Internationaal Militair Tribunaal (IMT) Neurenberg

Legitimatie van het proces

Gedurende het hele proces bleven de verdachten verklaren dat het hier overwinnaarsjustitie betrof en dat zij alleen tegenover hun eigen volk verantwoording konden afleggen. De Duits-Britse journalist Peter de Mendelssohn vroeg zich in reactie hierop cynisch af, of de miljoenen vermoorde Russen, tienduizenden verhongerde Fransen en honderden vernederde Grieken, Joegoslaven en Polen de buitenwereld niets aan gingen.

Een van de lastigste punten van de aanklacht was ‘misdaden tegen de vrede’, vanwege de juridische implicaties, maar ook omdat hiervoor duidelijk moest worden vastgesteld wanneer de planning van een oorlog was begonnen. Het tribunaal kwam tot de conclusie dat dit in november 1937 was. Dit baseerde het tribunaal op het memorandum van Hossbach, een adjudant van Hitler, van 5 november 1937. Hierin gaf Hitler een gedetailleerd overzicht van zijn aanvalsplannen. Hitler liet onder meer optekenen dat het bij een oorlog het eerste doel moest zijn om Tsjechoslowakije en tegelijkertijd Oostenrijk neer te slaan. Dit droeg onder meer bij aan de beschuldiging van Göring, Erich Raeder (van 1935 tot 1943 opperbevelhebber van de Kriegsmarine) en Konstantin von Neurath (van 1932 tot 1938 de minister van Buitenlandse Zaken) op dit punt. De andere nazi’s gaven aan dat ze dit document niet kenden. De meeste van hen bestempelden het als waanzin. Het is de vraag of zij dit daadwerkelijk meenden.

Er werden meerdere van dergelijke documenten ter tafel gebracht in Neurenberg. Op 23 mei 1939 vond er een geheime bespreking plaats tussen Adolf Hitler, Hermann Göring, Wilhelm Keitel en Erich Raeder. De adjudant van Hitler, Rudolf Schmundt, maakte hiervan een verslag. Hitler gaf aan dat hij van plan was om Polen aan te vallen, onder meer vanwege de Duitse behoefte aan Lebensraum. De rechters gaven aan dat Hitler niet in zijn eentje een aanvalsoorlog kon voeren. Hij had de medewerking nodig van staatslieden, militaire leiders, diplomaten en zakenlieden. Toen deze, op de hoogte van zijn bedoelingen, hem hun medewerking verleenden, werden zij medeplichtig aan het plan dat hij had bedacht. Zij mochten niet voor onschuldig worden gehouden, als zij wisten wat zij deden. Sommige historici, waaronder Maser, voerden later aan dat alleen Hitler wist dat Duitsland ten oorlog zou trekken en dat de verdachten in Neurenberg niet veroordeeld konden worden op dit punt. Göring verklaarde zelf echter in zijn cel tegenover Gilbert en Kelley dat Duitsland zichzelf natuurlijk gereed maakte voor de oorlog: "Ik bewapende Duitsland tot de tanden. Het spijt me alleen dat we nog niet meer bewapend hebben."
De niet-aanvalsverdragen die Duitsland had gesloten en het verdrag van Versailles beschouwde hij als stukken toiletpapier.

In de verdragen die waren gesloten als onderdeel van de Haagse vredesconferenties in 1899 en 1907 waren al regels opgenomen over de wijze van oorlogvoering. In 1929 kwamen in Genève verdragen tot stand over de behandeling van zieken en gewonden en over de omgang met krijgsgevangenen. Op basis van deze Geneefse conventies werd de aanklacht wegens oorlogsmisdaden geformuleerd. De beschuldiging van misdaden tegen de menselijkheid werd voor de eerste maal genoemd in het Handvest van het Tribunaal van 8 augustus 1945. Ook hierbij werd echter een sterk verband gelegd met de oorlog. Het tribunaal keek bij het oordeel over dit punt, alleen naar daden die tijdens de oorlog hadden plaatsgevonden. Dit hield bijvoorbeeld in dat alle wandaden die in Duitsland voor 1939 hadden plaatsgevonden tegen de Joden en andere bevolkingsgroepen in de concentratiekampen en daarbuiten niet werden betrokken bij het vonnis.

