Zo leven wij nu van de eene dag in de andere

Frans Everts (Sr) aan zijn zoon

Arnhem, 18/19 September 1944 (bezorgd in Aerdenhout op 10 juni 1945!)


Beste Hans,

….. Gisterochtend (Zondag) begon het, eerst een paar korte luchtalarmen en dade­lijk daarop de blijvende alarmtoe­stand, die sterk doet denken aan een reusachtig vuur­werk, met veel slotnum­mers waarvan je niets ziet maar zooveel te meer hoort. We hebben onze schuilkelder ingewijd, want het was dermate dicht bij ons dat het een wonder mag heeten dat ons huis nog staat, ook vandaag nog. Lang hebben we vertoefd dicht bij de kelder­trap, en eens was het als­of alles boven ons hoofd instortte.

      Het begon met een gewone optocht van 6 of 7 zestallen, die keurig netjes voor­bij paradeerden. Maar toen brak een hek­sen­ketel los van bommen, boordwapens, duikvluchten, vlak in de buurt. N.L. eenige malen vlak achter onze tuin. Toen we laat op den middag een kijkje waagden op de Beekstraat, constateerden we dat alle groote winkel­ruiten verdwenen waren, dat het Catrijne Gasthuis achter totaal in puin lag, het Mili­taire Kleedingmagazijn achter de Schouwburg afgebrand was, de conciergewoning van de Schouw­­burg in puin lag en dat de Willemskazerne in lichterlaaie stond. Op straat deelde men ons mede dat men op het vliegveld Deelen de witte vlag geheschen had (nu zeer onwaar­schijn­lijk) en Nijmegen, Wageningen en Heelsum in handen der geallieerden waren. Of het waar is weten we op dit moment nog niet.

      Gisteravond (en ook vanmorgen) hadden we nog telefoon, zoodat we onze bevin­dingen met die van anderen konden vergelijken. Het klopte vrijwel. Vannacht hebben wij in de kleeren gekampeerd in de wachtkamer, maar om twee uur verhuisden we naar de eet­kamer. Van slapen kwam toch niet veel; we dankten intusschen de hemel dat noch onze evacués, nóch onze voedselambtenaren tot heden gekomen waren.

      Vanochtend ontwaakten we in uiterst rustige stemming; om 7 uur zag je overal buren schichtig uit de ramen loeren. Maar geen kip op straat en dat is den geheelen dag zoo geble­ven Aanvankelijk geloofden we dat we over eenige uren heel wat verder zouden zijn, vooral toen we telefonisch vernamen dat het Westen van de stad al in geallieerde handen was, be­ne­vens het Station en het Politiebureau. Maar tot nu toe – het is nu half zes – zijn we nog niet verder. Ongeveer op het Velperplein of daaromtrent schijnt Duitsch geschut te staan en in de Arke Noachstraat en Klarestraat staan nog altijd Duitsche soldaten; het geheel maakt een heidensch kabaal, maar toch staan we er iets minder onwennig tegenover dan giste­­­ren. [….]

Nader is gebleken dat een van de bewuste kanonnen staat op de hoek van de Walburgstraat. Totdat het donker werd daverde dit aan één stuk door. Alles schudt en telkens hoor je nieu­we ruiten naar beneden komen. Menschen zie je zoo goed als niet. Af en toe schieten eenige lieden voorbij, bepakt met koffers en beddegoed.

      Gisteren ontdekten we een rosse gloed achter de groote toren. De Sabelspoort, een groot deel van de Markt en de Eusebiusbinnensingel bleken in brand te staan. Maar om te gaan kijken, daar was geen sprake van. Na eenig beraad besloten we toch maar te gaan sla­pen.

      De telefoon die we tot gisteren hadden, zweeg nu ook, zoodat we geenerlei verbin­ding meer hebben met kennissen. Wat er in Arnhem gebeurt, is ons totaal onbekend. Het eenige wat wij weten moeten wij uit verhalen van Schens en andere buurlieden opmaken. Zoo was het gisteravond een groote tegenvaller te hooren dat de Engelschen – die zeer kor­daat met parachutisten zich van de brug hadden meester gemaakt vóórdat hij werd opge­bla­zen hem weer in den steek hadden moeten laten, omdat zij geen aanvoer ont­vingen uit het Zuiden. Inmiddels hadden de Duitschers kans gezien al die huizen aan de Markt en de Singel in de brand te schieten. Dan zullen nu de Duitschers de brug wel op­blazen, dacht ik. Maar ik weet nog steeds niet of dit zoo is. Het zou wel spijtig zijn als onze brug ten tweede male in de lucht ging.

      De nacht was ondertusschen tamelijk rustig. We kampeerden ditmaal op den grond in de eetkamer. De electriciteit is ook opgehouden, zoodat we eergisteren ons diner koud opaten en nu het kleine kacheltje in de keuken stoken.

