Verhoor Hjalmar Schacht 4

Ochtendzitting 1 03-05-1646

Inhoudsopgave

(Beklaagde Schacht neemt weer plaats in de beklaagdenbank.)
De PRESIDENT: Het Tribunaal houdt morgen een openbare zitting om 10:00 uur en die zal om 12:00 achter gesloten deuren worden voortgezet.
Mr. Justice Jackson en beklaagde Schacht, Het is voor de tolken wenselijk dat u zo mogelijk pauzeert nadat u de vraag gesteld is en wanneer u het nodig vindt, afhankelijk van het soort document dat u behandelt in het Engels te lezen of te spreken dat u dan voldoende pauze laat zodat de tolken die vanuit het Engels naar andere talen vertalen de vertaling over kunnen nemen. Is dat duidelijk?
Mr. JUSTICE JACKSON: Ik moet mij voortdurend bij de tolken verontschuldigen. Het is moeilijk een levenslange gewoonte af te leren.
De PRESIDENT: Dat is zeer moeilijk.
Mr. JUSTICE JACKSON: (tot de beklaagde): Dr. Schacht, even terzijde, foto 10 die u gisteren werd getoond, dat was bij een van de gelegenheden waarop u het Goldenes Parteiabzeichen droeg waar u naar verwees, niet waar?
HJALMAR SCHACHT: Dat kan zijn.
Mr. JUSTICE JACKSON: Daar bent u heel zeker van, niet waar?
SCHACHT: Ik kan het niet goed zien maar het kan zijn en dat zou bewijzen dat de foto na 1937 moet zijn genomen.
Mr. JUSTICE JACKSON: Dat wilde ik bewijzen. En in feite werd die na 1941 genomen, niet waar? In feite bekleedde Bormann pas na 1941 enige belangrijke officiële posities, niet waar?
SCHACHT: Bormann?
MR. JUSTICE JACKSON: Bormann, ja.
SCHACHT: Dat weet ik niet.
Mr. JUSTICE JACKSON: Laten we nu terug gaan naar het Vierjarenplan dat in 1936 begon; voor zover ik het begrepen heb was u om twee redenen er tegen Göring te belasten met de leiding over het Vierjarenplan: Ten eerste dacht u dat dat plan uw functie zou bemoeilijken, en ten tweede, als er al een Vierjarenplan moest zijn, vond u Göring niet geschikt om het te leiden?
SCHACHT: Ik weet niet wat u bedoelt met ertegen zijn. Ik was er niet tevreden over en vond de keuze voor Göring niet de juiste voor enige leidende functie in de economie.
Mr. JUSTICE JACKSON: In feite hebt u Göring omschreven als een charlatan op het gebied van economie, niet waar?
SCHACHT: Ja, zoals men sommige dingen tijdens een verhitte discussie zegt.
Mr. JUSTICE JACKSON: Of bij een ondervraging?
SCHACHT: Ondervragingen zijn soms ook heftig.
Mr. JUSTICE JACKSON: Göring begon zich gauw met uw functie te bemoeien, niet waar?
SCHACHT: Hij probeerde het geloof ik regelmatig.
Mr. JUSTICE JACKSON: Nou, hij kwam er ook mee weg, niet waar?
SCHACHT: Ik weet niet wat u bedoelt met “ermee wegkomen.”
Mr. JUSTICE JACKSON: Nou, deze platte taal is moeilijk, dat geef ik toe. Ik bedoel dat hij succes had.
SCHACHT: In juli 1937 had hij mij volledig met mijn rug tegen de muur.
Mr. JUSTICE JACKSON: Dat begon over een voorstel dat hij deed of een maatregel die hij nam met betrekking tot mijnbouw?
SCHACHT: Ja.
Mr. JUSTICE JACKSON: Hij hield ook een rede voor een paar industriëlen, niet waar?
SCHACHT: Ik neem aan dat hij diverse toespraken voor industriëlen hield. Ik weet niet over welke u het heeft. Ik neem aan dat u zijn toespraak van december 1936 bedoeld of zo.
Mr. JUSTICE JACKSON: Ik bedoel de toespraak waarover u tijdens een ondervraging tegen ons zei dat Göring een paar industriëlen bijeen had geroepen en toen een boel dwaze dingen had gezegd over de economie die u moest weerleggen.
SCHACHT: Dat was de toespraak van 17 december 1936.
Mr. JUSTICE JACKSON: En toen schreef u aan Göring en klaagde over de mijnbouw maatregelen?
SCHACHT: Ik neem aan dat u de brief van 5 augustus bedoeld?
Mr. JUSTICE JACKSON: Juist. Dat is document EC-497, bewijsstuk USA-775. En in die brief van augustus 1937 schreef u dit, als ik u juist citeer:
“Ondertussen benadrukte ik herhaaldelijk de noodzaak van toenemende export en heb daar actief naar toe gewerkt. De noodzaak om onze bewapening zo snel mogelijk op een bepaald peil te brengen moet het idee van een zo groot mogelijke opbrengst aan buitenlandse valuta op de voorgrond plaatsen en daarmee de grootst mogelijke garantie voor de aanvoer van grondstoffen.”
Correct?
SCHACHT: Dat neem ik aan.
Mr. JUSTICE JACKSON: En u zei meen ik ook dit:
“Ik had deze mening over de economische situatie die ik hierboven heb uitgelegd vanaf het eerste moment van onze samenwerking.”
Was dat ook waar?
SCHACHT: Ja zeker.
Mr. JUSTICE JACKSON: Beide uitspraken waren juist, niet waar?
SCHACHT: Ja.
Mr. JUSTICE JACKSON: En toen eindigde u, Göring aansprekend:
“Ik verzoek u mij te geloven, mijn beste Eerste Minister, dat het verre van mij is mij op enige manier in uw beleid te mengen. Ik geef ook geen mening, of mijn standpunt dat niet in overeenstemming is met uw economische beleid, correct is of niet. Uw activiteiten hebben mijn volle sympathie. Ik meen echter dat het in een totalitaire staat volkomen onmogelijk is elk een afwijkend economisch beleid te voeren.”
En dat was ook waar, niet waar?
SCHACHT: Ja.
Mr. JUSTICE JACKSON: En dat was de basis waarop u en Göring van mening verschilden waar het het economische beleid betrof?
SCHACHT: Voor zover het wat betrof? Beleid? Ik begrijp niet wat u met beleid bedoelt. Ik bedoel de manier waarop zaken werden gedaan.
Mr. JUSTICE JACKSON: Ja.
SCHACHT: Geheel afgezien van andere meningsverschillen die we hadden.
Mr. JUSTICE JACKSON: Die andere meningsverschillen waren persoonlijke geschillen. U en Göring konden niet goed met elkaar opschieten?
SCHACHT: In tegendeel. Tot op dat moment stonden we op zeer vriendschappelijke voet.
Mr. JUSTICE JACKSON: Oh, was dat zo?
SCHACHT: Oh ja.
Mr. JUSTICE JACKSON: Het begin van uw meningsverschillen met Göring was dus de strijd om wie de voorbereidingen op oorlog zou overheersen?
SCHACHT: Nee.
MR. JUSTICE JACKSON: Wel ...
SCHACHT: Dat moet ik heftig ontkennen. De geschillen......
