Verhoor Bernd Gisevius 2

Ochtendzitting 1 25-04-1946

Inhoudsopgave

Dr. DIX: Dr. Gisevius, Gisteren zijn we tot het jaar 1938 gevorderd. U was teruggekeerd naar Berlijn in een fictieve functie die Schacht voor u had geregeld en u stond nu in voortdurend contact met uw politieke vertrouwelingen, Schacht, Oster, Canaris en Nebe. U hebt als laatste verklaard dat u destijds binnen uw kring de sterke indruk had dat er een coup op handen was.
Nu komen we echt toe aan de zogenoemde Von Fritsch-crisis; naar mijn mening de beslissende, interpolitieke eerste stap op weg naar de oorlog. Wilt u alstublieft het hele verloop en de achtergrond van die crisis beschrijven, in het bijzonder het feit in gedachten houdend dat terwijl die crisis zich afspeelde de inval in Oostenrijk plaats vond en natuurlijk altijd denkend aan de positie en activiteiten van Schacht die hier de hoofdzaak vormen.
GISEVIUS: Ik zal eerst het verloop van de crisis als zodanig beschrijven en het is juist dat al mijn vrienden deze beschouwden als de eerste stap op weg naar de oorlog. Ik zal de feiten een voor een noemen. Om het beeld niet te verwarren, vind ik het raadzaam Schacht er tijdelijk buiten te laten omdat de feiten als zodanig al erg genoeg zijn. Verder zal ik in het begin de bronnen van mijn informatie niet noemen of mijn eigen ervaringen beschrijven; ik wacht liever totdat ik daarover word verhoord.
Op 12 januri 1938 werd het Duitse publiek verrast door het bericht dat Feldmarschall Von Blomberg, die destijd Rijksminister van Oorlog was, in het huwelijk was getreden. Er werden geen bijzonderheden over zijn vrouw of foto's gepubliceerd. Een paar dagen later verscheen er één foto, een foto van de maarschalk met zijn vrouw voor een apenkooi in de dierentuin van Leipzig. In Berlijn begonnen boosaardige geruchten te circuleren over het vroegere leven van zijn vrouw. Een paar dagen later verscheen op het bureau van de politiecommissaris in Berlijn een dik dossier dat de volgende informatie bevatte: De vrouw van Feldmarschall Von Blomberg was een al eerder veroordeelde prostituée die als zodanig te boek had gestaan in zeven grote Duitse steden; ze stond ook in het criminele dossier van Berlijn. Ik heb zelf de vingerafdrukken en de foto gezien. Ze was ook door de rechtbank in Berlijn veroordeeld wegens het verspreiden van pornografische foto's. De commissaris van politie in Berlijn was verplicht om dat dossier via de officiële kanalen door te geven aan de Chef van de politie, Himmler.
Dr. DIX: Pardon, wie was destijds commissaris van politie in Berlijn?
GISEVIUS: De commissaris van politie in Berlijn was Graaf Helldorf. Graaf Helldorf realiseerde zich dat wanneer dit materiaal in handen van de Reichsführer-SS zou komen het de Wehmacht in grote verlegenheid zou brengen. Himmler zou dan het materiaal in bezit hebben dat hij nodig had om Von Blomberg's reputatie en zijn loopbaan te ruïneren en de leiding van de strijdkrachten een slag toe te brengen. Helldorf nam dit dossier mee naar de meest naaste medewerker van Feldmarschall Von Blomberg, de toenmalige chef van de afdeling Wehrmacht, Keitel die destijds verwant was geworden aan Feldmarschall Von Blomberg door het huwelijk tussen hun kinderen. Feldmarschall Keitel, of Generaloberst Keitel wat hij toen was, las het dossier zorgvuldig door en eiste dat politiecommissaris Helldorf het hele schandaal moest verzwijgen en het dossier achter houden.
Dr. DIX: Misschien wilt u het Tribunaal de bron van uw informatie noemen?
GISEVIUS: Ik kreeg mijn informatie van Graaf Helldorf die de hele affaire aan mij beschreef, en van Nebe, Oberregierungsrat op het hoofdkwartier van politie in Berlijn destijds en later Reichskriminaldirektor.
Keitel weigerde Von Blomberg de gevolgen te laten dragen, hij weigerde de Chef van de Generale Staf, Beck in te lichten of de Chef van de Wehrmacht, Generaloberst von Fritsch. Hij stuurde Graaf Helldorf met het dossier naar Göring. Helldorf gaf het hele dossier aan beklaagde Göring; Göring beweerde dat hij niets wist van de diverse delen van de criminele dossiers en de eerdere veroordelingen van de vrouw van Von Blomberg. Niettemin gaf hij in dat eerste gesprek – en in latere gesprekken – toe dat hij het volgende al wist:
Allereerst dat Feldmarschall Von Blomberg hem al enkele maanden eerder had gevraagd of het was toegestaan een verhouding te hebben met een vrouw van lage komaf en kort daarna had hij Göring gevraagd of hij hem wilde helpen vrijstelling te krijgen om met deze 'vrouw met een verleden' zoals hij het uitdrukte, te trouwen. Later kwan Von Blomberg terug en vertelde Göring weer dat de vrouw van zijn keuze helaas een andere minnaar had en hij Göring moest vragen hem te helpen van die vrouw af te komen.