Ten aanzien van de punten 3 (oorlogsmisdaden) en 4 (misdaden tegen de menselijkheid) van de aanklacht was er een overvloed aan primair en secundair bewijs. Het betrof hier onder meer het Kommissarbefehl dat in de aanloop naar Operatie Barbarossa op 6 juni 1941 was uitgevaardigd en dat inhield dat alle politiek commissarissen van het Rode Leger die gevangen werden genomen direct dienden te worden geliquideerd. Keitel moest erkennen dat deze order al voor de inval was besproken en dat het OKW er op had aangedrongen. Keitel was ook degenen die het Sünebefehl had ondertekend. Dit was op 16 september 1941 uitgevaardigd en hield in dat voor elke Duitse soldaat die door het verzet in de door de Duitsers bezette landen werd gedood, als represaille 50 tot 100 burgers moesten worden doodgeschoten. Andere schendingen van het oorlogsrecht die ter sprake kwamen, waren onder meer het Kommandobefehl, het Kugelerlas en het door de Duitse autoriteiten bewust niet optreden tegen het door burgers lynchen van neergeschoten geallieerde vliegtuigbemanningen. Ook de slechte (economische) behandeling van bezette landen, waarbij men mensen bewust had laten verhongeren kwam aan bod.

Ten aanzien van de misdrijven tegen de menselijkheid kwamen onder meer de vernietiging van het Tsjechische dorp Lidice (als represaille voor de aanslag op Reinhard Heydrich), de opstand in het getto van Warschau in het voorjaar van 1943 en de algemene opstand in Warschau in de zomer van 1944 ter sprake. De nazi’s hadden zich op grote schaal schuldig gemaakt aan het wegvoeren van mensen zonder proces naar concentratiekampen, onder meer naar aanleiding van het Nacht und Nebelbefehl van Adolf Hitler, dat de handtekening droeg van Wilhelm Keitel. Ook het op grote schaal inzetten van dwangarbeiders in de Duitse industrie kwam ter sprake. Een aantal verdachten hield vol dat arbeiders zich vrijwillig hadden gemeld. Dit was makkelijk te weerleggen. Alleen al het feit dat velen van hen waren opgepakt tijdens razzia’s en onder dwang waren afgevoerd naar Duitsland, maakte duidelijk dat zij zich niet op eigen initiatief hadden gemeld. Sauckel verklaarde zelf dat nog geen 200.000 vrijwillig was gekomen. Ook de Holocaust kwam ter sprake. Deze kwam onder meer aan bod aan de hand van een rapportage van de voormalige SS-Gruppenführer Jürgen Stroop over de opstand in het getto van Warschau en een aantal getuigenverslagen, onder meer van Otto Ohlendorf, Rudolf Höss en M.C. Vaillant-Couturier, die wegens haar betrokkenheid bij het Franse verzet geïnterneerd was geweest in Auschwitz. Uiteindelijk zouden slechts een paar pagina’s in het totale verslag aan deze gruwelijke episode uit de wereldgeschiedenis worden gewijd. Ook werd er op dat moment niemand voor veroordeeld.

De Duitse advocaten hadden moeite met het Angelsaksisch procesmodel. Zij hadden geen ervaring met dit model, wat onder meer inhield dat direct bezwaar moest worden aangetekend als zij het niet eens waren met de inhoud van een document. Een aantal advocaten beweerde dat documenten, die zij opvroegen spoorloos verdwenen waren. Ook klaagden zij er over dat het hof op grond van artikel 19 vrij om ging met het toelaten van bewijsmiddelen. De aanklagers kwamen volgens de Duitse verdedigers telkens met nieuwe documenten, die niet of pas laat werden overlegd aan de verdediging. Jackson verklaarde hierover: "Als we alle documenten overleggen, voordat we ze ter sprake brengen, wordt de kans om een succesvol kruisverhoor teniet gedaan." Hij wees er ook op dat de verdediging documenten ook niet van tevoren hoefde te overleggen. Hierbij moet worden opgemerkt dat de advocaten wel degelijk recht op inzage hadden in de documenten, die werden gebruikt door de aanklagers. Ook ging dit recht een stuk verder dan destijds gebruikelijk was in het Amerikaanse rechtssysteem. De advocaten kaartten ook aan dat de aanklagers betere kantoorfaciliteiten en meer medewerkers hadden dan zij. Het klopt dat zij een grote staf hadden. Toch is het niet waar dat de verdedigers aan hun lot werden overgelaten. Zij hadden een staf bestaande uit 70 assistenten en klerken. (Ook in hedendaagse rechtszaken heeft de officier van justitie meer mogelijkheden dan de verdediging.)

