Fout en niet goed

Titel: Fout en niet goed - Vervolging van collaboratie en verraad na de Tweede Wereldoorlog
Auteur: Koos Groen
Uitgever: Just Publishers
Uitgebracht: december 2009
Pagina's 712
ISBN: 9789077895641
Omschrijving:

Als historicus ben je toch altijd even op je hoede wanneer een journalist zich buigt over gevoelige historische onderwerpen. Een journalist is primair op zoek naar nieuws – want dat verkoopt. Desalniettemin zijn de media onmisbaar als waarborg voor de openheid van ons politiek systeem en behoren ze onze ‘machthebbers’ flink lastig te vallen als zij bijvoorbeeld frappante stappen zetten betreffende hun declareergedrag. Maar zowel de historicus als de journalist lijken beide bijzonder gevoelig te zijn voor het nog ongenoemde en het bijzonder aansprekende. Jammer genoeg heeft Koos Groen hierdoor wel enige contextuele steken laten vallen. Hij heeft een precaire kwestie aan de kaak willen stellen, zoals de tv-serie ‘De Oorlog’ dit deed door zich expliciet te mengen in het historische debat. De makers presenteerden nieuwe ontdekkingen en plaatsten die tegenover oude vooronderstellingen. Kenmerkend was de nette ondertitel ‘een serie’. Maar danken we dat aan de journalistieke redactie of aan de adviezen van Hans Blom, de voormalige directeur van het NIOD?

Nu ben ik mij wel bewust van het feit dat journalisten min of meer gedwongen zijn een lichter schrijfsel te produceren dan de historicus. Hun werk moet immers in de eerste plaats leesbaar zijn om daadwerkelijk door veel mensen gelezen te kunnen worden. De historicus dient zich in de eerste plaats om het wetenschappelijke belang te bekommeren. Gelukkig zijn de idealen hetzelfde, namelijk het ontdekken en bekend maken van tot dan toe onbekende zaken, waarbij gehandeld moet worden volgens een ethische code die bijvoorbeeld de bronnen dient te beschermen, mochten deze gevaar lopen.

Nu stelt Koos Groen in de verantwoording van zijn nieuwe boek Fout en Niet Goed dat voor mij het product van een journalist en niet van een historicus ligt. Dit gebruikt hij vervolgens als excuus voor het niet in een notenapparaat afleggen van verantwoording over de herkomst van “elk feitje”. Indien zo een ‘feitje’ algemeen bekend is – bijvoorbeeld dat koningin Wilhelmina in Londen verbleef – dan hoef je dat inderdaad niet te annoteren. Maar een onvolledig notenapparaat is niet correct. Groen stelt dat wij erop mogen “vertrouwen dat een objectieve selectie is gemaakt” (p. 633). Dit is een kwalijke zaak. Niet alleen diskwalificeert Groen de kwaliteit van zijn werk direct door de indruk te wekken dat een journalist minder verantwoording schuldig is, maar bovendien is een nauwkeurig notenapparaat de ultieme basis van een historisch betoog – ook al is het niet geschreven door een beroepshistoricus. Alleen hierdoor kunnen lezers zelf beslissen of de schrijver daadwerkelijk ons vertrouwen mag genieten over de wijze van zijn bronnenselectie. Vooral wanneer de schrijver stelt dat bij de Nederlandse regering een vooropgezet plan bestond bestond mensen met niet-gewenste politieke overtuigingen uit de weg te ruimen (politicide). Maar nu zegt het ons niets. Groen maakt wel degelijk een aanzet met wat voetnoten, maar waarom hij die niet heeft vervolledigd met überhaupt paginanummers te noemen, blijft voor mij een raadsel. Het zou zijn werk kwalitatief goed hebben gedaan. Zeker wanneer hij uit die voetnoten nieuwe en niet-verantwoorde stellingen naar de hoofdtekst zou hebben gezet en vervolgens wél verantwoord zou hebben (bijv. p. 24 voetnoot 2). Dat daarnaast de schrijver daarenboven stelt objectiviteit te hebben nageleefd is een zaak die tegenwoordig min of meer achterhaald is, want per definitie onhaalbaar. Het enige wat ik hieruit kan concluderen is dat hij geen stevige selectie in zijn materiaal heeft durven te maken, maar “objectief” alles heeft willen vastleggen in een lijvig boek van circa 700 pagina’s.

Die 700 pagina’s beginnen niet met een inhoudelijke samenvatting van de opzet van het werk. Jammer, want 700 pagina’s hebben zo een overzicht broodnodig. Een reden daarvoor is bijvoorbeeld het behagen van de recensent. Echter, een veel belangrijker reden is het aanspreken van de doorsnee lezer. Mensen kopen een dik boek eerder als een soort naslagwerk en laten het in de boekenkast pronken, dan dat ze zich daadwerkelijk verdiepen in alle achtergronden en verantwoordingen van de argumenten van de schrijver. Dat zou toch zonde zijn van Groens vele arbeid.

