Morgen, Konrad

Morgens onderzoekscommissie

Onderzoekscommissie

De zaak tegen Koch en zijn handlangers bracht Morgen ook naar het concentratiekamp Majdanek in Oost-Polen, waar Koch van september 1941 tot augustus 1942 de eerste kampcommandant was geweest. Morgen stelde vast dat Koch en zijn stafleden in Majdanek hun corruptiepraktijken, "illegale moorden" en gruweldaden hadden voortgezet. Ook gedurende zijn onderzoek in Majdanek ondervond hij tegenwerking: alle potentiële Joodse getuigen zouden omgebracht zijn voordat ze een belastende verklaring tegen de kampleiding hadden kunnen afleggen. Desondanks werd er voldoende bewijs gevonden om het voormalige staflid SS-Obersturmführer Hermann Hackmann te arresteren. Hij diende inmiddels in de Waffen-SS, maar was zowel in Buchenwald als Majdanek werkzaam geweest als staflid van Koch. Op 29 juni 1944 werd hij door de SS- en Politierechtbank in Kassel schuldig verklaard aan verduistering en werd de doodstraf tegen hem uitgesproken. Zover kwam het niet, want hij werd voor het einde van de oorlog vrijgelaten uit het strafkamp in Dachau en in een strafeenheid geplaatst.

Een andere collega van Koch die in het kader van het corruptieonderzoek gearresteerd werd, was SS-Sturmbannführer Hermann Florstedt. Vanaf 1 juli 1940 werkte hij achtereenvolgens als Schutzhaftlagerführer in Sachsenhausen en Buchenwald. Op 25 november 1942 werd hij benoemd tot de opvolger van Koch als commandant van Majdanek. Op 23 oktober 1943 werd aan het SS-Personalhauptamt gemeld dat Florstedt "op bevel van de Reichsführer-SS onder verdenking van verduistering en andere zware delicten gearresteerd was" en voor ondervraging door rechter Morgen overgebracht was naar Buchenwald. Over het lot van Florstedt bestaat tegenwoordig nog veel onduidelijkheid. Veel historici gaan ervan uit dat hij, net als Koch, door de SS in april 1945 in Buchenwald terechtgesteld werd. Peter Lindner, die een biografie over Florstedt schreef, gelooft dit niet: hij is ervan overtuigd "dat Florstedt onder valse naam overleefde en mogelijk vredig gestorven is."

De Buchenwald-zaak vormde het begin van meerdere gerechtelijke onderzoeken naar corruptie en andere misdrijven in de Duitse concentratiekampen gedurende de jaren 1943 en 1944. Speciale door Konrad Morgen gecoördineerde onderzoekscommissies van SS-rechters reisden af naar de concentratiekampen om daar bewijzen te verzamelen. Andere kampen waar Morgen en zijn mensen onderzoek verrichtten waren: Auschwitz, Dachau Sachsenhausen, Vught, Krakau, Plaszów en Warschau.

Morgens werk leverde hem binnen de SS naar eigen zeggen de bijnaam "de bloedrechter" op. Hij beweerde 800 zaken (die vaak meerdere personen behelsden) in behandeling genomen te hebben, waarvan er uiteindelijk 200 leidden tot een bestraffing door de rechtbank. Andere kampcommandanten dan Koch en Florstedt naar wie Morgen onderzoek deed, waren: Amon Göth, Adam Grünewald, Karl Künstler, Alex Piorkowski en Hans Loritz, respectievelijk de commandanten van Plaszów, Vught, Flossenbürg, Dachau en Sachsenhausen. Alle vijf werden ze tijdens de oorlog door de SS ontslagen als kampcommandant. De indruk is ontstaan dat al deze personen dankzij de inspanningen van Morgen voor het gerecht gebracht werden om vervolgens ontslagen te worden, maar in elk geval voor wat betreft Künstler, Piorkowski en Loritz is de waarheid anders. Morgen begon zijn onderzoek naar hen pas nadat ze ontslagen waren door Oswald Pohl, die in totaal een derde van zijn kampcommandanten verving, vaak vanwege incompetentie. Geen van drieën lijkt uiteindelijk bestraft geweest te zijn naar aanleiding van Morgens beschuldigingen.