De advocaten deden pogingen om (de geheime protocollen bij het) Molotov-Ribbentrop pact (een Duits-Russisch niet-aanvalsverdrag dat in 1939 was gesloten) en de executies van duizenden Poolse officieren in Katyn door de Russische NKVD (inlichtingen- en veiligheidsdienst) in 1940 te betrekken bij de procedure. Jackson verhinderde dat, Katyn zou worden betrokken in de aanklacht. De Poolse regering in ballingschap had hier om verzocht, omdat het een eigen onderzoek en berechting eiste. Uiteindelijk kwam het toch ter sprake. De Russen overlegden een rapport waarin de Duitsers de schuld kregen. De drie door hen aangewezen getuigen gaven dat ook aan. De andere procesvoerende naties zagen echter wel in dat het door de Sovjet-Unie geschetste relaas niet kon kloppen. Op 1 juli 1946 gaf de president van het hof aan dat de vraag wie verantwoordelijk was voor Katyn niet beantwoord zou worden. In het uiteindelijke vonnis van het tribunaal werd er niets over gezegd. De Russen mochten niet voor het hoofd gestoten worden. Om die reden kwam ook het Molotov-Ribbentroppact niet ter sprake.

Op 3 juli 1946 begonnen de advocaten met hun pleidooien. De verdediging kon feiten niet ontkennen of bagatelliseren. Daarvoor was er simpelweg te veel bewijs. Zij dienden een motie in waarin zij de geldigheid van het handvest bestreden, voor zover het de individuele verantwoordelijkheid van personen betrof tegen misdaden tegen de vrede. Dit was volgens hen in strijd met het legaliteitsbeginsel (geen straf zonder wet) en het verbod van terugwerkende kracht, in het Latijn samen aangeduid als nullum crimen, nulla poena sine praevia lege. Hiermee sneed de verdediging het grootste pijnpunt aan van het tribunaal. De beginselen van geen straf zonder wet en het verbod van terugwerkende kracht zijn twee grondprincipes van het strafrecht en beide grondbeginselen werden door het hof overtreden. Volgens deze gedachtegang waren de (mis)daden die in het Derde Rijk werden begaan onder meer in de concentratiekampen niet illegaal; conform de toen geldende wetten waren zij immers geoorloofd.

Er waren feitelijk twee oplossingen voor dit probleem. De gewraakte handelingen konden met terugwerkende kracht alsnog strafbaar worden gesteld. De geallieerden in Neurenberg kozen voor deze optie. Zij beriepen zich hierbij op de gerechtigheid en het universaliteitsbeginsel. De misdaden waren van dien uitzonderlijke aard dat het tribunaal als vertegenwoordiger van de volkeren vond dat het hier rechtsmacht over had. Door juristen is dit later bekritiseerd. Deze redenatie kon door het tribunaal immers alleen worden toegepast, omdat de deelnemende landen de oorlog hadden gewonnen. De Amerikaans-Oostenrijkse rechtsfilosoof Hans Kelsen verdedigde de visie van het tribunaal. Hij betoogde in 1945 dat het verbod van terugwerkende kracht moest wijken voor het hogere rechtsbeginsel dat deze mannen terecht moesten staan. 'Zij waren immers doordrongen van de immoraliteit en onwettigheid van hun daden'.

Een andere redenering was dat het nazirecht, doordat het (oorlogs)misdaden toeliet, zodanig in strijd was met fundamentele rechtsbeginselen dat het geen bindende kracht had. Het nazi-recht zou volgens deze redenatie strijdig zijn met hoger natuurrecht. Een van de aanhangers van deze theorie was de Duitse rechtsgeleerde Gustav Radbruch. Hij betoogde in 1946 onder meer dat de discriminatoire wetten van nazi-Duitsland ongeldig waren, omdat zij ingingen tegen de rechtsnatuur. Doordat in het nationaalsocialistisch recht groepen mensen als Untermenschen werden behandeld, werd het gelijkheidsbeginsel dermate met voeten getreden, dat daaraan volgens hem het rechtskarakter moest worden ontzegd. Deze visie werd ook gedeeld door Jackson.

