Invasie van Malakka en Singapore

De invasie

De landingsvloot onderweg

Luitenant-generaal Tomoyuki Jamashita ontving op 30 november 1941, op zijn hoofdkwartier te Samah, een gecodeerd bericht dat luidde: "Dag-X vastgesteld op 8 december, uitvoering volgens plan". Hij kon nu zijn aanval gaan plannen en nam de nodige voorbereidingen om op weg te gaan. Bij Samah was de hoofdmacht van de Japanse invasievloot samengetrokken. Het bestond uit 18 transportschepen, met in totaal 26.640 soldaten van de 5e Infanteriedivisie (luitenant-generaal Takuro Matsui) en het 56ste Infanterieregiment van de 18e Divisie. Het geheel werd begeleid door het 3e Torpedobootjagerflottielje met de kruiser Sendai en de torpedobootjagers Murakumo, Shinonome, Amagiri, Asagiri en Yugiri, evenals het vlaggenschip van vice-admiraal Jisaburo Ozawa, de Chokai met de Sagiri, een torpedobootjager, als begeleider.

Deze invasievloot vertrok op 4 december 1941 uit Samah op Hainan en werd al op 6 december door een Lockheed Hudson van No.1 (RAAF) Squadron uit Kota Bharu, ontdekt. De Australische Lockheed Hudson wist te ontsnappen aan het luchtafweer vanuit het konvooi en waarschuwde de autoriteiten. Door het slechte weer was men echter niet in staat om luchtaanvallen te lanceren. Op dezelfde dag zag een patrouillerende Nederlandse Dornier Do 24 vliegboot een Japans vrachtschip. Het toestel rapporteerde het voorval en wist erbij aan te geven dat het dek vol stond met tanks en manschappen. Een dik wolkendek boven de invasievloot maakte verder iedere luchtverkenning onmogelijk. De Britten wisten nu dat een invasievloot onderweg was, maar waar naartoe was een raadsel. Vroeg op 7 december 1941 zag een Hudson van No. 8 (RAAF) Squadron uit Kuantan de vloot voor het laatst en een Consolidated Catalina van No. 205 (RAF) Squadron werd diezelfde dag neergeschoten door Japanse jagers in een poging de vloot te verkennen. Dit toestel werd hiermee het eerste slachtoffer op de dag dat Japan in de Pacific ten strijde trok.

Op 7 december 1941 splitste de vloot zich en voer op haar doelen af. Toen het de Britse legerleiding eindelijk duidelijk werd dat een invasie in de regio onafwendbaar leek, besloot men Force Z er opuit te sturen de invasievloot aan te vallen. Force Z voer uit op 8 december 1941 en zou verwikkeld raken in een slag tussen de oppervlakteschepen en vliegtuigen die zou resulteren in de vernietiging van Force Z. De Japanse vloot werd tijdens de invasie zelf ondersteund door landingseenheden van het Japanse leger. Deze waren verantwoordelijk voor het transport van de transportschepen naar de landingsgebieden. Deze eenheden kenden een groot aantal verschillende vaartuigen. De bekendste Japanse landingsboten waren de Shohatsu- en Daihatsu-boten. Ter ondersteuning werden hier nog diverse snellere schepen zoals AB-Tei gebruikt.

Thailand (Siam)

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog probeerde Thailand zich neutraal op te stellen. Door het groter worden van de Japanse invloed in de regio begon men zich echter langzaamaan vriendelijker naar Japan op te stellen. Dit resulteerde in augustus 1940 in een diplomatieke missie van premier Phibul aan Japan. Deze gesprekken resulteerden in de aanspraak van Thailand op in de 19e eeuw aan Frankrijk afgestane provincies in Frans Indo-China. Door de val van Frankrijk in juni 1940 verwachtte Thailand te maken te krijgen met een zwakke koloniale macht. En zo stevenden Thailand en Vichy-Frankrijk naar een oorlog. In oktober 1940 ontstonden de eerste grensincidenten. Na de door Vichy gewonnen zeeslag bij Koh-Chang op 17 januari 1941 leek de weg vrij tot een overeenkomst.

