Verhoor Hans Fritzsche 3

Ochtendzitting 1 28-06-1946

Inhoudsopgave

(Beklaagde Fritzsche neemt weer plaats in de beklaagdenbank.)
Dr. FRITZ: Meneer de President, Heren van het Tribunaal, beklaagde Fritzsche heeft gisterenmorgen tegen het einde van de zitting verklaard hoe hij binnen zijn beperkte mogelijkheden vervolgde personen heeft proberen te helpen. Om dit onderwerp af te sluiten en met goedkeuring van de Aanklager dien ik document Fritzsche-6 in, een beëdigde verklaring van Graaf Westarp die te vinden is in mijn documentenboek 2 op pagina 23 tot 25, gedateerd 15 juni 1946. Ik verzoek het Tribunaal de inhoud van dit document voor kennisgeving aan te nemen.
Verder, als nog een stuk bewijsmateriaal zou ik een andere beëdigde verklaring willen indienen, afgelegd door ene Frau Kruger in Berlijn; dat wordt document Fritzsche-8. Deze verklaring is nog niet opgenomen in mijn documentenboek. Het origineel is echter door Frau Kruger zowel in het Duits als in het Engels opgesteld en beide exemplaren zijn beëdigd. Ik zou willen verwijzen naar de inhoud van deze verklaring, in het bijzonder naar de laatste twee alinea’s. Uit de voorlaatste alinea kan worden opgemaakt dat afgezien van individuele gevallen, Frau Kruger algemene kennis draagt van de activiteiten van beklaagde. De laatste alinea is bijzonder interessant omdat die handelt over de manier van leven van beklaagde Fritzsche.
Daarnaast verwijs ik ook naar de gehele inhoud van die verklaring en verzoek het Hoge Tribunaal dit document voor kennisgeving aan te nemen.
Tenslotte zou ik in dit verband willen verwijzen naar een beëdigde verklaring afgelegd door Dr. Scharping waaruit al herhaaldelijk is geciteerd, document Fritzsche-2 dat kan worden gevonden in het documentenboek Fritzsche 2, pagina 6 tot 15. Ik verwijs in het bijzonder naar pagina 13 onderaan en pagina 14 bovenaan.
Meneer Fritzsche, ik zou nog twee algemene vragen willen stellen over dit onderwerp. Probeerde u in de laatste fase van de oorlog niet iets te ontdekken over het uiteindelijke lot van de Joden?
FRITZSCHE: Ja. Ik maakte het beste van een mogelijkheid waarnaar ik later kort zal verwijzen. Ik vroeg een collega van Obergruppenführer Glücks in Oranien-Sachsenhausen naar de Joden. Kort samengevat luidde zijn antwoord als volgt: De Joden genoten de speciale bescherming van de Reichsfüher-SS die een politieke overeenkomst met hen wilde sluiten. Hij zag ze als een soort gijzelaars en hij wilde dat hen geen haar gekrenkt zou worden.
Dr. FRITZ: Sommige getuigen van de Aanklager hebben tijdens dit proces beweerd dat het Duitse volk wist van deze moorden. Nu wil ik u vragen, als journalist die in de Nationaalsocialistische Staat werkte wat voor zover u weet de houding van de meerderheid van de bevolking ten opzichte van de Joden was? Wisten de mensen van de moorden op de Joden? Houdt u het alstublieft kort.
FRITZSCHE: Alle zaken weglatend die al tijdens dit proces zijn genoemd zou ik toch een paar dingen willen noemen die mij belangrijk lijken. Ik zal de periode kort na WO1, die al beschreven is en gedurende welke bepaalde anti-semitische gevoelens in Duitsland populair waren overslaan. Ik zou alleen willen zeggen dat in 1933, ten tijde van de door de NSDAP georganiseerde anti-Joodse boycott de sympathie van de Duitse bevolking weer uitging naar de Joden. Een aantal jaren deed de Partij grote moeite het publiek ervan te weerhouden in Joodse winkels te kopen. Uiteindelijk moesten ze hun toevlucht nemen tot dreigementen. Een grote en beslissende factor in deze ontwikkeling was het uitvaardigen van de Neurenberger wetten. Als gevolg hiervan werd de strijd tegen de Joden voor de eerste keer uit de sfeer van pure ophitsing gehaald, anders gezegd het soort ophitsing waarvan men zich afzijdig kon houden en verlegd naar het terrein van de staatspolitie.
Destijds heerste een groot gevoel van vrees onder de Duitse bevolking want nu spreidde de verdeeldheid zich ook uit over afzonderlijke gezinnen. Dat had destijds vele menselijke tragedies tot gevolg, tragedies die voor velen duidelijk waren, waarschijnlijk voor iedereen en er was maar een rechtvaardiging voor deze rassenwetten. Er was maar één excuus voor en maar één uitleg: dat was de bewering en de hoop: Goed, nu de scheiding van deze twee volken, hoewel op pijnlijke wijze wordt uitgevoerd komt er eindelijk een einde aan de wilde en ongeremde agitatie en vanwege deze scheiding zal er vrede heersen waar eens alleen onrust heerste.
Toen de Joden gedwongen werden een ster als embleem te dragen en toen het hen bijvoorbeeld in Berlijn verboden was in een tram te gaan zitten, koos het Duitse volk openlijk de kant van de Joden en het gebeurde keer op keer dat Joden demonstratief een zitplaats kregen aangeboden. In dit verband hoorde ik diverse verklaringen van Dr. Goebbels die zeer verbolgen was over dit ongewenste effect van het merken van de Joden. Als journalist die in die periode werkte, ben ik er vast van overtuigd dat het Duitse volk zich niet bewust was van de massamoorden op de Joden en beweringen daarover werden als geruchten beschouwd; rapporten die het Duitse volk van buitenaf bereikten werden keer op keer officieel ontkend. Om dat die documente niet in mijn bezit zijn kan ik uit mijn hoofd geen bijzondere gevallen van ontkenning noemen maar ik herinner me een geval bijzonder goed. Dat was op het moment waarop de Russen, nadat zij Charkov hadden heroverd, rechtszaken begonnen waarop het doden door middel van gas voor het eerst werd genoemd.
Met deze rapporten spoedde ik mij naar Dr. Goebbels en vroeg hem naar de feiten. Hij zei dat hij de zaak zou laten onderzoeken en het met Himmler en Hitler bespreken. De volgende dag stuurde hij mij een nota van ontkenning. Die ontkenning werd niet openbaar gemaakt en de reden die daarvoor werd gegeven was dat het in Duitse rechtszaken noodzakelijk is dingen die opheldering behoeven veel duidelijker te vermelden. Dr. Goebbels verklaarde tegenover mij echter uitdrukkelijk dat de gaswagens die tijdens de Russische processen waren genoemd pure verzinsels waren en dat er geen feitelijke bewijzen voor waren.
Het was niet zonder reden dat de mensen die met deze wagens werkten tot absolute geheimhouding werden verplicht. Als het Duitse volk over deze massamoorden te weten was gekomen zouden ze Hitler zeker niet langer hebben gesteund. Ze zouden er waarschijnlijk 5 miljoen hebben opgeofferd voor een overwinning maar het Duitse volk zou nooit hebben gewild een overwinning te behalen door de moord op 5 miljoen mensen.
Ik zou verder willen verklaren dat dit decreet tot moord van Hitler mij het einde lijkt van iedere rassentheorie, iedere rassenfilosofie, iedere soort rassenpropaganda want na deze catastrofe zou elk voorstaan van rassentheorie gelijkstaan met het in theorie goedkeuren van nog meer moorden. Een ideologie in de naam waarvan 5 miljoen mensen werden vermoord is een theorie die niet langer kan blijven voortbestaan.
Dr. FRITZ: Ik zal nu overgaan op een ander onderwerp. U wordt er door de Aanklager van beschuldigd, aangezet te hebben tot het plegen van wreedheden en dat de resultaten van uw propaganda elke fase van het complot omvatte, waaronder abnormale en onmenselijke behandeling en gedragingen. In dit verband moet ik u daarom iets vragen over de kwestie van de concentratiekampen.
Wist u dat de concentratiekampen bestonden?