      Ik denk dat we heel dicht bij wel getuige zullen moeten zijn van eenige treffens tus­schen de partijen. Gisteravond waren de Duitschers aan het "üben" in het tirailleeren, aan weerszijden van de straat, met veel mitrailleurs, handgranaten etc..

      De dag begon vandaag met een gerucht uit het raam van Schens dat we allemaal uit huis moesten omdat de heele Koningstraat er aan zou moeten gaan. Nu wordt de pap niet zoo heet gegeten als Schens haar pleegt op te disschen. Ook hoorden we dat het huis van Van Heemstra is gaan branden, doch het Provinciehuis stond er toen nog.

      Ook hebben we de heele morgen vanaf half acht en een deel van de middag besteed om alles in te pakken wat we zouden kunnen dragen en ook veel naar de kelder verhuisd. Maar waar we naar toe moeten dat weten we niet. De voedselvoorziening staat natuurlijk geheel stop en ieder behelpt zich met wat hij in huis heeft. Verder staat natuurlijk ook het geheele leven stop. Inmiddels begint ook de waterleiding op te houden en ‘s avonds zitten we tot elf uur bij een paar kaarsjes te lezen voor zoover dat gaat. Af en toe komt er een projectiel naar binnen. Gisteravond zagen we in een van de ruiten van de slaapkamer een rond gaatje terwijl de bedden bezaaid waren met glassplinters.

      Die Engelsche doelen van Zondag waren inmiddels goed gekozen en goed uitgevoerd. De Willemskazerne en de Saksen Weimar kazerne zijn beide totaal verdwenen. Het militaire kleedingmagazijn dito dito.

      Wat het worden moet in de eerstvolgende dagen weet ik niet; we weten zelfs niet waar de Engelschen zitten, terwijl de Duitschers gisteren het Land van de Markt angstvallig vermeden rijden zij vandaag weer die kant op. Ik zal deze op de bus trachten te doen, maar hij zal vooreerst daar wel in blijven liggen.

      Toen men ons Zondag op straat het een en ander vertelde, sprak men ook van een lan­ding in Holland. Het zou een groot opgezette onderneming zijn. Hier schiet het intusschen nog niet op. Het is gek zoo dicht bij het slagveld te zitten en van niets te weten. Van wat er in *de rest van de stad gebeurt weten we evenmin iets. Ik hoop eerlang wat nieuws uit Holland te hooren. Ik heb deze getypt, maar het is niet fraai; het schrijven gaat echter heelemaal niet, tenminste niet voor een brief.[…]

Toen ik Dinsdag de vorige pagina juist voltooid had kwam een buurman zeggen dat het Paleis van Justitie en het belastingkantoor al brandden. Ook achter ons, op de Beekstraat stonden twee huizen in brand. We wilden juist aan tafel gaan voor het souper, naar we besloten toen maar te vluchten. Met vier handkoffers aan een lange stok gingen we maar de straat op en trokken de deur achter ons dicht. Moeizaam ging het, tot het Velperplein, af en toe schuilen­de voor geschiet met boordwapens. We belden aan bij de Mij. "Arnhem". De concierge was heel behulpzaam en wilde ons opnemen.

      Maar toen we met hem stonden te praten kwam de Heer Croockewit op de fiets juist voorbij die ging kijken of zijn kantoor er nog stond. Hij zei dat we natuurlijk met hem mee moesten gaan en nam de zwaarste koffers achter op zijn fiets. Dat was een uitkomst! En nog mooier werd het toen we met onze overige bagage de Steijnstraat passeerden. Daar riep ons een Heer van de Luchtbescherming aan of we logies hadden en of we niet bij hem wilden ko­men. We zeiden dat we al op weg naar de Roëllstraat waren; dan wilde hij in elk geval onze koffers dragen. Hij haalde nog een vriend op en samen brachten ze ons veilig in de Roëll­straat.

      Daar werden we allerhartelijkst ontvangen door de families Croockewit en Engel­berts­-van Heek (die bij Croockewits in huis zijn als evacués). Een groot gezin dus. We frisch­ten ons wat op en even later [zaten] we met ons 9 aan tafel, alsof er niets gebeurd was. De Engelbertsen hadden zelfs de logeerkamer voor ons ontruimd. Bij het naar bed gaan zagen we de groote toren in een rode gloed gehuld en de lucht daarom heen dito dito. We hadden niet de minste hoop ons huis weer terug te zullen zien. ……

Definitielijst

geallieerden
Verzamelnaam voor de landen / strijdkrachten die vochten tegen Nazi-Duitsland, Italië en Japan gedurende WO 2.

Pagina navigatie

Informatie

Geplaatst door:
Leo G. Lensen
Geplaatst op:
16-06-2017
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

Categorieën


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2017
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.