Bevrijding van Amerikaanse krijgsgevangenen uit Cabanatuan

De aanval

Aanval
De gehele aanvalsgroep vertrok uit Platero naar hun aanvalsposities op 30 januari 1945 om 17.00 uur. Zonder dat Mucci er vanaf wist had Pajota een groep van bijna 400 guerrilla’s met vier .30 machinegeweren vooruit gezonden. Hij had hierover niet met Mucci gesproken, omdat hij deze eenheden, de Squadrons 200, 201A, 202 en 204, wilde kunnen inzetten op die posities die hij zelf nodig vond. De Squadrons 200 en 202 hield hij in reserve in de buurt van de wegblokkade die door de eenheid van Joson werd opgeworpen. Squadron 201A en 204 hadden zichzelf ingegraven nabij Manacnac, aan de door de Japanners gecontroleerde kant van de rivier Cabu. Deze twee eenheden moesten Japanse eenheden in de rug aanvallen wanneer deze de Cabu wilden oversteken voordat de actie van de Rangers was afgerond.

De aanvalscolonne volgde aanvankelijk een route over een verborgen pad door velden en bamboebossen. Na een kilometer werd de rivier Pampanga bereikt en splitste de groep zich in drieën. Pajota en Joson trokken met hun manschappen over de rivier in de richting van hun posities. Mucci trok met de hoofdaanvalsgroep over de rivier in de richting van het kamp. In tegenstelling tot de verkenningsoperaties kon men het grootste deel van de aanvalsroute door hoog gras en struikgewas afleggen. Het open terrein begon pas op ongeveer 1,5 kilometer afstand van het kamp. Tegen 18.00 uur werden de directe aanvalsposities bereikt. Het 2nd Platoon van Company F splitste zich van de hoofgroep af en trok om het kamp heen via een greppel tot aan haar aanvalspositie. De 1st en 2nd Platoons van Company C onder leiding van compagniescommandant Prince liepen tot zij de wachttorens konden waarnemen. Al kruipend over de grond bereikten zij hun aanvalsposities vlakbij de Japanse wachters.
Ondertussen hadden de guerrilla’s hun wegblokkades opgeworpen, aldus de hoofdweg, de brug en alle mogelijke oversteekplaatsen over de rivier afdekkend. Sommige guerrilla’s werden in een hinderlaag gelegd en de brug werd ondermijnd zodat deze tussen 19.40 uur en 19.50 uur zou worden opgeblazen. De aanval zelf zou rond 19.30 moeten beginnen.

Om 18:00 uur steeg de P-61 met Kenneth Schrieber en Bonnie Rucks van 547th Night Fighter Squadron op van haar basis. Terwijl de grondtroepen naar het kamp en hun voorgeschreven posities slopen, deed Captain Schrieber om 18.40 uur op 450 meter hoogte boven het kamp zijn linkermotor uit. Om een motorstoring te simuleren herstartte hij de motor en deed dit zelfde nog twee keer, ondertussen dalend tot 60 meter. De indruk wekkend dat het vliegtuig in problemen was, vloog hij op 10 meter hoogte in de richting van een aantal lage heuvels. De afleiding lukte. Terwijl de Japanse bewakers het vliegtuig met hun blikken volgden, kropen de aanvallende Rangers naderbij.

First Lieutenant John F. Murphy moest met zijn 2nd Platoon, Company F de langste afstand afleggen en had daarom van Mucci de opdracht gekregen het aanvalssignaal te geven. Murphy had zijn uitgangspositie om 19.30 uur bereikt, maar liet een aantal verkenners de route nogmaals afleggen om te zien of iedereen de uitgangspositie had bereikt. Hierdoor werd de aanval met een kwartier vertraagd, maar wist hij zeker dat iedereen in positie was.

Terwijl de Rangers hun wapens klaarmaakten en hun doel uitzochten tot het moment dat Murphy het signaal tot de aanval gaf, voerden de Japanse, Koreaanse en Formosa-bewakers hun taken uit of rustten voor de volgende dag; ze waren zich van geen gevaar bewust.
Om 19.45 richtte Murphy zijn wapen op het dichtstbijzijnde raam dat hij kon vinden en opende het vuur, hiermee gaf hij het signaal voor de aanval. Op dat moment brak rond het gehele kamp een spervuur los.
Bij de hoofdingang werden de wachten uitgeschakeld. Company F voerde haar opdracht snel en zorgvuldig uit. Binnen nog geen dertig seconden waren de meeste doelen uitgeschakeld. De Rangers stormden naar het kamp. Staff Sergeant Theodore R. Richardson van Company C bereikte de hoofdingang en vernielde het slot met een pistoolschot. Twee Japanse militairen die de Amerikanen wilden tegenhouden, werden door Richardson en Private 1st Class Leland A. Provencher direct uitgeschakeld. Staff Sergeant Preston N. Jensen leidde de 1st Section van het 1st Platoon het kamp binnen met rechts van hem Sergeant Homer E. Britzius, die met zijn 2nd Section via de hoofdweg ondersteuningsvuur door het hek heen gaf. Staff Sergeant Manton P. Stewart volgde met zijn Weapons Section direct achter Jensen en vernietigde twee vrachtwagens en een garage. Tot zover ging alles volgens plan en hadden de Amerikanen nog geen enkel slachtoffer te betreuren.