Als naslagwerk deugt het boek helaas ook niet. Het grote aantal overgeschreven fragmenten uit archiefstukken is lang niet altijd functioneel en wordt evenmin geannoteerd, waardoor verder onderzoek slecht mogelijk is. Groen wil bovendien misstanden aan de kaak stellen, maar met 700 pagina’s komt een boodschap niet duidelijk over en zal een eventuele hoop op een maatschappelijke discussie ijdel blijken te zijn. Men heeft geen houvast aan duidelijke stellingen en zelfs een wat groter krantenbericht heeft meer structuur. Een uitmuntende literaire stijl zou dat kunnen compenseren, maar die ontbreekt eveneens. De grote stapel feitjes is een taaie brij. Als houvast mag de lezer een theoretisch kader echter niet verwachten, aangezien Groen zelf stelt geen wetenschap te bedrijven. Maar op de achterflap doen auteur en uitgever zo veel pretentieuze uitspraken, dat toetsing op zijn plaats is.

Zo staat er dat Fout en Niet Goed het nieuwe “standaardwerk” over de politieke zuiveringen in ons land na de Tweede Wereldoorlog is. Standaardwerk of encyclopedie? Het verschil: de eerste zorgt voor een duidelijke cesuur in het historiografische debat, het tweede niet en staat in de boekenkast klaar ter raadpleging. Dit boek is geen van beide. Bij het eerste soort werk duurt het wel een paar jaar voordat uit verschillende recensies en verkoopcijfers de invloed van het werk mag blijken. Bovendien is dit al de derde en veel te uitgebreide versie van zijn eerder verschenen boek Landverraders (Baarn 1974), het overgrote deel is dus al ruim een derde eeuw bekend. Groen had beter een echt nieuw boek kunnen schrijven, vooral omdat dit boek een andere weg inslaat – namelijk de politicide-these, zie hieronder – dan zijn eerdere werk. Hij had zich daarbij qua archiefwerk journalistiek sterker kunnen onderscheiden van de meer juridische benadering van August D. Belinfante (1978) en W. M. E. Noach (1948). Dit was immers al het doel van Groens tweede versie uit 1984, die op een ervaringsgeschiedenis lijkt. Fout en Niet Goed had de politieke gevoeligheden zonder het materiaal van Landverraders veel meer kunnen uitkristalliseren. Het tweede soort werk is hierboven al ontkracht doordat de raadpleegfunctie niet betrouwbaar is. Bovendien helpt het voor een encyclopedisch werk mee als de auteur zijn werk expliciet in het historiografische debat plaatst. Groen had dit kunnen doen, want volgens de achterflap ontdekte hij “schokkende feiten”. De algemene, voorbereide consumentenvraag: “Welke dan?” Auteur: “Nou, namelijk 1, 2, 3 etc.”

Een voor het debat interessant en voor Groen een belangrijk punt is het ter discussie stellen en nuanceren van de termen ‘fout’ en ‘goed’. Dit zwart-wit onderscheid van Loe de Jong is onder andere door Hans Blom in verschillende lezingen en in de bundel In de ban van goed en fout (Leiden 2007) eerder aan de kaak gesteld. De manier waarop Groen deze termen behandelt is echter in de vorm van een anachronistisch moreel appèl. Groen houdt de beide termen keurig tussen aanhalingstekens, maar hij vraagt zijn lezers duidelijk om erkenning voor het doorstane leed van na de oorlog gedetineerde NSB’ers en wekt de indruk dat het geoorloofd is met een historisch betoog zingeving te brengen aan hun leed. Erkenning vragen voor de moeilijke en vaak afschuwelijke situatie waarin Nederlanders zich bevonden (bijv. p. 63) is lovenswaardig, maar het zoeken naar zingeving leidt de aandacht af van de essentie van Groen’s kwestie, namelijk het aanklagen van het koningshuis.

Hier klopt iets niet. In de eerste plaats zouden nog altijd veel mensen het lidmaatschap van de NSB zien als landverraad, en zo kenmerkt het overgrote deel van de gekopieerde fragmenten het ook. Groen is het hiermee eens (p. 57). In de tweede plaats doordrenkt de oud-journalist zijn werk met de huidige mentaliteit dat stilgestaan moet worden bij de inachtneming van mensenrechten, terwijl die in die tijd nog niet eens waren gecodificeerd. Dat gebeurde pas in 1948 in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. De mensenrechten zijn volgens Groen in Nederland echter bewust opzij gezet door de regering in Londen om een hoger belang te dienen, namelijk de ongestoorde terugkeer van het vorstenhuis. We hoeven niet te ontkennen dat de normen die mensenrechten bevatten toen bestonden of dat er in de na-oorlogse periode walgelijke zaken plaatsvonden, maar het wekt de verbazing dat juist Groen zelf het nulla poena sine lege principe aanhaalt. Dat wil zeggen dat wanneer een wet niet bestaat, deze ook niet overtreden kan worden en dus ook niet tot een veroordeling kan leiden. En al klinken de mensenrechten in de Nederlandse wetgeving helder door, het implementeren ervan in een land waar net een verschrikkelijke oorlog heeft gewoed en men druk bezig is met wederopbouw, lijkt een onmogelijke klus. Verontwaardiging doet het echter commercieel erg goed tegenwoordig. De uitgever heeft die verontwaardiging en de benoeming van de na-oorlogse periode als ‘zwartboek’ bovendien verwerkt in dit boek door elk hoofdstuk een zwarte titelpagina te geven. Fout en niet goed is daarom in ieder geval een mooi voorbeeld in de discussie rondom de vraag of morele oordelen geveld mogen worden door historici en onderzoeksjournalisten.

