Sabotage van de zwaar waterproductie in Noorwegen

Verdere operaties

Bombardement op Vemork

Op 8 juli 1943 gaf Skinnarland vanuit Telemark aan dat de installatie in augustus weer in bedrijf zou zijn. Later bleek dat de productie in juni 1943 weer op gang was gekomen. Londen gaf opdracht aan een aantal met het verzet sympathiserende medewerkers van de centrale om plantaardige olie toe te voegen aan het elektrolysebassin. De productie verminderde hierop van 4,5 naar 1,5 liter zwaar water per dag.

General Leslie Groves, de bevelhebber van het Manhattan project, nam hier geen genoegen mee. Hij wilde dat de installatie vernietigd werd. Omdat de Duitsers zo gebrand waren op de productie van zwaar water, dacht Groves dat zij grote vorderingen maakten in het atoomonderzoek. Er werd daarom besloten tot een bombardement om de fabriek in Vemork te vernietigen. Tronstad en Wilson (leiding sectie Noorwegen van de SOE) waren fel gekand tegen dit plan, maar er waren geen alternatieven. Een nieuwe sabotagemissie werd niet mogelijk geacht, omdat de Duitsers de bewaking en veiligheidsmaatregelen hadden verscherpt na 28 februari 1943. De Amerikanen dachten dat zij vanwege hun opgedane ervaring met precisiebombardementen de fabriek moesten kunnen raken. Lieutenant General Ira Eaker, de opperbevelhebber van de 8th Air Force, gaf van tevoren wel aan dat de trefkans klein zou zijn. De fabriek lag op een rotspunt in een smalle kloof met steile hellingen. Dit maakte het aanvliegen lastig. Groves hield echter voet bij stuk.

In de ochtend van 16 november 1943 vertrokken de 460 toestellen van de US 8th Air Force. De formatie bestond uit drie divisies. De derde divisie, onder Major John Bennett, had als doel de fabriek in Vemork. De aanval stond gepland tussen 11:30 en 12:00 uur, omdat dan de meeste medewerkers naar huis zouden zijn voor de lunch. Omdat zij voorliepen op het schema gaf Bennet de opdracht om 18 minuten te wachten boven de Noordzee, waardoor de Duitse kustverdediging werd gealarmeerd over de komst van de bommenwerpers. Eén toestel werd neergehaald en een ander werd beschadigd en moest de missie afbreken. Ook kregen de Duitsers door het uitstel de gelegenheid om een rookgordijn op te trekken boven Vemork. Van 11:30 tot 12:3 wierpen 143 toestellen 711 bommen van 500 pond. Een precisiebombardement was door het rookgordijn niet meer mogelijk.

Het bombardement werd verspreid over het hele ravijn. Hierbij werd een schuilkelder getroffen, waarbij 16 Noren om het leven kwamen. Slechts vier bommen vielen op de gebouwen waarin de installatie was ondergebracht. Deze werd slechts licht beschadigd. Vijf huizen en vier legerbarakken werden verwoest, de sluisdeuren kregen meerdere voltreffers, maar door een veiligheidssysteem werd voorkomen dat het stuwmeer leeg zou lopen. 15 navigators zagen de salpeterfabriek aan voor de zwaar waterinstallatie. Deze fabriek werd vernietigd en er ontsnapte een giftige wolk ammoniakgas. Hier had Tronstad al voor gewaarschuwd. Er kwamen 22 Noren om het leven als gevolg van het bombardement. De stad Rjukan werd niet geraakt. Dit was nog een geluk bij een ongeluk, want deze lag aan de overkant van het dal, op slechts 300 meter van de fabriek. De Noorse regering protesteerde tegen het bombardement, omdat zij van tevoren niet in kennis was gesteld en het aantal slachtoffers niet opwoog tegen het resultaat.

Vernietiging van de zwaar watervoorraad

In zeker opzicht had het bombardement toch enig succes. Vanwege de aanval gingen de Duitsers ervan uit dat de productie in Vemork te risicovol was geworden. Zij vreesden nieuwe sabotageoperaties en bombardementen. De zwaar waterproductie werd daarop stop gezet en de aanwezige voorraad (zowel hoog- als laaggeconcenteerd zwaar water) zou naar Duitsland worden getransporteerd. Skinnarland gaf dit door aan Londen. De SOE gaf via hem de opdracht aan de met het verzet sympathiserende laborant Gunnar Syverstad in de fabriek om de voorraad te verontreinigen met olie. Bij de voorraden laag geconcentreerd zwaar water lukte dit.

De transporttechnicus Kjell Nielsen werd belast met de organisatie van het transport van de voorraad zwaar water naar Duitsland. Hij gaf deze informatie door aan Haukelid die nog op het Hardangerplateau verbleef. Kjelstrup en Haugland waren inmiddels via Zweden uitgeweken naar Groot-Brittannië. Op 16 februari nam Skinnarrland contact op met Londen. Daar werd aangegeven dat de voorraad zwaar water koste wat het kost vernietigd moest worden. Haukelid was de enige getrainde commando en voor een dergelijke operatie waren meer mensen nodig. Hij besloot Rolf Sørlie, een voormalig medewerker van de fabriek in Vemork die was ondergedoken in de bergen en zich bij Skinnarland en Haukelid had gevoegd, te onderwijzen in het gebruik van explosieven. Het Noorse verzet leverde een derde man, Knut Lier-Hansen.