Dr. DIX: Pardon, Göring vertelde dat aan Helldorf en u hoorde het van Helldorf?
GISEVIUS: Ja, dat is wat Göring zei en in het verdere verloop van het gesprek hoorden we dat ook uit andere bronnen. Göring ruimde die minnaar uit de weg door hem buitenlands geld te geven en hem weg te sturen naar Zuid-Amerika. Ondanks dat lichtte Göring Hitler niet in over dat incident. Hij ging zelfs met Hitler, als getuigen, naar het huwelijk van Feldmarschall Von Blomberg op 12 januari. Ik zou er hierop willen wijzen....
De PRESIDENT: Dr. Dix, het Tribunaal wenst te weten waarom u vindt dat deze zaken, die persoonlijk lijken te zijn, van belang zijn voor de aanklacht en op welke manier zij de beklaagden Schacht, Göring of Frick aangaan?
Dr. DIX: Ik ben hier alleen maar om de belangen, de rechtmatige belangen te behartigen van beklaagde Schacht. Het is noodzakelijk die crisis in al zijn afschuwelijkheid te presenteren om te begrijpen welke uitwerking, welke revolutionaire uitwerking dat had op Schacht en zijn kring waar het het regime betrof. Ik heb al eerder gezegd dat de affaire Von Fritsch het keerpunt was in de ommekeer van Schacht als volgeling en tot op zekere hoogte als bewonderaar van Hitler, tot de doodsvijand die hem naar het leven stond. Het Tribunaal kan die afschuw niet begrijpen wanneer het Tribunaal niet dezelfde indruk krijgt die Schacht destijds had. Ik wens hier op geen enkele manier de vuile was buiten te hangen. Mijn besluit om deze vragen te stellen en getuige te vragen de affaire Von Fritsch tot in bijzonderheden te beschrijven komt alleen maar voort uit het feit dat de verdere ontwikkeling van Schacht, en van de affaire Von Fritsch, of van laten we zeggen de kring Oster-Canaris waartoe Schacht behoorde, niet kan worden begrepen als men zich niet bewust is van de monsterlijke omstandigheden van die affaire. Gezien deze feiten, hoe onplezierig ook, moet ik besluiten deze soms zeer persoonlijke zaken onder de aandacht van het Tribunaal te brengen. Helaas kan ik daar in mijn verdediging niet aan voorbij gaan. Het zijn de hoekstenen van mijn verdediging.
Mr. JUSTICE JACKSON: Met welnemen van het Tribunaal, het is op dit moment wellicht nuttig onze positie te kennen met betrekking tot deze getuigenis, als nu moet worden overwogen of die toelaatbaar is of niet. Ik zou wensen, als dit incident niet behandeld wordt, dit vanwege diverse aspecten in een kruisverhoor naar voren te brengen. Een ervan is dat het de achtergrond aantoont van het incident van gisteren, waarvan ik denk dat het belangrijk is voor het vaststellen van het waarheidsgehalte van de getuigenis in dit geval.
Iets anders is dat het te maken heeft met de samenzwering tot een machtsgreep. Er waren bepaalde personen in Duitsland waar die samenzweerders van af moesten. Sommige van hen konden ze veilg vermoorden. Sommige van hen, zoals we hebben gezien bij de Röhm Putsch toen ze die gingen vermoorden, veroorzaakten enige weerstand. Ze moesten andere middelen te baat nemen en de methode die ze tegen Von Fritsch en Von Blomberg toepasten tonen de samenzwering tot het grijpen van de macht aan en om van de mannen af te komen die wellicht een aanvalsoorlog in de weg stonden.
Het lijkt mij, meen ik dat Von Fritsch en Von Blomberg tot de vertrouwelingen van het Duitse volk behoorden die deze Nazis toestonden zo ver te gaan als zij gingen, in het geloof dat er hier tenminste twee mannen waren die hun belangen zouden behartigen; de methode waarmee deze mannen onderuit werden gehaald en van het toneel verwijderd zouden wij beschouwen als een belangrijk deel van de complottheorie en ik zou willen verzoeken daar tijdens een kruisverhoor op in te gaan.
Dat kan wellicht belangrijk zijn voor het Tribunaal bij de beslissing om nu wel of niet verder te gaan.
Dr. DIX: Mag ik er nog iets aan toevoegen?
De PRESIDENT: Ja, Dr. Dix,
Het Tribunaal is van mening, gezien wat u hebt gezegd en wat Mr. Justice Jakson heeft gezegd, dat u uw verhoor moet voortzetten en u zult zich ongetwijfeld zoveel mogelijk beperken tot de politieke aspecten van deze kwestie.
Dr. DIX: Natuurlijk. Maar de persoonlijke kwesties zijn in deze zaak van dusdanig groot politiek belang dat daar niet aan kan worden voorbij gegaan.