Lublin

In het najaar van 1943 kwam Konrad Morgen naar eigen zeggen voor het eerst in aanraking met de massamoord op de Joden. Hij stuitte op twee sporen: het ene leidde hem naar Lublin, het ander naar Auschwitz. In Lublin betrof het een zaak in een niet bij naam genoemd Joods werkkamp in Lublin. Tijdens het proces van Neurenberg verklaarde Morgen dat hij op deze zaak gewezen was in een rapport van de lokale commandant van de Sicherheitspolizei. Daarin werd vermeld dat er in dit kamp een Joodse bruiloft plaatsgevonden had met 1.100 gasten. Er zou sprake zijn geweest van een "overdadige consumptie van voedsel en alcoholische dranken." Het meest kwalijke was dat er op de bruiloft SS’ers aanwezig zouden zijn geweest. Morgen vermoedde dat er criminele activiteiten hadden plaatsgevonden en vertrok naar Lublin.

Morgen kwam erachter dat de leiding over het kamp in handen was van SS-Sturmbannführer Christian Wirth, die tevens inspecteur was van Belzec, Sobibor en Treblinka, de vernietigingskampen die opgezet waren ter uitvoering van Aktion Reinhard. Tot zijn verbazing gaf Wirth toe dat dit huwelijk plaatsgevonden had in het bijzijn van zijn ondergeschikten. "Ik vroeg hem waarom hij leden van zijn eenheid het toestond zulke dingen te doen", aldus Morgen, "en toen maakte hij aan me bekend dat hij op bevel van de Führer de vernietiging van de Joden uit moest voeren." Het huwelijk was bedoeld om de Joden te misleiden. Het was zijn strategie om de Joden die voor hem werkten met bepaalde privileges voor zich te winnen, zodat ze geloofden dat ze in leven zouden blijven en hun werk bleven doen.

Veel meer is niet bekend over het onderzoek dat Morgen deed in Lublin. Morgen beweerde zelf dat hij Wirth "tot aan zijn dood" achtervolgd zou hebben. Hij zou Wirth zelfs zijn nagereisd toen hij overgeplaatst werd naar de Adriatische kust waar hij ingezet werd bij de partizanenbestrijding. Wat we wel weten, is dat Morgens naspeuringen niet hebben geleid tot een vervolging van Wirth. Vermoedelijk op 26 mei 1944 kwam hij bij Triëst om bij gevechten met partizanen.

Auschwitz

In hetzelfde najaar dat hij in Lublin in aanraking kwam met de uitroeiing van de Joden bezocht Morgen het concentratiekamp Auschwitz. De aanleiding voor zijn onderzoek in Auschwitz was een veldpostpakketje dat door de douane in beslag was genomen. Een staflid had het vanuit Auschwitz verzonden naar zijn echtgenote in Duitsland. Het pakketje zou daar nooit aankomen, want het werd ter controle door de douane geopend die er goudklompen in aantrof. Het werd in beslag genomen als smokkelwaar en er werd melding gemaakt bij de verantwoordelijke SS- en Politierechtbank. Zo raakte Morgen, die op 9 november 1943 gepromoveerd werd tot SS-Hauptsturmführer, bij de zaak betrokken. Hij stelde vast dat het goud afkomstig was van gouden vullingen uit de gebitten van gevangenen en reisde naar Auschwitz voor nader onderzoek.

Het onderzoek dat door Konrad Morgen in Auschwitz ingesteld werd, was minstens van vergelijkbare omvang als de grote corruptiezaak in Buchenwald. Ongeveer een half jaar lang werd er in Auschwitz gezocht naar bewijzen van diefstal en andere misdaden die gepleegd waren door kamppersoneel. Na de oorlog verklaarde Morgen dat "het gedrag van het SS-personeel [in Auschwitz] geenszins [voldeed] aan de maatstaven die men bij soldaten mag verwachten. Ze maakten de indruk van gedemoraliseerde en verdierlijkte parasieten." Volgens SS-rechter Helmut Bartsch, een lid van Morgens onderzoeksteam, werden er tussen oktober 1943 en zijn vertrek uit het kamp in april 1944 123 onderzoeken geopend naar SS’ers in Auschwitz. "Op basis van de bevindingen," zo beweerde hij, "werden drieëntwintig lager geplaatste en twee hoger geplaatste SS’ers gearresteerd." De straffen varieerden volgens hem van twee tot vier jaar gevangenisstraf "en in de meeste gevallen werden de veroordeelde mannen ontslagen uit de Waffen-SS."