Al na enkele minuten na aanvang van de aanval werd door Private First Class Leland A. Provencher van het 1st Platoon, Company C de eerste krijgsgevangenen bevrijd. Hij stuitte min of meer toevallig op een gevangene die tijdelijk was afgezonderd van zijn medegevangenen. De overige gevangenen werden snel daarna bevrijd door First Lieutenant Melville Schmidt met zijn 2nd Platoon, Company C. De 2nd Section bestormde de hoofdweg door het kamp en mengde zich bij het beschermende vuren van 1st Platoon. De 1st Section onder bevel van Staff Sergeant Clifton Harris openden het hek van het gevangenengedeelte en bevrijdde de gevangenen.
Bij de bevrijding van de krijgsgevangenen door C Company ondervonden de Rangers nog verscheidene moeilijkheden. Vele krijgsgevangenen waren verzwakt. Anderen waren zo bang dat ze bijna gedwongen moesten worden mee te gaan. De uniformen die de Rangers droegen waren bij de krijgsgevangenen onbekend en velen dachten dat het een val van de Japanners was. Doordat de gevangenen zich trachtten te verstoppen, moesten de Rangers ieder barak doorzoeken en moest vaak fysieke dwang worden toegepast om de gevangenen mee te krijgen. Bij het afvoeren ontstond de nodige verwarring doordat de krijgsgevangenen opdracht kregen naar de hoofdpoort te gaan. Voor de gevangenen was de hoofdpoort echter de ingang naar het Amerikaanse krijgsgevangenengedeelte. Uiteindelijk wisten de Amerikanen iedereen naar het juiste vertrekpunt te begeleiden.
De gevangenen in de ziekenbarak, waaronder die in "Zero Ward", de plaats waar mensen verbleven die weinig overlevingskans hadden, werden door de Rangers naar buiten gedragen. Velen waren zodanig uitgemergeld en licht dat sommige Rangers met gemak twee mannen op hun rug mee konden dragen. Bij het vertrek vielen de eerste Amerikaanse slachtoffers. Een Japanse militair wist met een lichte mortier nog drie mortiergranaten af te vuren op de hoofdingang. De Japanner werd uitgeschakeld, maar zes Rangers, waaronder Alamo Scout Rounsaville en bataljonsarts Captain James Fisher, raakten door de mortieraanval gewond. Fisher zou overlijden voordat de Amerikaanse linies bereikt werden.

Nabij het krijgsgevangenenkamp, tegen de rivier Cabu, lag nog een overgebleven Japanse legereenheid. Het was de taak van de Filippijnse guerrilla’s om deze tegen te houden indien ze trachtten in te grijpen. De guerrilla’s wachtten dit niet af en vielen de Japanners zelf aan. Gealarmeerd echter door het vuurgevecht bij het krijgsgevangenenkamp, trok de Japanse eenheid al snel in de richting van het kamp. De door explosievenexperts ondermijnde brug explodeerde op tijd, maar de brug werd slechts licht beschadigd. Er was echter een gat ontstaan waarover de aanstormende tanks niet konden passeren. De guerrilla’s wisten de Japanse infanteristen tegen te houden. Eén van hen had kort daarvoor instructie gehad in de bediening van een bazooka en wist vier Japanse tanks uit te schakelen. Het Amerikaanse bazookateam dat zich bij hen bevond schakelde twee Japanse tanks en een vrachtwagen uit.
De wegversperring die was opgeworpen door Joson werd tijdens de gehele aanval niet bedreigd. De enige dreiging, een Japanse colonne die op weg was van San Jose richting Cabanatuan via de weg die door Joson was versperd, werd tegen 20.00 uur aangevallen door een luchtsteun verlenende P 61. De colonne werd door de P 61 volledig vernietigd.
Om 20.15 uur hield Prince een telling onder de krijgsgevangenen en voerde nog één keer een zoektocht uit door het kamp. Men miste slechts de dove krijgsgevangen Britse soldaat Edwin Rose, die zich bij het begin van de aanval had verstopt op het toilet. Ervan overtuigd iedereen te hebben gevonden vertrok de Raiding Force met de krijgsgevangenen. Prince vuurde de afgesproken rode lichtkogel af ten teken dat de terugtocht werd aangevangen. Edwin Rose werd de volgende dag wakker en ontdekte dat hij alleen was. Hij schoor zich en trok nette kleren aan die hij verstopt had voor het moment dat hij ooit bevrijd zou worden. Op zijn gemak liep hij het kamp uit, denkend dat de bevrijding was gekomen en hij wel snel zou worden opgepikt. Korte tijd later werd hij door passerende guerrilla’s gevonden en in veiligheid gebracht. Een opmerkelijk verhaal in oorlogstijd. Alle gevangenen waren bevrijd. Slechts één krijgsgevangene overleed aan een hartaanval op het moment dat hij werd geholpen het kamp te verlaten.

Definitielijst

bazooka
Amerikaans anti tankgeschut in de vorm van een lange buis, dat door 1 man kan worden gedragen en vanaf de schouder wordt afgevuurd. Infanterie wapen, gebaseerd op het raketprincipe. De bazooka is herlaadbaar. De bazooka produceert bij het afvuren een lange vlam aan de achterzijde, wat dit wapen ongeschikt maakt voor gebruik in gesloten ruimtes. Britse tegenhanger is de PIAT; de Duitse tegenhanger de Panzerfaust of Panzerschreck.
mortier
Kanon dat zijn granaten op korte afstand (via een zeer kromme baan) kan doen neerkomen.

Pagina navigatie

Afbeeldingen


Northrop P-61 "Black Widow"
(Bron: National Archives)


Plattegrond van het kamp.
(Bron: U.S. Government)


Cabanatuan krijgsgevangenen hut.
(Bron: U.S. Government)


Pajota's Guerrilla's
(Bron: U.S. Government)

Informatie

Artikel door:
Wilco Vermeer
Geplaatst op:
13-03-2015
Laatst gewijzigd:
04-04-2016
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

Categorieën


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2018
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.