Verhoor Konstantin von Neurath 2

Ochtendzitting 1 24-06-1946

Inhoudsopgave

(beklaagde Von Neurath neemt weer plaats in de beklaagdenbank.)
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Meneer von Neurath, mij is verteld en ik heb het ook op de radio gehoord dat er gisteren blijkbaar een fout is gemaakt, waarschijnlijk vanwege een slechte vertaling, betreffende uw activiteiten tussen 1903 en 1914. Misschien kunt u dat herhalen want ik geloof dat het Tribunaal uw verklaring ook verkeerd heeft begrepen.
VON NEURATH: Het betreft vermoedelijk mijn verblijf in Londen. Tussen 1903 en 1907 was ik in Londen en daarna zat ik op Buitenlandse Zaken in Berlijn.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Dan gaan we verder met de presentatie van uw beleid als Minister van Buitenlandse Zaken. Ik zou u de volgende vragen willen stellen:
De Aanklager ziet als bewijs van uw deelname aan de vermeende samenzwering tegen de vrede het feit dat gedurende uw zittingsperiode als Minister van Buitenlandse Zaken in het voorjaar van 1935 met de algehele herbewapening werd begonnen; de militaire dienstplicht opnieuw werd ingevoerd en de Luftwaffe werd opgericht. Wilt u hier iets over zeggen?
VON NEURATH: Allereerst zou ik willen benadrukken dat er in Duitsland in dit en volgende jaren geen sprake was van oorlogsplannen. Ik ben er ook heilig van overtuigd dat destijds noch Hitler, noch zijn entourage agressieve plannen hadden of die zelfs maar overwogen want dat zou zonder dat ik ervan wist onmogelijk zijn geweest.
Herbewapening als zodanig vormt geen bedreiging voor vrede tenzij wordt besloten de nieuw geproduceerde wapens voor andere doelen dan verdediging te gebruiken. Een dergelijk besluit was er destijds niet en dergelijke voorbereidingen ook niet. Dezelfde beschuldiging van het voorbereiden op een aanvalsoorlog kan tegen alle buurlanden van Duitsland worden gedaan die zich op dezelfde manier .....
De PRESIDENT: Een moment, Dr. von Lüdinghausen, dit is argumentatie, geen bewijs.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Meneer de President, ik moet weten hoe hem de zaken toeschenen. Beslissingen voor acties kunnen alleen worden gerechtvaardigd wanneer ik uitleg .....
De PRESIDENT: Nee, we zijn niet bereid argumentatie aan te horen in de loop van de bewijsvoering. Het is bewijsmateriaal wanneer hij zegt dat er destijds geen plannen werden gemaakt voor offensieve acties, maar het is argumentatie om te zeggen dat herbewapening niet noodzakelijkerwijs offensieve actie betekent. We willen in deze fase geen argumentatie horen.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Ja.
Wilt u dan de vraag nogmaals beantwoorden of er in feite geen plannen klaar lagen om de nieuwe wapens te gebruiken voor agressieve doeleinden of voor andere gewelddadige acties?
VON NEURATH: Dat heb ik net gezegd. Ik denk niet dat ik het hoef te herhalen.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Welke redenen waren er, welke feiten die de situatie voor Duitsland bijzonder gevaarlijk deden lijken?
VON NEURATH: Destijds kon Duitsland niet onder het gevoel uit dat zij omringd was door haar sterk bewapende buren. Rusland en Frankrijk hadden een verdrag tot onderlinge steun gesloten dat niets anders dan een militair bondgenootschap kon worden genoemd. Daarop volgde direct een soortgelijk verdrag tussen Rusland en Tsjechoslowakije. Volgens eigen zeggen had Rusland de vredessterkte van haar leger met meer dan de helft vergroot. Hoe sterk het feitelijk was kon niet worden vastgesteld. In Frankrijk werden onder leiding van Pétain pogingen gedaan om het leger sterk uit te breiden. Al in 1934 had Tsjechoslowakije een dienstplicht voor twee jaar ingesteld. Op 1 maart 1935 vaardigde Frankrijk een nieuwe defensiewet uit waarbij ook de periode van dienstplicht werd verlengd. Deze hele ontwikkeling, die in een paar maanden tot stand was gekomen, kon alleen maar worden gezien als een onmiddellijke dreiging. Duitsland kon niet langer een weerloze en werkloze toeschouwer blijven. Gezien deze feiten was de beslissing die Hitler toen nam om de dienstplicht opnieuw in te voeren en geleidelijk aan een leger van 36 divisies op te bouwen geen daad die een ernstige bedreiging vormde voor de buurlanden die door allianties waren verbonden.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Meneer de President, in dit verband zou ik u willen vragen de volgende documenten in mijn documentenboek voor kennisgeving aan te nemen:
Nummer 87, een document over de toetreding van de Sovjet Unie tot de Volkenbond van 18 september 1934, in documentenboek 3. Nummer 89, ook in documentenboek 3, is een verklaring van de verslaggever van de Legercommissie van de Franse Nationale Assemblée van 23 november 1931, over het verdrag met Rusland. Nummer 91, in documentenboek 3, is het Russisch-Franse Protocol voor de onderhandeling met het Oostelijke Pact van 5 december 1934.
