geworden, in het bijzonder de behandeling van de gevangenen en het bestaan van de vernietigingskampen, dat zijn zaken waarover ik hier voor het eerst in Neurenberg heb gehoord.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Door wie en wanneer werd u tot Reichsaussenmnister benoemd en hoe kwam die benoeming tot stand?
VON NEURATH: Ik werd op 2 juni 1932 door Reichspräsident Von Hindenburg benoemd tot Minister van Buitenlandse Zaken. Al in 1929, na de dood van Stresemann, had Von Hindenburg mij willen benoemen tot Minister van Buitenlandse Zaken. Ik weigerde dat destijds omdat ik vanwege de partij toestanden die in die dagen in de Reichstag heersten, geen mogelijkheid zag voor een stabiele buitenlandse politiek. Ik was lid van geen van de ongeveer 30 partijen, zodat ik niet in staat geweest zou zijn enige steun te vinden in de Reichstag van toen. Von Hindenburg kreeg echter mijn toezegging dat ik gehoor zou geven aan zijn oproep mocht het vaderland zich in nood bevinden.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: In dit verband zou ik het telegram willen aanhalen waarin Buitenlandse Zaken de heer Von Neurath meedeelde dat de Reichspräsident wenste dat hij een leidende functie zou gaan bekleden in de regering van die tijd. Dit is een afschrift van het telegram dat telefonisch aan hem verzonden was, nummer 6 in mijn documentenboek.
"Aan de Ambassadeur persoonlijk; door hemzelf te decoderen."
"Berlijn, 31 mei 1932."
Het was gericht aan Londen.
"De Reichspräsident verzoekt u, gezien uw eerder gedane belofte, het Ministerie van Buitenlandse Zaken over te nemen in het presidentiële kabinet dat nu wordt gevormd en dat zal bestaan uit personen van de rechtervleugel vrij van bindingen met politieke partijen en die niet zozeer door de Reichstag zal worden gesteund dan wel door het gezag van de Reichspräsident. De Reichspräsident doet een dringend beroep op u het vaderland in dit moeilijke uur uw diensten niet te onthouden. Mocht u niet in staat zijn onmiddellijk een bevestigend antwoord te geven, vraag ik u onmiddellijk terug te keren."
Het is ondertekend door Bulow, destijds staatssecretaris op Buitenlandse Zaken.
Ik vestig ook uw aandacht op een afschrift van de brief van het hoofd van de afdeling Politieke Zaken van Buitenlandse Zaken over de benoeming van Von Neurath tot Reichsaussenminister, een brief die destijds is geschreven aan een vriend van hem, Ambassadeur Rumelin. De schrijver van deze brief, Ministerialdirektor Dr. Kopke zal tijdens zijn verhoor de echtheid van deze brief bevestigen, anders gezegd, het feit dat dit een doorslag is van het origineel gericht aan Ambassadeur Rumelin.
Ik meen daarom dat ik op dit tijdstip het document niet hoef voor te lezen. Het document is Von Neurath-8 in mijn documentenboek.
(tot de beklaagde): Hebt u spontaan besloten om gevolg te geven aan de oproep van Von Hindenburg en die moeilijke functie op u genomen, dubbel moeilijk als die in die dagen was?
VON NEURATH: Nee, helemaal niet. Ik was destijds allerminst genegen om de post van Aussenminister over te nemen. Ik hield van mijn functie van Ambassadeur in Londen, ik had daar goede betrekkingen met de regering en de Koninklijke Familie en ik hoopte daarom dat ik beide landen, Groot-Brittannië en Duitsland van dienst kon blijven. Ik kon Von Hindenburg’s verzoek gewoon niet negeren maar zelfs toen besliste ik pas nadat ik een uitvoerig persoonlijk gesprek met hem had gehad waarin ik mijn eigen doelstellingen en ideeën betreffende de buitenlandse politiek van Duitsland naar voren bracht en waarin ik mij verzekerde van zijn steun voor een vreedzane ontwikkeling en de middelen om gelijkwaardigheid voor Duitsland te bereiken, haar positie in de Volkenbond te verstevigen en het weer verkrijgen van Duitsland’s souvereiniteit over nationaal territorium.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Mag ik in dit verband verwijzen naar de verklaring van de voormalige Ambassadeur Prufer, die ik al heb aangehaald; het is Von Neurath-4 in mijn documentenboek. Ik zou uit dit document alinea 7 willen citeren die verwijst naar de benoeming van beklaagde door Von Hindenburg. In mijn Duitse tekst is dit pagina 27:
"In kringen van hogere ambtenaren van Buitenlandse Zaken was het een wel bekend feit dat toen Von Hindenburg Hitler tot Reichskanzler benoemde, hij daar bijna de voorwaarde aan verbond dat Von Neurath in functie zou blijven als Minister van Buitenlandse Zaken. Freiherr von Neurath drong zich op geen enkele wijze binnen op deze post toen hij hem in 1932 aanvaardde. In tegendeel, al in 1929, toen Von Hindenburg hem had gevraagd de ministerspost te aanvaarden had hij geweigerd omdat hij, geen lid van enige partij zijnde en dus zonder steun van een partij, hij zich niet geschikt achtte om een ministerie over te nemen in een staat die op parlementaire grondslag werd geregeerd. Pas in 1932, toen Von Hindenburg die hij bijzonder vereerde, zijn eerste zogenaamde Presidentiële kabinet vormde, liet hij zijn twijfels varen en nam zitting in het kabinet als Minister van Buitenlandse Zaken."