De gevechten hadden Japan en Thailand echter dichter naar elkaar gedreven, vooral door de Amerikaanse weigering om wapens aan Thailand te leveren. De positie van Japan was duidelijk geworden. Hoewel Japan geen alliantie aanging met Thailand, werd wel door hen benadrukt dat Japan de gebeurtenissen zou gaan dicteren. Dit dictaat zou zichtbaar worden op 8 december 1941, toen Japanse troepen in Thailand aan land gingen. De 5e en 18e Japanse Divisies gingen aan land in Thailand bij de plaatsen Singora en Patani en zouden aansluiting krijgen van de Keizerlijke Garde Divisie, die vanuit Bangkok naar het zuiden zou trekken. Eťn bataljon van de Keizerlijke Divisie kwam per schip aan in Bangkok, de rest trok vanuit Cambodja het land binnen. De tegenstand was nagenoeg nihil. Slechts sporadisch werd gevochten, waarbij voornamelijk de Thaise luchtmacht optrad. Op 9 december 1941 viel Bangkok volledig in Japanse handen.

Het 143ste Japanse Infanterieregiment landde op diverse plaatsen langs de Thaise kust, bij Prachuab Kirikhan, Chumporn, Nakorn Sri Thammarat en Surat Thani. Al deze plaatsen leidden naar strategisch belangrijke knooppunten in Thailand, vitaal voor de tocht zuidwaarts van de Keizerlijke Garde Divisie. De landingen zelf verliepen zeer voorspoedig. Er was nagenoeg geen enkele tegenstand van de Thaise troepen, zodat de Japanners met groot gemak in de havens hun troepen konden ontschepen. Zonder slag of stoot gaf de gouverneur in Singora zich gewonnen en al om 13.00 uur werd er met de Thaise regering een overeenkomst bereikt dat de Japanners de vrije doorgang verschafte door Thailand. Jamashita zelf kwam om 0.35 uur aan in de haven van Singora. Ook hier ondervond hij geen enkele tegenstand.

Op 9 december 1941 viel Jamashita vanuit Singora massaal aan in een poging om Jitra te veroveren. Hij moest hierbij echter eerst afrekenen met de Indische troepen die ondertussen de grens tussen Malakka en Thailand waren overgestoken. De bij Patani gelande 5e Japanse Divisie ging ondertussen het gevecht aan met andere delen van de 11e Indische Divisie langs de weg van Patani naar Kroh om de grens over te steken bij Betong.

Op 21 december 1941 werd een officiŽle overeenkomst gesloten tussen de Thaise regering en de Japanse bezetters in Bangkok. Thailand verklaarde zich volledig bondgenoot van Japan in ruil voor gebieden in Malakka en Birma. Uiteindelijk resulteerde dit in een formele oorlogsverklaring door Thailand aan Groot-BrittanniŽ en de Verenigde Staten op 25 januari 1942. De naar het zuiden trekkende Japanners kwamen in aanraking met de 11e Indische Divisie die het grensgebied met Thailand bij Jitra diende te verdedigen.

Operatie Matador

Op 6 december hield Arthur Percival in Kuala Lumpur een conferentie met luitenant-generaal Sir Lewis Heath, waarbij hem werd medegedeeld dat de Japanse vloot onderweg bleek te zijn. Hij vond het op dat moment nog niet noodzakelijk om de geplande operatie Matador in werking te zetten, maar bracht intussen wel de troepen in hoogste staat van paraatheid. Op een bijeenkomst in de avond te Singapore met de Britse Gouverneur Sir Shenton Thomas en Robert Brooke-Popham, werd eveneens een lancering van Matador te prematuur bevonden. Op 7 december 1941 vond een volgende stafbijeenkomst plaats in de Naval Base War Room te Singapore. Wederom werd door Brooke-Popham geaarzeld om Matador in werking te zetten en hij stelde een beslissing hiertoe tenminste 24 uur uit.