De 39 vaten met in totaal 15.000 liter zwaar water zouden met de veerboot Sf Hydro over het Tinnsjömeer getransporteerd worden van Mäl naar Tinnoset. Al snel bleek dat de beste mogelijkheid om het transport te saboteren het tot zinken brengen van de veerboot was. Londen gaf toestemming, ondanks dat bij een dergelijke daad onschuldige slachtoffers zouden vallen. Nielsen gaf door dat het transport zou plaatsvinden op zondag 20 februari. Haukelid berekende dat het beste moment voor de explosie drie kwartier na de afvaart was. De pont zou op dat moment over het diepste punt (ongeveer 430 meter) van het meer varen. Zij hadden nog voldoende explosieven over van de operatie Gunnerside. De lonten konden zij echter niet gebruiken, omdat deze te snel zouden opbranden. Zij moesten een elektrische tijdontsteking maken. Sørlie stelde voor om hiervoor een oude wekker te gebruiken. Haukelid besloot dat de explosieve lading in de boeg van het schip zou worden geplaatst, vlak onder de waterlijn. Sørlie berekende dat een gat van twee vierkante meter voldoende moest zijn. Daardoor zou genoeg water binnen stromen om de veerboot van 493,6 BRT snel te laten zinken en werd de bemanning en passagiers nog een paar minuten geboden om het schip te verlaten. Hiervoor was een explosieve massa nodig van 8,5 kg Een plaatselijke verzetsman hielp bij het bouwen van de ontsteking.

Met een auto die door Lier-Hansen was geregeld reden zij naar de haven. In de nacht van 19 op 20 februari werd de lading geplaatst. Haukelid, Lier-Hansen en Sørlie slopen aan boord. De veerboot zelf werd niet bewaakt. Bij de haven waren wel een aantal Duitse wachtposten. Toen de Noren op het schip kwamen werden zij ontdekt door een bemanningslid. Lier-Hansen vertelde dat hij een passagier was die de nacht aan boord wilde doorbrengen. Iets dergelijks gebeurde vaker. De man geloofde hen echter niet en bleef er op aandringen dat de drie hun daadwerkelijke reden zouden geven voor hun komst naar het schip. Lier-Hansen had inlichtingen ingewonnen over de bemanning van het schip. De man stond bekend als betrouwbaar. Hij waagde het er daarom op en verklaarde dat zij drie leden van het verzet waren die iets moesten verstoppen aan boord. Het bemanningslid nam hiermee genoegen. Na lang zoeken in het ruim vonden zij een geschikte droge plek tussen de spanten van het schip. De bom werd geplaatst en de ontsteking op scherp gesteld en de wekkers werden om 10:45 uur gezet. Lier-Hansen reed de groep naar Kongsberg. Sørlie stapte onderweg uit en trok weer de bergen in om zich bij Skinnarland aan te sluiten. Haukelid en Larsen namen de trein naar Oslo.

De veerpont begon, conform de dienstregeling, om 9:45 uur aan zijn overtocht. Even na 10:30 uur vond de explosie plaats. Er spoot een waterfontein op aan bakboord, ter hoogte van de boeg. Direct maakte het schip zwaar slagzij. Enkele minuten later verdween de boeg onder de golven. De goederenwagens gleden van hun remmen en vielen over boord. Na drie minuten stak alleen de achtersteven nog boven het water uit. Na vier minuten was het schip geheel onder water verdwenen. De bemanning slaagde er niet in om de reddingsboten te strijken. 29 opvarenden zagen kans om overboord te springen en werden gered. Achttien personen, acht Duitse soldaten, zeven bemanningsleden en drie passagiers kwamen om het leven. Vier vaten kwamen boven drijven, omdat ze slechts half waren gevuld. De overige vaten konden niet geborgen worden door de Duitsers.

De betrokkenen bij de aanslag ontkwamen allen aan Duitse arrestatie. Nielsen lag vanwege een blindedarmoperatie in een ziekenhuis in Oslo. Hij kon er volgens de Duitsers dan ook niets mee te maken hebben. Lier-Hansen hervatte zijn dagelijkse werk gewoon en werd nergens van verdacht. Haukelid week uit naar Zweden. Hij verbleef hier enkele weken en ging toen weer naar Noorwegen.

Definitielijst

divisie
Bestond meestal uit tussen de een en vier Regimenten en maakte meestal deel uit van een Korps. In theorie bestond een Divisie uit 10.000 - 20.000 man.
SOE
Special Operations Executive. Britse organisatie uit WO II die zich bezig hield met geheime operaties en spionage. Een van zeven geheime organisaties die door de Britse regering tijdens WO II in Engeland werd opgericht.

Pagina navigatie

Afbeeldingen


Dit monument herdenkt de burgers die omkwamen bij het bombardement op de zwaarwaterfabriek in Vemork op 16 november 1943.
(Bron: Lammert Melk)


Het stationnetje in Mael vanwaar de wagon met Potassium Hydroxide op het veer naar Tinneset, de SF Hydro, werd gereden.
(Bron: Wilse, Anders Beer (1925))


Vaarroute en locatie van het zinken van de SF Hydro.
(Bron: Roger Paulissen, Go2War2.nl)


De SF Hydro aangemeerd in Mael.
(Bron: Wilse, Anders Beer (1925))


Informatiepaneel over het tot zinken brengen van de SF Hydro in 1944
(Bron: KEN)

Informatie

Artikel door:
Wesley Dankers
Geplaatst op:
06-06-2018
Laatst gewijzigd:
31-07-2018
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

Categorieën


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2018
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.