Lee-Enfield, geweren

Inleiding
Het Lee-Enfield geweer werd het standaardwapen van de Britse infanterist. Het is ook ťťn van de bekendste grendelgeweren uit de geschiedenis geworden en werd in diverse varianten geproduceerd tussen 1888 en 1970. Zelfs tot op de dag van vandaag wordt dit wapen nog in actieve militaire dienst gebruikt.

Lee-Enfield is een naam, ontstaan uit de samenvoeging van de achternaam van wapenontwerper James Paris Lee (1831-1904) en de Britse staatsfabriek Enfield Lock in het Engelse Middlesex. Lee woonde al sinds 1858 in de Verenigde Staten en bouwde al op 12-jarige leeftijd zijn eerste wapens. Eenmaal ouder maakte hij hier zijn beroep van. Rond 1870 voltooide hij het ontwerp van een wapen dat de basis zou gaan vormen voor de latere Lee-Enfield wapens. In 1877 ontving hij het patent op een repeteergeweer, dat was voorzien van een afneembaar doosmagazijn en een grendel aan de achterzijde. De Remington Arms Company nam het wapen in productie en leverde het aan het Amerikaanse leger, de Amerikaanse marine, Denemarken en Groot-BrittanniŽ.
Dit laatste land ontving 350 exemplaren en deze zouden de stamvader worden van de Lee-Enfield.

Ontwikkeling
In 1874 werd het tijd om een vervanger te zoeken voor het Martini-Henry geweer, tot dan toe het standaardwapen van de Britten. In 1883 werd uiteindelijk het Small Arms Committee opgericht dat tot doel kreeg een goede opvolger te vinden of te fabriceren. Deze organisatie deed experimenten met niet minder dan 31 verschillende wapens. Uiteindelijk bleven er hiervan drie over die de toets der kritiek konden weerstaan. Dit waren wapens van Lee, Mauser en Green. Intussen hadden echter de ontwikkelingen op wapengebied niet stilgestaan en kwamen alweer nieuw typen op de markt. Twee hiervan bleken uiteindelijk veel beter dan de rest, dit waren een verbeterde Lee, genaamd de Lee-Burton en het door Enfield ontworpen Owen-Jones geweer. Het verschil tussen beide wapens lag vooral in de geavanceerdheid van de laatste, waarbij de repeteerfunktie kon worden uitgeschakeld, waardoor een enkelschots wapen ontstond.

Hierdoor was het wapen echter ook ingewikkelder om te produceren. De Lee-Burton won, mede door de eenvoudige productie, de strijd en werd op 22 december 1888 officieel ingevoerd als "Rifle, Magazine, Mark I". Als standaardmunitie werd gekozen voor het .303 Mk I randpatroon, gevuld met zwartkruit. Op 8 augustus 1891 kreeg het wapen een nieuwe naam en wel "Lee-Metford Mark I", naar ingenieur William Ellis Metford, die een zeer belangrijke figuur was in de ontwikkeling van het wapen. In januari 1892 volgde de verbeterde "Lee-Metford Mark I*" het eerdere wapen op. Deze was slechts een iets modernere versie. Een jaar later echter werd een geheel nieuw ontwerp op de markt gebracht, de "Lee-Metford Mark II". In plaats van een 8-schots magazijn, had het wapen nu een 10-schots magazijn, waarvan de patronen in twee rijen in het magazijn zaten.

In november 1895 werd een geheel gemoderniseerd wapen op de markt gebracht. Deze "Rifle, Magazine Lee-Enfield, Mark I" was geheel gemoderniseerd. Het loopprofiel was veranderd van de standaard 7 groeven naar slechts vijf groeven, een loop die was ontwikkeld bij Enfield. De verandering was nodig gebleken door de overstap van zwartkruit naar rookloos kruit in het standaard Mk VI .303 patroon. Naast het nieuwe wapen, werden ook vele oude Lee-Metford wapens voorzien van de nieuwe loop. Deze wapens waren te herkennen aan de "E" op de loop.

In een korte tijd van slechts zeven jaar ontstonden maar liefst vier modellen van de nieuwe Lee-Enfield. Men kende de "Lee-Enfield Mk I", welke in feite een "Lee-Metford Mk II*" was, voorzien van de nieuwe Enfield-loop. Daarnaast ontstond de "Lee-Enfield Mk I*", een wapen gelijk aan de Mk I, maar dan zonder pompstok. Daarnaast werden van beide wapens een cavalerieversie gemaakt als cavaleriekarabijn, voorzien van een kortere loop. Deze wapens zouden het standaardwapen zijn tijdens de Boerenoorlog van 1899 tot 1902.
Tijdens deze oorlog bleken al snel enkele tekortkomingen van beide wapens. Als kritiek kwamen naar voren: het grote gewicht, het ingewikkelde mechanisme, de gevoeligheid voor stof en vuil en het trage laden van het wapen.
Om hier een oplossing voor te bedenken ging het Small Arms Committee aan het werk met de fabrikant van de Lee-Enfield, de Royal Small Arms Factory Enfield.

