Sabotage van de zwaar waterproductie in Noorwegen

Operatie Gunnerside

Ondanks de mislukking van operatie Freshman bleven de Amerikanen en Britten vastbesloten om de installatie in Vemork te vernietigen. Op aanwijzing van de inmiddels naar Groot-Brittannië uitgeweken voormalige fabrieksdirecteur Jomar Brun besloten de Britten dat de volgende aanval het beste kon worden uitgevoerd door een klein groepje Noorse saboteurs. Tot leider van de operatie werd luitenant Joachim Rönneberg benoemd, die werd gekozen door SOE vanwege zijn evenwichtigheid en goede leiderscapaciteiten. Hij moest een groep van vijf vrijwilligers rekruteren uit de Kompani Linge (een legereenheid van uit het moederland gevluchte Noren in Groot-Brittannië) in het trainingskamp Glenmore. Hij koos voor luitenant Knut Haukelid, sergeant Fredrik Kayser, luitenant Kasper Idland, sergeant Hans Storhaug en sergeant Birger Strömsheim. Zij kregen een speciale opleiding, waarvoor zelfs een schaalmodel van de elektrolyse-installatie werd gebouwd bij de SOE-faciliteit in Brickendonbury Manor in Hertfordshire. Zij moesten elk detail hiervan in hun geheugen prenten. Rönneberg verklaarde hierover na de oorlog: "Met de aankomst van Jomar Brun in Engeland waren ook alle bouwplannen van de fabriek aangekomen en ik kan zonder meer stellen dat geen enkele operatie, die in deze periode vanuit Engeland uitgevoerd werd over zo veel details beschikten als de onze. Niemand was ooit in de fabriek geweest, maar toen wij Engeland verlieten wisten wij er meer van dan wie dan ook." George Reahm, de leidinggevende officier in Brickendonbury Manor verklaarde dat hij nog nooit zulke professionele mannen had gezien, "Dit was in alle opzichten een uitmuntende groep."

De dropping in het kader van Gunnerside werd regelmatig uitgesteld vanwege het slechte weer. Een keer waren zij vertrokken maar onverrichter zaken naar Schotland teruggevlogen, omdat de navigator de dropzone niet kon vinden. Voor de volgende dropping werd afgesproken dat de mannen sowieso zouden springen, ook al was er geen contact met het ontvangstcomité. Op 16 februari 1943 liet het weer het wel toe. Tronstad sprak de mannen vlak voor vertrek van het vliegveld Tempsford toe: "Omwille van degenen die jullie voorgingen en nu dood zijn, vraag ik jullie dringend om deze operatie tot een succes te maken. Helaas kan ik jullie niet vertellen waarom deze opdracht zo belangrijk is, maar als jullie slagen, zullen jullie voor eeuwig in de Noorse geschiedenis voortleven, dus zet hem op en houd je taai." Vlak voor vertrek kregen zij een zelfmoordcapsule uitgereikt. De dropping verliep goed. Zij landen vlak bij het Skrykken meer, zo’n 50 kilometer van de Fetter hut. Zij borgen de vooraden uit de elf samen met hen gedropte containers. Een deel namen zij mee, een ander deel begroeven zij ter plaatse. Op enkele kilometers afstand van het meer stond een blokhut die werd aangeduid als de Jansbu hut, waar zij onderdak vonden. Zij wisten niet precies waar zij waren. Het gebied was moeilijk te identificeren, omdat alles onder een dik pak sneeuw lag. De mannen probeerden de volgende dag om Poulsson te bereiken, maar zij moesten deze poging staken, omdat er een sneeuwstorm opstak. Deze storm hield maar liefst vijf dagen aan. Zij vonden onderdak in een verlaten jagershut. Door het daar aanwezige visserslogboek konden zij achterhalen waar zij zich precies bevonden. Daarna kon de groep pas aan de tocht naar de Fetter hut beginnen. Een lokale stroper functioneerde als gids.