Vermoedelijk was één van de door Bartsch genoemde hoger geplaatste SS’ers SS-Untersturmführer Maximilian Grabner. Hij en zijn medewerker SS-Oberscharführer Wilhelm Boger werden door Morgen beschuldigd van "illegale" moorden. Beide mannen werkten op de politieke afdeling van Auschwitz, ook wel bekend als de kampgestapo. Het lukte Morgen en zijn collega’s echter niet om Boger voor het gerecht te brengen. Hij bleef actief in Auschwitz tot de ontruiming van het kamp in januari 1945. Wel slaagden ze erin om een rechtszaak geopend te krijgen tegen Grabner. De zitting vond plaats in oktober 1944 in Weimar. De rechtbank werd voorgezeten door dr. Werner Hansen. Die verklaarde later dat Grabner aangeklaagd werd voor de moord op 2.000 gevangenen die doodgeschoten zouden zijn om ruimte te scheppen in de overvolle kampgevangenis van Auschwitz. Er werd twaalf jaar gevangenisstraf geëist tegen Grabner, maar de rechtszaak werd uitgesteld om nader onderzoek te doen naar de vraag of er vanuit het Reichssicherheitshauptamt (RSHA) opdrachten waren gegeven voor de executies. Omdat Gestapochef Heinrich Müller dit tegenwerkte, liep het onderzoek stuk. Grabner keerde uiteindelijk als medewerker van de Gestapo terug naar Katowice, waar hij al had gewerkt voordat hij in Auschwitz aangesteld werd.

Er zijn aanwijzingen dat Morgens onderzoekscommissie ook in Auschwitz gedwarsboomd werd. Zowel Morgen als zijn collega Wilhelm Reimers maakte er melding van dat op een nacht de houten barak, waarin ze hun bewijsstukken opgeslagen hadden, afbrandde. Morgen uitte na de oorlog zijn vermoeden dat de brandstichting onderdeel was van een van bovenaf aangestuurd complot met Oswald Pohl als het duistere brein daarachter. Volgens hem gaf Pohl niet alleen zijn corrupte personeel in de concentratiekampen rugdekking, maar was hij ook zelf corrupt. Samen met zijn naaste medewerkers zou hij goud vanuit de concentratiekampen hebben laten smelten en de tegenwaarde op een rekening hebben laten plaatsen. Zo kon hij dan honderdduizenden rijksmarken wegsluizen.

Morgen heeft ook geprobeerd Rudolf Höss, tot eind1943 de kampcommandant van Auschwitz, vervolgd te krijgen. Morgen had ontdekt dat Höss in Auschwitz een geheime relatie had gehad met een vrouwelijke gevangene. De gevangene was Eleonore Hodys, geboren in 1903 in Wenen en arts van beroep. Als politieke gevangene werd ze tewerkgesteld als handwerkster in de villa van de familie Höss, waar ze een bevoorrechte positie genoot. Vermoedelijk omdat Höss’ vrouw vermoedde dat er iets speelde tussen haar man en Hodys werd ze ontslagen. Ze kwam terecht in de kampgevangenis, waar ze in het geheim meerdere keren bezocht werd door de kampcommandant. Toen ze zwanger van hem raakte, was de relatie over en kwam er een eind aan haar bevoorrechte positie. Naar eigen zeggen bevrijdde Morgen haar uit de kampgevangenis en zorgde hij voor haar vrijlating uit Auschwitz. Het is niet duidelijk of dat werkelijk zo gegaan is, maar in de herfst van 1944 verhoorde hij haar in een hospitaal in München. Dat verhoor leidde niet tot de vervolging van Höss.

Laatste oorlogsjaar

Door historici is beweerd dat Morgen in april 1944 door Himmler bevolen werd zich voortaan enkel nog bezig te houden met de afhandeling van de zaak Koch. Himmler zou dat gedaan hebben om te voorkomen dat Morgen Rudolf Höss en andere hooggeplaatste deelnemers aan de uitroeiing van de Joden had kunnen vervolgen en zodoende het vernietigingsprogramma zou dwarsbomen. Hier was echter geen sprake van. Günther Reinecke, de chef van het hooggerechtshof van de SS en politie, verklaarde tijdens het proces van Neurenberg dat Himmler weliswaar had opgedragen dat Morgen zich moest beperken tot de zaak tegen Koch, maar dat Franz Breithaupt, de chef van het Hauptamt SS-Gericht, hiertegen met succes bezwaar had gemaakt. In een brief van 26 augustus 1944 aan Breithaupt van Hans Bender, de Oberster SS- und Polizeirichter (Hoogste SS- en Politierechter) die onderdeel uitmaakte van de staf van de Reichsführer-SS, werden Himmlers complimenten overgebracht voor Morgens "in het concentratiekamponderzoek uitgevoerde goede werk." Himmler gaf het bevel om Morgen te bevorderen. Morgens promotie tot SS-Sturmbannführer in de Waffen-SS volgde op 9 november 1944.