(tot de beklaagde): Wat was uw oordeel over de interne situatie van die tijd?
VON NEURATH: De ontwikkelingen in partijrelaties waren in 1932 tot een punt gekomen waarop ik van mening was dat er nog maar twee mogelijkheden open stonden: Ofwel zou er enige vorm van regeringsdeelname moeten komen door de Nationaalsocialistische Partij die in aantal sterk gegroeid was of wanneer deze eis niet zou worden ingewilligd zou er een burgeroorlog uitbreken.
De bijzonderheden betreffende de vorming van de regering in 1933 en Hitler’s klim naar de macht zijn al uitgebreid door beklaagde Von Papen omschreven.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Wat was uw eigen oordeel over en uw houding ten opzichte van Hitler, ten opzichte van het Nationaalsocialisme in het algemeen en Nationaalsocialistische ideeën en in het bijzonder ten opzichte van de Partij?
VON NEURATH: Ik kende Hitler niet persoonlijk. Ik verafschuwde de methoden van de Partij tijdens haar strijd om de macht in de staat; haar ideeën waren mij niet tot in bijzonderheden bekend. Enkele ervan, in het bijzonder op socialistisch gebied, leken mij wel goed; andere vond ik revolutionaire opvattingen die langzaam zouden wegslijten op de manier zoals ik die had gezien tijdens de Duitse revolutie van 1918 en later ook tijdens de Fascistische revolutie in Italië. Over het algemeen stond ik er niet sympathiek tegenover; in elk geval vond ik in die dagen dat de beslissende rol die door Hitler en de Nationaalsocialistische Partij in de Duitse politiek werd gespeeld, of Hitler’s solistische leiding over de politiek verkeerd was en niet in het belang van Duitsland, zeker niet in het belang van Duitsland’s buitenlandse politiek.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Mag ik in dit verband een andere passage citeren uit de al eerder genoemde verklaring van Ambassadeur Prufer, nummer Von Neurath-4 in mijn documentenboek op pagina 28. Dat is in zoverre interessant omdat Prufer ambtenaar was op het ministerie van beklaagde:
"Freiherr Von Neurath was geen Nationaalsocialist. Vanwege zijn afkomst en traditie was hij vierkant tegen de Nationaalsocialistische doctrine voor zover het radicale en gewelddadige principes betrof. Deze afkeer, die hij niet probeerde te verbergen was in het bijzonder gericht tegen excessen door partijafdelingen gepleegd tegen mensen met andere opvattingen, in het bijzonder tegen de Joden en mensen van gedeeltelijk Joodse afkomst; buiten dat was die gericht tegen de algemene inmenging door de Nationaalsocialistische Partij in elk belangrijk aspect van het Duitse volk en de Staat; anders gezegd tegen de eis tot totalitairisme, het Führerprinzip, kort gezegd, tegen de dictatuur."
"In de jaren 1936 tot 1938, toen ik hem in mijn hoedanigheid als hoofd van de afdeling budget en personeel zeer regelmatig ontmoette, vertelde Freiherr Von Neurath mij en anderen in mijn aanwezigheid in niet mis te verstane bewoordingen hoe de groeiende extreme tendenzen in Duitsland’s binnen- en buitenlands beleid hem met vrees en walging vervulden."
Meneer de President, mag ik het Tribunaal ook verzoeken de vragenlijst van Graaf Schwerin von Krosigk, de voormalige Reichsfinanzminister voor kennisgeving aan te nemen; nummer Von Neurath-25 in mijn documentenboek.
(tot de beklaagde): Nu, verder gaand naar uw ideeën, gedachten en principes over buitenlandse politiek; wat was uw houding ten opzichte van het Verdrag van Versailles en de Volkenbond?