Zodra de mannen van Poulsson en Rönneberg elkaar hadden ontmoet begonnen zij met de voorbereiding voor de operatie. Het team werd in twee groepen verdeeld. Een zou zich bezig houden met de sabotage. De andere zou zorgen voor de dekking. Haugland en Skinnarland vertrokken naar de Jansbu hut om van daaruit radiocontact te onderhouden met Londen. Er waren een aantal manieren om de fabriek te benaderen. Zij konden de route nemen via de hangbrug. Deze werd echter zwaar bewaakt. Ook konden zij een smal bergpad gebruiken dat om de berg heen liep, waardoor zij de fabriek van boven zouden benaderen. Deze route viel echter ook af, omdat er mijnenvelden waren aangelegd. Na het bestuderen van luchtfoto's van de RAF kwam Haukelid met een nieuw idee. Hij stelde voor om in het ravijn af te dalen en aan de andere kant weer omhoog te klimmen en het gebouw vervolgens binnen te komen middels een onbewaakte ingang van de spoorlijn. Het ravijn was ongeveer 200 meter diep. Helberg verkende de route via het ravijn. Hij kwam er achter dat beide hellingen waren begroeid met boompjes en struiken en veel spleten bevatten. Ervaren mannen zoals zij moesten deze helling dus kunnen afdalen en beklimmen. Het idee van Helberg werd aangenomen. De mannen waren erg afhankelijk van het weer. Indien er veel sneeuw zou vallen, zouden al hun steunpunten op de helling zijn verdwenen. Indien er een warme föhnwind door het ravijn zou waaien, zou de missie ook niet door kunnen gaan, vanwege het vele smeltwater dat dan langs de helling zou stromen.

Vlak voor het vertrek wees Poulsson de mannen op Hitler's Kommandobefehl . Hij raadde de mannen aan om zelfmoord te plegen indien zij gevangen genomen dreigden te worden. In de avond van 27 februari 1943 vertrok de sabotageploeg per ski vanuit de Fjosbudalen hut, de gekozen uitvalsbasis voor de operatie. Zij volgde een steile route bergafwaarts. Poulsson bemerkte door de zachte en vochtige lucht dat er een föhn aankwam. De föhn zou als hij daadwerkelijk los barstte, de sneeuw klef en papperig maken, wat het skiën zou bemoeilijken. Op de bevroren rivieren zou water komen te staan, waardoor deze moeilijker zouden zijn over te steken. De ploeg skiërs had nu al last van de slechte sneeuwconditie. Zij zakten er een aantal maal tot hun middel in weg. Bij hun depot in de buurt van een landweg, lieten zij hun ski’s, overalls en rugzakken achter. Zij waren nu in Brits uniform. Zij hoopten dat de raid op de installatie zou worden opgevat als een Britse operatie, om represailles tegen de plaatselijke bevolking te voorkomen. De mannen waren bewapend met een Thompson submachinegun, een Colt .45 pistool (voor deze wapens was gekozen, omdat zij gebruik maakten van dezelfde munitie) en handgranaten. Twee van hen droegen de explosieven. Toen zij in het ravijn afdaalden, was de dooi zichtbaar, smeltwater liep langs te helling en op de bevroren rivier de Maan stond water. Ze beklommen de 200 meter hoge helling aan de andere kant. Na een afmattende tocht van drie uur bereikten zij de spoorlijn. In gespreide formatie naderden zij de fabriek.

Om 0:30 uur was de sabotageploeg bij de ingang van het fabrieksterrein. Kjelstrup knipte het hangslot door van het hek dat toegang gaf tot de spoorlijn. De anderen wachtten een paar honderd meter verderop. Nadat dit was gebeurd, verliet Kjelstrup het terrein om daar de Duitse soldaten bij de sluisdeuren, zo’n 300 meter hoger op de berg, in de gaten te houden. Helberg betrok de wacht bij de twee toegangsdeuren van het terrein om de aftocht te dekken. Storhaug hield de schildwachten bij de brug in de gaten. Haukelid en Poulsson gingen naar de naast de fabriek gelegen Duitse barakken toe. Zij verstopten zich achter een paar opslagtanks. Wanneer in het geval van alarm de Duitsers naar buiten kwamen, zouden zij deze onder vuur nemen. Rönneberg, Kayser, Strömsheim en Idland benaderden het gebouw met de elektrolyse-installatie. De toegangsdeur bleek op slot te zijn, maar via een kabelgoot konden Rönneberg en Kayser het gebouw met de elektrolyse-installatie binnenkomen. Brun had hen geattendeerd op het bestaan van deze inspectietunnel, waar een man tegelijk doorheen kon kruipen. Ze lieten zich zakken door een mangat. De deur naar de ruimte met de elektrolyse-installatie bleek niet op slot te zijn. Een Noorse arbeider werd overrompeld. Hij gaf de sleutel van de deur naar de binnenplaats. Door deze deur moesten de commando’s de fabriek na de sabotage verlaten. Strömsheim en Idland waren er niet in geslaagd om de kabelgoot te vinden. Zij sloegen daarom een raam in van het souterrain om zich toegang te verschaffen tot het gebouw. Dit leidde tot wat consternatie, omdat Rönneberg in eerste instantie dacht dat zij ontdekt waren door de Duitsers. Toen dit niet zo bleek te zijn, werd de operatie voortgezet. De 20 pakketjes van ieder 4,5 kg nitrocellulose, ook wel "broodjes" genoemd, werden op de elektrolysevaten geplaatst door Rönneberg en Strömsheim.