Mr. JUSTICE JACKSON: Wilt u daar iets meer over zeggen?
SCHACHT: De geschillen die tot mijn aftreden leidden vloeiden voort uit het feit dat Göring de leiding over het economische beleid aan zich wilde trekken terwijl ik er de verantwoording voor moest dragen. En ik was van mening dat hij die de verantwoording heeft ook de leiding moet hebben; als iemand de leiding heeft moet hij ook de verantwoording aanvaarden. Dat is de formele reden waarom ik om mijn ontslag vroeg.
Mr. JUSTICE JACKSON: Goed dan, ik ga over op uw ondervraging van 16 oktober 1945, document 3728-PS, bewijsstuk USA-636 en vraag u of u de volgende getuigenis heeft afgelegd:
“Nadat Göring het Vierjarenplan had overgenomen – en ik moet zeggen nadat hij de controle over de deviezen had overgenomen – en nog meer na het Vierjarenplan in september 1936 heeft hij altijd geprobeerd het hele economische beleid onder zijn controle te krijgen. Een van zijn doelen was natuurlijk de functie van Gevolmachtigde voor Oorlogseconomie in geval van oorlog; hij was er maar al te zeer op gebrand om alles in handen te krijgen, hij probeerde dat bij mij weg te halen. Zeker zo lang ik in functie was als Minister van Economie maakte ik daar bezwaar tegen....
Hebt u die uitspraak gedaan?
SCHACHT: Ik meen dat dat juist is.
Mr. JUSTICE JACKSON: Ja, dan beschrijft u uw laatste ontmoeting met hem nadat Luther twee maanden lang had geprobeerd om u met Göring te herenigen.
SCHACHT: Dat is een vergissing; het is Hitler en niet Luther.
Mr. JUSTICE JACKSON: Prima.
U beschrijft het als volgt:
“Toen had ik een laatste gesprek met Göring en aan het einde van dat gesprek zei Göring: ‘Maar ik moet het recht hebben u orders te geven.’ U zei toen: ‘Niet aan mij maar aan mijn opvolger.’ Ik heb nooit bevelen van Göring opgevolgd en ik zou dat nooit hebben gedaan want hij was een dwaas op het gebied van economie en ik wist er tenminste iets van.’
“Vraag: Nou, ik begrijp dat het een groeiend persoonlijk geschil was tussen u en Göring. Dat lijkt volkomen duidelijk.
“Antwoord: Zeker.
Is dat juist?
SCHACHT: Ja zeker.
Mr. JUSTICE JACKSON: En dan ging de ondervrager verder: “Laten we het voor een ogenblik hebben over de plichten van die functie en zien wat hij bij u probeerde weg te halen. Er zijn maar twee mogelijkheden, zoals het mij is uitgelegd; verbetert u mij als ik het mis heb. De ene zou zijn de voorbereiding op een mobilisatie, en de andere zou zijn het feitelijk de leiding hierover nemen in geval van oorlog. Anders had die functie geen zin. De zaken die hij bij u weg probeerde te nemen en waartegen u protesteerde waren het recht de leiding te hebben over de voorbereidingen op mobilisatie en ten tweede het recht op controle in geval van oorlog.
“Antwoord: Correct.
Hebt u die verklaring afgelgd?
SCHACHT: Alstublieft, Mr. Justice, u verwart de gebeurtenissen in relatie tot de tijd. De geschillen met Göring over deze zogenaamde Gevolmachtigde voor Oorlogseconomie ontstonden in de winter van 1936-1937; het zogenaamde laatste gesprek met Göring dat u net noemde vond plaats in november 1937. Ik verklaarde meen ik in januari 1937 de functie en taken van de Gevolmachtigde voor Oorlogseconomie onmiddellijk aan Göring over te dragen. Dat kan worden gevonden in het memorandum uit het dagboek van Jodl dat hier herhaaldelijk is genoemd.
Destijds vroeg het Ministerie van Oorlog, en Von Blomberg in het bijzonder mij te handhaven in de functie van Gevolmachtigde voor Oorlogseconomie omdat ik de Minister van Economie was, zolang ik Minister van Economie was. U kunt de correspondentie daarover vinden, die denk ik al door u bij het Tribunaal is ingediend.
Mr. JUSTICE JACKSON: Goed, ik meen dat de data in uw getuigenis voorkomen. Ik interesseer me momenteel niet voor de volgorde van de gebeurtenissen waarover u onenigheid had en die u tijdens uw verhoren hebt beschreven. De vragen en antwoorden die ik u heb voorgelezen zijn juist; dit zijn de antwoorden die u destijds hebt gegeven, niet waar?
SCHACHT: Ja, maar ik moet het volgende zeggen: als u mij over die afzonderlijke periodes ondervraagt dan zal dat een volkomen ander beeld scheppen als u de afzonderlijke perioden niet apart noemt. Mr. Justice, u kunt gebeurtenissen in januari en november niet in één adem noemen en mij dan vragen of het juist is. Dat is niet correct.
Mr. JUSTICE JACKSON: Wel, laten we maar eens zien wat er verkeerd aan is, als er al iets verkeerd aan is.
Wanneer was uw laatste gesprek met Göring waarin u hem vertelde dat hij orders aan uw opvolger zou moeten geven maar niet aan u?
SCHACHT: November 1937.
Mr. JUSTICE JACKSON: Nu, de kwestie van de plichten van die functie heeft niets te maken met de relatie tot de tijd, niet waar? Anders gezegd, de Gevolmachtigde voor Oorlogseconomie, het geschil tussen u en Göring en om het helemaal duidelijk te maken zal ik u de vraag en het antwoord nogmaals voorlezen en ik geef niet om de tijd; ik stel belang in uw omschrijving van de functie.
“Vraag: ‘Laten we het voor een ogenblik hebben over de plichten van die functie en zien wat hij bij u probeerde weg te halen. Er zijn maar twee mogelijkheden, zoals het mij is uitgelegd; verbetert u mij als ik het mis heb. De ene zou zijn de voorbereiding op een mobilisatie, en de andere zou zijn het feitelijk de leiding hierover nemen in geval van oorlog. Anders had die functie geen zin. De zaken die hij bij u weg probeerde te nemen en waartegen u protesteerde waren het recht de leiding te hebben over de voorbereidingen op mobilisatie en ten tweede het recht op controle in geval van oorlog.
En u antwoordde ‘correct’ niet waar?
SCHACHT: Dit verschil....
Mr. JUSTICE JACKSON: Kunt u mij eerst antwoorden of u dat antwoord op die vraag gaf, dat het juist was?
SCHACHT: Ja, de notulen zijn juist. En nu zou ik...
Mr. JUSTICE JACKSON: Goed.
SCHACHT: Maar laat u mij alstublieft nu uitspreken.
Mr. JUSTICE JACKSON: Goed, gaat u verder met uw uitleg.
SCHACHT: Ja. Nu wil ik zeggen dat die onenigheid tussen Göring en mijzelf niets te maken had met dat gesprek van november en dat het zelfs geen onenigheid tussen mij en Göring was. Dat geschil waarover u net hebt gelezen ontstond in januari 1937 maar het was helemaal geen meningsverschil tussen Göring en mij want ik zei direct: “Onthef mij van mijn functie als Gevolmachtigde voor Oorlogseconomie en draag die over aan Göring.” En het Ministerie van Oorlog, Von Blomberg protesteerde hiertegen, niet ik. Ik droeg die functie graag over aan Göring.
