Duitse Heer, de Duitse landmacht

Heer, de Duitse landmacht

Inleiding
Nadat Adolf Hitler op 16 maart 1935 de dienstplicht opnieuw had ingevoerd, volgen de ontwikkelingen elkaar binnen het Duitse Heer zich in een ijltempo op. Ondanks de gigantische modernisering die werd doorgevoerd, waren in september 1939 de meeste eenheden nog steeds afhankelijk van pure paardenkracht voor het transport. Men was er echter in geslaagd om een uitermate gemotiveerd en gedisciplineerde landmacht op de been te brengen die de daarop volgende jaren menig gevreesd leger op de knieën wist te krijgen.

De opbouw
Door de beperkingen van het Verdrag van Versailles in 1919, mocht Duitsland slechts een klein leger hebben. De positieve keerzijde was echter dat op deze wijze men een basis had die zeer professioneel en gemotiveerd was. Rond deze basis, die bestond uit het beste wat Duitsland op militair gebied in huis had, kon men na 1935 een formidabel leger opbouwen. Een andere bijkomstigheid was dat men in alle Duitse staten een Landespolizei in stand had gehouden. Deze professionele paramilitaire eenheden werden dan ook terstond in het nieuwe Heer opgenomen en vormden zo de basis voor het nieuwe leger. Deze eenheden werden vervolgens aangevuld met de gedisciplineerde paramilitaire kaders uit de NSDAP.

De zo opgebouwde professionele basis vormde een ideaal startpunt om de vele dienstplichtigen op te vangen. De dienstplicht en het vrijwillig dienstnemen werd zeer aantrekkelijk gemaakt. Door middel van privileges, een goed loon, goede en mooie kleding en uitstekende faciliteiten op de kazernes werd er alles aan gedaan om het leger zo aantrekkelijk mogelijk te maken. Hierdoor kon Adolf Hitler, toen hij in september 1939 ten strijde trok, beschikken over een uiterst gemotiveerde landmacht, het Heer. Deze Heer kwam aanvankelijk te staan tegenover legers die veelal met zwaar verouderde wapens moesten vechten en wiens motivatie ver beneden het peil van hun Duitse tegenstanders lag. Vooral wist men hierdoor in mei en juni 1940 het grotere Franse leger te verslaan.

Organisatie
In september 1939 werd het Heer geleid door het Oberkommando des Heeres (OKH), dat operationeel ondergeschikt was aan het Oberkommando der Wehrmacht (OKW) en Generaloberst Keitel, maar formeel onder de directe leiding van Adolf Hitler stond. In die tijd was Duitsland opgedeeld in 13 districten, Wehrkreise, waarbinnen de bij aanvang van mobilisatie 51 divisies (39 infanterie-, 5 pantser-, 4 lichte en 3 bergdivisies) waren georganiseerd. Met de mobilisatie werd dit aantal in snel tempo uitgebreid met 16 reserve-, 21 territoriale- (de Landswehr) en 14 Ergänzungsdivisies. Nog voor de Duitse aanval in het westen in mei 1940, werd het aantal Panzerdivisies verdubbeld tot 10 stuks.

Met het oog op de Poolse campagne (Fall Weiβ), werden twee legergroepen geformeerd. Heeresgruppe Nord werd georganiseerd in twee legers met elk drie korpsen. Deze Heeresgruppe Nord zou de beschikking hebben over een pantserdivisie, een gemengde Heeres/SS-pantserdivisie, twee gemotoriseerde divisies, 16 infanteriedivisies en een cavaleriebrigade. De andere legergroep, Heeresgruppe Süd, telde drie legers met in totaal 10 korpsen. Deze kreeg de beschikking over vier pantserdivisies, vier lichte divisies, 21 infanteriedivisies en drie bergdivisies.

Rond deze tijd kende het Duitse Heer vijf soorten divisies: infanterie-, gemotoriseerde infanterie-, pantser-, lichte- en bergjagerdivisies. De infanteriedivisies werden opgebouwd in zogenaamde “Wellen”. Iedere Welle kende een iets andere indeling op basis van grootte, organisatie en taak. Met de eerste Welle werden ongeveer 18.000 man opgeroepen. De daaropvolgende Wellen werden iedere keer uit circa 15.000 man opgebouwd. De divisies die in de derde en vierde Welle werden opgebouwd, telden aanzienlijk minder artilleristen dan de eerste twee Wellen.