VON NEURATH: Het zijn de zinloze en onmogelijke bepalingen in het Verdrag van Versailles, waardoor het economische stelsel van de hele wereld ontregeld werd, waarin de wortels van het Nationaalsocialisme liggen en daarmee de oorzaak van de Tweede Wereldoorlog. Door het onderbrengen van dit verdrag bij de Volkenbond en door tot op zekere hoogte de Volkenbond tot waakhond van de bepalingen van dit verdrag te maken, werd het oorspronkelijke doel, namelijk het kweken van begrip tussen de naties en het bewaren van de vrede een illusie. Zeker, de statuten stonden de mogelijkheid van herziening toe. Maar de Assemblée van de Volkenbond maakte geen gebruik van deze mogelijkheid. Nadat de Verenigde Staten zich hadden teruggetrokken en Rusland, en later ook Japan uit deze zogenaamde Volkenbond traden, bestond die in grote meerderheid slechts uit een verzameling geïnteresseerde partijen die de status quo, die juist door het Verdrag van Versailles was geschapen, wenste te handhaven. In plaats van de spanningen weg te nemen die in de loop der tijd steeds weer optraden, was het doel van deze Assemblée de bestaande toestand geheel niet te wijzigen. Dat een grote en vredelievende natie, die door het Verdrag van Versailles werd gediscrimineerd, hier geen moment voor kon instaan was iets dat ieder vooruitziend staatman kon herkennen. En het was niet alleen in Duitsland waar er voortdurend op werd gewezen dat dit tot een kwaad einde moest leiden maar in Genève, de speeltuin van spraakzame en ijdele politici, was dit gepraat tegen doveman’s oren.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Het is ongetwijfeld een historisch feit dat onder alle regeringen die aan Hitler vooraf gingen, de Duitse buitenlandse poltiek tot doel had het Verdrag van Versailles te wijzigen, hoewel uitsluitend met vreedzame middelen. Was dit ook het beleid van Von Hindenburg of zou Von Hindenburg wellicht genegen zijn geweest een andere oplossing te kiezen, een oplossing door geweld en oorlog?
VON NEURATH: Nee, in geen geval; zelfs al zou Duitsland voor dat doel de militaire middelen hebben gehad. Hij zei mij keer op keer dat een nieuwe oorlog koste wat kost moest worden voorkomen.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Meneer de President, mag ik uw aandacht vestigen op en verzoeken voor kennisgeving aan te nemen een uittreksel uit een rede, op 25 september 1928 gehouden door Graaf Bernstorff, de afgevaardigde namens Duitsland bij de Volkenbond. Dat is Von Neurath-34 in mijn documentenboek-2. De vertaling is echter nog niet beschikbaar. Die zal hoop ik op maandag worden ingediend. Ik verwijs ook, en verzoek u voor kennisgeving aan te nemen een uittreksel uit een rede, gehouden in Kiel op 19 mei 1931 door de voormalig Reichskanzler Brüning; nummer Von Neurath-36 in mijn documentenboek-2. Ook een uittreksel uit de rede gehouden tot de Assemblée van de Volkenbond door de voormalig Reichsaussenminister Curtiuss, de opvolger en vriend van Reichskanzler Stresemann die kort daarvoor was gestorven.
SIR DAVID: Edelachtbare, ik vertelde de heer Von Lüdinghausen net dat ik deel II heb. Ik weet niet of het Tribunaal de Engelse vertaling heeft.
De PRESIDENT: Nee, dat denk ik niet. Sir David; heeft de Aanklager ingestemd met de relevantie, de toelaatbaarheid van deze documenten?
SIR DAVID: Edelachtbare, we zullen geen bezwaar maken tegen dergelijke korte verwijzingen zoals die tot dusverre zijn gedaan. U zult het met mij eens zijn dat ik de mening van Aanklager met betrekking tot het Verdrag van Versailles al heb gegeven, zolang die als wijze van inleiding binnen redelijke grenzen blijft. Ik maak geen formele bezwaren.
