De Dishoek Affaire

Inhoudsopgave

De Dishoek Affaire, auteur André Cijvat

Noot STIWOT: Onderstaand artikel is bij ons binnengekomen als ingezonden artikel. Het artikel geeft de visie weer van de auteur op deze zaak. De gegevens die hierin voorkomen zijn dan ook geheel voor rekening van de auteur en geven niet per definitie de visie van STIWOT weer. Met plaatsing van dit artikel hopen wij dat de discussie over onderwerpen zoals hierin genoemd zal kunnen plaatsvinden. We zijn dan ook zeer verheugd een reactie te hebben mogen ontvangen door de auteurs H. Sakkers & J.N. Houterman.

Wilco Vermeer, secretaris STIWOT

Analyse van een Discussie.

Vanuit een artikel in De Wete is een discussie ontstaan met als inzet de moord op 13 mensen.
Je zou dus zeggen dat het bewijsmateriaal overduidelijk en zwaarwegend moet zijn wil men tot beschuldiging overgaan en het onderzoek wel zeer grondig uitgevoerd moet worden. Niets is minder waar, uit dezelfde vage en onbewezen beweringen trekken beide partijen een conclusie waarin zij lijnrecht tegenover elkaar komen te staan. In deze zaak ontbreekt het zelfs geheel aan technisch bewijs en moet men het 40 jaar na dato alleen doen met wat getuigen zich herinneren en met deze gegevens een theorie opbouwen. Als beide partijen uit dezelfde gegevens een conclusie kunnen trekken die zo totaal anders is geeft dat toch al aan dat de gebruikte argumentatie ondeugdelijk en van een bedroevend niveau is, hetgeen uit de hiernavolgende analyse zou moeten blijken. Beide partijen gebruiken uit eerdere verklaringen alleen wat in hun kraam te pas komt en gebruiken soms dezelfde argumentatie om hun eigen stelling te bewijzen als wel die van de tegenpartij te bestrijden. Tijd dus voor een nadere analyse.

Eerst een algemeen overzicht. Na de landing, op 1 november 1944, bij Westkapelle wordt op 2 november Zoutelande door het 48 RM Commando bevrijd. Het 47 RM Commando, onder leiding van Lt. Col Phillips, had het eigenlijk voor Zoutelande al over moeten nemen maar zij waren bij de landing zeer verdeeld en op verkeerde posities terecht gekomen. Daardoor namen zij pas na Zoutelande het voortouw, zij rukten voorspoedig op behoudens enkele sluipschutters en wat serieuzere tegenstand in de buurt van de "drakentanden" bij Valkenisse, hier had men ook enkele verliezen.
Rond 17.00u werd de aanval ingezet op de W 11 in de buurt van Dishoek, de tegenstand was hier zo zwaar dat men zich moest terugtrekken tot op een platform waar een zoeklicht had gestaan om daar de nacht door te brengen. Verschillende doden en gewonden waren van deze aanval het resultaat. Gedurende de nacht waren er twee uitvallen van Duitse patrouilles die werden afgeslagen. Rond 8.30 u in de morgen van 3 november wordt de aanval hervat, de strijd duurt dan tot ongeveer 11.30u waarna de laatste Duitsers zich overgeven.