Mr. JUSTICE JACKSON: Staat daarover iets op schrift, Dr. Schacht?
SCHACHT: De documenten die u hier hebt ingediend. Ik zou mijn raadsman willen vragen die documenten op te zoeken en ze tijdens een tweede verhoor in te dienen. Ze zijn door de Aanklager ingediend.
Mr. JUSTICE JACKSON: Nu, is het geen feit dat de controverse tussen u en Göring een meningsverschil met een persoonlijk karakter was, tussen u en hem en geen meningsverschil met betrekking tot bewapening? U wilde allebei zo snel mogeijk herbewapenen.
SCHACHT: Ik wil dat spel met woorden, of het persoonlijk was of iets anders niet langer voortzetten, Mr. Justice. Ik had verschil van mening met Göring over dat onderwerp en als u vraagt of het ging over bewapening, het tempo of de omvang dan is mijn antwoord dat ik met betrekking tot deze punten lijnrecht tegenover Göring stond.
Ik heb nooit ontkend dat ik wilde herbewapenen om een gelijke positie voor Duitsland te verkrijgen. Ik heb nooit verder willen bewapenen. Göring wilde verder gaan en dat is een verschil dat niet over het hoofd gezien kan worden.
Mr. JUSTICE JACKSON: Nu wil ik niet met woorden spelen en als u mijn verwijzing naar persoonlijk een woordenspel vindt dan dwingt u mij in te gaan op wat u ons over Göring hebt verteld.
Is het geen feit dat u Majoor Tilley dit hebt verteld:
“Waar ik Hitler een amoreel persoon heb genoemd, kan ik Göring alleen maar zien als immoreel en misdadig. Hij was door de natuur begiftigd met een zekere genialiteit die hij voor zijn eigen populariteit wist uit te buiten, hij was het meest egocentrische figuur dat je je voor kon stellen. Het bereiken van politieke macht was voor hem alleen maar een middel tot persoonlijke rijkdom en een goed leven. Het succes van anderen vervulde hem met jalouzie. Zijn hebzucht kende geen grenzen. Zijn voorkeur voor juwelen, goud en zilver etc. was onvoorstelbaar. Hij kende geen kameraden. Zolang iemand nuttig voor hem was wendde hij vriendschap voor.
“Göring’s kennis op alle gebieden waarop een regeringslid bekwaam moet zijn was nihil, in het bijzonder op economisch gebied. Van alle economische kwesties die Hitler hem in de herfst van 1936 toevertrouwde had hij niet het flauwste benul, hoewel hij een immens officieel apparaat opbouwde en zijn macht als hoofd van de totale economie schandalig misbruikte. In zijn persoonlijke verschijning was hij zo theatraal dat men hem alleen maar met Nero kon vergelijken. Een dame die eens thee dronk bij zijn tweede vrouw vertelde dat hij op deze thee verscheen in een soort Romeinse toga, op met juwelen bezette sandalen, zijn vingers vol met ontelbare ringen en over het algemeen volgehangen met onderscheidingen, zijn gezicht gepoederd en zijn lippen rood gelakt.”
Hebt u die uitspraak tegenover Majoor Tilley gedaan?
SCHACHT: Ja.
Mr. JUSTICE JACKSON: Ja. En u zegt dat u geen persoonlijke meningsverschillen met Göring had?
SCHACHT: Mr. Justice, ik vraag hier nogmaals de verschillende perioden niet door elkaar te halen. Ik kwam pas later achter dat soort zaken en niet in de periode waarover u spreekt, dat is in 1936.
Mr. JUSTICE JACKSON: Bestrijdt u de getuigenis van Gisevius dat hij u in 1935 vertelde over Göring’s deelname aan de hele opzet van de Gestapo?
SCHACHT: Ik heb hier getuigd dat ik van de Gestapo kampen wist die Göring had opgericht en heb gezegd dat ik daar tegen was. Dat ontken ik helemaal niet.
Mr. JUSTICE JACKSON: Maar ondanks die kennis handhaafde u uw vriendschap?
SCHACHT: Ik ben nooit met Göring bevriend geweest.
Mr. JUSTICE JACKSON: Wel....
SCHACHT: Ik kan zeker niet weigeren met hem samen te werken, zeker zo lang ik niet weet wat voor soort man hij is.
Mr. JUSTICE JACKSON: Goed, laten we het over buitenlandse betrekkingen hebben, waarover u hier heel wat te klagen hebt gehad. Ik meen dat u hebt verklaard dat u in 1937, toen u die hele herbewapening uitvoerde, dat u geen enkele vorm van oorlog voorzag, klopt dat?
SCHACHT: Nee, wat u zegt, Mr. Justice is niet juist. In 1937 stelde ik niet alles in het werk om te herbewapenen maar vanaf 1935, vanaf de herfst van 1935 probeerde ik al het mogelijke te doen om de herbewapening te vertragen.
Mr. JUSTICE JACKSON: Goed. Ik verwijs u naar uw ondervraging van 16 oktober 1945 en vraag u of u deze antwoorden op de vragen gaf:
“Vraag: Mag ik u dan vragen, wat voor soort oorlog voorzag u in 1937?
“Antwoord: Ik heb nooit een oorlog voorzien. We konden worden aangevallen, er zou een invasie door iemand kunnen plaatsvinden maar zelfs dat heb ik nooit verwacht.
“Vraag: Dat verwachtte u niet. Verwachtte u de mogelijkheid van een mobilisatie en een bundeling van economische krachten in geval van een oorlog?
“Antwoord: In het geval van een aanval op Duitsland zeker.
“Vraag: In gedachten teruggaand naar 1937 kunt u zeggen over wat voor soort aanval u zich zorgen maakte?
“Antwoord: Dat weet ik niet, Sir.
“Vraag: Had u daar destijds uw gedachten over?
“Antwoord: Nee, nooit.
“Vraag: Dacht u toen dat de kans op een oorlog in 1937 zo klein was dat die te verwaarlozen was?
“Antwoord: Ja.
“Vraag: Echt waar?
“Antwoord: Ja. (document 3728-PS.)
Hebt u die antwoorden gegeven?
SCHACHT: Ik heb hier voor het Tribunaal precies dezelfde uitspraken gedaan zoals die in deze ondervraging staan.
Mr. JUSTICE JACKSON: Nu hebt u geprobeerd Hitler van een plan af te brengen, namelijk naar het Oosten te trekken en uit te breiden – u probeerde in plaats daarvan zijn aandacht op kolonies te richten.
SCHACHT: Ja.
Mr. JUSTICE JACKSON: Welke kolonies. Die hebt u nooit genoemd.
SCHACHT: Onze kolonies.
Mr. JUSTICE JACKSON: En waar lagen die?
SCHACHT: Ik neem aan dat u dat net zo goed weet als ik.
Mr. JUSTICE JACKSON: U bent de beklaagde, Dr. Schacht. Ik wil weten wat u Hitler vertelde, niet wat ik weet.