De PRESIDENT: Meneer Von Lüdinghausen, het Tribunaal heeft een aantal documenten die de onrechtmatigheid van het Verdrag van Versailles zouden aantonen, als bewijsmateriaal geweigerd; omdat de Aanklager deze houding nu eenmaal heeft ingenomen, zal het Tribunaal deze documenten slechts als historische documenten beschouwen, die doen niet echt ter zake. De enige vraag is of de beklaagden hebben geprobeerd het Verdrag van Versailles met geweld te doen mislukken. We houden ons niet bezig met de rechtmatigheid of de onrechtmatigheid.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Nee, Meneer de President, ik heb die documenten niet ingediend om kritiek te leveren op het Verdrag van Versailles. Ik wilde alleen maar het feit vaststellen dat ook eerdere regeringen met vreedzame middelen dezelfde doelen nastreefden die mijn cliënt later als Reichsaussenminister nastreefde, zodat er daarom onder zijn leiding geen enkele verandering werd aangebracht in aard en doelstellingen van het Duitse buitenlandse beleid ten opzichte van de Westerse mogendheden. Dat was de reden en niet de kritiek als zodanig.
De PRESIDENT: Dat weet ik, Dr. Von Lüdinghausen maar al het bewijsmateriaal dat de beklaagde in de laatste paar minuten heeft aangedragen was kritiek op de onrechtmatigheid van het Verdrag van Versailles.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Ja, dat was zijn algemene inleiding, maar ik probeerde alleen maar de voortzetting van het beleid te bewijzen.
(tot de beklaagde): Wat waren uw eigen opvattingen over de voortzetting van het buitenlands beleid met betrekking tot de kwestie die we zojuist hebben behandeld?
VON NEURATH: Ik was van mening dat de oplossing van de diverse politieke problemen alleen maar kon worden bereikt met vreedzame middelen en stap voor stap. Volledige gelijkheid voor Duitsland op alle gebieden, daarom ook op militair gebied, ook het herstel van souvereiniteit in het hele territorium van het Reich en het elimineren van elke vorm van discriminatie waren de vereiste voorwaarden. Maar dat te bereiken was voornamelijk de eerste taak van Duitsland’s buitenlands beleid.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Meneer de President, in dit verband zou ik graag nogmaals willen wijzen op de verklaring van Ambassadeur Prufer, Von Neurath-4 in mijn documentenboek en met toestemming van het Tribunaal zou ik, om de uitspraken die beklaagde zojuist heeft gedaan te onderbouwen hieruit een gedeelte van alinea 12 willen citeren:
"Het beleid van Von Neurath was er een van internationaal begrip en vrede. Dit beleid strookte met het feit dat Von Neurath ook streefde naar een herziening van de strenge bepalingen van het Verdrag van Versailles. Hij wilde dit echter uitsluitend bereiken door onderhandelingen en in geen geval door geweld. Alle uitlatingen en richtlijnen van hem die ik als zijn medewerker ooit zag of hoorde wezen in die richting. Het feit dat Freiherr Von Neurath zich als een verdediger van vrede beschouwde kan het beste worden geillustreerd met een uitspraak die hij deed toen hij Buitenlandse Zaken verliet. Hij zei destijds tegen een kleine groep collega’s dat een oorlog nu waarschijnlijk niet langer kon worden voorkomen. Hij bedoelde daar waarschijnlijk mee dat het buitenlands beleid uit zijn handen zou worden overgedragen in die van roekeloze personen."
(tot de beklaagde): Meneer Von Neurath, u was het dus met Von Hindenburg volledig eens in het resoluut afwijzen van het gebruik van enig geweld ten einde dit doel te bereiken, de herziening van het Verdrag van Versailles; u achtte het bereiken van dit doel mogelijk en u was een uitgesproken tegenstander van elke oorlogszuchtige ontwikkeling, die u zag als de grootst mogelijke ramp, niet alleen voor Duitsland maar voor de hele wereld?
VON NEURATH: Ja. Duitsland en de hele wereld zaten nog steeds midden in de ernstige economische crisis die was veroorzaakt door de bepalingen van het Verdrag van Versailles. Iedere nieuwe oorlogszuchtige ontwikkeling kon daarom alleen maar leiden tot een grotere ramp.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Op 2 juni 1932, een paar dagen nadat u als Aussenminister was aangetreden begon in Lausanne de bijeenkomst van de zogenaamde Conferentie voor Herstelbetalingen en u en de nieuwe Reichskanzler Von Papen waren daar aanwezig. Wilt u ons heel in het kort vertellen wat het doel van die conferentie was?
VON NEURATH: De herstelbetalingen die door het Verdrag van Versailles waren opgelegd en die nooit definitief waren vastgesteld, moesten nu formeel volledig worden vastgesteld, anders gezegd, er moest beslist worden over het uiteindelijke bedrag. Dat doel werd bereikt.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Vond er op hetzelfde moment in Genève geen vergadering plaats van de Ontwapeningsconferentie?