FRITZSCHE: Ja, het feit van de oprichting ervan werd in het openbaar aangekondigd, ik meen in 1933 en die kampen werden later in officiële communiquées genoemd.
Dr. FRITZ: Wat was destijds naar uw mening het doel van die kampen?
FRITZSCHE: Voor zover ik me kan herinneren waren de mensen die in de kampen werden opgesloten diegenen die er niet van konden worden weerhouden acties tegen de staat te ondernemen. Er werd gezegd dat de reden voor de oprichting van die kampen de abnormale interne politieke situatie was die toen heerste; een zwakke centrumpartij en twee sterke extremistische partijen waarvan er nu een aan de macht was gekomen. Er werden stappen ondernomen om de zaken op een correct juridisch fundament te baseren. Er werd later pas gezegd dat gewoontemisdadigers ook naar de concentratiekampen werden gestuurd om te voorkomen dat ze terug zouden vallen in de misdaad.
Dr. FRITZ: Wist u iets over het aantal concentratiekampen dat in de loop der tijd werd opgericht?
FRITZSCHE: Voor de oorlog had ik over drie kampen gehoord. Gedurende de oorlog vermoedde ik dat er vijf of zes waren en de kaart die hier is getoond met daarop een groot aantal kampen was een grote verrassing voor me.
Dr. FRITZ: Wist u iets over het aantal gevangenen in die kampen?
FRITZSCHE: Niets definitiefs. Aan het begin van de oorlog werden in buitenlandse berichten miljoenen gemeld. Destijds vroeg ik, samen met een aantal collega journalisten Obergruppenführer Heydrich om een onderhoud te regelen met leden van de plaatselijke en buitenlandse pers om die zaak te bespreken. Dat deed hij. Zover ik me kan herinneren noemde hij geen concrete aantallen maar hij vergeleek ze met het aantal gedetineerden in gevangenissen en huizen van bewaring in vroeger dagen. Die vergelijking leek niet verontrustend. Dat was in de winter van 1940 of 1941.
Dr. FRITZ: Had u geen enkele twijfel over de juistheid van die aantallen?
FRITZSCHE: Destijds niet.
Dr. FRITZ: Wist u iets over de toestanden in de concentratiekampen? Sprak u met iemand die ooit in een concentratiekamp had gezeten?
FRITZSCHE: Ja. Zelfs al in 1933 of 1934 sprak ik met een journalist die een paar weken opgesloten was geweest in het concentratiekamp Oranienburg, het oude kamp Oranienburg. Hij vertelde mij dat hij zelf niet was gemarteld maar dat hij had gehoord en gezien hoe anderen waren afgeranseld en hoe hun vingers opzettelijk tussen de deur werden bekneld.
Dr. FRITZ: Slikte u die verhalen zo maar en deed u er niets aan?
FRITZSCHE: In tegendeel! Ik maakte heel wat heibel. Deze journalist – ik meen dat hij Stolzenberg heette zover ik me herinner – wenste niet dat zijn naam werd genoemd. Ik schreef drie brieven, een aan Dr. Goebbels – hij zei me dat hij de zaak zou bekijken – een andere aan Frick, de Minister van Binnenlandse Zaken en een aan Göring, de Ministerpresident van Pruissen.
Hoge ambtenaren van beide departementen belden mij op en zeiden mij dat er onderzoek werd gedaan. Korte tijd later hoorde ik dat dit oude kamp Oranienburg was gesloten en dat de commandant ter dood was veroordeeld. Dat stond in een rapport dat aan mij was gegeven door een meneer Von Lutzov die verslaggever was voor Diels of Diehl die destijds hoofd van de Staaatspolitie was.
Dr. FRITZ: Ontving u na dit eerste geslaagde protest tegen mishandeling nog meer rapporten over wreedheden in concentratiekampen?
FRITZSCHE: Nee, ik kreeg geen verdere rapporten over mishandeling. In tegendeel, ik deed regelmatig navraag bij afzonderlijke leden van de Gestapo of bij de persdienst van de Reichsführer-SS. Alle personen aan wie ik het vroeg verklaarden het volgende: Beestachtigheden in concentratiekampen vonden alleen maar plaats in 1933 of begin 1934 toen deze kampen werden bewaakt door leden van de SA die geen beroep hadden – anders gezegd door die leden van de SA die de hele dag tot hun beschikking hadden en sommigen waren zeer ver verwijderd van het beste soort mens. In dit verband werd mij verder verteld dat er op 30 juni een zuivering had plaats gevonden. Op de 30ste waren die Gauleiter en SA leiders afgezet die hun macht hadden misbruikt. Ze verklaarden tenslotte dat de concentratiekampen nu werden bewaakt door de SS die professionele bewakers had ingehuurd, professionele bestuurders, ambtenaren die deskundig waren op het gebied van criminele aangelegenheden en ambtenaren die toezicht hielden op de gevangenissen. Mij werd verteld dat dit een garantie was tegen misbruik.
Dr. FRITZ: Deed u navraag naar bepaalde personen die in concentratiekampen zaten?
FRITZSCHE: Natuurlijk; ik deed navraag naar bekende personen zoals Pastoor Niemöller en Schuschnigg, ook naar Leipkins, de privé secretaris van Hess die was gearresteerd en in elk geval kreeg ik informatie die geruststellend was.
Dr. FRITZ: Zij kunnen natuurlijk uitzonderingen zijn geweest omdat ze goed bekend stonden en vooraanstaande personen waren.Probeerde u met andere mensen te spreken die in concentratiekampen hadden gezeten?
FRITZSCHE: Ja. In april 1942 ontmoette ik een voormalig ambtenaar van de Communistische Partij wiens naam Reintgen was. We waren zes maanden samen soldaat geweest en daarom rapporteerde hij heel openlijk aan mij, zonder iets achter te houden. Hij zei dat hij in 1933 slecht behandeld was geweest, dat hij zweepslagen op zijn rug had gekregen maar later niet. Deze informatie kwam volledig met mijn waarnemingen overeen.
Dr. FRITZ: Hebt u zelf concentratiekampen bezocht?
FRITZSCHE: Nee, ik ben nooit op het terrein van een concentratiekamp geweest. Echter in de winter van 1944-1945 was ik vaak in het administratiegebouw bij het kamp Oranienburg-Sachsenhausen. Afgezien daarvan sprak ik zoveel ik kon met gevangenen als ik ze toevallig op weg naar of van of op hun werk tegenkwam.
Dr. FRITZ: Met wie sprak u in Oranienburg?
FRITZSCHE: Met een collega van Obergruppenführer Glücks en twee keer ook met hem persoonlijk. Ze vertelden me dat de buitenlandse berichten over wrede behandeling vals waren. Ze zeiden dat de behandeling niet alleen humaan maar beslist goed was omdat per slot de gevangen waardevolle arbeidskrachten waren. Ik heb wat lang over arbeidstijden gesproken want destijds was er een nogal dom decreet uitgevaardigd over een algemene verlenging van de arbeidstijd. De houding van Glücks was zeer redelijk, namelijk dat langere werktijd niet noodzakelijk tot een grotere productie zou leiden. Daarom bleef de werkduur van 8 tot 10 uur per dag zoals die was. Hij zei niets over uitroeïng door overwerk. Dat is iets waarover ik hier in de rechtszaal voor het eerst hoorde.
Dr. FRITZ: En hoe staat het met de vragen die u rechtstreeks aan de gevangenen stelde?
FRITZSCHE: Nou, ten eerste was er altijd een bewaker aanwezig en de gevangenen waren natuurlijk terughoudend maar uiteindelijk kreeg ik altijd positieve antwoorden op positieve vragen. In het kort kwam de kern van hun antwoorden altijd hierop neer dat ze onterecht waren gearresteerd. Hun voedsel was veel beter dan in de gevangenis en ik hoorde regelmatig deze uitspraak: “Nou, we zijn hier tenminste geen soldaten.” De wapens die de bewakers droegen waren uitsluitend geweren of revolvers; knuppels heb ik niet gezien.
Dr. FRITZ: Werd u niet steeds achterdochtiger over deze concentratiekampen, na het luisteren naar buitenlandse radioberichten?