M. DEBENEST: Meneer de President, ik zou willen opmerken dat document 89 nog niet aan ons is overlegd. Daarom is het nog niet mogelijk geweest dit document te bestuderen en te zeggen of het relevant is.
De PRESIDENT: Als u het boek krijgt, hebt u het recht om zo nodig bezwaar te maken tegen dit document. Dr. von Lüdinghausen vertelt ons alleen van welke documenten hij vindt dat die het bewijs ondersteunen dat zojuist is gegeven, dat is alles. Hij presenteert deze documenten als bewijsmateriaal en zo gauw u het boek krijgt en het document kunt bestuderen zult u de gelegenheid krijgen bezwaar te maken tegen de toelaatbaarheid ervan.
M. DEBENEST: Dat is precies waar het om gaat, Meneer de President. Ik wilde voor mijzelf het recht opeisen dat te doen.
De PRESIDENT: Ja, we zijn het met u eens.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Dan komt document 92, in documentenboek 3, de oproep aan het leger door de President van de Tsjechoslowaakse republiek.
In documentenboek 3, nummer 96 de Franse regeringsverklaring van 15 maart 1935.
In documentenboek 3, nummer 79 het verslag van de Tsjechische minister in Parijs, Osusky van 15 juni 1934.
Document 101 is het Frans-Russische verdrag tot onderlinge steun van 2 mei 1935.
Document 94 is een uittreksel van de toespraak van de Franse president Flandin tot de Assemblée Nationale van 5 februari 1935. Ik verzoek u deze documenten voor kennisgeving aan te nemen.
(tot de beklaagde): Was Duitsland’s beslissing om zich te herbewapenen bedoeld om aan te geven dat zij iedere verdere samenwerking met internationale pogingen om de algemene herbewapening te beperken zou beëindigen?
VON NEURATH: Nee, in geen geval. Een Engelse vraag of Duitsland gereed zou zijn deel te nemen aan onderhandelingen over algehele herbewapening op dezelfde manier en tot op dezelfde hoogte zoals vastgelegd in het zogeheten Communiqué van Londen van 5 februari 1935 werd direct bevestigend beantwoord. Op 18 maart – twee dagen na de invoering van de dienstplicht – kreeg de Ambassade in Londen opdracht om de onderhandelingen te hervatten en in het bijzonder een voorstel te doen om de sterkte van de marine te beperken.
In mei 1935 hield Hitler een rede tot de Reichstag waarin hij een concreet Duits plan voor vrede uiteenzette. Hij benadrukte in het bijzonder Duitsland’s verlangen naar vrede en verklaarde zich nogmaals bereid mee te werken aan ieder stelsel van internationale overeenkomsten voor handhaving van de vrede, zelfs aan collectieve overeenkomsten. De enige voorwaarde die hij stelde, en dat had hij altijd al gedaan, was erkenning van Duitsland’s gelijke rechten. Hij verklaarde zich ook bereid weer toe te treden tot de Volkenbond. Door dat te doen wilde hij bewijzen dat Duitsland, ondanks het sluiten van militaire bondgenootschappen die zij als een bedreiging zag, en ondanks onze eigen herbewapening vrede bleef wensen.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Ik verzoek het Tribunaal de volgende documenten in mijn documentenboek 3 voor kennisgeving aan te nemen:
Nummer 95, het antwoord van de Reichsregierung van 15 februari 1935 op het zogeheten Communiqué van Londen.
Nummer 97, een uittreksel uit het verzoek van de Reichsregierung van 16 maart 1935 om herinvoering van de dienstplicht in Duitsland.
Nummer 98 is het communiqué van 26 maart 1935 over het overleg tussen de Britse Minister van Buitenlandse Zaken, Sir John Simon en Lord Privy Seal, Mr. Eden met de Reichsregierung.
Nummer 102 is het communiqué van 15 mei 1935 over de toespraak van de Minister van Buitenlandse Zaken Laval in Moskou.
Nummer 104 Hitler’s toespraak van 21 mei 1935 over het Russisch-Franse verdrag.
Nummer 105 de nota van de Reichsregierung van 25 mei 1935 aan de ondertekenaars van het Verdrag van Locarno.
(tot de beklaagde): Hadden de Duitse pogingen en haar bereidheid tot onderhandelen enig succes?