VON NEURATH: Ja, deze onderhandelingen vonden ook bijna op het zelfde tijdstip plaats.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Meneer de President, in dit verband zou ik, voor een algemeen begrip erop willen wijzen dat het instituut Ontwapeningsconferentie teruggaat op een resolutie die op 25 september 1928 door de Volkenbond werd aangenomen waarin het nauwe verband tussen internationale veiligheid, vrede tussen alle Europese staten en de beperking in bewapening werd benadrukt. In dit verband zou ik willen verwijzen naar de tekst van de resolutie die door de Volkenbond werd aangenomen; nummer Von Neurath-33 in mijn documentenboek. Die staat op pagina 90 van documentenboek 2.
(tot de beklaagde): Kunt u ons een kort verslag doen van het verloop van die ontwapeningsonderhandelingen?
VON NEURATH: Nou, het is natuurlijk erg moeillijk een kort verslag te geven. De Ontwapeningsconferentie was door de Volkenbond ingesteld met het doel, de ontwapening van alle naties te bereiken, waarin in Artikel 8 werd voorzien als equivalent voor de Duitse ontwapening die al in 1927 was voltooid. De onderhandelingen tijdens deze conferentie werden echter na enige tijd opgeschort, ondanks de protesten van de Duitse afgevaardigden. De voorafgaande onderhandelingen en deze schorsing maakten het overduidelijk, zelfs in die tijd, dat de staten die zich niet hadden ontwapend niet bereid waren zich te ontwapenen volgens de standaarden en methoden die voor Duitsland’s eerdere ontwapening golden. Dit feit maakte het voor Duitsland onmogelijk een resolutie te aanvaarden die destijds door de conferentie was voorgesteld en de Duitse afgevaardigde kreeg daarom instructie te verklaren dat Duitsland geen deel zou nemen aan het werk van de Conferentie zolang Duitsland’s gelijke recht op gelijke deelname aan de resultaten van de conferentie niet werd erkend.
De PRESIDENT: Dr. Von Ludinghausen, kunnen we nu schorsen?
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Jawel, Meneer de President.

Definitielijst

dictatuur
Staatsvorm waarbij de macht in een land in de handen is van één persoon, de dictator. Oorspronkelijk een Romeinse staatsvorm voor tijden van nood, waarbij de totale macht 6 maanden in de handen lag van één persoon om de crisis het hoofd te bieden.
Eerste Wereldoorlog
Ook wel Grote Oorlog genoemd, conflict dat ontstond na een groei van het nationalisme, militarisme en neo-kolonialisme in Europa en waarbij twee allianties elkaar bestreden gedurende een vier jaar durende strijd, die zich na een turbulent begin, geheel afspeelde in de loopgraven. De strijdende partijen waren Groot-Brittannië, Frankrijk, Rusland aan de ene kant (de Triple Entente), op den duur versterkt door o.a. Italië en de Verenigde Staten, en Duitsland, Bulgarije, Oostenrijk-Hongarije en het Ottomaanse Rijk aan de andere kant (de Centrale Mogendheden of Centralen). De strijd werd gekenmerkt door enorme aantallen slachtoffers en de inzet van vele nieuwe wapens (vlammenwerpers, vliegtuigen, gifgas, tanks). De oorlog eindigde met de onvoorwaardelijke overgave van Duitsland en zijn bondgenoten in 1918.
Eisernes Kreuz
Duitse militaire onderscheiding.
Führer
Duits woord voor leider. Hitler was gedurende zijn machtsperiode de führer van nazi-Duitsland.
propaganda
Vaak misleidende informatie die gebruikt wordt om aanhangers / steun te winnen. Vaak gebruikt om ideele en politieke doelen te verwezenlijken.
regiment
Onderdeel van een divisie. Een divisie bestaat uit een aantal regimenten. Bij de landmacht van oudsher de benaming van de grootste organieke eenheid van één wapensoort.
revolutie
Meestal plotselinge en gewelddadige ommekeer van bestaande (politieke) verhoudingen en situaties.
Volkenbond
Internationale volkerenorganisatie voor samenwerking en veiligheid (1920-1941). De bond was gevestigd in Genève, in het altijd neutrale Zwitserland. In de dertiger jaren kon zij weinig uitrichten tegen het agressieve optreden van Japan (Mantsjoerije), Italië (Abessinië) en Hitler. De Volkenbond was in feite de voorganger van de Verenigde Naties.
volkscommissaris
In de Sovjetunie een minister.

Pagina navigatie

Informatie

Vertaald door:
Arnold Palthe
Geplaatst op:
17-10-2009
Laatst gewijzigd:
07-01-2016
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

Categorieën


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2017
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.