SCHACHT: Oh, wat ik Hitler heb verteld? Ik zei tegen Hitler dat we moesten proberen een deel van de kolonies terug te krijgen die ons toebehoorden en waarvan het bestuur erover van ons was afgenomen, zodat we daar aan het werk konden.
Mr. JUSTICE JACKSON: Welke kolonies?
SCHACHT: Ik dacht in het bijzonder aan de Afrikaanse kolonies.
Mr. JUSTICE JACKSON: En die Afrikaanse kolonies zou u essentieel vinden voor uw plannen voor de toekomst van Duitsland?
SCHACHT: Die niet, maar in het algemeen elke willekeurige koloniale activiteit en natuurlijk kon ik mijn koloniale wensen eerst slechts beperken tot onze eigen bezittingen.
Mr. JUSTICE JACKSON: En uw bezittingen waren, zoals u het noemde, de Afrikaanse kolonies?
SCHACHT: Zelf noemde ik ze niet zo. Dat is hoe ze in het Verdrag van Versailles worden genoemd “onze bezittingen.”
Mr. JUSTICE JACKSON: Hoe u het ook wenst, u wilde de kolonies terug waar u het over had.
SCHACHT: Ja.
Mr. JUSTICE JACKSON: U vond dat het bezit en de uitbuiting van kolonies nodig was voor het soort Duitsland dat u dacht te scheppen?
SCHACHT: Als u het woord uitbuiting zou willen vervangen door ontwikkeling denk ik dat er geen misverstand kan zijn en dan ben ik het volledig met u eens.
Mr. JUSTICE JACKSON:`Nou, met ontwikkeling bedoelt u handel en ik neem aan dat u verwachtte winst te maken uit die handel?
SCHACHT: Nee, niet alleen handel maar ook ontwikeling van de natuurlijke bronnen of de economische mogelijkheden van die kolonies.
Mr. JUSTICE JACKSON: En uw voorstel luidde dat Duitsland afhankelijk moest worden van die kolonies in plaats van afhankelijk te zijn van de uitbreiding naar het Oosten.
SCHACHT: Ik beschouwde iedere vorm van uitbreiding op het Europese continent als volslagen waanzin.
Mr. JUSTICE JACKSON: Maar u was het met Hitler eens dat uitbreiding, hetzij koloniaal hetzij naar het Oosten een noodzakelijke voorwaarde was voor het Duitsland dat u wilde scheppen.
SCHACHT: Nee, dat heb ik nooit gezegd. Ik zei tegen hem dat het onzin was iets richting het Oosten te ondernemen. Alleen aan koloniale ontwikkeling kon worden gedacht.
Mr. JUSTICE JACKSON: En u stelde voor als maatregel van beleid dat Duitsland’s ontwikkeling afhankelijk zou zijn van kolonies die geen verbinding overland met Duitsland hadden en die, zoals u wist, een marine zouden vereisen om ze te beschermen.
SCHACHT: Dat denk ik helemaal niet. Hoe komt u op dat idee?
Mr. JUSTICE JACKSON: Nou, u kunt niet over land naar Afrika, niet waar? Ergens moet u toch over water.
SCHACHT: Je kunt ook vliegen.
Mr. JUSTICE JACKSON: Hoe liep uw handelsroute? Dacht u alleen aan ontwikkelingen in de luchtvaart?
SCHACHT: Nee, nee, ik dacht ook aan schepen.
Mr. JUSTICE JACKSON: Ja. En Duitsland was destijds geen maritieme grootmacht?
SCHACHT: Ik meen dat we toch een vrij uitgebreide handelsvloot hadden.
Mr. JUSTICE JACKSON: Hielden uw koloniale plannen herbewapening in om van Duitsland een maritieme grootmacht te maken om de handelsroutes naar de kolonies die u voorstelde te beschermen?
SCHACHT: Niet in het minst.
Mr. JUSTICE JACKSON: U plan was dus het onbeschermd laten van de handelsroutes?
SCHACHT: Oh nee, ik geloofde dat internationale wetgeving op zich voldoende bescherming zou bieden.
Mr. JUSTICE JACKSON: Wel, dat is waarover u het met Hitler oneens was?
SCHACHT: Daar spraken we nooit over.
Mr. JUSTICE JACKSON: Nou, hoe dan ook, hij verwierp uw plannen voor koloniale ontwikkeling?
SCHACHT: Oh nee. Ik heb hier verklaard dat hij mij in de zomer van 1936 op mijn dringend verzoek opdracht gaf die koloniale kwesties op te nemen.
Mr. JUSTICE JACKSON: Gaf u deze antwoorden niet tijdens uw ondervraging, Dr. Schacht?
“Vraag: Met andere woorden, ten tijde van uw gesprekken met Hitler in 1931 en 1932 betreffende het koloniale beleid vond u hem niet, laten we zeggen enthousiast over de mogelijkheden?
“Antwoord: Noch enthousiast, noch erg geïnteresseerd.
“Vraag: Maar hij gaf u in plaats daarvan zijn mening over de mogelijkheid tot het verkrijgen van kolonies?
“Antwoord: Nee, we hebben het niet over alternatieven gehad.
Hebt u die antwoorden gegeven?
SCHACHT: Zeker.
Mr. JUSTICE JACKSON: Nu, na de affaire rond Von Fritsch wist u tenminste dat Hitler niet van plan was de vrede in Europa met alle middelen te bewaren.
SCHACHT: Ja. Ik had mijn twijfels.
Mr. JUSTICE JACKSON: En na de Oostenrijkse Anschluss wist u dat de Wehrmacht een belangrijke factor was in zijn beleid voor het Oosten?
SCHACHT: Nou, dat kunt u zo zeggen. Ik weet niet precies wat u daarmee bedoelt.
Mr. JUSTICE JACKSON: Geeft u dan geen antwoord als u niet weet wat ik bedoel want naarmate we verder komen wordt het duidelijk. Afgezien van uw voorstel voor kolonies stelde u geen alternatief voor voor zijn plannen naar het Oosten uit te breiden?
SCHACHT: Nee.
Mr. JUSTICE JACKSON: Tijdens een kabinetszitting of ergens anders hebt u nooit iets anders voorgesteld?
SCHACHT: Nee.
Mr. JUSTICE JACKSON: Nu wat betreft de intocht in Oostenrijk. Ik meen dat u deze antwoorden hebt gegeven:
“Vraag: Hitler gebruikte feitelijk niet die methode waarvan u zegt dat u voorstander was?
“Antwoord: Helemaal niet.
“Vraag: Was u het eens met de methode die hij toepaste?
“Antwoord: Helemaal niet, Sir.
“Vraag: Wat was er aan die methode dat u niet mocht?
“Antwoord: Oh, het was gewoon overdonderen, de Oostenrijkers verrassen of hoe u dat ook noemt. Het was geweld en ik ben nooit voorstander van dergelijk geweld geweest.
Hebt u die antwoorden gegeven?
SCHACHT: Ja.
Mr. JUSTICE JACKSON: Nu hebt u er hier vaak over geklaagd dat buitenlanders u op bepaalde momenten niet te hulp kwamen in uw pogingen Hitler tegen te houden.
SCHACHT: Zeker.
Mr. JUSTICE JACKSON: Ten tijde van de Oostenrijkse Anschluss kende u de houding van de Verenigde Staten wat betreft het Nazi regime, zoals uitgedrukt door President Roosevelt, niet waar?
