Konzentrationslager Buchenwald

Het leven in Buchenwald

Inhoudsopgave

Het begin
Weimar, zomer 1937, een mooi, pittoresk stadje in Thüringen. De stad waar onder andere Goethe, Schiller, Liszt en Bach een aanzienlijk deel van hun leven hebben doorgebracht.
Vijf kilometer verder de Ettersberg waar één van de eerste concentratiekampen van het Nazi-regime, werd opgericht. Op 16 juli 1937 kwamen de eerste driehonderd gevangenen aan in Konzentrationslager Ettersberg dat vanaf 6 augustus 1937 bekend stond als KL Buchenwald. Het was in eerste instantie bestemd voor politieke tegenstanders van het nationaalsocialisme, zware criminelen, "asocialen", Getuigen van Jehova, Joden … .

Vanaf september 1939 werden er mensen uit heel Europa in Buchenwald opgesloten. Het was geen specifiek uitroeiingskamp, zoals Auschwitz, maar door gedetineerden voor de vernietigingskampen te selecteren maakte Buchenwald deel uit van het nazi-vernietigingsapparaat. Er werd een ander moordprocédé in de praktijk gebracht: Vernichtung durch Arbeit. En gearbeid moest er worden. Urenlang zonder voldoende voedsel, hygiëne, kledij. Het kamp werd volledig aangelegd door de gevangenen. Zij rooiden de bomen, houwden stenen uit in een steengroeve, plaatsten de prikkeldraad, bouwden de barakken. Velen stierven van uitputting.

Het kamp lag boven aan de Ettersberg midden in het woud. Om de bereikbaarheid te vergemakkelijken werd een lange weg aangelegd van de voet van de berg tot aan de kamppoort (met het opschrift Jedem das Seine). De Bloedstraat werd in hoog tempo aangelegd en kostte duizenden het leven. De weg is nog steeds voor een deel in de oorspronkelijke staat, ter herinnering aan de vele doden. De weg vanaf het kampstation tot aan de lagerpoort werd de Carachoweg genoemd. Dit Russische woord betekent eenvoudigweg "goed", maar kreeg verschillende invullingen. "Caracho" riepen de SS’ers. Toen moesten de pas aangekomen gevangenen dit stuk in Laufschritt afleggen, opgejaagd door geweerkolven, laarzen en honden. Wie te ver uit de rij liep of viel, werd genadeloos afgemaakt. Wie "geluk" had, werd doodgeschoten; de meesten werden doodgeschopt.

Steeds meer gevangenen stroomden toe. Eind september 1939 waren er 8.634. Op 31 december 1943 verbleven er 37.319, in december 1944 63.048, eind maart 1945 80.436. In totaal overleefden 56 545 Schützhäftlinge de hel van Buchenwald niet. Daarbij moeten nog de vele duizenden gerekend worden die "ter vernietiging" naar andere kampen, zoals Auschwitz, werden gevoerd. Officieel bedroeg hun aantal meer dan 13.000.

Het kampleven
Het leven in een concentratiekamp werd in de eerste plaats gekenmerkt door de ontmenselijking. Zodra je de poort binnenging, was je niet langer een mens. Je was nog minder waard dan de zwijnen. Het kamppersoneel nam je persoonlijke kleren af: voortaan liep je, zoals iedereen, in een soort zebra-uniform rond. Je werd kaalgeschoren en bovenal, je kreeg een nummer. Je had niet langer een naam, maar een nummer. Deze tactiek werd in alle kampen toegepast: het was een goede methode om het geweten van de bewakers te sussen. Ze gingen niet om met mensen, maar met nummers. Ze doodden naamlozen die het niet waard waren om te leven. Niemand, zelfs de meest geharde SS’er, werd graag persoonlijk door het enorme lijden in een KZ aangesproken. Je zette je leven op het spel, wanneer je een bewaker in de ogen durfde te kijken. Die onzichtbare barrière tussen het lijden van de gevangenen en de persoonlijke sfeer van de bewakers mocht je niet doorbreken.

De bewakers trachtten de kameraadschap tussen de gevangenen zoveel mogelijk te ondermijnen en de onderlinge jaloezie te versterken. Zo mochten sommige gevangenen brieven schrijven, maar ze kregen er geen. Anderen kregen dan wel brieven, maar mochten er geen schrijven. Slechts enkele gelukkigen kregen beide voordelen, vele anderen geen van beide. Joden, Sinti en Roma kregen steeds het meest zware werk en het minste eten. Het was de andere gevangenen streng verboden hen te helpen. Wie de SS’ers daarop toch betrapten, werd onder hetzelfde regime geplaatst.