Welnu, Dr. Gisevius, u begrijpt de moeilijkheden van deze toestand. Wij willen alleen maar bewijs leveren en niets sensationeels als doel op zich. Echter, wanneer het noodzakelijk is over dergelijke onderwerpen te spreken om de ontwikkeling voor het Tribunaal te verklaren, vraag ik u heel openlijk te zijn.
GISEVIUS: Ik verzoek het Tribunaal zich ook van mijn moeilijkheden bewust te zijn. Ik spreek zelf niet graag over die dingen.
Ik moet eraan toevoegen dat alleen Göring de leiding had over het Untersuchungsamt. Dat was het orgaan dat de controle over al het telefoonverkeer in Duitsland overnam. Dit Untersuchungsamt stelde zich niet alleen tevreden met, zoals hier is beschreven, het afluisteren van telefoongesprekken en het ontcijferen van berichten, maar het had zijn eigen inlichtingendienst, tot aan de eigen werknemers aan toe, voor het verzamelen van inlichtingen. Het was daarom ook heel goed mogelijk vertrouwelijke informatie te krijgen over Von Blomberg's vrouw. Toen Helldorf het dossier aan Göring gaf voelde Göring zich verplicht dat dossier aan Hitler te geven. Hitler kreeg een zenuwinzinking en besloot om Feldmarschall von Blomberg onmiddellijk te ontslaan. Hitler's eerste gedachte was, zoals hij later op een openbare bijeenkomst tegen de generaals zei, om Generaloberst von Fritsch tot opvolger van Von Blomberg te benoemen. Op het moment dat hij zijn beslissing bekend maakte herinnerden Göring en Himmler hem eraan dat dat niet kon omdat volgens een dossier uit het jaar 1935 Von Fritsch ernstig beschuldigd was.
Dr. DIX: Pardon, Doctor. Wat is de bron van de informatie betreffende dit gesprek tussen Hitler en de generaals en ook van Göring's verklaring?
GISEVIUS: Diverse generaals die die bijeenkomst bijwoonden hebben mij dat verteld en ik heb al gezegd dat Hitler in de loop van de gebeurtenissen, die ik nog moet beschrijven vele uitspraken deed. Wij hadden tot 20 juli ook de originele documenten in bezit van de Opperste Krijgsraad die later bijeen kwam. Het dossier uit 1935 dat in 1938 aan Hitler werd overhandigd, betrof het feit dat de Gestapo in 1934 het idee opperde om behalve andere staatsvijanden ook homosexuelen als misdadigers te vervolgen. Op zoek naar bewijsmateriaal bezocht de Gestapo de gevangenissen en vroeg veroordeelden, die homosexuelen hadden gechanteerd, om bewijsmateriaal en om de namen van die homosexuelen. Een van die gevangenen vertelde een vreselijk verhaal, een verhaal dat werkelijk zo afschuwelijk is dat ik het hier niet zal herhalen. Laat me volstaan met te zeggen dat deze gevangene dacht dat de man in kwestie een zekere meneer Von Fritsch of Frisch was geweest. De gevangene kon zich de juiste naam niet meer herinneren. De Gestapo droeg toen, in 1935 die dossiers over aan Hitler. Hitler was verontwaardigd over de inhoud. Sprekend tot de generaals zei hij dat hij niets wilde weten van een dergelijke smerige affaire. Hitler gaf bevel de dossiers onmiddellijk te verbranden.
Nu, in januari 1938 herinnerden Göring en Himmler Hitler aan die dossiers en het werd aan de sluwheid van Heydrich overgelaten om die dossiers nogmaals aan Hitler over te dragen die in 1935 zogenaamd waren verbrand en die in de tussentijd door grondig onderzoek waren aangevuld. Hitler geloofde, zoals hij destijds tegen de generaals zei, nadat hij zo in Von Blomberg teleurgesteld was, dat er nog meer onfrisse zaken van Von Fritsch konden worden verwacht. Beklaagde Göring bood aan de gevangene uit de gevangenis naar Hitler en de Reichskanzlei te brengen. In Karinhall had Göring al eerder deze gevangene met de dood bedreigd als hij zich niet aan zijn verklaringen zou houden.
Dr. DIX: Hoe weet u dat?
GISEVIUS: Dat werd gezegd voor de Opperste Krijgsraad. Von Fritsch werd daarna op de Reichskanzlei ontboden en Hitler vertelde hem over de beschuldigingen die tegen hem waren ingebracht. Von Fritsch, door en door een heer, had een vertrouwelijke waarschuwing gekregen van Hitler's adjudant maar die was zo vaag dat Von Fritsch uiterst verontrust naar de Reichskanzlei kwam. Hij had geen idee waarvan Hitler hem beschuldigde. Verontwaardigd ontkende hij de misdaad die hij zou hebben gepleegd. In het bijzijn van Göring gaf hij Hitler zijn woord van eer dat alle beschuldigingen vals waren. Maar Hitler ging naar de dichtstbijzijnde deur, opende die en de gevangene kwam binnen, hief zijn arm op, wees naar Von Fritsch en zei: "Dat is hem."