FRITZSCHE: Lang niet, om de redenen die ik gisteren heb genoemd. Berichten van leden van het Engelse parlement betreffende het geval Buchenwald werden pas in april 1945 bekend. Maar dit geval is zo recent dat ik omwille van de beknoptheid geen bijzonderheden hoef te noemen over de incidenten die op het Ministerie van Propaganda plaatsvonden.
Dr. FRITZ: Hoe kunt u het feit verklaren dat misdaden en mishandelingen van de ergste soort ongetwijfeld in concentratiekampen werden gepleegd?
FRITZSCHE: Ik bevind mij in een vreselijk dilemma want de eerste betrouwbare rapporten over die zaken heb ik hier in de gevangenis gehoord.
Slechts een deel van deze vreselijke toestanden, die bleken te heersen kan worden verklaard uit het beëindigen van alle verkeer en communicatie aan het einde van de oorlog. De rest is meer dan genoeg. Ongetwijfeld heeft het besluit tot de geheime moord op massa’s mensen tot in hoge mate die mensen nog wreder gemaakt aan wie de uitvoering van dat besluit was toevertrouwd.
De PRESIDENT: Het Tribunaal weet niet of die uitleg voor ons waarde heeft als bewijsmateriaal. We hebben al alles over deze kwestie gehoord. Hij heeft ons een uitleg gegeven over waarom hij zegt dat hij het niet wist.
Dr. FRITZ: Meneer de President, ik heb nog maar twee vragen die ik aan beklaagde wil stellen. Meneer Fritzsche, er is hier in de rechtszaal gezegd dat de omstandigheden in concentratiekampen in het algemeen bekend waren bij de Duitse bevolking. Als journalist, wilt u ons uw mening geven en de reden waarop die is gebaseerd?
De PRESIDENT: Heeft hij dat niet al gedaan?
Dr. FRITZ: Nee, neemt u mij niet kwalijk, Meneer de President. Hij heeft zijn mening gegeven over de vraag over mishandeling en uitroeïng van de Joden maar over het onderwerp uitroeïng van de Joden heb ik hem gevraagd....
De PRESIDENT: Nou, u vraagt hem wat zijn mening als journalist was. Ik zie niet hoe dat voor ons van enig belang kan zijn.
Dr. FRITZ: Meneer de President, ik zou u dankbaar zijn als u mij toestaat die vraag te stellen omdat dit mijn voorlaatste vraag is. Ik verwacht een antwoord van beklaagde; een antwoord dat het Tribunaal kan helpen bij het vormen van haar oordeel.
De PRESIDENT: Waarover wilt u zijn mening als journalist horen?
Dr. FRITZ: Beklaagde Fritzsche zou graag een paar uitlatingen willen herhalen, zoals sommige werden gedaan door bijvoorbeeld Dr. Goebbels.
De PRESIDENT: Goed, u kunt de vraag stellen.
(tot de beklaagde): Hebt u de vraag verstaan?
FRITZSCHE: Ik geloof dat hier een misverstand ontstaat, in zoverre dat ik Dr. Goebbels niet wil citeren over dit onderwerp maar eerder in verband met onze laatste serie vragen die mij belangrijker lijken dan de vraag die u mij zojuist stelde.
Dr. FRITZ: Hoe dan ook, ik zou graag willen dat u een kort antwoord geeft op mijn vraag. Zal ik de vraag herhalen?
FRITZSCHE: Dank u, nee. In dit verband zou ik kort willen verwijzen naar de uitspraken die ik al over de moorden heb gedaan; dat er vele geruchten waren maar dat die geruchten werden ontkend. Ongetwijfeld waren deze gebeurtenissen omgeven met een ijzeren ring van geheimhouding en het enige dat ik in het kader van mijn werk opmerkte – en wat mij belangrijk lijkt – is dat binnen het RSHA en enkele afdelingen daarvan groepen moeten hebben bestaan die stelselmatig werkten met als doel deze wreedheden te verhullen door het afleggen van geruststellende verklaringen en ontkenningen aan die organen die het publiek vertegenwoordigden.
Dr. FRITZ: Nu zou ik een laatste uitvoerige vraag willen stellen. In de loop van mijn ondervraging deed u uitspraken over Hitler en zijn beleid die volkomen verschilden van die welke u lang geleden in uw radiouitzendingen en zo deed. Kunt u in het kort de datum en de reden van uw verandering van mening noemen?
FRITZSCHE: Ik zou deze vraag zeer nauwkeurig willen beantwoorden. De eerste mijlpaal op de weg naar deze bewustwording was niet te wijten aan de Duitse nederlaag want goed of kwaad hangt niet af van overwinning of nederlaag. Het feit was dat Hitler deze nederlaag wilde gebruiken om het Duitse volk uit te roeien, zoals Speer nu heeft bevestigd en zoals ik in Berlijn kon waarnemen tijdens de laatste fase van het conflict toen, door misleiding en het kweken van valse hoop jongens van 15, 14, 13 en 12 jaar uitgerust werden met lichte wapens om het op te nemen tegen tanks en in de strijd werden ingezet; jongens die anders de hoop op een toekomstige wederopbouw hadden kunnen zijn. Hitler vond zijn ontsnapping in de dood met achterlating van het bevel de strijd voort te zetten. Hij liet ook het officiële bericht achter dat hij in de strijd was gevallen.
Ik hoorde dat hij zelfmoord had gepleegd en dus was mijn laatste openbare verklaring op 2 mei 1945 om iedereen van die zelfmoord op de hoogte te brengen want ik wilde een Hitler mythe in de kiem smoren.
Daarna, in de gevangenis hoorde ik van een medegevangene, een Duitse majoor genaamd Sforner dat hij door de Gestapo was gearresteerd, dat hij was gemarteld om hem een bekentenis af te dwingen en dat in zijn aanwezigheid zijn vrouw was afgeranseld. Dat was de tweede mijlpaal.
De derde mijlpaal betrof een andere medegevangene, de wereldberoemde geograaf Generaal Niedermeier die mij het bewijs ervoor leverde dat de redenen die Hitler gaf voor de aanval op de Sovjet-Unie vals waren, tenminste op een belangrijk punt. Nadat hij met de tolk had gesproken kon hij mij vertellen dat tijdens de beslissende discussie tussen Molotov en Von Ribbentrop in 1941 Molotov geen nieuwe eisen had gesteld maar eerder dat hij eiste dat de garanties die in 1939 waren gegeven, nagekomen moesten worden. Daarom was een deel van de gegeven redenen – en ik benadruk dit – dat onze aanval op Rusland bedoeld was om een Russische aanval voor te zijn niet langer geldig.
De vierde mijlpaal was het hier voor het Hof geleverde bewijs van de moord op 5 miljoen Joden. Ik heb het al over die kwestie gehad.
Ik zie het slechts als mijn plicht, te getuigen over een andere uitspraak, een uitspraak die Dr. Goebbels op 21 april 1945 in mijn tegenwoordigheid deed. Dr. Goebbels, die in een staat van grote opwinding verkeerde zei, sprekend over de laatste beslissende doorbraak van de Russen bij Berlijn: “Per slot heeft het Duitse volk niet anders gewild. Het Duitse volk besloot met grote meerderheid in een volksraadpleging om uit de Volkenbond te treden en tegen een beleid van toegeven en koos, in plaats daarvan een beleid van moed en eer; daarmee” – concludeerde Dr. Goebbels – “heeft het Duitse volk zelf gekozen voor de oorlog die het nu verloren heeft.”
Dat waren de laatste woorden die ik van Dr. Goebbels hoorde en deze woorden zijn niet waar. Ik verklaar onder ede: Dr. Goebbels heeft nooit tevoren zulk groot belang gehecht aan die volksraadpleging. Hij heeft die uitleg nooit gegeven. Precies het tegendeel was het geval. Ten tijde van deze volksraadpleging kreeg het Duitse volk nogmaals de uitdrukkelijke verzekering van de wil tot vrede van de kant van Hitler en zijn medestanders.
Daarom ben ik ervan overtuigd dat Hitler en tenminste enkele van zijn collega’s op beslissende punten opzettelijk het volk hebben voorgelogen, direct vanaf het begin van hun politieke loopbaan; en iets dat historisch gezien niet zo belangrijk is, persoonlijk voelde ik mij op die punten ook misleid.
Dr. FRITZ: Meneer de President, ik heb verder geen vragen voor beklaagde Fritzsche.