Men kwam tot de ontwikkeling van een korter wapen (lengte 113 cm), met een handbescherming over de gehele loop. Het mechanisme en magazijn waren sterk vereenvoudigd zodat het sneller kon worden gereinigd. De richtmiddelen waren sterk verbeterd en het wapen kon worden geladen met clips.
Vanaf dat moment kregen de wapens een andere naam en wel SMLE, wat "Short Magazine Lee Enfield" betekend.

Lee-Enfield, Rifle No.1
Het eerste nieuwe wapen, werd in december 1902 in gebruik genomen en kreeg als benaming "Rifle, S.M.L.E. Mark I". Na het doorvoeren van enkele verbeteringen aan vizier, kolf en kolfplaat, ontstond in 1906 het "Rifle, S.M.L.E. Mark I*". Speciaal voor de Royal Navy werd de "Rifle, S.M.L.E. Mark I**" gefabriceerd, die was afgeleid van de Mark I*. Korte tijd later werden, wederom voor de Royal Navy, Mark I* wapens voorzien van een verbeterde versie van het vizier. Dit wapen werd aangeduid als "Rifle, S.M.L.E. Mark I***".
Na 1910 werden, door de invoering van de spitsere en zwaarder geladen .303 Mk VII patroon, alle SMLE modellen voorzien van een nieuw vizier. De hiertoe omgebouwde wapens werden op de loop aangeduid met de letters "HV" van "High Velocity".
Een volgende versie van de SMLE zou de "Rifle, S.M.L.E. Mark II" moeten zijn. Over dit wapen bestaat echter de nodige discussie. Volgens sommige historici zou dit de aanduiding zijn voor naar SMLE Mk I omgebouwde Lee-Metford en Lee-Enfield wapens en volgens anderen zou het gaan om een experimenteel type dat nooit in productie is genomen.
In 1907 werd in ieder geval de "Rifle, S.M.L.E. Mark III" ingevoerd. De vernieuwingen die bij dit wapen waren doorgevoerd zouden de trend zetten voor de toekomst. Het wapen werd standaard uitgevoerd met een nieuw type bajonet, een vaste laadbrug voor de munitieclips, een vernieuwd vizier en diverse andere wijzigingen. In 1916 ontstond hieruit een vereenvoudigde versie, zonder magazijnsper en lange-afstandsvizier, de "Rifle, S.M.L.E. Mark III*".
Deze beide wapens zouden het standaardwapen van de Britten worden tijdens de Eerste Wereldoorlog. Maar liefst een kleine 6 miljoen werden er geproduceerd in Groot-BrittanniŽ, India en AustraliŽ. Beide wapens bleken superieur tegenover de Duitse Mauser, een wapen waartegen de eerste Lee-Enfield wapens in de Boerenoorlog het nog aflegden.
Uiteindelijk werden ook alle nog aanwezige Lee-Metford en Lee-Enfield wapens omgebouwd en kregen de aanduiding de "Rifle, S.M.L.E. Mark IV".
De laatste twee versies van de SMLE, waren de "Rifle, S.M.L.E. Mark V", voorzien van een extra vizier en de experimentele "Rifle, S.M.L.E. Mark VI".

In 1926 werd het hele Britse wapensysteem gewijzigd. Van de SMLE wapens zouden alleen de typen Mk III en MK III* nog in gebruik blijven als actief wapen en de Mk V en Mk VI als experimentele wapens. Al deze wapens kregen nu als nieuwe naam de aanduiding "Rifle No.1". Door de aanwezige typen zouden er zes versies van dit wapen in gebruik zijn. De Mk III, de Mk III*, de Mk III D.P. voor exercities, de Mk III E.Y., voor een noodproductie uit de Eerste Wereldoorlog speciaal geschikt voor het afvuren van granaten, de Mk V en de Mk VI.

Technische gegevens:

Kaliber; .303 inch (7,7x56 mm)
Lengte; 1143 mm
Lengte loop; 642 mm
Gewicht; 3,71 kg
Vuursnelheid; 15 schot/min.
Magazijn; Afneembaar magazijn met 10 patronen
Effectieve/Max schootsafstand 900 m/1829 m

Lee-Enfield, Rifle No.4
De aanduidingen Rifle No.2 en Rifle No.3 werden in de loop der tijd gebruikt voor een aantal andere wapens. Vanaf het midden van de jaren twintig was men echter aan de slag gegaan met de ontwikkeling van een nieuwe Lee-Enfield. Aanvankelijk werd dit wapen aangeduid met de benaming "Rifle, S.M.L.E. Mark VI". In 1931 werd deze naam omgedoopt tot "Rifle No.4". In 1935 werd echter plotseling de verdere ontwikkeling van dit wapen stilgelegd. De legerleiding was er van overtuigd dat het repeteergeweer binnen een aantal jaren zou worden vervangen door een halfautomatisch geweer en men wilde liever deze ontwikkeling afwachten.