SCHACHT: Ja.
Mr. JUSTICE JACKSON: En u wist van zijn toespraak waarin hij suggereerde dat de Nazi dreiging in quarantaine geplaatst moest worden om uitbreiding ervan te voorkomen?
SCHACHT: Dat herinner ik me niet maar destijds moet ik het zeker hebben gelezen, als het in Duitsland was gepubliceerd, wat ik aanneem.
Mr. JUSTICE JACKSON: Ten gevolge daarvan lanceerde Goebbels een propaganda aanval op de President, niet waar?
SCHACHT: Ik neem aan dat ik dat gelezen heb.
Mr. JUSTICE JACKSON: In feite deed u mee aan de aanval op buitenlanders die kritiek leverden op de methode, niet waar?
SCHACHT: Wanneer en waar? Wat voor aanval?
Mr. JUSTICE JACKSON: Goed. Na de Oostenrijkse Anschluss, toen er, met uw afkeuring geweld werd gebruikt, kwam u onmiddellijk in actie en nam de Nationale Bank van Oostenrijk over, niet waar?
SCHACHT: Dat was mijn plicht.
Mr. JUSTICE JACKSON: Ja, maar u deed het wel.
SCHACHT: Natuurlijk.
Mr. JUSTICE JACKSON: En u liquideerde die ten gunste van het Reich?
SCHACHT: Niet geliquideerd; Ik fuseerde ermee, integreerde hem.
Mr. JUSTICE JACKSON: Wat zegt u?
SCHACHT: Integreerde.
Mr. JUSTICE JACKSON: Integreerde die. En u nam het personeel over?
SCHACHT: Alles.
Mr. JUSTICE JACKSON: Ja. En het besluit tot uitvoering was door u getekend?
SCHACHT: Zeker.
Mr. JUSTICE JACKSON: En u riep de werknemers op 21 maart 1938 bijeen?
SCHACHT: Ja.
Mr. JUSTICE JACKSON: En hield een rede tot hen?
SCHACHT: Ja.
Mr. JUSTICE JACKSON: En zei u onder andere het volgende.....?
SCHACHT: Zeker.
Mr. JUSTICE JACKSON: Nou, u hebt het nog niet gehoord.
SCHACHT: Jawel, ik heb het gehoord tijdens het verhoor door de Aanklager.
Mr. JUSTICE JACKSON: Nou, ik wil daaruit iets citeren en u daaraan herinneren.
“Ik meen dat het zeer nuttig is als we ons deze dingen in gedachten halen om alle schijnheilige hypocrisie bloot te leggen die in de buitenlandse pers voorkomt. God zij dank konden deze dingen de Duitsers niet hinderen op hun pad want Adolf Hitler heeft een eenheid van Duitse wil en van Duits denken geschapen. Hij heeft die verdiept met de pas versterkte Wehrmacht en heeft daarmee een uiterlijk gegeven aan de interne eenheid tussen Duitsland en Oostenrijk.
Ik sta erom bekend, soms gedachten te uiten die aanstoot geven maar ik zal vandaag niet van die gewoonte afwijken.”
Het woord hilariteit is hier in uw rede gemerkt.
“ Ik weet dat er zelfs in dit land enkele mensen zijn – ik meen dat zij niet al te talrijk zijn – die de gebeurtenissen van de laatste paar dagen afkeuren. Maar ik meen dat niemand twijfelt aan het doel en het moet tegen alle dwarsliggers worden gezegd dat je niet iedereen tevreden kunt stellen. Er zijn mensen die zeggen dat ze het misschien op een andere manier zouden hebben gedaan maar het is raar om te zeggen dat ze het niet deden” en hier verschijnt tussen haakjes het woord hilariteit weer. Ik ga verder met uw rede: “het werd gedaan door onze Adolf Hitler (lang aanhoudend applaus) en als er nog iets valt te verbeteren, dan zouden die dwarsliggers moeten proberen deze verbeteringen binnen het Duitse Reich en binnen de Duitse gemeenschap tot stand te brengen en die niet van buitenaf verstoren.”
Hebt u dat soort taal gebruikt?
SCHACHT: Ja.
Mr. JUSTICE JACKSON: Met andere woorden, u maakte in het openbaar diegenen belachelijk die klaagden over de methode, niet waar?
SCHACHT: Als u dat zo ziet.
Mr. JUSTICE JACKSON: Toen zei u ook, toen u zich richtte tot het personeel van de Nationale Bank van Oostenrijk die u overnam:
“Ik vind het volkomen onmogelijk dat ook maar iemand die niet met heel zijn hart achter Adolf Hitler staat, een toekomst voor ons ziet. (Luid, aanhoudend applaus, kreten van Sieg Heil).
Verder met de rede:
“Wie dat ook maar doet kan zich beter op eigen initiatief uit onze kring terugtrekken. (Luid applaus).”
Is dat wat er gebeurde?
SCHACHT: Ja, verrassend genoeg waren ze het er allemaal mee eens.
Mr. JUSTICE JACKSON: Nu, is de Reichsbank voor 1933 en 1934 een politiek instituut geweest?
SCHACHT: Nee.
Mr. JUSTICE JACKSON: Werd er binnen de Reichsbank aan politiek gedaan?
SCHACHT: Nooit.
Mr. JUSTICE JACKSON: Nou, op deze dag, sprekend tot het personeel, zei u dit, niet waar?
“De Reichsbank zal altijd niets anders dan Nationaalsocialistisch zijn of ik zal terugtreden als haar president. (Zeer luid, aanhoudend applaus).
Gebeurde het zo?
SCHACHT: Ja.
Mr. JUSTICE JACKSON: Nu meneer, u hebt gezegd dat u nooit de eed op Hitler hebt afgelegd.
SCHACHT: Ja.
Mr. JUSTICE JACKSON: Ik vraag u of dit is wat u als president van de Reichsbank vroeg van het personeel dat u in Oostenrijk overnam, en ik citeer:
“Ik zal u nu vragen op te staan. (De toehoorders staan op) Vandaag zweren wij trouw aan de Reichsbankfamilie, aan de grootste Duitse gemeenschap; wij zweren trouw aan ons nieuw opgestane, krachtige Grossdeutsche Reich en wij verenigen al deze gevoelens in de trouw aan de man die deze verandering tot stand heeft gebracht. Ik vraag u nu uw hand op te steken en mij na te zeggen: :”Ik zweer dat ik trouw en gehoorzaam zal zijn aan de Führer van het Deutsche Reich en het Duitse volk, Adolf Hitler en zal mijn taken gewetensvol en onbaatzuchtig vervullen. (De toehoorders zweren de eed met opgeheven handen.) “U hebt deze eed gezworen. Slecht is hij die hem zal breken. Voor onze Führer, een driewerf Sieg Heil.”
Is dat een juiste voorstelling van wat er gebeurde?
SCHACHT: Die eed is de voorgeschreven ambtelijke eed en die is volledig in overeenstemming met wat ik gisteren heb gezegd, dat de eed wordt afgelegd op het staathoofd, net als ik al eerder heb verklaard: “Wij staan verenigd voor het Duitse volk.” – ik weet niet precies wat de Duitse uitdrukking is. Ik heb uw Engelse versie hier gehoord. Die eed is precies hetzelfde.