De PRESIDENT: Wenst een van de andere raadsheren van beklaagden nog vragen te stellen?
Dr. STAHMER: Beklaagde, hebt u in het begin, toen de concentratiekampen werden opgericht, ooit gehoord of vastgesteld dat er naast de reguliere kampen andere zogenaamde wilde kampen bestonden die door SA leiders waren opgericht zonder medeweten van de bevoegde autoriteiten?
FRITZSCHE: Nee, daar heb ik destijds nooit iets over gehoord. Ik hoorde pas hier in de rechtszaal over het onderscheid tussen die concentratiekampen.
Dr. STAHMER: Op basis van uw huidige kennis, kunt u zeggen of het misbruik dat u beschreef ook in deze wilde kampen voorkwam?
FRITZSCHE: Op die vraag kan ik u een heel precies antwoord geven. Het misbruik waar ik over hoorde kwam voor in het oude kamp Oranienburg, een kamp dat aan de Berliner Strasse lag. Ik weet niet tot welke categorie dat kamp behoorde. Dit misbruik werd echter beëindigd en ik heb in mijn getuigenis benadrukt dat ik vrijwel direct nadat ik mijn brief aan de Pruissische Ministerpresident had gestuurd, door een Ministerialdirektor werd ontboden en mij werd verzekerd dat er een onderzoek ingesteld zou worden – een belofte die werd gehouden – maar hoe dan ook, ik herinner me niet dat er een eindrapport vanuit dat departement aan mij werd gestuurd.
Dr. STAHMER: Ik heb verder geen vragen.