In De Wete van 1981(nr. 4) komt Dhr. W.P. Roose met een foto waarop het graf van 13 Duitsers is te zien. Hierop volgt het verslag van een onderzoek dat voornamelijk gebaseerd is op ooggetuigeverslagen van Nederlandse mensen die in de buurt van Dishoek woonachtig waren of mensen die uit hoofde van hun functie iets met de zaak te maken hadden. Uit dit onderzoek trekt Dhr. W.P. Roose de conclusie dat de Duitsers door hun eigen mensen zijn doodgeschoten om een einde te maken aan de strijd.
Enkele jaren later komen H. Houterman en H. Sakkers in het boek "De Atlantikwall in Zeeland en Vlaanderen" met een eigen visie, zij beschuldigen het 47ste RM Commando van het doodschieten van de Duitsers uit frustratie over de tegenslagen bij de landing, het niet bevrijden van Zoutelande en de geleden verliezen en gewonden bij de felle tegenstand in de strijd om de W 11. Zij lanceren hier echter een zeer slecht onderbouwde theorie, uit niets blijkt dat er een diepgaand onderzoek aan vooraf is gegaan.
Maar, geachte lezer, het betreft hier toch geen detective waarin Dick Vledder als het hulpje van rechercheur De Cock te pas en te onpas zijn theorietjes lanceert. Het zou hier dan gaan om het doodschieten van 13 Duitsers die zich hebben overgegeven en ontwapend zijn, dat is in strijd met de Conventie van Geneve en dus een zeer zware beschuldiging. Pas in 2001 komen de Engelsen met een antwoord. Doordat "De Atlantikwall in Zeeland en Vlaanderen" alleen in het Nederlands is uitgegeven waren zij pas laat op de hoogte van de beschuldigingen en ook wilden zij de goede betrekkingen met de Walcherse bevolking niet schaden. Later worden de beschuldigingen o.a. door het opvoeren van een anonieme getuige meer specifiek en hierdoor wordt Lt. Col. Phillips ook persoonlijk aangevallen. Het door J. Forfar geschreven boek " From Omaha to the Scheldt " wordt echter weer alleen in het Engels uitgegeven en alleen omdat de P.Z.C. (12-1-2002) er een artikel aan wijdt wordt het bestaan van het boek hier bekend. Dat artikel gaat echter niet in op de inhoud van het boek waar de schrijver in hoofdstuk 15 zich verdedigd tegen de beschuldiging eerder door H. Houterman en H. Sakkers geuit. De in beide boeken gebruikte argumentatie zal ik hier puntsgewijs samenvatten en van commentaar voorzien. Om niet steeds de lange boektitels te herhalen zal ik het boek van H. Houterman en H. Sakkers aanduiden als het boek H/S en het boek van J. Forfar, als het boek J/F. In laatstgenoemd boek is ook nog een brief van H. Houterman opgenomen waarin hij een anonieme getuige opvoert.

- Uit het boek J/F blijkt dat H. Houterman en H. Sakkers na publicatie van hun boek een getuige hebben gevonden die heeft gezien hoe Lt. Col. Phillips de Duitsers heeft neergeschoten. Deze getuige wil niets vastleggen, anoniem blijven en de bevrijders geen schade toebrengen.
In een reactie daarop zegt Dhr. H. Schat, die in Groot-Valkenisse woonde en ook een hoofdstuk in het boek J/F voor zijn rekening neemt, dat Nederlanders niet in de duinen mochten komen en er dus geen getuige kan zijn geweest. Waarbij hij in zijn "eigen" hoofdstuk wel verklaart de eerste Engelse commando door de duinen te hebben zien aankomen. In de duinen mocht inderdaad niemand komen maar aan de duinvoet, de vronen, daar woonden en werkten de mensen zo gewoon mogelijk tussen en met de Duitsers.
En de door W.P. Roose opgevoerde getuige F.P.J. Christiaansen zegt dat hij het zelf ziet gebeuren op de locatie waar ook de andere getuigen zeggen dat het graf is. Deze locatie ligt bij Pension Kaapduin aan de voet van de duinen. Het was daar, in tegenstelling tot nu, een zeer open gebied met weinig bomen of struiken.

- In het boek J/F wordt veel ophef gemaakt over de anonimiteit van de getuige, mij lijkt dat echter niet de hoofdzaak. De hoofdzaak is dat men zelf zijn getuige moet kennen. Hoe is zijn karakter? Vertelt hij graag sterke verhalen? Waar is hij voor en waar tegen? En wat zijn de sterke en zwakke kanten van zijn geheugen? Dit laatste is zeer belangrijk de ene persoon onthoudt beter getallen en een ander namen en gezichten, weer een ander onthoudt misschien beter het gesproken woord maar die kan een slecht visueel geheugen hebben. Het is zelfs zo dat men b.v. een lijst van tien biersoorten met hun specifieke kenmerken wel kan onthouden maar een lijst van tien appelrassen niet, het ligt er dus zelfs aan waar men zich voor interesseert. Ook moet men het verhaal van een getuige toetsen aan verhalen van andere getuigen en aan reeds bekende feiten.