Elke dag stonden de gevangenen in alle vroegte op. Dan was het tijd voor Bettenbau: het opmaken van de bedden. Elk "bed", bestaande uit een houten bak, een strozak en een deken moest perfect opgemaakt zijn, anders werd de hele barak gestraft. Vervolgens ging het, telkens in Laufschritt, naar de waszaal en het Wohnraum (waar ze zich omkleedden). Tijdens het appel telden de bewakers het aantal gevangenen. Dit was ook het moment voor het uitvoeren van straffen en executies. Vaak stonden geïnterneerden uren in de kou en regen omwille van een klein vergrijp of omdat de SS-bewakers daar zin in hadden. Na het ochtendappel volgde een werkdag van twaalf uren (hout hakken, stenen uithouwen, wegen aanleggen, barakken bouwen, …) op een regime van een paar honderd gram brood en een halve liter watersoep - als de SS’ers tenminste het eten wilden verdelen. Vele gevangenen werkten in Gustloff-Werke, een wapenfabriek nabij Weimar. In 1942 werd een afdeling vlak naast het KZ opgericht. Anderen houwden hele dagen stenen uit in de vlakbij gelegen steengroeve. Die stenen werden in enorme karren, getrokken door gevangenen, naar het kamp vervoerd. Ondertussen moesten zij zingen; de SS’ers noemden hen de "Zingende Paarden". Naast de gewone Arbeitskommandos bestond er ook een Sonderkommando: vrijwilligers die de doden opraapten en ze naar crematoria in Weimar, Jena en Leipzig brachten. Buchenwald had pas vanaf de zomer van 1940 zijn eigen crematorium. ’s Avonds werd opnieuw appel gehouden. Telkens moesten de gevangenen geteld worden. Als het aantal niet klopte, werd telkens opnieuw geteld. Zo kon een appel drie tot vier uur duren, met als trieste uitschieter 14 december 1938. Dat appel duurde negentien uur, omdat drie personen niet gevonden werden. Al die tijd moesten de gedeporteerden blijven staan: wie durfde te bewegen, werd geschopt en geslagen, meestal tot de dood erop volgde. Wie ineenzakte, mocht niet worden geholpen. Vijfenzeventig mensen overleefden die nacht niet.

Arbeid stond centraal in het kampleven. Het ene project was nog niet afgerond, toen er al met een nieuw werd begonnen. Eén van de grootste projecten was de aanleg van de spoorweg naar Buchenwald. Dit gebeurde vrij laat. Pas op 17 maart 1943 begonnen het werk aan de lijn Weimar-Buchenwald. De spoorweg, volledig aangelegd door de gevangenen, werd in amper vier maanden voltooid: op 21 juni 1943 arriveerde de eerste lading nieuwe slachtoffers per trein. Om het toenemend aantal gevangenen te herbergen, moesten er steeds meer barakken gebouwd worden. Er kwam ook een Sonderlager voor de eerste Polen. Minder dan de helft van de 3000 mannen overleefden dat Sonderlager. Begin 1940 begon de bouw van het crematorium. Later kwamen er nog een quarantainekamp, een gevangenenkantine en een speciaal kamp voor Sovjetkrijgsgevangenen. Dit alles werd door de kampbewoners zelf opgebouwd, telkens in een verschrikkelijk tempo en ten koste van vele levens.

De honger was er voortdurend. Niemand kreeg genoeg te eten of te drinken. Vaak vonden de SS’ers één of andere reden om geen eten uit te delen. Kampcommandant Koch besliste geregeld dat de voedselrantsoenen voor de Joden naar de zwijnen gingen. Soepketels werden omver gegooid, waarna steeds vechtpartijen ontstonden voor de kleine stukjes aardappel en (vaak rot) vlees in de soep. Het voortdurende gebrek aan de meest elementaire voeding leidde tot een ziekte die Buchenwalditis werd genoemd. Eerst verloren de gedeporteerden hun vet, later hun spieren tot dat ze uiteindelijk niet meer dan levende skeletten waren. Alles wat ook maar enigszins eetbaar was, werd gegeten. Tyfus, dysenterie, schurft en andere ziekten behoorden tot de gewone gang van zaken. Om aan extra rantsoen te geraken, waren de gevangenen zeer vindingrijk. Zo sleepten twee levenden een dode mee om extra portie brood te krijgen. Wie betrapt werd - en dat gebeurde vaak - mocht in het beste geval een aantal dagen zonder eten doorbrengen.

In de aftakeling en uitputting onderscheidden de geïnterneerden zelf verschillende fasen. Een Muselmann was een gevangene die de eerste tekenen van dodelijke gelatenheid (wankele passen, afwezige blik) vertoonde. De Lunatik (Pools voor maanman) was zo ver heen dat hij niemand meer kende en als een geest door het kamp dwaalde. Deze toestand hield twee tot drie dagen aan en werd onvermijdelijk gevolgd door de dood.

Definitielijst

Nazi
Afkorting voor een nationaal socialist.

Pagina navigatie

Afbeeldingen


De toegangspoort van Buchenwald met het opschrift Jedem das Seine
(Bron: Gerd Van der Auwera)


De laatste halte van vele Buchenwaldgevangenen
(Bron: Gerd Van der Auwera)


De appelplaats
(Bron: Gerd Van der Auwera)


De vroegere barakken zijn afgebroken, maar de plaatsen waar ze stonden, zijn nog gemerkt met deze donkerbruine stenen.
(Bron: Gerd Van der Auwera)

Informatie

Artikel door:
Gerd Van der Auwera
Geplaatst op:
01-04-2005
Laatst gewijzigd:
03-07-2013
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

Categorieën


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2017
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.