DR. KUBUSCHOK: In juni 1934 werd publicatie van de toespraak van Von Papen in Marburg verboden. Is het juist om te zeggen dat vanaf die tijd iedere uitspraak van beklaagde von Papen alleen maar gepubliceerd kon worden met voorafgaande toestemming van het Ministerie van Propaganda?
FRITZSCHE: Dat is correct en het ging zelfs nog verder. De Marburgrede werd, als ik me vaag herinner, op advies van Berndt, die later Ministerialdirektor werd, in beslag genomen. Deze man vestigde de aandacht van Dr. Goebbels op de rede. Wat betreft alle andere aankondigingen van Von Papen was de regel dat zelfs het Ministerie van Propaganda het recht niet had die vrij te geven voor publicatie maar dat die ofwel aan de Minister persoonlijk, ofwel aan de Führer moesten worden overlegd.
DR. KUBUSCHOK: In uw getuigenis zei dat u dat u de beklaagde Von Papen enige tijd had gekend en dat u hem leerde kennen toen u Turkije bezocht. Wanneer bezocht u Turkije?
FRITZSCHE: In januari, ik meen in 1944.
DR. KUBUSCHOK: Wat was het doel van uw bezoek?
FRITZSCHE: Ik hield een toespraak tot de Duitse kolonie in Istanboel en Ankara bij gelegenheid van de 30ste januari.
DR. KUBUSCHOK: Had de heer von Papen iets te maken met deze rede en die festiviteiten?
FRITZSCHE: Nee, minder dan niets. Ik kreeg een officieel verzoek uit Berlijn om ervoor te zorgen dat de heer von Papen niet zogenaamd voor de viering van de 30ste zou verdwijnen, zoals hij wilde. Ik heb niet geprobeerd de heer van Papen over te halen te blijven en dus verliet hij op tijd zijn kantoor om te gaan skiën.
DR. KUBUSCHOK: Dat is alles.

Dr. THEODOR KLEFISCH (raadsman namens de SA): Beklaagde, u hebt net gezegd dat u was gemeld dat aan het einde van 1933 en begin 1934 werkloze SA leden bepaalde concentratiekampen bewaakten en dat mishandelingen waarschijnlijk konden worden teruggevoerd op dat feit.
Ik heb maar een vraag: Wie meldde dat aan u? Wie was de opsteller van dat rapport?
FRITZSCHE: De toenmalige perschef of persdeskundige van Reichsführer-SS Himmler; zijn naam was Gerhard Ratke.
Dr. KLEFISCH: Dank u zeer.