Von Fritsch was sprakeloos. Hij was slechts in staat te vragen dat er een gerechtelijk onderzoek gedaan zou worden. Hitler eiste zijn onmiddellijke ontslag en op voorwaarde dat Von Fritsch stilzwijgend vertrok stemde hij erin toe de zaak te laten liggen zoals die was. Von Fritsch wendde zich tot Beck, de Chef van de Generale Staf. Beck bemiddelde bij Hitler. Er ontstond een felle strijd over een gerechtelijk onderzoek naar deze ernstige beschuldigingen tegen Von Fritsch. Die strijd duurde ongeveer een week. Er vonden dramatische debatten plaats in de Reichstag. Tenslotte brak de beroemde 4 februari aan toen de generaals, die tot aan die dag - 10 dagen na het ontslag van Von Blomberg en het aftreden van Von Fritsch – volledig onwetend waren van het feit dat hun twee meerderen niet langer in functie waren, bevel kregen naar Berlijn te komen. Hitler presenteerde de dossiers persoonlijk aan de generaals op zo'n manier dat ook zij volledig in de war raakten en zeiden dat ze het erover eens waren dat de kwestie door een rechtbank moest worden onderzocht. Op hetzelfde moment verraste Hitler de generaals ....
Dr. DIX: U weet dit alleen van de deelnemers aan die bijeenkomst?
GISEVIUS: Van de deelnemers aan die bijeenkomst, ja.
Op hetzelfde moment verraste Hitler de generaals met de aankondiging dat ze een nieuwe opperbevelhebber hadden, Generaloberst von Brauchitsch. Enkele generaals waren ondertussen van hun functie ontheven en ook, op de avond voorafgaand aan die aankondiging verscheen er een artikel in de kranten waarin werd gemeld dat Hitler, onder het voorwendsel, de teugels van de regering aan te halen, de Minister van Buitenlandse Zaken, Von Neurath had ontslagen; een wijziging had aangebracht op het Ministerie van Economische Zaken, een aantal diplomaten uit hun functie had gezet en daarna, als aanhangsel bij dat artikel een verandering aankondigde op het Ministerie van Oorlog en in de leiding over de Wehrmacht.
Toen ontstond er een nieuwe strijd, die enkele weken duurde, over de zitting van de Krijgsraad die zou moeten beslissen over de herbenoeming van Generaloberst von Fritsch. Dat was voor ons allen het moment waarop we geloofden dat we voor een Duitse krijgsraad de methoden konden bewijzen die de Gestapo gebruikte om van hun politieke tegenstanders af te komen. Dit was een unieke gelegenheid om getuigen onder ede te kunnen verhoren over de manier waarop het hele complot was ontstaan. Daarom gingen we aan het werk om onze zaak voor dit proces voor te bereiden.
Dr. DIX: Wie bedoelt u met “wij” in dit opzicht?
GISEVIUS: Boven alles was er één man die als een eerlijk advocaat en rechter zelf deelnemer was aan die Opperste Krijgsraad. Dat was de Advocaat-generaal in die tijd en later Auditeur-generaal van het leger, Ministerialdirektor Dr. Sack. Deze man geloofde dat hij het aan de geest van het recht verplicht was om op alle mogelijke manieren bij te dragen aan het blootleggen van die kwesties. Dat deed hij, maar hij betaalde ook met zijn leven na 20 juli.
In de loop van dit onderzoek verhoorden de rechters van deze Opperste Krijgsraad de getuigen van de Gestapo. Ze onderzochten de dossiers van de Gestapo; ze deden onderzoek ter plaatse en met hulp van de criminoloog Nebe duurde het niet lang voordat ze definitief vaststelden dat het hele geval een dubbelganger betrof; het was niet Generaloberst Von Fritsch maar een gepensionneerde kapitein, Von Frisch die al lang te voren met pensioen was gegaan.
In de loop van dat onderzoek stelden de rechters een ander feit vast: ze konden bewijzen dat de Gestapo al op 15 januari in de woning van deze dubbelganger Von Frisch was geweest en zijn huishoudster hadden ondervraagd. Mag ik die twee datums nogmaals vergelijken? Op 15 januari had de Gestapo het bewijs dat Von Fritsch niet schuldig was. Op 24 januari bracht beklaagde Göring de gevangene en de getuige à charge naar de Reichskanzlei om Von Fritsch, de Generaloberst te beschuldigen. We geloofden dat we hier inderdaad te maken hadden met een complot van ongekende omvang en we meenden dat zelfs de sceptische generaals moesten inzien dat er niet alleen binnen de lagere rangen van de Gestapo gekonkel plaats vond, onzichtbaar en geheim zonder medeweten van een van de ministers of van de Reichskanzlei en waardoor iedere man van eer en geweten gedwongen zou zijn in te grijpen. Dat was de reden waarom we een grotere groep werden en waarom we zagen dat we niet langer in het geheim materiaal over de Gestapo hoefden te verzamelen. Dat was het grote probleem waar we mee te maken hadden gehad. We hoorden veel, maar als we dat bewijs hadden doorgegeven dan zouden we in alle gevallen die mannen die ons de bewijzen hadden geleverd aan de Gestapo terreur blootstellen.