- De getuige die ziet hoe Lt. Col. Phillips de Duitsers doodschiet verklaart dat deze aan komt rijden met een voertuig. Dit wordt zeer zwaar bestreden door J. Forfar die verklaart dat het voor voertuigen niet mogelijk was daar te komen omdat de zuidkant van dit gebied werd afgesloten door het gat in de dijk bij de Nolle en de noordkant werd afgesloten door de "drakentanden", daar was volgens J. Forfar geen doorgang in. Dat klopt niet, er was wel degelijk een doorgang (n.b. de doorgang heb ik op foto) van ongeveer 5 meter breed en deze is nog steeds zichtbaar. Zo heb ik getuigenverklaringen die apart van elkaar melden dat ze tijdens de oorlog een versperring met schildwacht moesten passeren. Een andere getuige verklaart dat hij zelf, na de landing van de Engelsen, mijnen in de doorgang heeft moeten leggen.
En het rapport over het verhaal van het 47 RM commando vermeldt zelfs voor de avond van 2 november 1944: "De anti-tankversperring zuidelijk op de weg ( deze troepen kwamen uit Zoutelande) werd verkend en er werden mijnen gevonden, er werden enkele sappeurs op gezet om een weg erdoorheen vrij te maken". Zo stond er noordelijk van deze anti-tankversperring een kapotte Buffallo (LVT) en zuidelijk een kapotte Weasel, dus in het bewuste gebied. Een ooggetuige wees me ook op de nog steeds zichtbare sporen die de Weasel in het beton van het oude fietspad had achtergelaten. En ook werden de lijken die op 5 november werden opgehaald op een voertuig (waarschijnlijk een Weasel) gegooid zoals een getuige vertelt.
De positie is in Klein-Valkenisse waar de Vroonweg aansluit op het oude fietspad, dit oude fietspad ligt er nog steeds maar doet nu dienst als voetpad. Volgens de getuige lagen de lijken iets ten noordwesten van deze driesprong naast het fietspad, hij was toen een jaar of twaalf. Met meerdere jongens hadden ze de sigaretten bij de doden uit hun zakken gehaald maar ze de horloges afnemen dat durfden ze toch niet. Op 5 november kwam men met een voertuig de doden ophalen, de doden werden bij enkels en polsen beetgepakt en zo het voertuig opgeslingerd, dit gebeurde door Engelse soldaten. Toen deze soldaten merkten dat de jongens begerig naar de horloges keken kregen ze er een paar. Hiermee is dus niet bewezen dat er op 3 november enig voertuig in de betreffende zône is geweest, alleen dat die er m.i. wel hadden kunnen komen.

- Van de getuigenverklaringen door W.P. Roose opgetekend wordt door beide partijen weinig of geen notitie genomen, alhoewel de door W.P. Roose ondervraagde personen het duingebied en de Duitsers al jarenlang kenden en hadden meegemaakt.Uit deze verklaringen komt toch zeer sterk naar voren dat de Duitsers vooraf al bang waren te worden doodgeschoten. Alleen in het boek J/F worden delen van deze getuigenverklaringen gebruikt waarbij op bijna kinderachtige wijze steeds wordt herhaald dat de naam en het adres van de getuige bekend is terwijl, zoals al eerder gezegd, het belangrijker is dat men zijn getuige kent als persoon.

- In het boek J/F komt de schrijver nog met een zeer sterk punt naar voren. Als Lt. Col. Phillips de Duitsers zou hebben doodgeschoten zouden er zeer veel Duitse getuigen moeten zijn. Ook als ze niets zouden hebben gezien zouden ze na het vinden van de lijken toch eenvoudig hun conclusies kunnen trekken. Maar van Duitse zijde is geen enkel protest of vermelding bekend. Als Lt. Col. Phillips de Duitsers zou hebben doodgeschoten lijkt het haast onbestaanbaar dat in de bijna 60 jaar sinds het einde van de oorlog er geen enkele Duitser hier iets over heeft gezegd, geschreven of gerapporteerd. Men krijgt zelfs de indruk dat er van Duitse zijde helemaal geen animo is om de zaak te onderzoeken en van een eenmaal gestart onderzoek hoort men al snel niets meer. Met name de Duitse majoor Opalka start een onderzoek waar men na verloop van tijd niets meer van hoort. Het moet voor deze majoor Opalka makkelijk zijn geweest met nog levende officieren en manschappen in contact te komen en waarom hoort men dan niets meer over zijn onderzoek? Hij had zelfs beloofd aan de vrouw van één van de doodgeschoten Duitsers de zaak te onderzoeken en toch hoort men er niets meer van.