VON NEURATH: Ja, dat leidde tot het sluiten van het eerste en enige verdrag ter beperking van bewapening dat feitelijk ook werd uitgevoerd op basis van Duitse voorstellen door het ondertekenen van de Anglo-Duitse Marineovereenkomnst in juni 1935. Natuurlijk zou ik er de voorkeur aan hebben gegeven als de onderhandelingen met alle landen over beperking van bewapening succesvol waren geweest. Niettemin werd deze overeenkomst tussen slechts twee landen door ons hartelijk verwelkomd als een stap in die richting. We weten dat in elk geval Engeland zich afzijdig hield van het besluit van de Volkenbond dat Duitsland het Verdrag van Versailles had geschonden door zich te herbewapenen. De Duitse stap werd dus als gerechtvaardigd gezien.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: In dit verband zou ik het Tribunaal willen verzoeken twee documenten uit mijn documentenboek 3 voor kennisgeving aan te nemen:
Document nummer 106 is een radiotoespraak van de First Lord of the Admiralty, Sir Bolton Eyres-Monsell op 19 juni 1935.
Het tweede document is nummer 119, een uittreksel uit de verklaring van de parlementair secretaris van de Admiraliteit, Mr. Shakespeare in het Lagerhuis bij gelegenheid van de ratificatie van de Marineovereenkomst van Londen op 20 juli 1936.
(tot de beklaagde): Bleven de Duitse activiteiten op het gebied van de ontwapening beperkt tot de Anglo-Duitse Marineovereenkomst?
VON NEURATH: Nee, onze bereidheid tot samenwerking op een positieve manier voor de beperking van bewapening die door ons bij vele gelegenheden is geüit werd ook uitgedrukt in de onderhandelingen over ontwapening in de lucht. Direct vanaf het begin, al in 1933 had Hitler het belang van dit punt voor handhaving van de vrede benadrukt. Duitsland was bereid iedere beperking te aanvaarden, zelfs de volledige afschaffing van luchtwapens als dat op wederzijdse basis gebeurde. Maar alleen Engeland reageerde op dergelijke voorstellen. Het probleem was Frankrijk over te halen om deel te nemen aan de onderhandelingen. Zij deed dit pas drie maanden later na inspanningen door Engeland. Maar Frankrijk stelde voorwaarden die het practisch onmogelijk maakten dat deze onderhandelingen zouden slagen.
Naast een algemene overeenkomst die voor alle Europese landen moest gelden, moesten bijzondere bilaterale overeenkomsten worden toegestaan. Bovendien moest de voortgang van de onderhandelingen over luchtbewapening afhankelijk worden gesteld van de onderhandelingen betreffende het Oostelijke Pact. Duitsland kon niet deelnemen aan dit Oostelijke Pact omdat zij militaire verplichtingen zou moeten aangaan waarvan de gevolgen niet te voorzien waren.
Vanwege dit en het uitbreken van de oorlog tussen Italië en Abessynië, die de verschillen tussen de Westerse mogendheden aan het licht bracht, kwamen de onderhandelingen tot stilstand.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Een jaar later, in maart 1936 werd het Rijnland weer door Duitse troepen bezet. De Aanklager ziet hierin een schending van het Verdrag van Locarno en een verder bewijs van uw medeverantwoordelijkheid voor de vermeende samenzwering tegen de vrede. Wilt u alstublieft hier iets over zeggen?
VON NEURATH: Deze bewering is volkomen onjuist. Er was geen besluit of een plan tot het voeren van een aanvalsoorlog net zo min als het jaar daarvoor. Het herstel van de volledige souvereiniteit in alle delen van het Reich was niet van militair maar uitsluitend van politiek belang.
De bezetting van het Rijnland geschiedde slechts met een divisie en dit alleen toont al aan dat het een zuiver symbolisch gebaar was. Het was duidelijk dat een groots en ijverig volk een dergelijke drastische beperking van haar souvereiniteit zoals opgelegd door het Verdrag van Versailles, niet voor eeuwig zou accepteren. Het was gewoon een dynamische ontwikkeling waar de leiders van het Duitse buitenlands beleid niet tegen konden zijn.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Werd de herbezetting van het Rijnland uitgevoerd volgens een plan dat enige tijd te voren was opgesteld of was het een spontaan besluit?
VON NEURATH: Het was een van die plotselinge besluiten van Hitler dat binnen een paar dagen moest worden uitgevoerd.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Wat waren de gebeurtenissen die tot dit spontane besluit leidden?