De rechters voerden aan dat het verbod van volkerenmoord sinds 1933 deel uitmaakte van het ongeschreven dwingend gewoonterecht onder de volkeren. Ze betoogden ook dat het op dit punt niet verboden was om (hun) rechtsmacht met terugwerkende kracht toe te passen, omdat er geen regel was die dat verbood. Ten aanzien van het misdrijf van het voeren van een aanvalsoorlog voerden zij aan dat dit al was geformuleerd in de verdrag van Versailles en het Kellog-Briand pact, dat tot stand was gekomen in augustus 1928. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat er geen strafsancties waren verbonden aan het schenden van dit verbod. Het voeren van een oorlog uit zelfverdediging was conform het verdrag wel toegestaan. Ook was het verschil tussen zelfverdediging en agressie niet duidelijk gedefinieerd in het Kellog-Briand pact. Hierbij moet worden bedacht dat hoewel het verbod tot het voeren van een aanvalsoorlog en misdaden tegen de vrede nog niet door alle juristen waren geaccepteerd, ook het verbod van geen strafbepaling met terugwerkende kracht op dat moment nog geen basis had in het internationale recht. Dit zou in de jaren 50 gebeuren. Voor het hele gebied van het internationaal (straf)recht gold dat het ten tijde van het Tribunaal in Neurenberg nog in de kinderschoenen stond. De Nederlandse jurist Bert Röling, die als rechter optrad bij het proces van Tokio, waar van 1946 tot 1948 de belangrijkste Japanse oorlogsmisdadigers werden berecht, merkte op dat het internationaal strafrecht in die tijd (1946) net zo ver ontwikkeld was als het strafrecht van de nationale staten twaalf eeuwen geleden.

Een redenatie die na het proces ook vaak is gemaakt, bijvoorbeeld door Leo Kahn, is dat de meeste (mis)daden van de nazi’s neerkwamen op moord en dat was en is in alle rechtssystemen, ook die van het Derde Rijk, strafbaar. Deze redenatie werd bijvoorbeeld ook toegepast in de Auschwitzprocessen uit de jaren ’60. Jackson merkte tijdens de Conferentie van Londen in 1945 op: "Worden moord, marteling en slavernij niet door elk beschaafd mens als misdaden beschouwd? Wat wij voorstellen is het handelen te bestraffen dat al sinds de tijd van Kaïn  (Bijbels figuur die zijn broer doodde en daarna door God werd gestraft) als crimineel te boek staat en in elk wetboek als zodanig is vastgelegd."

De verdediging wist af en toe een overwinning te boeken. Vooral de advocaat van Karl Dönitz was zeer bedreven. Otto Kranzbühler had het voordeel dat hij enige ervaring had met het afnemen van een kruisverhoor, doordat hij als rechter had gewerkt. Dönitz en Raeder werden aangeklaagd voor het voeren van een onbeperkte onderzeebootoorlog. De verdedigers deden een beroep op het principe van 'Tu Quoque' (jij ook). Groot-Brittannië en de VS moesten toegeven dat zij hetzelfde hadden gedaan, vooral in de Grote Oceaan bij de oorlog tegen Japan. Dit bleek uit een verklaring van de Amerikaanse Fleet Admiral Chester Nimitz. Dönitz en Raeder werden vervolgens vrijgesproken op dit punt. Hierdoor ontliepen zij de strop. Dit is overigens een van de weinige keren dat het 'Tu Quoque'-argument werd geaccepteerd door een tribunaal. In Tokio werd dit argument bijvoorbeeld niet gehonoreerd door de rechters. Kranzbühler toonde ook aan dat het Laconia-bevel niet inhield dat drenkelingen moesten worden gedood. Dit bevel werd op 17 september 1942 uitgevaardigd na het Laconia-incident en hield in dat de Duitse onderzeebootbemanningen voortaan na het tot zinken brengen van een geallieerd schip geen hulp meer mochten bieden aan drenkelingen. In de verklaring van Nimitz stond dat onderzeebootbemanningen geen drenkelingen hoefden te redden, als dit een risico voor de onderzeeboot opleverde.