Nu konden we rechtmatig verder gaan en dus begonnen we met onze pogingen Generaloberst Von Brauchitsch over te halen het benodigde bewijsmateriaal over te dragen aan de Opperste Krijgsraad.
Dr. DIX: Wie bedoelt u met “wij”?
GISEVIUS: Destijds bestond er een groep waarvan ik Schacht moet noemen die destijds zeer actief was en die Admral Raeder, Von Brauchitsch, Von Rundstedt en Gurtner bezocht en overal probeerde uit te leggen dat de grote crisis nu was begonnen; dat we nu moesten handelen; dat het nu de taak van de generaals was ons van dit regime van terreur te bevrijden.
Maar ik moet in dat verband nog een naam noemen. In 1936 had Schacht mij al voorgesteld aan Dr. Goerdeler. Ik had de eer om vanaf toen met die dappere man gezamenlijk de weg af te leggen tot aan 20 juli. En nu heb ik hier voor de eerste keer, in deze zaal waar zo veel afschuwelijke dingen bekend zijn geworden, de naam genoemd van een Duitser die dapper was en een onbevreesd vechter voor vrijheid, gerechtigheid en fatsoen en die meen ik op een dag een voorbeeld zal zijn, niet alleen voor Duitsland om te bewijzen dat men ook trouw en tot de dood zijn plicht kan vervullen, zelfs onder de terreur van de Gestapo.
Die Dr. Goerdeler, die altijd een onbevreesd en onvermoeibare strijder is geweest, bezat in die dagen ongeëvenaarde moed. Net als Dr. Schacht ging hij van het ene ministerie naar het andere, van de ene generaal naar de andere en hij geloofde ook dat nu het uur was gekomen waarop we een verenigd front van fatsoenlijke mensen konden vormen, aangevoerd door de generaals. Von Brauchitsch weigerde toen niet. Hij weigerde niet om te handelen op verzoek van Dr. Goerdeler. In feite verzekerde hij Goerdeler met bijna religieuze vurigheid van zijn medewerking.
En als getuige mag ik zeggen dat Von Brauchitsch mij ook plechtig verzekerde dat hij nu de gelegenheid te baat zou nemen om de Gestapo te bestrijden. Von Brauchitsch stelde echer een voorwaarde en die werd door alle generaals aanvaard. Von Brauchitsch zei: “Hitler is nog steeds een populair man; we zijn bang voor een Hitler mythe. We willen het Duitse volk en de wereld via de Opperste Krijgsraad en haar vonnis het bewijs leveren.” Daarom stelde Von Brauchitsch zijn actie uit tot de dag waarop de Opperste Krijgsraad uitspraak zou doen.
De Opperste Krijgsraad kwam bijen. De zitting begon. De zitting werd plotseling onder dramatische omstandigheden onderbroken. Ik moet eraan toevoegen dat beklaagde Göring door Hitler tot President van die Opperste Krijgsraad was benoemd. En nu kwam die krijgsraad onder voorzitterschap van Göring bijeen. Ik weet van Nebe dat Göring in de voorafgaande dagen overleg had gevoerd met Himmler en Heydrich. Ik weet dat Heydrich tegen Nebe zei: “die opperste krijgsraad zal het einde van mijn loopbaan betekenen.
Dr. DIX: Heeft Nebe u dat verteld?
GISEVIUS: Ja, op dezelfde dag. De Opperste Krijgsraad zou het grote gevaar zijn voor de Gestapo. En nu duurde de zitting van de krijgsraad al enkele uren en werd onder dramatische omstandigheden geschorst want dat was de dag die was uitgekozen waarop de Duitse troepen Oostenrijk binnen zouden vallen. Zelfs destijds wisten we zonder twijfel waarom de voorzitter van die krijgsraad er zo bijzonder in was geïnteresseerd dat de troepen op die dag hun marsorders zouden krijgen, niet naar een doel binnen maar buiten het Reich. Pas een week later kon de krijgsraad weer bijeenkomen en toen had Hitler getriomfeerd. De generaals hadden hun eerste “bloemenveldtocht” achter de rug, er was een volksraadpleging gehouden, de vreugde was groot en de verwarring onder de generaals was nog groter. Dus werd die krijgsraad ontbonden. De onschuld van Von Fritsch werd definitief vastgesteld maar Von Brauchitsch zei dat hij als gevolg van de veranderde psychologische sfeer die door de annexatie van Oostenrijk was ontstaan, niet langer de verantwoordelijkheid voor een revolutie kon nemen.
Dat is ruwweg het relaas hoe het Ministerie van Oorlog praktisch beroofd werd van haar leidende figuren en hoe de generaals in ongekende verwarring werden gebracht. Vanaf die tijd gingen wij de weg bergafwaarts naar het radicalisme. Dr. DIX: Misschien mag ik het Tribunaal verzoeken om in dit verband een zin voor te lezen uit een document dat ik zal indienen als bewijsstuk Schacht-15. Mijn documentenboek wordt nog vertaald maar ik hoop dat het op de dag van het verhoor van Schacht hier zal zijn. Het is maar een zin die in dit verband van belang is. Hij komt uit het halfjaarlijkse rapport van de Generale Staf..... De PRESIDENT: Zijn die documenten eigenlijk wel bij de Aanklager en het Tribunaal ingediend?