VON NEURATH: Op 16 januari kondigde de Franse Minister van Buitenlandse Zaken, Laval aan dat hij na zijn terugkeer uit Genève het Russisch-Franse Pact ter ratificatie zou voorleggen aan de Assemblée Nationale. Het feit dat Hitler in een interview met M. de Jouvenel, de correspondent van de vooraanstaande Franse krant Paris Midi, naast het benadrukken van de gevaren van dit pact nogmaals Frankrijk de hand reikte in een poging een eerbaar en permanent begrip tussen de twee volkeren te bereiken, was zinloos. Ik had van te voren dit interview tot in bijzonderheden met Hitler besproken en ik kreeg sterk de indruk dat het hem ernst was met zijn wens voor een permanente verzoening tussen beide volkeren. Maar deze poging was ook nutteloos. De sterke tegenstand tegen het pact van grote delen van de Franse bevolking onder leiding van de Union Nationale des Combattants en in het parlement zelf kon de Franse regering er niet van weerhouden het pact te ratificeren. De stemming werd op 27 februari 1936 gehouden in de Assemblée Nationale.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Ik zou het Tribunaal willen verzoeken, nota te nemen van van de volgende twee documenten uit mijn documentenboek 4: het eerste is 108, Hitler’s interview met de correspondent van de Paris Midi, M. de Jouvenel van 21 februari 1936; het tweede is 107, een uittreksel uit de rede van de afgevaardige Montigny voor de Assemblée Nationale van 13 febrauri 1936.
(tot de beklaagde): Als een soort antwoord op de ratificatie van dit verdrag trokken Duitse troepen op 7 maart 1936 het gedemilitariseerde Rijnland binnen. Welke overwegingen brachten de Duitse regering ertoe, deze ernstige stap te nemen? Gezien de vijandige houding van de Fransen bestond het gevaar dat de Westerse mogendheden zich dit keer niet tevreden zouden stellen met papieren protesten en resoluties van de Volkenbond maar met geweld van wapens zouden optreden tegen deze eenzijdige ....
De PRESIDENT: Dr. von Lüdinghausen, is dit een vraag of een verklaring?
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Het is een vraag. Ik zou de houding van de regering van destijds willen weten. Als ik een opmerking mag maken, ik moet deze uitleg van de beklaagde zelf horen op grond van welke beslissingen destijds genomen want in mijn slotpleidooi ....
De PRESIDENT: U hebt een aantal feiten genoemd. Het is niet aan u om feiten te noemen. Het is uw plicht de beklaagde daarnaar te vragen.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Ik wilde geen feiten noemen. Ik wilde van beklaagde weten welke overwegingen tot deze beslissing leidden.
(tot de beklaagde): Wilt u alstublieft voor ons beschrijven welke factoren destijds bij uw overwegingen meespeelden?
VON NEURATH: In mijn eerdere antwoorden heb ik al gezegd waarom wij een ernstige bedreiging zagen in het Frans-Russsiche pact en in Frankrijk’s hele houding. Deze concentratie van macht in Franse handen door de diverse verdragen tot onderlinge steun kon alleen maar tegen Duitsland zijn gericht. Er was geen ander land ter wereld waartegen dat gericht zou kunnen zijn. In het geval van vijandelijkheden – een mogelijkheid waarmee, gezien de hele situatie iedere verantwoordelijke regering rekening mee moest houden – lag de westelijke grens van Duitsland helemaal open vanwege de demilitairisatie van het Rijnland. Dit was niet alleen een discriminerende bepaling in het Verdrag van Versailles, maar ook een waardoor de veiligheid van Duitsland het meest werd bedreigd. Die was echter waardeloos geworden door de beslissing van de Vijf Mogendheden in Genève op 11 december 1935.
De PRESIDENT: Dr. von Lüdinghausen, het Tribunaal is van mening dat dit allemaal argumenten zijn. Als er feiten zijn wat de Duitse regering destijds deed na het Frans-Russische pact en voor de inval in het Rijnland dan kan beklaagde die feiten noemen, maar dit zijn alleen maar argumenten en het Tribunaal is daar zeer goed mee op de hoogte. Die hoeven we niet nogmaals te laten verklaren en zeker niet in de loop van de bewijsvoering.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Meneer de President, ik wilde alleen maar voorkomen dat wanneer ik later in mijn slotpleidooi naar dit punt verwijs, het bezwaar wordt gemaakt dat dit mijn mening is. Ik wil aantonen ...
De PRESIDENT: Dr. von Lüdinghausen, dat is een volkomen verkeerde opvatting. Wij horen nu bewijsmateriaal aan. Wanneer u uw pleidooi houdt zullen we argumenten horen en zullen bereid zijn ieder argument van u aan te horen.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Ja, maar ik wil voorkomen dat er wordt gezegd dat het mijn argumenten zijn. Dit zijn de argumenten van beklaagde.
De PRESIDENT: Ik wijs u erop dat de functie van een raadsman is iets te bewijzen en de functie van het Tribunaal is te luisteren naar de argumenten. Het is niet de functie van het Tribunaal te luisten naar argumenten tijdens de bewijsvoering.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Zoals u wilt.
VON NEURATH: Misschien mag ik een opmerking maken. In de loop van de winter van 1936 hadden we via onze militaire inlichtingendienst gehoord dat de Franse Generale Staf al een militair plan klaar had om Duitsland binnen te vallen. Deze invasie moest plaatsviden door het Rijnland en langs de rivier de Main naar Tsjechoslowakije teneinde contact te maken met de Russische bondgenoot.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Op grond van wat de President net heeft gezegd zal ik afzien van bewijsvoering, of liever van uw overwegingen en mij het recht voorbehouden dit in mijn slotpleidooi ter sprake te brengen. Ik zou nog een vraag willen stellen. Betekende het besluit tot herbezetting van het Rijnland een of andere agressieve bedoeling voor het moment of voor later?