Over de werkzaamheden van Morgen na de jaarwisseling van 1944-1945 is weinig bekend, maar zijn onderzoeken in de concentratiekampen leken nu wel echt tot stilstand gekomen te zijn. In de herfst van 1944 was Morgen benoemd tot SS-chefrechter in Krakau. Hij hield zich enkel nog bezig met juridische routinezaken en voelde zich "aan de kant gezet". Op 19 januari 1945 werd Krakau ingenomen door het Rode Leger. Morgen was inmiddels overgeplaatst naar Breslau, het tegenwoordige Wroc³aw.

Rond het einde van de oorlog verbleef Morgen korte tijd in Sovjet- en Tsjechische krijgsgevangenschap. Hij meldde zich na zijn vrijlating uit eigen beweging bij de westerse geallieerden, nadat hij vernomen had dat hij gezocht werd vanwege zijn "kennis van concentratiekampen". Op 22 september 1945 arriveerde hij vanuit het Beierse Prien bij het hoofdkwartier van het Amerikaanse Counterintelligence Corps van het 7th Army in Mannheim. Dit was het begin van Morgens rol als getuige in meerdere processen tegen oorlogsmisdadigers, die gedurende de daarop volgende jaren plaatsvonden. Behalve getuige was hij zelf echter, vanwege zijn positie in de SS, ook een verdachte. Na voor verhoor overgebracht te zijn naar het hoofdkwartier van het CIC in Oberursel in Hessen, werd Morgen als verdachte overgeplaatst naar het voormalige concentratiekamp Dachau, dat nu door de Amerikanen gebruikt werd als interneringskamp voor Duitsers die verdacht werden van oorlogsmisdaden.

In Dachau voerden de Amerikanen ook processen tegen nazimisdadigers. Eén van hen was Ilse Koch. De vrouw van de kampcommandant van Buchenwald werd door de Amerikanen beschuldigd van de meest afschuwelijke misdaden. De beschuldiging dat ze een lamp van mensenhuid had laten vervaardigen, vormde het speerpunt van de aanklagers. Om dit te kunnen bewijzen zouden de Amerikanen getracht hebben om Morgen een verklaring te laten ondertekenen waarin hij bevestigde dat de beschuldiging tegen Ilse Koch met betrekking tot de lampenkap juist was. Ondanks dat hij tijdens zijn eigen onderzoek de sadistische aard van de vrouw vaststelde en de geruchten over de lampenkap toen ook al de ronde deden, had een door hem uitvoerige huiszoeking geen enkel bewijs hiervoor opgeleverd. Hoezeer hij ook walgde van de sadistische aard van de vrouw van de kampcommandant, hij weigerde de verklaring te ondertekenen.

Definitielijst

Führer
Duits woord voor leider. Hitler was gedurende zijn machtsperiode de führer van nazi-Duitsland.
geallieerden
Verzamelnaam voor de landen / strijdkrachten die vochten tegen Nazi-Duitsland, Italië en Japan gedurende WO 2.
oorlogsmisdaden
Misdaden die in oorlogstijd worden begaan. Vaak betreft het hier misdaden van militairen ten opzichte van burgers.
Rode Leger
Leger van de Sovjetunie.
RSHA
Reichssicherheitshauptambt. De centrale inlichtingen en veiligheidsdienst van het Derde Rijk

Pagina navigatie

Afbeeldingen


Hermann Florstedt, door de SS eveneens vanwege verduistering en zware delicten ter dood veroordeeld. Of de doodstraf voltrokken werd, is onduidelijk.
(Bron: H.E.A.R.T.)


Adam Göth, de sadistische commandant van Plaszów. Door de SS gearresteerd op beschuldiging van corruptie, mishandeling en moord, maar hij ontsnapte aan bestraffing.


Christian Wirth, de inspecteur van de vernietigingskampen Belzec, Sobibor en Treblinka. Morgen beweerde dat hij geprobeerd heeft hem voor het gerecht te brengen, maar zonder succes.
(Bron: Yad Vashem)


Maximilian Grabner, de leider van de politieke afdeling in Auschwitz. Morgen beschuldigde hem van illegale moorden.
(Bron: Auschwitz Memorial)


Rudolf Höss, commandant van Auschwitz. Morgen heeft tevergeefs geprobeerd hem te doen vervolgen. (Bron:)
(Bron: USHMM)

Informatie

Artikel door:
Kevin Prenger
Geplaatst op:
21-10-2017
Laatst gewijzigd:
22-10-2017
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

Categorieën


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2018
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.