Rönneberg liet enkele parachutistenbatches en een tommygun achter, om de indruk te wekken dat de operatie was uitgevoerd door Britse commando’s. Toen Rönneberg de lont wilden aansteken, klonken er voetstappen. Het bleek de voorman van de nachtinspectieploeg te zijn. Deze man schrok hevig toen hij werd geconfronteerd met de commando’s. Hij sloeg echter geen alarm. De twee overrompelde personeelsleden kregen van de saboteurs de opdracht om naar de tweede verdieping te gaan. Rönneberg stak de lont aan, waarna de commando’s vertrokken. De lading ontplofte na twee minuten, om ongeveer 01:15 uur. De kracht van de explosie was precies goed. Alle achttien productievaten werden vernietigd. De bodem was eruit geslagen, de electrodenkoppen waren volledig verwoest en de cilindermantels waren ingescheurd. Alle vaten zouden vernieuwd moeten worden. Ook was de in het gebouw aanwezige voorraad van ongeveer 500 liter zwaar water verloren gegaan als gevolg van de explosie. Alf Larsen, de hoofd-ingenieur van de fabriek beschreef de situatie als volgt: "Toen ik binnen kwam zag ik dat alle cellen waren opgeblazen waren en dat de bodem van elke cel weggeblazen was. De hele ruimte hing vol waterdamp, dit kwam mede omdat bijna alle waterbuizen in de ruimte door rondvliegende scherven lek geraakt waren. Het leek wel of ik onder de douche stond."

De mannen begonnen met de terugtocht. De weg door het ravijn verliep goed. Het oversteken van de rivier was wel lastig, doordat het ijs op het water aan het kruien was gegaan door de ingevallen dooi. Rönneberg en zijn groep moesten daarom van ijsschots op ijsschots stappen. De Duitsers waren niet direct gealarmeerd. De wachtpatrouilles waren gewend aan explosies, omdat er in het kader van experimenten weleens waterstofgas werd ontstoken om zware waterstof te verkrijgen. Pas toen de mannen de rivier al over waren, werd er alarm geslagen door de Duitsers. De Duitsers gingen ervan uit dat de saboteurs nog in of om het gebouw moesten zijn. Zij achtten het niet mogelijk dat de saboteurs via het ravijn waren gekomen. Er werd een zoekactie gestart waaraan 3000 militairen deelnamen.

Het plan was dat de saboteurs na de raid Zweden zouden proberen te bereiken. Helberg, Kjelstrup, Haukelid en Haugland bleven echter in Noorwegen en doken daar onder. Ze trokken weer naar de Fetter hut. Rönneberg, Idland, Strumsheim, Storhaug en Kayser zouden naar Zweden trekken. Zij volgden een route van 400 km door onherbergzaam gebied. Zij moesten meerdere keren onder de blote hemel overnachten in natte slaapzakken en kregen te maken met voedselgebrek en slechte sneeuwcondities, die het skiën bemoeilijkte. Na achttien dagen bereikten zij desondanks Zweden. Ze vertelden hier aan de Zweedse autoriteiten dat ze lid waren van een verzetsgroep en dreigden te worden gearresteerd. Er werd niet al te veel geloof gehecht aan hun verhaal. Vooral het feit dat ze identieke kleren en schoenen droegen wekten argwaan, maar desondanks werden zij toegelaten. Rönneberg en zijn groep werden overgevlogen naar Groot-Brittannië. Poulsson en Helberg trokken afzonderlijk naar Oslo. Haugland, Haukelid en Kjelstrup bleven achter op het Hardangerplateau.