VON NEURATH: Nee, niet in het minst. De herbezetting had, zoals uit mijn verklaringen blijkt een zuiver defensief karakter en was niet voor een ander doel bedoeld. De bezetting door zo’n zwakke macht als een enkele divisie maakte wel duidelijk dat het om een zuiver symbolisch gebaar ging. Daarover is hier door de militairen getuigenis afgelegd – getuige Milch bijvoorbeeld – dat de Luftwaffe er part noch deel aan had en pas 2 of 3 dagen tevoren van de actie op de hoogte werd gesteld. Dat er geen agressieve plannen voor de toekomst bestonden blijkt uit het feit dat de Duitse regering, op voorstel van Engeland, op 12 maart 1936 besloot tot aan het moment waarop overeenstemming was bereikt met de Westerse Mogendheden, in het bijzonder met Frankrijk, de garnizoenen in het Rijnland niet uit te breiden en de troepen niet dichter bij de grens te legeren dan ze al waren, op voorwaarde echter dat Frankrijk hetzelfde zou doen. Frankrijk wenste dit aanbod niet te aanvaarden. Daarna, in het memorandum van 7 maart 1936, gericht aan de ondertekenaars van het Verdrag van Locarno, dat de Aanklager hier al heeft ingediend deed Duitsland niet alleen definitieve voorstellen voor een overeenkomst met Frankrijk, België en de andere Locarno mogendheden, maar verklaarde ook bereid te zijn een algemene Luchtovereenkomst te tekenen om het gevaar van plotselinge luchtaanvallen af te wenden en bovendien om weer toe te treden tot de Volkenbond. In een rede voor de Reichstag op 7 maart 1936 legde Hitler aan de wereld de redenen voor de herbezetting van het Rijnland uit. Deze rede had ik, net als het memorandum te voren met Hitler besproken en ik kan alleen maar herhalen dat ik niet het minste vermoeden had dat Hitler niet oprecht was of dat hij zijn ware bedoelingen, die in de richting van oorlog gingen, wilde verhullen. Zelfs vandaag heb ik de stellige overtuiging dat Hitler destijds niet aan oorlog dacht. Ik hoef niet te benadrukken dat een dergelijke bedoeling verre van mij was. In tegendeel, ik beschouwde het herstel van de souvereiniteit in het hele Reich als een stap naar vrede en begrip.
De PRESIDENT: Laten we verder gaan, Dr. von Lüdinghausen; u staat toe dat beklaagde zeer lange redevoeringen houdt. Dat is niet de manier van bewijsvoering.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Ik zou in dit verband diverse documenten willen indienen en het Tribunaal willen vezoeken de volgende documenten in mijn documentenboek 4 voor kennisgeving aan te nemen. Allereerst nummer 109, het memorandum van 7 maart 1936 van de Reichsregierung aan de ondertekenaars van het Verdrag van Locarno; nummer 112, de officiële verklaring van de Duitse Reichsregierung van 12 maart 1936; nummer 113, het bericht van de Duitse ambassadeur in Londen aan de Britse Minister van Buitenlandse Zaken, Mr. Eden van 12 maart 1936 en nummer 116, een memorandum van 3 januari 1936 door de Duitse regering gestuurd aan de Britse regering via de Buitengewone Ambassadeur in Londen, de heer von Ribbentrop.
(tot de beklaagde): Wat waren de gevolgen van de herbezetting van het Rijnland voor zover het de buitenlandse politiek betrof?
VON NEURATH: Ingevolge de wensen van de President van het Tribunaal zal ik geen antwoord geven op deze vraag.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Wat deden de Westerse mogendheden? Namen zij politieke of diplomatieke stappen?
VON NEURATH: Minister van Buitenlandse Zaken Eden zei in het Lagerhuis dat het Duitse optreden geen enkele bedreiging vormde en hij beloofde de Duitse vredesvoorstellen ernstig te overwegen.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Ik zou de volgende documenten in mijn documentenboek 4 willen indienen en het Tribunaal verzoeken deze voor kennisgeving aan te nemen: nummer 125, uittreksels uit een rede van de Amerikaanse onderminister van Binnenlandse Zaken, Mr. Sumner Welles, over het Verdrag van Versailles en Europa van 7 juli 1937, nummer 120, een uittreksel uit het besluit van de Russische Volkscommissaris over de verlaging van de leeftijd voor militaire dienst en nummer 117, een verslag van de Tsjechoslowaakse minister in Den Haag van 21 april 1936.