Een standaard infanteriedivisie bestond uit drie regimenten, met elk ongeveer 3000 manschappen, een artillerieregiment en een aantal ondersteunende eenheden zoals een geniebataljon en een verkennings “Abteilung”. In tegenstelling tot legers van de meeste andere landen waren bij het Duitse Heer de genie- en verkenningseenheden volwaardige gevechtseenheden. Uitgerust met vlammenwerpers en pantserafweerwapens kon men ze veelal in de punt van de aanval terugvinden. Elk infanterieregiment had haar eigen hoofdkwartier met een staf, een verbindingseenheid, een fiets- en een geniepeloton. In een regiment waren drie infanteriebataljons te vinden. Ieder bataljon telde vervolgens weer drie infanteriecompagnieën elk bestaande uit 180 manschappen, een anti-tankgeweereenheid, een machinegeweercompagnie met drie pelotons en een mortierpeloton met drie secties.

Met deze indeling had ieder infanterieregiment haar eigen ondersteuning met zware wapens en artillerie. Het standaard infanteriewapen zou de gehele Tweede Wereldoorlog ongewijzigd blijven en was de 7,92 mm Mauser Kar 98k. Officieren, machinegeweerschutters, chauffeurs en alle andere militairen die geen Mauser hadden, droegen de Luger Pistole 08.

Het binnen de infanteriedivisie aanwezige artillerieregiment werd verdeeld in drie artillerie “Abteilungen” met elk drie batterijen (elke batterij bewapend met vier 10,5 cm houwitsers). In het verloop van de oorlog werd hier nog een vierde aan toegevoegd met drie batterijen van elk vier 15 cm houwitsers. Afhankelijk van de gevechtstaak van de infanteriedivisie kon de artillerie variëren van de 8,8 cm FLAK/Antitank tot de grote 60 cm houwitser “Karl Mörser”. Afhankelijk van de aard van de te voeren operatie kon aan een infanteriedivisie ook nog zware luchtafweerbatterijen van de Luftwaffe worden toegevoegd.

Om de operatiesnelheid van een pantserdivisie te kunnen ondersteunen werden speciale gemotoriseerde infanteriedivisies in het leven geroepen. Aanvankelijk kenden deze divisies drie infanterieregimenten uitgerust met motoren en een gemotoriseerd artillerieregiment. Na de invasie van Polen werd hier echter veelal een infanterieregiment uit weggehaald, ten behoeve van de formatie van nieuwe pantserdivisies.

De pantserdivisies waren aanvankelijk opgebouwd uit twee tankregimenten, elk bestaande uit twee bataljons met elk vier compagnieën met ieder 32 tanks, twee volledig gemotoriseerde infanterieregimenten die later de benaming Panzergrenadiere zouden krijgen, een verkenningsbataljon met pantserwagens en motoren, een verbindingsbataljon en ondersteunende eenheden.

De lichte divisie was in feite de moderne versie van de oude cavalerie. Het waren dan ook gemotoriseerde cavaleristen. De samenstelling kon nog al eens variëren en was veelal opgebouwd met een licht tankbataljon, één of twee cavalerieregimenten (infanteristen), een gemotoriseerd artillerieregiment, een antitankbataljon, verkenningsbataljons of regimenten met pantserwagens. Na de strijd in Polen werden de meeste lichte divisies al snel omgevormd tot pantserdivisies.

De drie bergdivisies die het Duitse Heer telde leken qua indeling veel op een infanteriedivisies. Ze waren echter uitgerust met veel lichtere bewapening en uitrusting, waardoor deze divisies vaak heel beweeglijk waren en als elite-eenheid werden ingezet.

In 1939 telde het Duitse Heer nog maar één zuivere cavalerieeenheid, de 1.Kavaleriebrigade. Deze bestond uit twee bereden regimenten en een bereden artilleriebataljon. Elk regiment telde vier cavalerie-eskaders en een eskader zware wapens. Op 25 oktober 1939, werd een tweede brigade opgezet en werden beide brigades ondergebracht in de 1.Kavaleriedivision.