Dr. DIX: De documenten zijn tweemaal tot in bijzonderheden met de Aanklager besproken, een keer in verband met de vertaling en daarna in verband met de toelaatbaarheid als bewijsmateriaal; Mr. Dodd heeft ze in openbare zitting besproken. Ik ben er vast van overtuigd dat de Aanklager volledig van die documenten op de hoogte is. Het betreft slechts een zin en ik denk niet dat de Aanklager bezwaar zal hebben tegen het voorlezen van deze ene zin, omdat anders het verband met het gedocumenteerde bewijsmateriaal onduidelijk wordt. Ik zal zo af en toe een document indienen wanneer het praktisch lijkt. Het is slechts een zin uit het halfjaarlijkse rapport van de Generale Staf van de Verenigde Staten......
Mr. JUSTICE JACKSON: Ik wat niet wat voor document dit is, Edelachtbare. Ik zou het graag willen weten omdat we er misschien vragen over willen stellen. Ik wil Dr. Dix niet ophouden maar ik heb er geen afschrift van en ik weet nog niet wat het is.
Dr. DIX: Ik wilde de zaak alleen maar versnellen maar omdat ik inzie dat er moeilijkheden ontstaan en dat er misschien een langdurige discussie nodig is zal ik er van af zien en zal het later presenteren met mijn gedocumenteerde bewijsmateriaal. Het zou anders mijn doel voorbij schieten.
(tot de getuige): Als aanvullende informatie voor het Tribunaal, misschien wilt u de positie van de voorzitter van een Duitse krijgsraad beschrijven; dat de controle over het verhoor in zijn handen ligt – dat feitelijk de hele procesgang in zijn handen ligt.
GISEVIUS: Dr. Dix, ik twijfel er niet aan dat u vanuit juridisch oogpunt het gezag van een dergelijke voorzitter beter en duidelijker kunt beschrijven. Ik zou echter het volgende willen zeggen: Ik heb het verslag van die zitting gelezen, want het is een van die documenten waarvan we dachten die later aan het Duitse volk kenbaar te maken. Dit zullen we hoop ik weer terugvinden. Uit het verslag kan men opmaken dat beklaagde Göring als president de trend van het hele proces en van de vragen bepaalde. Hij ondervroeg de getuigen van de aanklager en hij zorgde er wel voor dat er geen vragen werden gesteld die lastig zouden kunnen zijn. Ik moet, op grond van dat verslag zeggen dat Göring wist hoe de feiten te verdoezelen door de manier waarop hij het proces leidde.
Dr. DIX: In mijn inleidende woorden aan het begin van de zitting heb ik de Fritsch-crisis de eerste beslissende interpolitieke stap van de oorlog genoemd en u Doctor, hebt die term overgenomen. Na het afronden van de beschrijving van de Fritsch-crisis, zou u de reden willen geven voor de mening die u kreeg en wat het effect op uw groep was, in het bijzonder op Schacht?
GISEVIUS: Ik moet er weer op wijzen dat het tot aan de Von Fritsch-crisis binnen de gelederen van de Duitse oppositie moeilijk was geweest zelfs maar aan de mogelijkheid van een oorlog te denken. Dat lag aan het feit dat de oppositiegroepen in Duitsland zo zeker waren van de kracht van het leger, en van de leiders, dat zij meenden dat het voldoende was een man van eer als Von Fritsch aan het hoofd van het Duitse leger te hebben. Het scheen ondenkbaar dat Von Fritsch een afglijden naar terreur of oorlog zou toestaan. Slechts enkele personen hadden erop gewezen dat het in de aard van elke revolutie lag om op een of andere dag buiten de grenzen van de natie te gaan. Uit de historie geloofden wij dat op deze theorie moest worden gewezen, als zijnde een dreigend gevaar voor de Nationaalsocialistische revolutie en daarom waarschuwden wij steeds weer degenen die ervan overtuigd waren dat zij zich tegenover een revolutie geplaatst zagen, niet alleen tegenover een dictatuur, dat die revolutionairen op een dag hun toevlucht tot oorlog zouden nemen. Terwijl het in de loop van de Von Fritsch-crisis steeds duidelijker werd dat het radicalisme overheerste, werd een grote kring er zich van bewust dat het gevaar van een oorlog niet langer genegeerd kon worden.
Dr. DIX: En beklaagde Schacht behoorde ook tot die kring?
GISEVIUS: Ja, in die dagen van de Von Fritsch-crisis zei Schacht, net als vele anderen: “Dat betekent oorlog,” en dat werd ook ronduit tegen de toenmalige opperbevelhebber van het leger gezegd, Generaal von Brauchitsch.
Dr. DIX: Nu rijst de vraag waarom Schacht eerder het herbewapeningsprogramma had gefinancierd, tenminste in het begin?