(tot de beklaagde): Meneer von Neurath, zag u of Buitenlandse Zaken af van verdere stappen en pogingen tot een vreedzaam begrip met de andere Europese mogendheden of werden die voortgezet?
VON NEURATH: Die pogingen werden voortgezet. De volgende gelegenheid ontstond door onze betrekkingen met Oostenrijk. De ontwikkeling van deze betrekkingen sinds 1933 is al uitgebreid voor het Tribunaal beschreven maar ik zou in het bijzonder het feit willen benadrukken dat in onze betrekkingen met Oostenrijk mijn mening van begin tot eind onveranderd bleef, anders gezegd ik wenste een nauwe economische band, zoals een douane-eenheid, tussen de twee landen, een buitenlands beleid dat langs gemeenschappelijke lijnen werd gevoerd op basis van verdragen en een nauw contact tussen de twee regeringen maar wat er ook gebeurde, ik wilde de volledige onafhankelijkheid van Oostenrijk gewaarborgd zien. Om die reden was ik altijd een fel tegenstander van elke inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van Oostenrijk, ik was tegen iedere steun die door de Duitse Nationaalsocialisten aan de Oostenrijkse Nationaalsocialisten werd gegeven en ik drong er bij Hitler voortdurend op aan, dezelfde koers te volgen. Ik hoef niet te herhalen dat ik de moord op Dolfuss vanuit moreel als ook vanuit poltiek standpunt scherp veroordeelde en dat Buitenlandse Zaken niets met deze moord te maken had, zoals de Aanklager onlangs beweerde. Maar dat Hitler ook absoluut niets met de moord te maken had kan ik bevestigen met diverse uitspraken die hij tegen mij deed. De moord werd gepleegd door Oostenrijkse Nationaalsocialisten van wie sommigen nog radicaler waren dan de Duitsers. Deze houding van mij wordt het beste bewezen door het feit dat toen kot na de moord op Dolfuss, de Duitse minister in Wenen, de heer Rieth zonder mijn medeweten van de Oostenrijkse regering een vrijgeleide naar Duitsland eiste voor diverse personen die bij de moord waren betrokken, ik hem direct uit Wenen terugriep en hem uit de diplomatieke dienst ontsloeg. Ik zelf was ook, net als vele andere ministers tegen de reisbeperkingen die door Duitslansd aan Oostenrijk werden opgelegd.
Maar ik verwelkomde wel degelijk de pogingen voor een begrip met Oostenrijk die in 1935 begonnen en die met succes door de heer von Papen werden voortgezet; ik probeerde Hitler altijd over te halen dit tot stand te brengen. Wat betreft Von Papen’s activiteiten in Wenen destijds, daarover werd ik slechts onvolledig ingelicht omdat de heer von Papen mijn ondergeschikte niet was en zijn orders direct van Hitler kreeg. Pas tijdens dit proces hoorde ik over de series brieven die Von Papen aan Hitler schreef.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Ik zou twee passages willen citeren; een komt uit een brief van de heer von Neurath aan het hoofd van de politieke sectie van Buitenlandse Zaken van 28 juni 1934, nummer 84 in mijn documentenboek 3, pagina 277; die luidt met betrekking tot de situatie van destijds:
“De ontwikkeling der gebeurtenissen in Oostenrijk kan niet worden voorzien. Het lijkt mij echter dat het acute gevaar ..... “
De PRESIDENT: U gaat iets te snel. U hebt niet op het licht gelet. Gaat u verder.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: “De ontwikkeling der gebeurtenissen in Oostenrijk kan niet worden voorzien. Het lijkt mij echter dat het acute gevaar dankzij snel optreden is afgewend. We moeten nu zeer voorzichtig te werk gaan en daarom heb ik gisteren met de Reichskanzler gesproken. Ik ontmoette een volledig begrip”.
Dan zou ik een passage willen citeren uit de beëdigde verklaring van Bisschop Wurm, al door mij ingediend als nummer 1 in mijn documentenboek 1, op pagina 3. Daar staat:
“Ik herinner me in het bijzonder zijn” – Von Neurath’s – “scherpe veroordeling van de gebeurtenissen in Wenen waarbij Kanselier Dolfuss werd vermoord en van de persoon die door Hitler werd ingezet bij de opstand in Oostenrijk,”
Dan zou ik in dit verband willen verwijzen naar een document dat de heer Seyss-Inquart of zijn raadsman al heeft ingediend onder nummer Seyss-Inquart-32, een interview met Staatskanselier Dr. Renner op 3 april 1938. Uit voorzorg heb ik het nogmaals opgenomen in mijn documentenboek 4 onder nummer 130.
(tot de beklaagde): Meneer von Neurath, u weet dat tegen u de beschuldiging is geüit dat op 11 juli 1936 in de loop van deze onderhandelingen door de heer von Papen een overeenkomst werd gesloten tussen Duitsland en Oostenrijk en dat die overeenkomst, die hier tot in bijzonderheden is besproken, werd gesloten met als doel misleiding, anders gezegd met als doel Oostenrijk een vals gevoel van veiligheid te geven en haar voor te bereiden op haar toekomstige inlijving in het Reich. Wilt u op dit punt alstublieft iets zeggen?