Veel verdachten beriepen zich op bevelen van hoger hand. Op grond van artikel 8 van het handvest van Neurenberg konden bevelen echter niet leiden tot ontslag van rechtsvervolging. Het kon hoogstens leiden tot strafvermindering. In tegenstelling tot wat de verdediging stelde was dit geen nieuw standpunt. Het eigenlijke criterium is of er een morele keuze kon worden genomen. Hoe hoger iemands (militaire) rang is, hoe meer ruimte hij heeft om een bevel te interpreteren en er van af te wijken. Bijna alle verdachten stonden hoog in de militaire pikorde. Zij konden zich dus niet achter bevelen van hoger hand verschuilen. De Amerikanen en Britten hadden het hierboven genoemde principe opgenomen in hun militaire handboeken. Joseph Goebbels had in mei 1944 zelf verklaard dat conform internationaal oorlogsrecht soldaten die zich schuldig hadden gemaakt aan een misdrijf niet aan berechting konden ontkomen door zich te beroepen op een bevel van hun superieur. Dit gold volgens hem voornamelijk als dit bevel in strijd was met alle morele principes van menselijkheid en de vaste gebruiken van de oorlogvoering. Een dergelijke bepaling was ook opgenomen in artikel 47 van de Duitse Militaire Code. Het Amerikaans hoog gerechtshof had dit ook eerder uitgesproken in 1865 in de zaak Henry Wirz. Henry Wirz was tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog commandant van een krijgsgevangenenkamp. Door de slechte levensomstandigheden, waar hij als commandant verantwoordelijk voor was, waren duizenden gevangenen gestorven. Na de oorlog werd hij hiervoor aangeklaagd. Hij beriep zich tijdens de rechtszaak op bevelen van hoger hand. Dit verweer werd verworpen en hij werd geëxecuteerd.

Definitielijst

geallieerden
Verzamelnaam voor de landen / strijdkrachten die vochten tegen Nazi-Duitsland, Italië en Japan gedurende WO 2.
Holocaust
Aanduiding voor de vernietiging van het Europese Jodendom door de nazi's. Holokauston is de Griekse benaming voor een geheel verbrande offergave.
Katyn
Bos bij Smolensk in de Sovjet-Unie. In 1943 vonden de Duitsers hier de lijken van ca. 4.000, door de Russen vermoorde, Poolse officieren.
Kriegsmarine
Duitse marine, naast de Heer en de Luftwaffe onderdeel van de Duitse Wehrmacht.
Lebensraum
Nazi-term waarmee werd aan gegeven dat het overbevolkte Duitsland nieuwe gebieden (levensruimte) nodig had om te kunnen bestaan.
Lidice
Dorp in Tsjechië dat in 1942 als represaille op de moord op Rheinhard Heydrich met de grond gelijk gemaakt werd. De mannen werden gefusilleerd en de vrouwen afgevoerd naar een concentratiekamp.
nazi
Afkorting voor een nationaal socialist.
NKVD
Benaming van de veiligheidsdienst van de Sovjetunie ten tijde van WO II.
oorlogsmisdaden
Misdaden die in oorlogstijd worden begaan. Vaak betreft het hier misdaden van militairen ten opzichte van burgers.
razzia
Georganiseerde drijfjacht op een groep mensen. Dat konden joden zijn, maar ook onderduikers of andere groeperingen.
Rode Leger
Leger van de Sovjetunie.
Sovjet-Unie
Sovjet Rusland, andere naam voor de USSR.

Pagina navigatie

Afbeeldingen


Majoor Friedrich Hoßbach (1934) wiens notities van Hitlers rede in 1937 belangrijke informatie gaven over de oorlogsdoeleinden van het Duitse Rijk
(Bron: Bundesarchiv, Bild 183-1988-0107-503 / CC-BY-SA 3.0)


De ontwikkeling van de Geneefse conventies van 1864 tot en met 1949
(Bron: Wikimedia)


Een voorbeeld van de uitvoering van het 'Sünebefehl' dat door Keitel in 1941 is uitgevaardigd.
(Bron: Wikipedia)

Bekijk video
Bekijk video

Een stukje van een schoolfilm-DVD over de verdedigers in het Neurenberg proces (Duitse taal)
(Bron: YouTube)

Informatie

Artikel door:
Wesley Dankers
Geplaatst op:
07-11-2017
Laatst gewijzigd:
20-04-2018
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

Categorieën


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2018
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.