Dr. SAUTER (raadsman van beklaagde Funk): Beklaagde, eergisteren stelde u dat beklaagde Funk niets te maken had met propaganda op het Ministerie van Propaganda maar dat hij zich in het algemeen bezig hield met zaken betreffende organisatie en financiën. Ik zou nu graag willen dat u enkele vragen beantwoordt betreffende de activiteiten van beklaagde Funk op het Ministerie van Propaganda. U weet, beklaagde dat er in het begin een Presseamt van de Reichsregierung bestond en dat het een staatsinstelling was. Hoe lang heeft dit Presseamt bestaan en wat is er van geworden?
FRITZSCHE: Het heeft enige tijd bestaan, tenminste tot aan maart 1933 toen het een afdeling van Buitenlandse Zaken werd. Vanaf toen werd het een afdeling van het Ministerie van Propaganda en had een tweevoudige taak: allereerst te fungeren als persafdeling voor dit ministerie en ten tweede te blijven functioneren als Presseamt voor de Reichsregierung.
Dr. SAUTER: Beklaagde, kunt u mij vertellen wie vanaf maart 1933 – vanaf de inlijving van het Presseamt bij het Ministerie van Propaganda – de chef van dit Presseamt was en wie voor practische doeleinden het hoofd van het persstelsel was? Was dat Funk of was dat iemand anders?
FRITZSCHE: Nee, dat was Ministerialrat Jahnke, de opvolger van Ministerialdirektor Berndt. Dit Presseamt was onderverdeeld in drie afdelingen: Duitse pers.....
Dr. SAUTER: Dat interesseert mij niet, beklaagde. Mij interesseert alleen maar te weten of Funk het hoofd van dit departement was of is het juist te zeggen dat hij met die zaken niets te maken had?
FRITZSCHE: In naam was hij natuurlijk het hoofd maar met de practische uitvoering had hij niets te maken. Dat werd gedaan door Dr. Goebbels, Hanke en Jahnke.
Dr. SAUTER: En later Berndt?
FRITZSCHE: Ja.
Dr. SAUTER: Beklaagde, ik heb een andere vraag. Wie had de leiding van het persbeleid op het Ministerie van Propaganda? Ik bedoel nog steeds die staatsinstelling. Had beklaagde Funk er iets mee te maken, of wie was het eigenlijk. Wie gaf leiding aan het persbeleid?
FRITZSCHE: Destijds oefende Dr. Goebbels zelf die functie uit. Later was het de Reichspressechef, Dr. Dietrich.
Dr. SAUTER: Beklaagde Funk was staatssecretaris op het Ministerie van Propaganda of tenminste, hij had de titel van staatssecretaris. Bekijken we deze kwestie in zijn algemeenheid dan zou ik dit graag willen weten: Bekleedde hij in feite de positie van staatssecretaris en had hij het daarbij behorende gezag of oefende een andere ambtenaar de functie van staatssecretaris uit als gebruikelijke vertegenwoordiger van de Minister?
FRITZSCHE: Vanzelfsprekend had hij de positie, het gezag en het salaris van een staatssecretaris maar het practische werk werd iets anders verdeeld.
Dr. SAUTER: Hoe werd dat precies geregeld?
FRITZSCHE: Dat heb ik al genoemd. In de praktijk hield Funk zich bezig met organisatie en financiën zoals die golden voor het gigantische culturele concern dat in die tijd werd ontwikkeld, terwijl het actuele beleid werd gemaakt door Dr. Goebbels met de chef van zijn ministeriële afdeling Hanke die Funk’s opvolger als staatssecretaris was.
Dr. SAUTER: Ik heb een laatste vraag, beklaagde en die gaat over een ander onderwerp.
Weet u wat Minister Dr. Goebbels in november 1938 of daarna zei over de Joodse pogroms van 9 november 1938 met betrekking tot beklaagde Funk?
FRITZSCHE: Veel later verklaarde Dr. Goebbels in mijn tegenwoordigheid dat radicale maatregelen soms wel moesten worden genomen bij voorbeeld toen Funk voortdurend zei dat de Joden niet uit het economische leven konden worden verwijderd maar hij, Dr. Goebbels moest aan Funk bewijzen door de rellen van 8 november te organiseren dat het wel kon worden gedaan.
Dr. SAUTER: Zei hij in dit verband iets over het feit dat deze anti-Joodse actie, waar Dr. Goebbels verantwoordelijk voor was, ook was opgezet met als doel Funk in diskrediet te brengen?
FRITZSCHE: Dat was de kern van het antwoord dat ik u zojuist gaf.
Dr. SAUTER: Ik heb verder geen vragen, Meneer de President.