VON NEURATH: Deze bewering is vokomen onjuist. In feite verwelkomde ik deze overeeenkomst met oprechte vreugde. Die kwam in alle opzichten met mijn standpunt overeen. Ik zag daarin de beste manier om de onnatuurlijke gevoelens op te helderen en om die reden stelde ik alles in het werk om dat tot stand te brengen. Die bewering van de Aanklager is weerlegd door de verklaringen van de voormalige Oostenrijkse Minister van Buitenlandse Zaken Dr. Guido Schmidt. Ik vond voldoening in het feit dat die overeenkomst van bijzonder belang was voor het buitenlands beleid. Door deze overeenkomst, waarij het Reich de Oostenrijkse onafhankelijkheid duidelijk erkende, werden de verschillen tussen Oostenrijk en Duitsland, die een gevaar vormden voor de vrede in Europa weggenomen.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Meneer de President, in dit verband zou ik willen indienen de overeenkomst tussen Oostenrijk en Duitsland van 11 juli 1936, nummer 118 in documentenboek 4 en verzoek het Tribunaal deze voor kennisgevng aan te nemen.
(tot de beklaagde): Meneer von Neurath, afgezien van het oplossen van de kwestie Oostenrijk in de jaren voor 1937, voerde u ook onderhandelingen met Oost-Europese staten. In de verklaring van de Amerikaanse Consul-generaal Mr. Messersmith, die de Aanklager heeft ingediend onder nummer USA-68, 2385-PS wordt beweerd dat het doel van deze onderhandelingen was deze zuidoostelijke staten te laten toestemmen in de vernietiging en opsplitsing van Tsjechoslowakije die door Duitsland werd overwogen en er zelf actief aan deel te nemen. Tot dit doel zou u, in de loop van de onderhandelingen, deze staten hebben beloofd of door andere hebben laten beloven dat zij als beloning delen van Tsjechoslowakije zouden ontvangen of zelfs Oostenrijks gebied. Wilt hier alstublieft iets over zeggen?
VON NEURATH: Deze beweringen van Mr. Messersmith zijn van begin tot eind pure verzinsels en hersenspinsels. Er staat geen woord van waarheid in. Ik kan deze verklaring alleen maar als absurd omschrijven. Het is zelfs niet eens waar dat hij, zoals hij zegt een goede vriend van mij was. Ik heb de heer Messersmith een paar keer bij grote bijeenkomsten ontmoet maar ik heb altijd politieke discussies met hem ontweken omdat ik wist dat hij in zijn rapporten en andere verklaringen over gesprekken die hij met diplomaten voerde, dingen herhaalde op een manier die niet altijd met de waarheid overeen kwamen. Tussen haakjes, het is opvallend dat deze verklaring nauwelijks enige nauwkeurige aanwijzing bevat voor de bronnen die hij gebruikte. Mijn onderhandelingen met de zuidoostelijke staten, net als mijn persoonlijke bezoeken aan de hoofdsteden hadden in werkelijkheid alleen tot doel de bestaande economische banden te versterken en onderlinge handel en ruil van goederen te beloven. Bovendien wilde ik informatie inwinnen over de politieke toestand op de Balkan, die altijd moeilijk te begrijpen is.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: In mijn documentenboek 2 onder nummer 30 op pagina 87 heb ik een kort uittreksel uit een andere verklaring van Mr. Messersmith, gedateerd 29 augustus 1945. De Aanklager heeft dat in een ander verband al ingediend als bewijsstuk USA-750. document 2386-PS. Ik zou een passage uit dit uittreksel willen citeren. Die staat op pagina 87 van mijn documentenboek 2 en luidt:
“Gedurende de jaren 1933 en 1934 liet de Nazi regering voor een groot deel conservatieve ambtenaren uit de oude school aan de leiding van Buitenlandse Zaken. In het algemeen gezegd duurde deze situatie voort gedurende de periode waarin Freiherr von Neurath minister van Buitenlandse Zaken was. Nadat Von Ribbentrop hoofd van Buitenlandse Zaken werd veranderde de situatie geleidelijk wat betreft de politieke ambtenaren. Gedurende de zittingsperiode van Von Neurath werd het Duitse Ministerie van Buitenlandse Zaken niet op een lijn gebracht met de Nazi ideologie en de acties op het gebied van het Duitse buitenlandse beleid kunnen Von Neurath en zijn assisitenten nauwelijks worden verweten, hoewel zijn aanblijven een aanwijzing zou kunnen zijn voor zijn instemming met de Nationaalsocialistische doelstellingen. Ter verdediging van deze activiteiten zou Von Neurath gemakkelijk redenen van vaderlandslievende aard kunnen aanvoeren.”