- In het boek H/S vraagt men zich af hoe 30 man niet zo fanatiek infanteriepersoneel het kader kan vermoorden van 150 man fanatiek marinepersoneel. Maar nergens blijkt uit waarom deze scherpe grens tussen fanatiek en niet fanatiek en tussen marine en infanterie in het verloop van de strijd moet zijn blijven bestaan, of zelfs ooit heeft bestaan. Die tweedeling is niet bewezen maar maakt wel een sterke indruk. Maar zo schud ik ook nog wel één theorie uit mijn mouw: alleen (sommigen van) de hoogste rangen wilden blijven vechten en waren fanatiek, al de lagere rangen en manschappen hadden daar geen zin meer in. Hier heb je dan een tweedeling waarbij de slachtoffers in de minderheid zijn maar wel de macht hebben, in heel de menselijke geschiedenis al een reden voor moord. Ook in datzelfde boek schrijven ze namelijk dat een personeelsbunker (waarschijnlijk een type 501) met daarin een groep Duitsers zich al in de morgen van 3 november zonder enige tegenstand overgeeft, dat wordt als gewoon ervaren zonder er verder vraagtekens bij te plaatsten. Je kan hier denken aan een kettingreactie zodat steeds meer Duitsers zich gaan overgeven naarmate de strijd hopelozer wordt. En met het dreigende verlies in zicht kan in paniek alles zijn aangegrepen om het zelf te overleven. Zo beschouwd lijkt het dan ook helemaal niet onlogisch dat in eerste instantie de tot de strijd bereide manschappen in de meerderheid waren maar dat later, met het dreigende verlies in zicht, de stemming is omgeslagen. Het idee dat 30 man tegen de strijd waren en 150 man voor en dat dit gedurende het gehele gevecht zo bleef is dan wel zeer oppervlakkig gesteld.

- Over het traject Westkapelle-Vlissingen gaat onder de bevolking nog tweemaal het verhaal dat Duitsers die door willen vechten door eigen landgenoten worden gedood. Bij de W13 wordt een Duitser door eigen manschappen doodgeschoten omdat hij door wilde vechten. Hoe dit verhaal onder de mensen bekend is geworden weet ik niet en ook is er geen officiële bevestiging van. Ook bij de bunker op het Noordervroon bij Zoutelande wordt één onderofficier doodgeschoten die door wil vechten. In deze bunker bevonden zich veel burgers uit Zoutelande die dekking zochten tegen de overkomende granaten. Uit hun verklaringen blijkt dat de onderofficier wordt doodgeschoten juist voor de Engelse commando's arriveren. Vier oudere Duitsers die regelmatig een kijkje komen nemen bij de burgers, in de nacht van 1 op 2 november, kondigen het gebeuren al van te voren aan en zeggen enkele keren dat ze niet bang hoeven te zijn. Omdat, als de Engelsen komen, er niet gevochten zal worden maar het met één schot gebeurd zal zijn en zo gaat het dan ook.

- In het boek J/F wordt beschreven hoe twee Duitse officieren in de nachtelijke uitvallen van 2 op 3 november, dus bij de zoeklichtpositie, op een bijzondere wijze de dood vinden, men vermoedt dat ze door hun eigen manschappen om het leven zijn gebracht (andere verklaringen vermelden dat ze sporen van een nekschot vertonen). Opmerkelijk is dat zowel Lt. Col. Phillips in zijn rapport als J.L. Moulton in zijn boek "De slag om Antwerpen en de Schelde 1944-'45" wel van de Duitse uitvallen maar niet van de bijzonder verwonde Duitse officieren melding maken terwijl ze in veel opzichten een vrij gedetailleerd verslag geven. Van de betrouwbaarheid van dit punt hangt echter veel af want als ze 's nachts al zouden zijn doodgeschoten kunnen ze natuurlijk niet de volgende morgen door Lt. Col. Phillips zijn geëxecuteerd. In het boek J/F, met een in 1974 geschreven brief als bron, komt het voor de schrijver van dit artikel dan ook voor het eerst naar voren. Als Houterman en Sakkers zich dan ook afvragen waarom het feit van de nekschoten niet dadelijk onderzocht is, krijgen ze in het boek J/F als antwoord dat daar tijdens de strijd geen tijd voor is en dat daar ook niemand belang bij heeft. Maar in hetzelfde boek merken de twee Engelsen de merkwaardige verwondingen bij de twee Duitse officieren wel op. In het boek J/F stelt men dan ook dat de Duitsers zich tijdens deze nachtelijke uitval van hun al te fanatieke meerderen wilden ontdoen. Naar de logica van een opvallend nekschot wordt verder niet gekeken, als ze gewoon waren neergeschoten had niemand iets gemerkt en waren ze toch ook van hun meerderen afgeweest.