Mr. JUSTICE JACKSON: Ik heb ondertussen verwezen naar document EC-297, bewijsstuk USA-632. Dat is het bewijsstuk dat ik heb gebruikt.
U zegt dat die niet op het staashoofd persoonlijk werd afgelegd en dus niet op Adolf Hitler?
SCHACHT: Ja. Het is duidelijk dat men geen eed kan afleggen op een idee. Daarom moet dat op een persoon. Maar ik heb gisteren gezegd dat ik geen eed heb afgelegd op de heer Ebert of op de heer von Hindenburg of op de Keizer maar op het staatshoofd als vertegenwoordiger van het volk.
Mr. JUSTICE JACKSON: U hebt uw werknemers verteld dat alle gevoelens van deze eed werden samengebracht in de eed van trouw aan de man, niet waar?
SCHACHT: Nee.
Mr. JUSTICE JACKSON: Zei u dat niet?
SCHACHT: Nee, dat is niet juist. Als u het nog een keer leest, staat er niet op de man maar op de leider als staatshoofd.
Mr. JUSTICE JACKSON: Nou, het geeft niet op wie u de eed aflegde....
SCHACHT: (onderbreekt hem) Neem me niet kwalijk. Er is een heel groot verschil.
Mr. JUSTICE JACKSON: Daar komen we nog wel aan toe. Op wie u die eed ook aflegde, u brak hem op hetzelfde moment, niet waar?
SCHACHT: Nee. Ik heb de eed op deze man als vertegenwoordiger van het Duitse volk nooit gebroken maar ik brak mijn eed toen ik erachter kwam dat de man een misdadiger was.
Mr. JUSTICE JACKSON: Toen u een complot smeedde dat tot zijn dood moest leiden.
SCHACHT: Ja.
Mr. JUSTICE JACKSON: Wilt u het Tribunaal uitleggen hoe u de dood van Adolf Hitler kon veroorzaken zonder ook de dood van het hoofd van de Duitse staat te veroorzaken?
SCHACHT: Daar is geen verschil tussen omdat die man helaas ook het hoofd van de Duitse natie was.
Mr. JUSTICE JACKSON: U zegt dat u uw eed nooit brak?
SCHACHT: Ik weet niet wat u daarmee wilt zeggen. Ik heb mij zeker niet aan mijn eed aan Hitler gehouden omdat Hitler helaas een misdadiger was, een bedrieger en er bestond geen echt staatshoofd. Ik weet niet wat u bedoelt met ‘het breken van de eed’ maar ik heb mij niet aan mijn eed aan hem gehouden en daar ben ik trots op.
Mr. JUSTICE JACKSON: U liet uw werknemers dus een eed afleggen die u op datzelfde moment brak en altijd van plan was te breken?
SCHACHT: U haalt alweer verschillende perioden door elkaar, Mr. Justice. Dat was in maart 1938 toen ik, zoals u mij hebt horen zeggen, nog twijfelde en daarom was het mij toen nog niet duidelijk wat voor man Hitler was. Pas toen ik in de loop van 1938 ontdekte dat Hitler mogelijk op een oorlog aanstuurde heb ik mijn eed gebroken.
Mr. JUSTICE JACKSON: Wanneer ontdekte u dat hij op oorlog aanstuurde?
SCHACHT: In de loop van 1938 toen ik, afgaand op de gebeurtenissen ik er geleidelijk van overtuigd raakte dat Hitler wellicht op oorlog aanstuurde, anders gezegd, er bewust op aanstuurde. Pas toen brak ik mijn eed.
Mr. JUSTICE JACKSON: Nou, u hebt gisteren verklaard dat u in 1936 en 1937 de regering begon te saboteren.
SCHACHT: Ja, want ik wenste geen buitensporige bewapening.
Mr. JUSTICE JACKSON: En we zien dat u uw werknemers een eed van trouw en gehoorzaamheid laat afleggen.
Nu vraag ik u of u tijdens een ondervraging deze verklaringen hebt afgelegd:
“Vraag: Maar aan het einde van de eed deed u deze uitspraak, toen iedereen zijn hand had opgestoken en de eed gezworen. Zei u toen: “U hebt deze eed gezworen. Slecht is hij die hem breekt”?
“Antwoord: Ja, daar ben ik het mee eens en ik moet zeggen dat ik hem zelf gebroken heb.
“Vraag: Zei u ook, toen u er bij uw toehoorders op aandrong dat u hem zelf al brak?
“Antwoord: Het spijt mij te moeten zeggen dat in mijn hart mijn vertrouwen destijds al zeer geschokt was maar ik hoopte dat dat de zaken zich uiteindelijk ten goede zouden keren.
SCHACHT: Ik ben blij dat u dit citeert want het bevestigt precies wat ik net heb gezegd; dat ik in twijfel stond en dat ik nog hoopte dat aan het einde alles nog goed zou komen; anders gezegd dat Hitler zich in de goede richting zou ontwikkelen. Het bevestigt dus precies wat ik zojuist heb gezeg.
Mr. JUSTICE JACKSON: Ik ben er zeker van dat we elkaar behulpzam zullen zijn, Dr. Schacht.
SCHACHT: Ik ben ervan overtuigd dat wij allebei proberen de waarheid te achterhalen, Mr. Justice.
Mr. JUSTICE JACKSON: Na de Anschluss bleef u natuurlijk bij de Reichsbank?
SCHACHT: Ja.
Mr. JUSTICE JACKSON: En u bleef daar tot later, tot januari 1939,als dat de datum is?
SCHACHT: Ja.
Mr. JUSTICE JACKSON: Nu, na deze Anschluss kwamen de uitgegeven Mefonota’s te vervallen, niet waar, in 1938 en 1939?
SCHACHT: Nee, de vervaldatum van de eerste Mefonota’s moet op zijn vroegst in het voorjaar van 1939 hebben gelegen. Ze waren allemaal uitgegeven voor vijf jaar en ik neem aan dat de eerste Mefonota’s in het voorjaar van 1934 waren uitgegeven zodat de eerste nota’s in het voorjaar van 1939 vervielen.
Mr. JUSTICE JACKSON: Dit is de vraag en het antwoord. Verbetert u mij wanneer ik het mis heb. “Vraag: Maakte u in de Reichsbank gebruik van beschikbare fondsen? Laat me het zo stellen: wanneeer deze Mefonota’s vervielen, wat deed u er mee?
“Antwoord: Ik vroeg de Minister van Financiën of hij ze kon uitbetalen want na vijf jaar moest hij ze uitbetalen, sommige in 1938 of 1939 denk ik. De eerste Mefonota’s moesten worden uitbetaald en natuurlijk zei hij: “Dat kan ik niet.”
Had u dat gesprek met de Minister van Financiën toen u nog President van de Reichsbank was?