Een volgende belofte is dat Groens werk is gebaseerd op onderzoek in geheime dossiers. Dossiers van beperkt openbare archieven zijn na verantwoording met een onderzoeksopzet en een verklaring zich te houden aan te archiefwet wel degelijk toegankelijk. Echt geheime dossiers komen niet aan bod, want daartoe weigerde de minister-president toegang. Het zou Groen zeker sieren hiermee door te gaan. Over enkele jaren zouden deze dossiers openbaar moeten worden en dan kan Groen of iemand anders onderzoeken in hoeverre anno 2010 nog sprake was van gevaar voor de staatsveiligheid of iets dergelijks. Mocht het anders lopen, dan hebben we een typische casus voorhanden van de eeuwige verstrengeling van openbaarheid van bestuur en bescherming van bijzondere gegevens.

De tekst op de achterflap haalt verder zaken aan die in Landverraders al werden genoemd, maar die in Fout en Niet Goed een juridisch tintje krijgen. Geïnterneerden zijn uitgehongerd, stelselmatig mishandeld en verwaarloosd, waardoor vele honderden zijn gestorven. Dit alles vanwege hun politieke voorkeur voor de NSB. Groen flirt met de politicide-these. Hij omschrijft het van tevoren geplande, opzettelijke en juridisch ongeoorloofde mishandelen en ombrengen van een politieke groep, die volgens Groen verder geen collaboratie met de nazi’s had gepleegd, maar louter lid was geweest van een politieke partij. De auteur noemt echter alleen de term “politieke processen” (p. 405). Had Groen door wat hij hier woordelijk neerpende? Hij stelt dat teruggekeerde machthebbers van de erbarmelijke omstandigheden op de hoogte waren en dat zij doelbewust vele mensen hebben laten sterven en dit alles vanuit een vooropgezet plan van de Nederlandse regering. Groen zet Wilhelmina neer als een halve dictator, die misbruik maakte van haar rechten, waar deze normaal gesproken door een parlement aan banden gelegd zouden zijn. Wilhelmina wilde alle NSB’ers laten deporteren, terwijl op haar ministerie van Justitie Johannes van Angeren zat, een man aan wie zij een hekel had, maar die voor haar wel allerlei zuiveringswetten moest bedenken. Ondanks Wilhelmina’s zwakke kabinet blijft Groen volhouden dat in een rechtsstaat de overheid alle burgers tegen onrecht dient te beschermen. Die rechtsstaat bestond niet, laat staan dat deze functioneerde. Hij functioneerde niet met een regering in Londen en in de eerste jaren na de bevrijding was hij in staat van wederopbouw. Daarom waren de toenmalige na-oorlogse bijzondere rechtsplegingen en tribunalen zo een kwelling voor de Europese staten: er heerste vaak nog altijd chaos en grote onzekerheid, terwijl politieke machthebbers in die omstandigheden burgers moesten tonen dat zij weer vertrouwen konden hebben in de juridische basis van hun natiestaat.

Al met al krijg ik de indruk dat Groen, met een lange loopbaan achter de rug bij Trouw, een kwaliteitskrant die haar oorsprong kende als illegaal blad, anachronistisch de plank volledig misslaat. Groen had kunnen pleiten voor de inachtneming van opkomende en veranderende normen in de juridische wereld, terwijl zij als wetten nog niet gecodificeerd waren. Dan had zijn verontwaardiging een algemeen doel kunnen dienen, maar dit zou tegen Groens eigen doel, te weten geen juridisch werk schrijven, ingaan. Andere keuzes voor zijn betoog en een meer heldere lijn in zijn doelstellingen hadden het werk inhoudelijk veel sterker uit de verf doen laten komen. Maar nu kopen wij in feite een tweede keer hetzelfde boek, met regelmatige aanvullingen van gekopieerd archiefmateriaal.

Beoordeling: (Matig)

Definitielijst

collaboratie
Medewerking vanuit de bevolking aan de bezetters, meer in het algemeen samenwerking verleend aan de vijand door zogeheten collaborateurs.
nazi
Afkorting voor een nationaal socialist.
NSB
Nationaal Socialistische Beweging. Nederlandse politieke partij die symphatiseerde met de Nazi's.

Afbeeldingen


Bestel nu bij bol.com

Informatie

Artikel door:
Marene Elgershuizen
Geplaatst op:
09-03-2010
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

Categorieën


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2017
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.