In 1939 was een dergelijk wapen er echter nog steeds niet en moest men teruggrijpen op het, speciaal voor de massaproductie ontworpen, "Rifle No.4". Met het debacle van Duinkerken, waarbij zeer vele wapens van het type "Rifle No.1" waren achtergelaten, werd de nood nog groter. Naast de "Rifle No.4", bleef men echter het andere type ook produceren.
Pas vanaf 1943 was de productie zodanig op orde dat het nieuwe wapen in grote aantallen naar de troepen toe kon. Deze "Rifle No.4 Mark I" werd het belangrijkste wapen voor Groot-BrittanniŽ. Maar liefst vier miljoen exemplaren werden geproduceerd in Groot-BrittanniŽ, Canada en de Verenigde Staten.

De No.4 Mark I had een dikkere en sterkere loop dan de Rifle No.1, het vizier en de korrel waren beter beschermd en logischer bevestigd. Een bovenband was aangebracht op de plaats van de vroegere mondingskap, zodat de eenvoudiger spijkerbajonet over de loopmonding kon worden gemonteerd.

Hoewel er tijdens de oorlog verschillende soorten vizieren en lopen met verschillende hoeveelheden trekken werden gemonteerd, verscheen een nieuwe versie van het wapen, de "Rifle No.4 Mark I*" pas in 1946 bij de troepen. Dit wapen was sterk vereenvoudigd, door de grendelpal te laten vervallen en de constructie van de magazijnpal en de staartstukbrug te wijzigen. Opvallend is dat dit wapen al vanaf 1942 in Canada en de Verenigde Staten is geproduceerd, maar niet meer tijdens de Tweede Wereldoorlog in gebruik is genomen.
Direct na de oorlog werd echter al een nieuw standaardmodel ingevoerd, de "Rifle No.4 Mk 2".

Technische gegevens:

Kaliber; .303 inch (7,7x56 mm)
Lengte; 1130 mm
Lengte loop; 640 mm
Gewicht; 4,12 kg
Vuursnelheid; 15 schot/min.
Magazijn; Afneembaar magazijn met 10 patronen
Effectieve/Max schootsafstand 900 m/1829 m

Lee-Enfield, Rifle No.5
In 1943 was men begonnen met de ontwikkeling van een Lee-Enfield, speciaal geschikt voor de strijd in de oerwouden van Zuidoost-AziŽ. Tot dan toe werd hier ook het Rifle No.4 gebruikt. Gezien de kleinere afstanden waarover de gevechten hier doorgaans plaatsvonden vroeg men om een lichter en korter wapen.

Men kwam met een versie van de Rifle No.4 met een kortere loop (slechts 47,5 cm) en voorzien van een vlamdemper. Het wapen werd officieel ingevoerd op 23 mei 1945, waardoor het nog net werd gebruikt in de Tweede Wereldoorlog. Er zijn echter bronnen die beweren dat het wapen al vanaf september 1944 mondjesmaat werd gebruikt. Dit zou ook verklaarbaar zijn, aangezien een dergelijk wapen vrijwel zeker naar het front zal zijn gestuurd om uit te testen, nog voordat het officieel werd ingevoerd.
Het wapen bleek overigens niet bepaald een succes. De zuiverheid van het wapen bleek, door de kortere loop, in belangrijke mate te zijn afgenomen. De ontwerpers konden dit probleem met geen enkele mogelijkheid oplossen, zodat al snel de productie weer werd stilgelegd.

Definitielijst

bajonet
Steekwapen dat voor man-tot-man gevechten op het geweer geplaatst kan worden.
Eerste Wereldoorlog
Ook wel Grote Oorlog genoemd, conflict dat ontstond na een groei van het nationalisme, militarisme en neo-kolonialisme in Europa en waarbij twee allianties elkaar bestreden gedurende een vier jaar durende strijd, die zich na een turbulent begin, geheel afspeelde in de loopgraven. De strijdende partijen waren Groot-BrittanniŽ, Frankrijk, Rusland aan de ene kant (de Triple Entente), op den duur versterkt door o.a. ItaliŽ en de Verenigde Staten, en Duitsland, Bulgarije, Oostenrijk-Hongarije en het Ottomaanse Rijk aan de andere kant (de Centrale Mogendheden of Centralen). De strijd werd gekenmerkt door enorme aantallen slachtoffers en de inzet van vele nieuwe wapens (vlammenwerpers, vliegtuigen, gifgas, tanks). De oorlog eindigde met de onvoorwaardelijke overgave van Duitsland en zijn bondgenoten in 1918.
Kaliber
De inwendige diameter van de loop van een stuk geschut, gemeten bij de monding. De lengte van de loop wordt vaak aangegeven in het aantal kalibers. Zo is bv de loop van het kanon 15/24 24 ◊15 cm lang.
massaproductie
Het maken van een grote hoeveelheid van hetzelfde produkt.

Bronnen

- Vries G. de, Het Lee-Enfield geweer, deel 1, uit SAM Wapenmagazine, nummer 123, SAM-wapenmagazine B.v., Soest, juni/juli 2003
- Modern Firearms & Ammunition

Afbeeldingen


Rifle No.1


Rifle No.4

Informatie

Artikel door:
Wilco Vermeer
Geplaatst op:
14-08-2003
Laatst gewijzigd:
30-01-2010
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

CategorieŽn


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2017
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.