SCHACHT: Mr. Justice, ik heb gezegd dat wij gedurende ons financieel handelen enigszins bezorgd werden of we onze nota’s kregen terugbetaald of niet. Ik heb al aan het Tribunaal uitgelegd dat de Minister van Financiën in de tweede helft van 1938 in moeilijkheden kwam en hij bij mij kwam om nogmaals geld te lenen. Daarop zei ik tegen hem: “Luister, in wat voor situatie bevindt u zich eigenlijk want u zult spoedig de Mefonota’s aan ons moeten terugbetalen. Bent u daar niet op voorbereid?” En nu bleek, dat was in de herfst van 1938, dat de Reichsfinanzminister helemaal niets had gedaan aan zijn verplichting, de Mefonota’s terug te betalen en dat leidde in de herfst van 1938 natuurlijk tot uitzonderlijk gespannen relaties met de Reichsfinanzminister, anders gezegd tussen de Reichsbank en de Reichsfinanzminister.
Mr. JUSTICE JACKSON: Nu, de belastingen brachten niet voldoende op om die nota’s te betalen, niet waar?
SCHACHT: Ja. Ik heb gisteren al uitgelegd dat het risico dat met die Mefonota’s werd genomen, dat ik vanaf het begin heb toegegeven, geen echt risico inhield zolang er een verstandig financieel beleid zou zijn gevoerd, met andere woorden wanneer vanaf 1938 de verdere bewapening zou zijn gestopt en er geen verdere onverstandige uitgaven werden gedaan maar in plaats daarvan het geld dat belastingen en obligaties opbrachten zou zijn gebruikt voor het betalen van die Mefonota’s.
Mr. JUSTICE JACKSON: Wat ik u op dit moment vraag, Dr. Schacht is of deze nota’s niet hadden kunnen worden terugbetaald uit de belastingopbrengsten.
SCHACHT: Ja, zeker.
Mr. JUSTICE JACKSON: Kon dat?
SCHACHT: Natuurlijk, maar het verbazende was dat ze niet werden terugbetaald; het geld werd gebruikt om de herbewapening voort te zetten. Mag ik er nog iets aan toevoegen om u nog meer informatie te geven?
Mr. JUSTICE JACKSON: Nee, mij interesseert de financiering niet echt; mij interesseert alleen maar in wat voor soort puinhoop u zat toen u aftrad.
SCHACHT: Ja.
Mr. JUSTICE JACKSON: De Mefonota’s waren vervallen en u kon ze niet terugbetalen?
SCHACHT: Op korte termijn.
Mr. JUSTICE JACKSON: Die vervielen op korte termijn?
SCHACHT: Ja, maar ze konden worden terugbetaald. Het is een vergissing wanneer u zegt dat ze niet konden worden terugbetaald.
Mr. JUSTICE JACKSON: Nou, ze konden toch niet uit de opbrengst van de belastingen van het lopende jaar worden terugbetaald?
SCHACHT: Ja, inderdaad. U stelt er geen belang in en wilt niet dat ik het u vertel maar ik ben volkomen bereid het uit te leggen.
Mr. JUSTICE JACKSON: Nou, u hebt het al erg goed aan ons uitgelegd.
SCHACHT: U zei net dat u er geen belang in stelde.
Mr. JUSTICE JACKSON: Uw inschrijving op de vierde staatslening van 1938 had een teleurstellend resultaat opgeleverd, niet waar?
SCHACHT: Daar waren we nauwelijks tevreden over. De kapitaalmarkt was slap.
Mr. JUSTICE JACKSON: En u hebt over die lening gemeld dat er een tekort was aan openbare inschrijving? En de resultaten waren teleurstellend?
SCHACHT: Ja.
Mr. JUSTICE JACKSON: Gaf u dit antwoord niet op de vraag van de ondervrager:
“Vraag: Maar ik vraag u of u in die periode tussen 1 april 1938 en januari 1939 u niet doorging met de financiering van de bewapening?
“Antwoord: Sir, anders hadden die Mefonota’s door het Reich moeten worden terugbetaald en dat kon niet omdat het Reich daar geen geld voor had; ik kon geen geld verstrekken om die terug te betalen want dat zou uit belastingen of leningen hebben moeten komen. Ik moest dus doorgaan met die Mefonota’s en dat deed ik natuurlijk ook.”
Hebt u dat antwoord gegeven?
SCHACHT: Ja, dat was helemaal in orde – laat me alstublief uitspreken – omdat de Minister van Financiën zijn fondsen niet beschikbaar stelde voor de terugbetaling van de Mefonota’s maar ze in plaats daarvan aan bewapening besteedde. Als hij die fondsen had gebruikt voor het terugbetalen van de Mefonota’s zou alles in orde zijn geweest.
Mr. JUSTICE JACKSON: En u handhaafde de Mefonota’s die hem in staat stelden lopende opbrengsten te gebruiken om de herbewapeningsplannen na 1938 voort te zetten, niet waar?
SCHACHT: Mr. Justice, de situatie was zo: Een groot deel van de Mefonota’s was al op de financiële en kapitaalmarkt. Nu, toen die markt door de regering te zwaar belast werd leverden de mensen de Mefonota’s bij de Reichsbank in omdat die had beloofd ze te accepteren. Dat was juist het grootste struikelblok voor mijn beleid. De Reichsfinanzminister financierde de bewapening ermee in plaats van de nota’s terug te betalen zoals hij had beloofd.
Mr. JUSTICE JACKSON: Was het onder die omstandigheden dat u een positie innam die zou leiden tot uw ontslag bij de Reichsbank?
SCHACHT: Ja.
Mr. JUSTICE JACKSON: We komen nu toe aan Tsjechoslowakije. Was u voorstander van het beleid het Sudetenland te verkrijgen door te dreigen naar de wapens te grijpen?
SCHACHT: Helemaal niet.
Mr. JUSTICE JACKSON: Ik meen dat u de manier waarop het Sudetenland werd verkregen omschreef als verkeerd en afkeurenswaardig?
SCHACHT: Ik weet niet wanneer ik dat kon hebben gedaan. Ik heb gezegd dat de Geallieerden door hun beleid het Sudetenland aan Hitler hebben gegeven waar ik altijd alleen had verwacht dat de Sudeten Duitsers onafhankelijkheid zouden krijgen.
Mr. JUSTICE JACKSON: U was het dus eens met Hitler’s beleid voor het behandelen van de Sudetenland kwestie. Wilt u dat we het zo begrijpen?
SCHACHT: Ik heb nooit geweten dat Hitler, naast onafhankelijkheid, iets anders eiste.
Mr. JUSTICE JACKSON: Uw enige kritiek op de Tsjechoslowaakse situatie betreft dus de Geallieerden als ik u goed begrijp?
SCHACHT: Nou, dat geldt ook voor de Tsjechen, misschien ook voor de Duitsers; in vredesnaam, ik wil hier niet voor rechter spelen.
Mr. JUSTICE JACKSON: Welnu, 16 oktober 1945, in bewijsstuk USA-636, document 3728-PS. Ik vraag u of u deze antwoorden hebt gegeven op vragen:
“Vraag: Nu kom ik terug op de opmars tegen Tsjechoslowakije die het beleid van verzoening tot gevolg had, München en de overdracht van het Sudetenland aan het Reich.
“Antwoord: Ja.
“Vraag: Was u destijds voorstander van het beleid het Sudetenland te verkrijgen?
“Antwoord: Nee.
“Vraag: Was u destijds voorstander van het beleid de Tsjechen met wapengeweld te dreigen bij het verkrijgen van het Sudetenland?