De Japanse troepen konden verder ongehinderd oprukken naar de grens met Malakka. De Britse troepen waren na het ontdekken van de invasievloot in eerste instantie slechts in hoogste staat van paraatheid gebracht. Men had verzuimd om de 11th Indian Division opdracht te geven de grens over te steken. Operatie Matador werd zodoende niet tijdig in werking gezet. Operatie Matador had al kunnen worden ingezet toen op 6 december de RAF het konvooi waarnam. Zoals al gemeld bleef men echter een besluit hiertoe uitstellen. Tegen de tijd dat de fout hiervan werd ingezien was het al te laat. Commandant Kirby wilde zijn troepen niet de grens over sturen voordat hij door middel van luchtverkenningen de absolute bevestiging had gekregen dat Japanse troepen inderdaad in Thailand waren geland.

Toch trok een deel van de 11th Indian Division de Thaise grens over in een poging tot uitvoering van een deel van Operatie Matador, namelijk het onderdeel Krohcol. De aangewezen troepen waren 3/16 Punjab (later gevolgd door 5/14 Punjab), 10th Battery Mountain Artillery en een eenheid van de 273th Antitank Battery. In plaats van de strijd met de Japanse troepen aan te gaan, werden de eerste gevechten hier geleverd met Thaise politietroepen. Zwaar gehinderd door deze gevechten bereikten de Britten op 10 december 1941 de gewenste posities bij Ledge, om te ontdekken dat deze al door de Japanse troepen waren bezet. Op 11 december 1941 realiseerde Lieutenant Colonel Moorhead dat de Japanse troepen te sterk voor hem waren. Terugtrekken werd goedgekeurd en ving aan op 12 december 1941. Tijdens de inval en de latere terugtocht is nog diverse malen door kleinere eenheden getracht om aanvallen in Thailand uit te voeren. Onder andere werd hiervoor een gepantserde trein gebruikt, waarbij een belangrijke spoorbrug werd vernield. De Britse troepen trokken zich terug op hun stellingen rond de stad Jitra.

Malakka

Naast de landingen bij Singora en Patani in Thailand ging de gevechtsgroep van Takoemi, het overgrote deel van de 18e Divisie aan land bij Kota Bharu in het noorden van Malakka. Zij zouden langs de noordkust naar Johore en Singapore optrekken en daarbij de steden Gong Kedah, Kuala Trengganu, Kuala Dungun, Kuantan, Endau en Mersing moeten innemen. Hierbij zou de invasiemacht allereerst stuiten op de 9th Indian Division die dit deel van Malakka diende te verdedigen. De Kota Bharu Invasion Force, onder schout-bij-nacht Shintaro Hashimoto, begeleidde de landingsvloot met de kruiser Sendai, de torpedobootjagers Ayanami, Isonami, Shikinami en Uranami, de mijnenvegers No. 2 en No. 3 en de patrouilleboot No. 9. De landing bij Kota Bharu kreeg te maken met zeer slecht weer. Desondanks wist men de troepen te ontschepen. Het ontschepen van de eerste landingsgolf onder leiding van kolonel Yoshio Natsoe, commandant van het 56ste Infanterieregiment aan boord van de Sakura Maru, duurde echter ruim een uur en toen moesten de landingsboten nog naar de kust varen.

Zonder dat Takoemi ervan op de hoogte was, waren de Japanners echter voor anker gegaan op de verkeerde plaats. Zij bevonden zich maar liefst 1800 meter meer naar het zuiden en toevallig recht voor de verdediging van de 8th Indian Infantry Brigade. Het mag dan ook geen verrassing zijn dat de aanvallers recht in een spervuur het strand op moesten. Kort na middernacht hadden namelijk wachtlopende Brits-Indische soldaten al drie transportschepen opgemerkt. Dit waren de Awajisan Maru, Ayatosan Maru en Sakura Maru, die op slechts drie kilometer uit de kust voor anker waren gegaan. Toen ook nog eens om 02.00 uur de RAAF zich Hudsons van No. 1 Squadron vanaf Kota Bharu en No. 8 Squadron uit Kunatan, in de strijd mengden, werd zelfs even overwogen de landing af te gelasten. De Britse vliegtuigen wisten de Awajisan Maru, waarop Takoemi's hoofdkwartier zich bevond, tot zinken te brengen.