- Door beide partijen wordt het idee achter de nekschoten niet nader onderzocht terwijl dit toch van cruciaal belang lijkt te zijn. Al komt men in het boek J/F nog met de zwakke verklaring dat het een bekende Gestapomethode is, toch weet J. Forfar niet duidelijk te maken waarom een zo opvallend nekschot werd gegeven. Alles lijkt erop gericht de dood van de Duitsers zo duidelijk mogelijk te etaleren, de nekschoten en ook de plaats waar het gebeurt. Ze worden niet doodgeschoten op een goed verborgen plaats middenin de duinen maar langs het fietspad in het zicht van enkele huizen. Indien de Duitsers door de Engelsen zouden zijn vermoord zou dat natuurlijk ook niet door middel van de opvallende nekschoten zijn gedaan en ze daarna op een opvallende plaats neer te leggen onder een dun laagje zand. Het zou dan meer voor de hand hebben gelegen als de Duitsers zelf een diep graf hadden moeten graven en ze daarna waren neergeschoten en het graf was dichtgegooid. Ook zou men een locatie hebben gekozen aan de zeezijde van de duinen uit het zicht van eventuele burgers. Er lijkt helemaal niets te zijn gedaan om het gebeurde te verbergen. Het moest dan ook een overduidelijke boodschap zijn, de Duitsers waren bang dat ze allemaal zouden sterven als de strijd tot het bittere einde gevoerd zou worden en wilden een duidelijk signaal afgeven dat niet iedereen bereid was die strijd tot het eind te voeren, ook moet men bang zijn geweest voor repressailles. Deze angst moet de oorzaak zijn van het afgeven van een zo duidelijk signaal naar de Engelse commando's dat men zelf een einde had gemaakt aan de Duitse weerstand. Het is dan ook ironisch dat wat hun juist een overduidelijk signaal leek later een bron van twijfel is geworden. Want als men de 13 Duitsers op een minder opvallende manier had neergeschoten en niet direct had begraven maar ze gewoon tussen de andere lijken had gelegd had niemand er enige aandacht aan geschonken en was men toch van zijn meerderen afgeweest.

Natuurlijk kan ik er met mijn conclusie ook naast zitten maar ik heb deze dan wel beter proberen te onderbouwen dan de heren Houterman en Sakkers in hun boek "De atlantikwall in Zeeland en Vlaanderen", hun stelling is wel zeer oppervlakkig. En de verdediging van J. Forfar heeft zoveel zwakke plekken dat het geheel niet erg sterk meer overkomt. Als één van beide partijen achteraf nog zijn gelijk wil halen met weer een nieuwe getuige of feiten die de tegenstander beschadigen zal dat door hun vooringenomen mening niet geloofwaardig meer overkomen. Men is niet meer objectief en ziet alleen nog punten die het eigen gelijk bevestigen. Alleen de zoektocht naar iemand die schuld bekent, en niet met de vinger naar een ander wijst, zou de ware toedracht in deze zaak nog boven water kunnen halen.

Bronnen:
- "De Wete", 1981 (Nr. 4), een uitgave van de Heemkundige kring Walcheren
- Forfar J., From Omaha to the Scheldt, Uitgeverij Tuckwell Press, 2001
- Moulton J., De slag om Antwerpen en de Schelde, Uitgeverij Hollandia b.v., 1978
- Phillips Lt. Col. C.F., The Walcheren operation. Pt. II: The story of 47 commando
- Sakkers H. en J. Houterman, Atlantikwall in Zeeland en Vlaanderen, Uitgeverij De Citadel, 2000

André Cijvat, Zoutelande

Definitielijst

infanterie
Het voetvolk van een leger (infanterist).

Pagina navigatie

Afbeeldingen


In tegenstelling tot nu was het gebied rond kaapduin voor en tijdens de oorlog een open en overzichtelijk gebied. De gedode Duitsers lagen vlak langs het fietspad. De foto is rond 1930 gemaakt.


Bij het gevecht om de W 11 streden ook de eerste Nederlandse commando's mee. Zij ontvingen hiervoor het Herinneringskruis voor Krijgsverrichtingen met de gesp: Arnhem-Nijmegen, Walcheren 1944.


Rechtsonder is op de foto de doorgang in de "drakentanden"te zien. De foto is van januari 1946 maar volgens diverse getuigen was de doorgang er tijdens de oorlog ook al.


Volgens getuigen zijn de sporen in het oude betonnen fietspad bij Klein-Valkenisse van een geällieerd voertuig(vermoedelijk een Weasel). ALLE FOTO'S: COLLECTIE ANDRÉ CIJVAT

Informatie

Artikel door:
André Cijvat
Geplaatst op:
04-08-2003
Laatst gewijzigd:
24-04-2010
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

Categorieën


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2017
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.