Dan, met betrekking tot deze reizen en het beleid van beklaagde in het zuidoosten dien ik de drie communiquées in over Von Neurath’s bezoek aan Belgrado, Sofia en Boedapest in juni 1937 onder de nummers 122, 123 en 124 in mijn documentenboek 4. Ik verzoek het Tribunaal deze voor kennisgeving aan te nemen.
(tot de beklaagde): Meneer von Neurath, de Aanklager gebruikt uw toespraak van 29 augustus 1937 in Stuttgart bij een demonstratie van Duitsers die in het buitenland wonen om een beschuldiging tegen u in te brengen; in zoverre dat hij in een van uw opmerkingen de agressieve bedoelingen van uw beleid ziet. Hij citeert de volgende woorden die u in uw toespraak zou hebben gebruikt:
“De eenheid van de heldhaftige nationale wil, geschapen door het Nationaalsocialisme in zijn ongeëvenaarde elan heeft een buitenlands beleid mogelijk gemaakt waardoor de bepalingen van Versailles worden opgeblazen, de vrijheid tot herbewapening wordt herwonnen en onafhankelijkheid in het hele land wordt hersteld. Wij zijn wederom heersers in eigen huis en wij hebben de middelen geschapen dat in de toekomst te blijven. Bij onze politieke acties in het buitenland hebben wij van niemand iets aangenomen. Uit de woorden en daden van Hitler zou de wereld moeten begrijpen dat hij geen agressieve wensen koestert.”
Ik zou erop willen wijzen dat deze zinnen alleen in hun context kunnen worden begrepen. Ik zou het Tribunaal toestemming willen vragen om kort uit te leggen wat die context is. Dit uittreksel uit de toespraak is door mij ingediend in documentenboek 4, nummer 126. Ik citeer:
“Wij zijn wederom heersers in eigen huis en wij hebben de middelen geschapen dat in de toekomst te blijven.......”
De PRESIDENT: U hebt dat net voorgelezen. U hebt het al eens voorgelezen.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Ja, ik zou de zin die er tussen staat willen voorlezen.
De PRESIDENT: U kunt natuurlijk alles voorlezen wat relevant is en is overgeslagen.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Het citaat dat ik indien luidt:
“Maar deze houding van het nieuwe Deutsche Reich is in werkelijkheid het sterkste bolwerk voor het behoud van vrede en zal zich altijd als zodanig bewijzen in een roerige wereld. Juist omdat wij de gevaren hebben onderkend van bepaalde destructieve tendenzen die zich proberen te doen gelden, zoeken wij in Europa niet naar verschillen tussen landen en volken maar wij proberen verbindende schakels te vinden. Wij denken niet aan politieke isolatie. Wij wensen politieke samenwerking tussen regeringen, een samenwerking die, wil die succesvol zijn, niet kan worden gebaseerd op theoretische ideeën van collectiviteit maar op levende realiteit en die zich moet wijden aan de concrete taken van het heden. Wij kunnen met voldoening vaststellen dat wij bij het volgen van een dergelijk realistisch vredesbeleid hand in hand werken met onze vriend Italië.
“Dit rechtvaardigt de hoop dat wij ook een vriendschappelijk begrip kunen bereiken met andere regeringen betreffende belangrijke kwesties van buitenlands beleid.
(tot de beklaagde): Wilt u, meneer von Neurath, hier nog iets aan toevoegen?
De PRESIDENT: Ik meen dat dit een geschikt moment is voor een schorsing.

Definitielijst

divisie
Bestond meestal uit tussen de een en vier Regimenten en maakte meestal deel uit van een Korps. In theorie bestond een Divisie uit 10.000 - 20.000 man.
ideologie
Het geheel van beginselen en ideeën van een bepaald stelsel.
invasie
Gewapende inval.
Luftwaffe
Duitse luchtmacht.
Nazi
Afkorting voor een nationaal socialist.
ratificatie
Bekrachtiging, goedkeuring door een regering of parlement van een internationale overeenkomst.
Rijnland
Duitstalig na WO I gedemilitariseerd gebied aan de rechteroever van de Rijn dat door Hitler bezet werd in 1936.
Volkenbond
Internationale volkerenorganisatie voor samenwerking en veiligheid (1920-1941). De bond was gevestigd in Genève, in het altijd neutrale Zwitserland. In de dertiger jaren kon zij weinig uitrichten tegen het agressieve optreden van Japan (Mantsjoerije), Italië (Abessinië) en Hitler. De Volkenbond was in feite de voorganger van de Verenigde Naties.
Volkscommissaris
In de Sovjetunie een minister.

Pagina navigatie

Informatie

Vertaald door:
Arnold Palthe
Geplaatst op:
25-12-2009
Laatst gewijzigd:
07-01-2016
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

Categorieën


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2017
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.