GISEVIUS: Schacht zei altijd tegen mij dat hij het herbewapeningsprogramma had gefinancierd met verdediging als doel. Schacht was er vele jaren van overtuigd dat een dergelijk grote natie in het centrum van Europa tenminste de middelen ter verdediging moest hebben. Ik mag erop wijzen dat destijds grote delen van de Duitse bevolking bezeten waren van het idee dat er mogelijk gevaar dreigde van een aanval uit het Oosten. U moet niet het soort propaganda vergeten waarmee het Duitse volk destijds werd overspoeld en de redenen die voor dit bijzondere gevaar uit het Oosten werden gegeven waren gebaseerd op Poolse ambities betreffende Oost-Pruissen.
Dr. DIX: Besprak Schacht destijds met u ook het feit dat deze herbewapening zijn politieke doel diende, alsof hij daardoor in staat zou kunnen zijn weer gesprekken te kunnen beginnen over algehele ontwapening?
GISEVIUS: Neemt u mij niet kwalijk. Helaas ben ik vergeten hier zelf de nadruk op te leggen. Schacht was van mening dat alle middelen moesten worden toegepast om gesprekken over ontwapening weer op gang te krijgen. Hij had het idee dat spoedig – ik meen dat hij die mening sinds 1935 had – de aandacht van andere landen op de Duitse herbewapening zou worden gevestigd en dan zou Hitler, omdat zijn herbeweapening nu bekend was, gedwongen zijn de onderhandelingen op de ontwapeningsconferentie te hervatten.
Dr. DIX: Was wat u net zei het onderwerp van uw gesprek met Schacht destijds of is dat uw mening nu?
GISEVIUS: Nee, ik herinner me dit gesprek heel goed want ik dacht dat Hitler’s neigingen in andere richtingen lagen dan in het bijwonen van een ontwapeningsconferentie. Ik dacht dat Hitler een totaal andere mentaliteit had en ik was een beetje verbaasd dat Schacht het mogelijk achtte dat Hitler zulke gedachten zou kunnen koesteren.
Dr. DIX: Kreeg u uit uw gesprekken met Schacht de indruk dat hij was ingelicht over de bijzonderheden, het tempo en de omvang van de herbewapening?
GISEVIUS: Ik herinner me goed hoe vaak Schacht mij en mijn vrienden vroeg of we hem niet konden helpen informatie te krijgen over de omvang van de herbewapening door navraag te doen bij het Ministerie van Oorlog. Ik heb gisteren al beschreven welke inspanningen hij deed om via Oster en Thomas inlichtingen te krijgen.
Dr. DIX: Kunt u het Tribunaal vertellen of Schacht ook pogingen deed de kosten van de bewapening te begrenzen en zo het tempo en de omvang van de herbewapening te beperken en zo ja, wanneer deed hij die pogingen?
GISEVIUS: Naar mijn weten begon hij dat al in 1936 te proberen. In de verhitte gesprekken over Schacht’s aftreden in 1937 als Minister van Economische Zaken, speelden zijn pogingen in die richting een zeer belangrijke rol. Ik herinner me dat vrijwel ieder gesprek over dat onderwerp ging.
Dr. DIX: Nu wordt er gezegd – en heel begrijpelijk ook door de Aanklager – dat de redenen die Schacht gaf, zelfs in officiële rapporten en zo, dat de noodzaak voor deze beperkingen in hoofdzaak van financieel-technische aard waren, anders gezegd, hij sprak als een bezorgde economisch leider en een bezorgde president van de Reichsbank en niet zo zeer als een bezorgde patriot die bang was dat zijn land wellicht in een oorlog werd gestort.
Weet u van enig gesprek met Schacht, waarvan u zich iets kunt herinneren betreffende het voorafgaande dat voor het Tribunaal van belang zou kunnen zijn?
GISEVIUS: Bij al deze inleidende gesprekken waren er dozijnen ontwerpen voor de berichten die Schacht schreef. Die werden in een vriendenkring besproken. Om maar een voobeeld te noemen, Schacht besprak deze ontwerpen ook vaak met Goerdeler. Het ging altijd om één vraag: wat kon men zeggen zodat een dergelijk bericht niet als een provocatie kon worden gezien maar eerder zou dienen om de andere niet-Partijministers, in het bijzonder de Minister van Oorlog Von Blomberg aan de zijde van Schacht te krijgen? Dat was nou juist het probleem want hoe konden ministers als Von Blomberg, Von Neurath of Schwerin-Krosigk, die veel trouwer aan Hitler waren overgehaald worden om zich bij Schacht te voegen liever dan te zeggen dat Schacht Hitler en Göring weer eens had geprovoceerd met zijn beruchte scherpe tong. Al deze berichten kunnen alleen maar worden begrepen vanwege hun tactische redenen die, zoals ik heb gezegd tot in bijzonderheden met de leiders van de oppositie waren besproken.
Dr. DIX: Nu, na de affaire Von Fritsch, welke vorm kreeg de politieke samenzwering tussen u en uw vrienden en Schacht?