De Duitsers gingen ervan uit dat de aanval was uitgevoerd door Britse commando’s in samenwerking met het Noorse verzet. Wilhelm Redies, hoofd van de Gestapo in Noorwegen dreigde met represailles. Hij liet tien gijzelaars nemen onder de burgerbevolking van Rjukan. Generaloberst Nikolaus von Falkenhorst, bevelhebber van de Duitse strijdkrachten in Noorwegen, verbood dit echter. Hij beschouwde de sabotage als een militaire operatie en bestempelde het naar verluidt als "een fraai stuk vakwerk". De Duitse wachtcommandant van de installatie in Vemork werd op persoonlijk bevel van Von Falkenhorst naar het Oostfront overgeplaatst. Er werden een aantal extra bewakingsmaatregelen getroffen. Het spoorstation van Rjukan werd gesloten voor het burgerverkeer, omdat de Duitsers vermoeden dat de saboteurs hier gebruik van hadden gemaakt. De hoofdweg naar Vemork werd van versperringen voorzien. De mijnenvelden werden uitgebreid en de wachtposten rondom de fabriek werden verdubbeld. In Rjukan werd een avondklok ingesteld en voor telefoneren in de regio was voortaan een vergunning vereist.

Een opgestoken storm voorkwam dat de Duitsers een grote zoekactie startten op het plateau. Zij maakten hier wel plannen voor. De in het gebied achtergebleven Noorse commando’s werden door het verzet getipt over de aanstaande Duitse zoekactie. Zij trokken hierop naar een van de meest ontoegankelijke delen van het gebergte. De Duitse acties verliepen weinig gecoördineerd.

Helberg besloot om vanuit Oslo naar Rjukan te reizen om in het gebied eerder verborgen wapens en explosieven die nog over waren van Gunnerside op te halen om deze op een andere plaats te verbergen. Tijdens een skitocht over het Hardangerplateau werd hij ontdekt door de Duitsers. Er volgde een langdurige achtervolging van enkele uren. Helberg wist een aantal militairen af te schudden. Zijn laatste achtervolger wist hij tijdens een vuurgevecht zwaar te verwonden. Zo kon hij ontsnappen. Door zijn vermoeidheid viel hij echter in een ravijn waarbij hij zijn linker arm brak. Hij vond onderdak bij een winkelier die hij kende. Tegen een Duitse Feldwebel, die hij aanklampte, verklaarde hij dat hij de Duitsers vrijwillig had geassisteerd bij de zoekactie en daarbij zijn arm had gebroken. De Feldwebel stuurde hem naar een militaire arts, die gaf hem een noodverband, en stuurde hem door naar Oslo. Helberg en andere gasten in het Bandaksli hotel in Dalen waar hij verbleef, werden later gearresteerd en op transport gesteld naar het concentratiekamp Grini door de Duitsers. Helberg wist uit de bus te ontsnappen. Hij kreeg onderdak bij een familie. De volgende dag ging hij naar het ziekenhuis in Drammen. Hij verbleef hier enkele weken. In april week hij uit naar Zweden.

Definitielijst

avondklok
Verbod om zich 's avonds of 's nachts op straat te bevinden.
raid
Snelle militaire overval in vijandelijk gebied.
SOE
Special Operations Executive. Britse organisatie uit WO II die zich bezig hield met geheime operaties en spionage. Een van zeven geheime organisaties die door de Britse regering tijdens WO II in Engeland werd opgericht.

Pagina navigatie

Afbeeldingen


Hangbrug naar de Norsk Hydro fabriek te Rjukan
(Bron: Barry van Veen)


Voorstelling van de plaatsing van de explosieven bij de installatie van de elektrolyse
(Bron: Barry van Veen)


Monument voor de 'Helden van Telemark'
(Bron: Lammert Melk)

Informatie

Artikel door:
Wesley Dankers
Geplaatst op:
06-06-2018
Laatst gewijzigd:
31-07-2018
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

Categorieën


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2018
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.