Toch zette majoor-generaal Hiroshi Takoemi door. De eerste en tweede landingsgolven hadden hun manschappen aan wal gekregen met zeer grote verliezen. De troepen wisten zich echter aan de kust in te graven en zo de gevechten met de verdedigers aan te gaan. Uiteindelijk zou deze vastberadenheid de doorslag geven: om 10.30 uur kon men doorgeven dat de landing geslaagd was. Bij de 8e Indische Brigade van de 9th British-Indian Infantry Division, onder leiding van Brigadier General B.W. Key kregen de 3/17 Dogras de zwaarste aanvalsdruk te verwerken. De Japanse kracht was zo overweldigend en haar omvang zo groot dat de aanwezige Britse troepen geen enkele kans maakten om de Japanse opmars ook maar enige tegenstand te bieden. In de loop van de ochtend had majoor-generaal H. Takoemi drie infanteriebataljons aan land weten te brengen. Na een hevige strijd was de Britse verdedigingslinie doorbroken en werden de troepen gedwongen zich zuidwaarts terug te trekken. Om 14.00 uur op 9 december 1941 kon werd uiteindelijk ook Kota Bharu zelf ingenomen door de Japanse troepen en kon de landing als geslaagd worden beschouwd.

Ondertussen voerde de Japanse legerluchtmacht luchtaanvallen uit op de vliegvelden van Alor Star, Sungei Patani, Butterworth en Penang in het noordwesten en Kuala Trengau en Kuantan in het oosten, in een poging het grootste deel van de RAF aan de grond uit te schakelen. Tijdens de luchtaanval op Butterworth trachtte juist een squadron Bristol Blenheim-toestellen op te stijgen om de Japanse troepen bij Singora aan te vallen. Slechts 1 toestel wist van de grond te komen en volbracht geheel alleen de missie, waarbij haar piloot om het leven kwam. Deze piloot was Squadron Leader A.S.K. Skarf, die hiervoor postuum werd onderscheiden met het Victoria Cross, de eerste in de Maleise campagne.

Definitielijst

Brigade
Bestond meestal uit twee of meer Regimenten. Kon onafhankelijk of als een deel van een Divisie dienen. Soms waren ze deel van een Korps in plaats van een Divisie. In theorie bestond een Brigade uit 5.000 - 7.000 man.
Divisie
Bestond meestal uit tussen de een en vier Regimenten en maakte meestal deel uit van een Korps. In theorie bestond een Divisie uit 10.000 - 20.000 man.
invasie
Gewapende inval.
kruiser
Snelvarend oorlogsschip van 8000-15000 ton, geschikt voor diverse taken als verkenning, verkenningsafweer en konvooibescherming.
operatie Matador
Operatie Matador was de codenaam voor een voorgenomen Britse invasie van Siam (Thailand), indien Japan dreigde om Siam binnen te vallen. Op beperkte schaal werd in december 1941 uitvoering aan dit plan gegeven.
torpedobootjager
(Engels=destroyer) Zeer lichtgebouwd, snel en wendbaar oorlogsschip, bestemd om door verrassingsaanvallen grote vijandelijke schepen met de torpedo tot zinken te brengen.

Pagina navigatie

Afbeeldingen


De route van de invasievloot en de vernietiging van Force Z
(Bron: Wilco Vermeer (mbv Microsoft Encarta))


De Japanse kruiser Sendai
(Bron: Wilco Vermeer)


Een Australische Lockheed Hudson ontdekte de Japanse invasievloot
(Bron: Wilco Vermeer)

Informatie

Artikel door:
Wilco Vermeer
Geplaatst op:
13-06-2005
Laatst gewijzigd:
13-04-2011
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

CategorieŽn


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2018
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.