Dr. WALTER SIEMERS (Raadsman van beklaagde Raeder): Meneer Fritzsche, in deze rechtszaal hebben we gehoord welke ernstige beschuldigingen zijn geüit tegen beklaagde Raeder vanwege een artikel in de Völkische Beobachter. Het artikel dat ik bedoel is: “Churchil brengt de Athenia tot zinken,” dat op 23 oktober 1939 werd gepubliceerd.
Meneer de President, dit is document 3260-PS of bewijstuk GB-218. Ik zou enkele vragen willen stellen over het geval van de Athenia.
Meneer Fritzsche, wanneer ontving het Ministerie van Propaganda het bericht over de torpedering van de Athenia en via welke kanalen?
FRITZSCHE: Ik kan u uit het hoofd de datum niet noemen maar ik weet wel dat we dit bericht via de radio ontvingen, anders gezegd, we luisterden naar een buitenlandse uitzending.
Dr. SIEMERS: Dit radiobericht kwam kort na de torpedering van de Athenia binnen, is dat juist?
FRITZSCHE: Ongetwijfeld.
Dr. SIEMERS: Nam het Ministerie van Propaganda contact op met het OKM om de bijzonderheden hierover te weten te komen?
FRITZSCHE: Ja, dat deed ik persoonlijk omdat ik toevallig een verbindingsofficier van het OKM op kantoor had voor advies over censurering.
Dr. SIEMERS: Met wie nam u op het OKM contact op en wat hoorde u?
FRITZSCHE: Allereerst sprak ik met de officier die bij me was en die ik net noemde, Kapitänleutnant Hahn. Toen belde hij, en naar alle waarschijnlijkheid ik ook met het OKM. Voor zover ik me herinner heb ik met Korvettenkapitän Wolf gesproken.
Dr. SIEMERS: En wat vertelde Korvettenkapitän Wolf u?
FRITZSCHE: Hij vertelde mij in deze vroege fase al dat er geen Duitse U-boot in het betreffende gebied was.
Dr. SIEMERS: Ik zou u eraan willen herinneren dat de Athenia op 4 september 1939 tot zinken werd gebracht. Wat deed het Ministerie van Propaganda nadat het OKM had verklaard dat het geen Duitse U-boot was geweest die de Athenia had getorpedeerd?
FRITZSCHE: Toen werd dat bericht aangekondigd.
Dr. SIEMERS: Meneer Fritzsche, hoe gebeurde het dat ongeveer 7 weken later, op 23 oktober 1939 het artikel “Churchill bracht de Athenia tot zinken” werd gepubliceerd? Zal ik u het artikel laten zien?
FRITZSCHE: Nee, dank u. Ik herinner me dit incident heel goed omdat ik mijn geheugen heb nagegaan sinds deze kwestie hier voor het eerst weer in deze rechtszaal werd genoemd. Ik weet dat Hitler zelf bevel heeft gegeven om dit artikel te laten schrijven en hij gaf nauwkeurige instructies. Het bevel om dit artikel te schrijven kwam via twee kanalen, allereerst via een telefoongesprek door de Reichspressechef, Dr. Dietrich en ten tweede via een telefoongesprek door Dr. Goebbels of een van zijn ambtenaren – ik kan u niet zeggen wie van de twee. Het bevel moest worden doorgegeven aan de Völkische Beobachter.
Nu komen we aan de omstandigheden waarom ik me de bijzonderheden herinner. Toen ik tegen een van mijn medewerkers zei de Völkische Beobachter in te lichten, kwam hij bij mij terug met de mededeling dat dat niet nodig was omdat de Völkische Beobachter de noodzakelijke bijzonderheden rechtstreeks van het Führerhoofdkwartier had gehoord.
Dr. SIEMERS: Wanneer werd dit bevel door Hitler gegeven, of liever door Dr. Goebbels?
FRITZSCHE: De dag voordat het verscheen, neem ik aan.
Dr. SIEMERS: Had enige afdeling binnen het OKM iets met dit artikel te maken?
FRITZSCHE: Volgens mijn weten niet.
Dr. SIEMERS: Voordat dit artikel werd gepubliceerd, hebt u met Grossadmiral Raeder over dit artikel gesproken of vertelde u hem over het bevel dat Hitler hiervoor had gegeven?
FRITZSCHE: Nee, ik geloof dat het OKM absoluut geen weet had van dit artikel. Het ontstond op de manier zoals ik u zojuist heb geschetst.
Dr. SIEMERS: Heeft u ooit met iemand binnen het OKM of met Grossadmiral Raeder over deze kwestie gesproken?
FRITZSCHE: Alleen hier in de gevangenis.
Dr. SIEMERS: Meneer Fritzsche, is het juist dat in september 1939 de Times beweerde dat in Tsjechoslowakije de Duitsers in Praag 10.000 Tsjechen hadden vermoord, waaronder de burgemeester?
FRITZSCHE: Ik weet niet of dat in de Times werd gepubliceerd maar in elk geval in de News Chronicle.
Dr. SIEMERS: Wat heeft het Ministerie van Propaganda daarop ondernomen?
FRITZSCHE: Duitse en buitenlandse journalisten werden naar Praag gehaald. Als ik me niet vergis is een van de buitenlandse journalisten die meeging naar Praag hier in de rechtszaal aanwezig.
Dr. SIEMERS: Wat ontdekten die buitenlandse journalisten?
FRITZSCHE: Ze hadden een onderhoud met de burgemeester die zogenaamd was vermoord, ze reisden door het land en deden daarover verslag.
Dr. SIEMERS: Volgens dat was het artikel dus duidelijk vals?
FRITZSCHE: Destijds werd aangetoond dat dit bericht volkomen vals was. Ik moet er echter aan toevoegen dat sinds Maandag van deze week, na de verklaringen afgelegd door de heer Von Neurath het mij volkomen duidelijk is geworden dat er onder de dekking van deze massale en effectieve ontkenning, in Tsjechoslowakije in werkelijkheid een arrestatieactie werd uitgevoerd. Ik moet dit eraan toevoegen. Ik moet dit ophelderen. En als....
De PRESIDENT: Dr. Siemers, wat heeft dit met Raeder te maken?
Dr. SIEMERS: Meneer de President, ik meen dat dit op een bepaalde manier paralel loopt aan het artikel in de Völkische Beobachter, iets waar de Aanklager de nadruk op legt om redenen die mij niet duidelijk zijn.
De PRESIDENT: Het Tribunaal is van mening dat dit bewijsmateriaal niet ter zake doet.
Dr. SIEMERS: Meneer Fritzsche, weet u wat de houding van Dr. Goebbels was ten opzichte van Grossadmiral Raeder?
FRITZSCHE: Uit die paar opmerkingen die Dr. Goebbels over Grossadmiral Raeder maakte, blijkt dat hij negatief tegenover hem stond. Zijn reden, herhaaldelijk uitgedrukt, was Raeder’s negatieve houding ten opzichte van de Partij en de wensen van de Partij en zijn positieve houding in kerkelijke kwesties, waaronder de bescherming die hij bood aan geestelijken van de Marine die onder vuur van de kant van de Partij lagen.
Dr. SIEMERS: Meneer de President, ik heb verder geen vragen.