Ten tijde van de aanval in het westen in mei 1940, telde het Heer 129 infanteriedivisies, vier gemotoriseerde infanteriedivisies, vier lichte divisies, tien pantserdivisies, drie bergjagerdivisies en één cavaleriedivisie. Daarnaast had men de beschikking over de zogenaamde SS-Verfügungstruppe, die vanaf april 1940 werd omgezet in de Waffen SS. Het Heer werd speciaal voor de aanval in het westen gereorganiseerd door de formatie van drie legergroepen, Heeresgruppe A (45,5 divisies waarvan 7 pansterdivisies), Heeresgruppe B (29,5 divisies waarvan 3 pansterdivisies) en Heeresgruppe C (19 divisies). De rest van de oorlog werd nagenoeg niets veranderd aan de basis van deze organisatie. Alleen in de top werd, afhankelijk van de te voeren operatie, nogal wat geschoven. Alhoewel dus de samenstelling binnen een divisie/regiment nagenoeg niet wijzigde, wijzigde wel het aantal soldaten dat binnen de eenheden werd samengetrokken. De oorzaak hiervoor was tweeledig. Natuurlijk was het aantal beschikbare soldaten, naarmate de oorlog vorderde, danig geslonken. Dit zou echter kunnen worden opgevangen door het opheffen en samenvoegen van diverse onderdelen. Vanuit propagandistisch oogpunt werd dit echter maar sporadisch gedaan. Men hield liever de schijn op van het blijven bestaan van hele divisies, alhoewel de samenstelling soms nog maar nauwelijks een divisie waard was.

Definitielijst

Abteilung
Maakte meestal deel uit van een Regiment en bestond uit een aantal Kompanien. De Abteilung was de kleinste eenheid die individueel kon opereren en zichzelf kon handhaven. In theorie bestond een Abteilung uit 500 - 1.000 man.
artillerie
Verzamelnaam voor krijgswerktuigen waarmee men projectielen afschiet. De moderne term artillerie duidt in het algemeen geschut aan, waarvan de schootsafstanden en kalibers boven bepaalde grenzen vallen. Met artillerie duidt men ook een legeronderdeel aan dat zich voornamelijk van geschut bedient.
brigade
Bestond meestal uit twee of meer Regimenten. Kon onafhankelijk of als een deel van een Divisie dienen. Soms waren ze deel van een Korps in plaats van een Divisie. In theorie bestond een Brigade uit 5.000 - 7.000 man.
cavalerie
In het Engels Calvary. Oorspronkelijk een aanduiding voor bereden troepen. In de Tweede Wereldoorlog de aanduiding voor gepantserde eenheden. Belangrijkste taken zijn verkenning, aanval en ondersteuning van infanterie.
divisie
Bestond meestal uit tussen de een en vier Regimenten en maakte meestal deel uit van een Korps. In theorie bestond een Divisie uit 10.000 - 20.000 man.
FLAK
Flieger/ Flugzeug Abwehr Kanone. Duits luchtafweergeschut.
Heeresgruppe
Was de grootste Duitse grondformatie en was direct ondergeschikt aan het OKH. Bestond meestal uit een aantal Armeen met weinig andere direct ondergeschikte eenheden. Een Heeresgruppe opereerde in een groot gebied en kon een paar 100.000 man groot worden.
houwitser
Ook bekend als Haubitze (Du) of Howitser (En). Houwitser is een krombaan geschut. Schiet dus met een kromme baan en heeft daardoor een minder grote reikwijdte. Deze kan voor een 155mm houwitser toch nog bij 18 km liggen
infanterie
Het voetvolk van een leger (infanterist).
invasie
Gewapende inval.
Luftwaffe
Duitse luchtmacht.
Luger
Wapenontwerper. Tevens beroemde (foutieve) bijnaam voor het Duitse (PO8) 9mm pistool.
mobilisatie
Een leger in staat van oorlog brengen, dus eigenlijk de overgang van vredestoestand naar oorlogstoestand. Het Nederlandse leger werd gemobiliseerd op 29 augustus 1939.
regiment
Onderdeel van een divisie. Een divisie bestaat uit een aantal regimenten. Bij de landmacht van oudsher de benaming van de grootste organieke eenheid van één wapensoort.

Bronnen

- Molo A., The Armed Forces of World War II, Little, Brown and Company, Leicester, 2001
- Westwood D., German Infantryman (1) 1933-40, Osprey Publishing, Oxford 2002

Afbeeldingen


Een infanterist met de Kar98


Oefening met de mitrailleur (beide foto's: collectie Wilco Vermeer)

Informatie

Artikel door:
Wilco Vermeer
Geplaatst op:
22-09-2003
Laatst gewijzigd:
15-03-2015
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

Categorieën


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2017
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.