GISEVIUS: Ik wil het hebben over het woord samenzwering. Terwijl tot op dat moment onze activiteiten slechts min of meer oppositie konden worden genoemd, begon er nu een echte samenzwering te ontstaan en verscheen er op de voorgrond een man die later een belangrijke rol zou spelen als leider van die samenzwering. De Chef van de Generale Staf van destijds, Generaloberst Beck meende dat voor een Duitse generaal de tijd was gekomen om zowel in als buiten het land alarm te slaan. Ik denk dat het voor het Tribunaal ook belangrijk is de ultieme reden te kennen die Beck die stap deed nemen. De Chef van de Generale Staf was aanwezig toen Hitler in mei 1938 in Juterborg een toespraak tot de generaals hield. De toespraak was bedoeld om Von Fritsch in ere te herstellen maar er werd meer gezegd – en voor de eerste keer heel openlijk voor een grote groep Duitse generaals – over Hitler’s bedoeling Tsjechoslowakije bij een oorlog te betrekken. Beck hoorde die toespraak en hij was verontwaardigd dat hij, als Chef van de Generale Staf, voor het eerst op zo’n bijeenkomst over een dergelijk voornemen moest horen zonder vooraf geïnformeerd of geraadpleegd te zijn. Tijdens diezelfde bijeenkomst stuurde Beck een brief aan Von Brauchitsch en vroeg hem om een onmiddellijk onderhoud. Von Brauchitsch weigerde en liet Beck opzettelijk enkele weken wachten. Beck werd ongeduldig en schreef een uitvoering memorandum waarin hij als Chef van de Generale Staf protesteerde tegen het feit dat het Duitse volk in een oorlog werd gestort. Aan het einde van dat memorandum kondigde Beck zijn ontslag aan en ik meen dat het nu de gelegenheid is om iets te zeggen over deze Chef van de Generale Staf.
Dr. DIX: Een moment, doctor. Wilt u ons de bron noemen van uw kennis van wat Beck dacht en van de onderhandelingen tussen Beck en Von Brauchitsch?
GISEVIUS: Beck nam mij in vertrouwen en gedurende de laatste jaren heb ik heel nauw met hem samengewerkt en ik was tot aan het laatste uur van zijn leven op 20 juli 1944 aan zijn zijde. Ik kan hier getuigen – en het is voor he Tribunaal belangrijk dit te weten – dat Beck keer op keer worstelde met het probleem wat een Chef van de Generale Staf moest doen wanneer hij zich realiseerde dat de gebeurtenissen tot een oorlog leidden. Daarom ben ik het aan zijn nagedachtenis verschuldigd, en aan mijn eed hier, het feit niet te verbergen dat Beck er de gevolgen van aanvaardde de enige Duitse generaal te zijn die zijn functie vrijwillig neerlegde, om daarmee aan te tonen dat er een grens is die zelfs generaals in leidende posiies niet kunnen overschrijden maar ten koste van hun positie en hun leven moeten aftreden en geen verdere bevelen accepteren. Beck was van mening dat de Generale Staf niet alleen een orgaan van oorlogstechnici was; hij zag in de Duitse Generale Staf het geweten van de Duitse strijdkrachten en zo leidde hij zijn staf ook op. Hij heeft in de laatste jaren vreselijk geleden omdat de mannen die hij in die geest had opgeleid, niet de stem van hun geweten volgden. Ik ben het aan die man verschuldigd te zeggen dat hij een man van onwankelbaar karakter was.
De PRESIDENT: Dr. Dix, ik vind dat we verder moeten gaan met wat Beck in feite deed.
Dr. DIX: Ja, Edelachtbare, maar .....
De PRESIDENT: Misschien is het nu het goede moment voor een schorsing. Wat ik bedoel is dat de getuige heeft gezegd dat Beck in een memorandum heeft geprotesteerd en zijn ontslag aangeboden, dat was een paar minuten geleden. Sindsdien is hij steeds aan het woord geweest maar heeft ons niet verteld wat Beck in feite gedaan heeft.
Dr. DIX: Ja.
De PRESIDENT: Ik schors nu de zitting.

Definitielijst

dictatuur
Staatsvorm waarbij de macht in een land in de handen is van één persoon, de dictator. Oorspronkelijk een Romeinse staatsvorm voor tijden van nood, waarbij de totale macht 6 maanden in de handen lag van één persoon om de crisis het hoofd te bieden.
Krijgsraad
Militair gerechtshof.
maarschalk
Hoogste militaire rang, legeraanvoerder.
propaganda
Vaak misleidende informatie die gebruikt wordt om aanhangers / steun te winnen. Vaak gebruikt om ideele en politieke doelen te verwezenlijken.
Putsch
Staatsgreep, vaak gepaard gaand met het gebruik van geweld.
revolutie
Meestal plotselinge en gewelddadige ommekeer van bestaande (politieke) verhoudingen en situaties.

Pagina navigatie

Informatie

Vertaald door:
Arnold Palthe
Geplaatst op:
16-02-2011
Laatst gewijzigd:
24-02-2011
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

Categorieën


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2017
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.