“Antwoord: Nee, zeker niet.
“Vraag: Dan vraag ik u, viel het u destijds niet op, kwam het niet bij u op dat het middel dat Hitler gebruikte om de Tsjechen te bedreigen de Wehrmacht en de bewapeningsindustrie was?
“Antwoord: Hij kon het zonder de Wehrmacht niet hebben gedaan.
Hebt u die antwoorden gegeven?
SCHACHT: Ja.
Mr. JUSTICE JACKSON: Ik ga verder:
“Vraag: Achtte u de manier waarop hij de Sudetenkwestie behandelde verkeerd of afkeurenswaardig?
“Antwoord: Ja.
“Vraag: Echt waar?
“Antwoord: Ja, Sir.
“Vraag: En had u destijds het gevoel, terugkijkend op de gebeurtenissen die eraan vooraf gingen en uw eigen deelname daaraan, dat het leger dat hij gebruikte als dreiging tegen Tsjechoslowakije tenminste gedeeltelijk een leger van uw eigen schepping was?
“Antwoord: Dat kan ik niet ontkennen, Sir.
SCHACHT: Zeker niet.
Mr. JUSTICE JACKSON: Maar hier weer kwam u Hitler te hulp nadat hij erin geslaagd was, niet waar?
SCHACHT: Hoe kunt u zoiets zeggen? Ik wist zeker niet dat Hitler het leger zou gebruiken om andere landen te bedreigen.
Mr. JUSTICE JACKSON: Nadat hij dat gedaan had, kwam u in actie en nam de Nationale Bank van Tsjechoslowakije over, niet waar?
SCHACHT: Natuurlijk.
Mr. JUSTICE JACKSON: Ja. U volgde om economisch op te ruimen nadat Hitler het gebied eeenmaal had verkregen, niet waar?
SCHACHT: Maar neemt u mij niet kwalijk. Hij nam het helemaal niet met geweld in. De Geallieerden leverden hem het land op een presenteerblaadje. De hele zaak werd vreedzaam geregeld.
Mr. JUSTICE JACKSON: Nou, we hebben uw getuigenis over de rol die de Wehrmacht daarin speelde en welke rol u in de Wehrmacht speelde.
SCHACHT: Ja, dat heb ik nooit ontkend.
Mr. JUSTICE JACKSON: Nee, wat ik bedoel is dit, verwijzend naar uw ondervraging van 17 oktober, bewijsstuk USA-616.
“Vraag: Nadat het Sudetenland was overgenomen door de Overeenkomst van München, deed u, als President van de Reichsbank iets aan het territorium van het Sudetenland?
“Antwoord: Ik meen dat we de bijkantoren van Tsjechische Bank van Uitgifte overnamen.
“Vraag: En u regelde ook de conversie van de munteenheid, niet waar?
“Antwoord: Ja.
Dat deed u nadat deze verkeerde en afkeurenswaardige daad door Hitler was begaan, niet waar?
SCHACHT: Het is geen ‘verkeerde en afkeurenswaardige daad door Hitler begaan’ maar Hitler verkreeg het gebied van de SudetenDuitsers op grond van een overeenkomst en natuurlijk moesten de munteenheid en het instituut dat het financiële verkeer leidde geïntegreerd worden in dat in Duitsland. Er kan geen sprake zijn van onrecht. Ik kan niet geloven dat de Geallieerden hun handtekening onder een onrechtvaardigheid hebben gezet.
Mr. JUSTICE JACKSON: U denkt dus dat alles tot aan München in orde was?
SCHACHT: Nee, ik ben zeker een heel andere mening toegedaan. Er heerste veel onrecht.
Mr. JUSTICE JACKSON: Was u hier in deze zaal toen Göring getuigde over de dreiging Praag te bombarderen, “de mooie stad Praag”?
SCHACHT: Dank zij uw uitnodiging was ik hier.
Mr. JUSTICE JACKSON: Ja. Ik veronderstel dat u dat gebruik van geweld, dat u met de Wehrmacht had geschapen goedkeurde?
SCHACHT: Afgekeurd, onder alle omstandigheden afgekeurd.
Mr. JUSTICE JACKSON: U vond niet dat het een correcte actie was?
SCHACHT: Nee, nee, dat was een afschuwelijke zaak.
Mr. JUSTICE JACKSON: Wel, wel, we hebben iets gevonden waarover we het eens zijn, Doctor. U wist van de invasie in Polen?
SCHACHT: Ja.
Mr. JUSTICE JACKSON: U beschouwde dat als een ongeoorloofde daad van agressie van Hitler’s kant, niet waar?
SCHACHT: Absoluut.
Mr. JUSTICE JACKSON: Het zelfde gold voor de invasie van Luxemburg?
SCHACHT: Absoluut.
Mr. JUSTICE JACKSON: En van Nederland?
SCHACHT: Absoluut.
Mr. JUSTICE JACKSON: En van Denemarken?
SCHACHT: Absoluut.
Mr. JUSTICE JACKSON: En van Noorwegen?
SCHACHT: Absoluut.
Mr. JUSTICE JACKSON: En van Joegoslavië?
SCHACHT: Absoluut.
Mr. JUSTICE JACKSON: En van Rusland?
SCHACHT: Absoluut Sir; en u hebt Frankrijk en België overgeslagen.
Mr. JUSTICE JACKSON: Ja, nou, ik ben aan het einde van mijn bladzijde. Het hele geval was een geval van agressie?
SCHACHT: Absoluut afkeurenswaardig.
Mr. JUSTICE JACKSON: En het succes bij iedere stap van die agressie was te danken aan de Wehrmacht waarmee u zoveel te maken had gehad bij de oprichting?
SCHACHT: Helaas.
Mr. JUSTICE JACKSON: Nu ben ik van plan een ander onderwerp aan te snijden en misschien zou het ...... het is bijna tijd voor een schorsing.
De PRESIDENT: Ik schors nu de zitting.

Definitielijst

Anschluss
Duitse term voor aansluiting waarmee de annexatie van Oostenrijk door Nazi-Duitsland in 1938 (12 maart) wordt bedoeld. Hiermee ging Oostenrijk deel uitmaken van het Groot-Duitse Rijk.
Führer
Duits woord voor leider. Hitler was gedurende zijn machtsperiode de führer van nazi-Duitsland.
Geallieerden
Verzamelnaam voor de landen / strijdkrachten die vochten tegen Nazi-Duitsland, Italië en Japan gedurende WO 2.
invasie
Gewapende inval.
mobilisatie
Een leger in staat van oorlog brengen, dus eigenlijk de overgang van vredestoestand naar oorlogstoestand. Het Nederlandse leger werd gemobiliseerd op 29 augustus 1939.
Nazi
Afkorting voor een nationaal socialist.
propaganda
Vaak misleidende informatie die gebruikt wordt om aanhangers / steun te winnen. Vaak gebruikt om ideele en politieke doelen te verwezenlijken.
Vierjarenplan
Duits economisch plan dat gericht was op alle sectoren van de economie waarbij de vastgestelde productiedoelen in 4 jaar gehaald moeten worden.

Pagina navigatie

Informatie

Vertaald door:
Arnold Palthe
Geplaatst op:
19-04-2010
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

Categorieën


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2017
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.