Dr. HORN: Beklaagde, u verklaarde dat een Generaal Niedermeier deelnam aan de conferentie die plaatsvond tussen Molotov en Von Ribbentrop. Waar kreeg u die informatie vandaan?
FRITZSCHE: Er zit een fout in uw vraag. Ik zei niet dat Generaal Niedermeier deelnam aan deze conferentie. Wat ik wel zei – en ik zal wat uitvoeriger zijn – was dat ik tijdens mijn gevangenschap deze Generaal Niedermeier toevallig ontmoette die enkele weken of maanden daarvoor een cel had gedeeld met de tolk die tot taak had de discussie tussen Molotov en Von Ribbentrop te vertalen.
Dr. HORN: Noemde Generaal Niedermeier u de naam van die tolk?
FRITZSCHE: Ongetwijfeld maar ik heb niet geprobeerd mij die te herinneren.
Dr. HORN: Ik heb nog een vraag. Na het laatste onderhoud op 30 augustus 1939 tussen de Britse Ambassadeur Sir Neville Henderson en de toenmalige Minister van Buitenlandse Zaken Von Ribbentrop, waarin de voorwaarden voor de onderhandelingen met Polen bekend werden gemaakt, werden deze voorwaarden de volgende dag gepubliceerd in de Daily Telegraph en er wordt verondersteld dat dit exemplaar van die krant werd teruggenomen. Wat weet u over dat artikel?
FRITZSCHE: Allereerst zou ik een andere fout willen rechtzetten die in uw vraag is binnengeslopen. Op de morgen in kwestie publiceerde de Daily Telegraph niet de voorwaarden of de nota maar publiceerde alleen maar een bericht dat gedurende de voorafgaande avond de Britse regering had beraadslaagd over de Duitse eisen aan Polen, de voorwaarden waren aan hen meegedeeld door hun ambassadeur in Berlijn. Daarom blijkt uit dit artikel – in elk geval kon het op geen enkele andere manier worden uitgelegd – dat die voorwaarden in Londen bekend waren.
Dr. HORN: Ik dank u zeer.

Dr. THOMA: Meneer Fritzsche, u verklaarde gisteren dat de Völkische Beobachter gedurende de hele oorlog in direct contact stond met de Führer en met het hoofdkwartier van de Führer. Welke individuele leden van de staf van de Völkische Beobachter bedoelde u?
FRITZSCHE: Ik bedoelde niet direct mensen bij de Völkische Beobachter; ik dacht voornamelijk aan mensen op het Führerhoofdkwartier. Dr. Dietrich en zijn vertegenwoordigers maakten er een gewoonte van de Völkische Beobachter altijd direct te bellen.
Dr. THOMA: U weet dat Rosenberg na 1937 niet langer de hoofdredacteur van de Völkische Beobachter was?
FRITZSCHE: Ik ben ervan overtuigd dat hij zelfs voor die tijd die functie alleen maar in naam uitoefende.
Dr. THOMA: Beklaagde, kunt u het Hof zeggen, voor zover het de zogenaamde acties van de Partij betrof – bij voorbeeld boekverbrandingen, de boycott van april 1933, de pogrom in november 1938 – wie de drijvende kracht achter al die acties was?
FRITZSCHE: Vandaag heb ik de stellige overtuiging dat het Dr. Goebbels was.
Dr. THOMA: Beklaagde, weet u dat Dr. Goebbels, telkens wanneer Hitler in Berlijn was, altijd bij Hitler te gast was?
FRITZSCHE: Dat is niet helemaal waar. Jaren voor de oorlog zag Dr. Goebbels Hitler ongetwijfeld maar zelden.
Dr. THOMA: Ik heb een andere vraag. Weet u dat Dr. Goebbels een directe telefoonlijn met Hitler had?
FRITZSCHE: Dat is nieuw voor mij. Dat is de eerste keer dat ik dat hoor.
De PRESIDENT: Dr. Thoma, dit heeft toch niets te maken met Rosenberg, het feit dat Dr. Goebbels een directe telefoonlijn met Hitler had?
Dr. THOMA: Meneer de President, ik wilde Fritzsche daarmee alleen vragen of Rosenberg dezelfde band met Hitler had als Dr. Goebbels.
FRITZSCHE: Ik weet niet wat voor telefoonlijnen Rosenberg had maar ik weet wel en hoorde regelmatig dat Rosenberg Hitler zelden ontmoette.
Dr. THOMA: Dank u zeer.
De PRESIDENT: Is er en van de andere raadsheren van de verdediging die vragen wil stellen?
(er komt geen antwoord).
De PRESIDENT: Dan gaan we nu pauzeren.

Definitielijst

boekverbrandingen
In 1933 organiseerden de Nazi’s voor het eerst op grote schaal openbare boekverbrandingen. Vooral boeken van joodse, socialistische en communistische auteurs werden verbrand op de brandstapel.
Führer
Duits woord voor leider. Hitler was gedurende zijn machtsperiode de führer van nazi-Duitsland.
Gauleiter
Leider en vertegenwoordiger van de NSDAP in een Gau.
ideologie
Het geheel van beginselen en ideeën van een bepaald stelsel.
kolonie
Overzees gebiedsdeel.
OKM
Ober Kommando der Kriegs Marine. Het Duitse opperbevel over de Kriegsmarine.
propaganda
Vaak misleidende informatie die gebruikt wordt om aanhangers / steun te winnen. Vaak gebruikt om ideele en politieke doelen te verwezenlijken.
RSHA
Reichssicherheitshauptambt. De centrale inlichtingen en veiligheidsdienst van het Derde Rijk
Sovjet-Unie
Sovjet Rusland, andere naam voor de USSR.
U-boot
Duitse benaming voor onderzeeboot. Duitse U(ntersee)-boten hebben tot in mei 1943 een belangrijke rol gespeeld in de oorlogvoering. Ook veel vracht- en passagiersboten werden door deze sluipmoordenaars van de zee getorpedeerd en tot zinken gebracht.
Volkenbond
Internationale volkerenorganisatie voor samenwerking en veiligheid (1920-1941). De bond was gevestigd in Genève, in het altijd neutrale Zwitserland. In de dertiger jaren kon zij weinig uitrichten tegen het agressieve optreden van Japan (Mantsjoerije), Italië (Abessinië) en Hitler. De Volkenbond was in feite de voorganger van de Verenigde Naties.

Pagina navigatie

Informatie

Vertaald door:
Arnold Palthe
Geplaatst op:
26-07-2010
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

Categorieën


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2017
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.