Heydrich, Reinhard

Inleiding

Van leider van een inlichtingendienst, waarvan hij aanvankelijk de enige medewerker was, klom Reinhard Heydrich op tot de op één na machtigste man binnen het naziterreurapparaat. Joseph Goebbels noemde hem “de radicaalste en meest succesvolle strijder tegen staatsvijanden.” Tijdens de oorlog stond hij aan het roer van het Reichssicherheitshauptamt, waarin de veiligheids- en politiediensten waarover hij de leiding voerde, verenigd waren.

Heydrich is vooral berucht geworden door zijn grote betrokkenheid bij de totstandkoming van de Holocaust. Omdat hij na een aanslag in juni 1942 aan zijn verwondingen overleed, maakte hij de massadeportaties naar de belangrijkste vernietigingskampen niet meer mee, maar zijn rol was gedurende de periode die daaraan vooraf ging zeer belangrijk. Na de Kristallnacht zorgde hij ervoor dat de Joodse kwestie steeds radicaler werd aangepakt. Gedurende de oorlog was Heydrich degene die de Einsatzgruppen naar de Sovjet-Unie stuurde met de opdracht om Joden te executeren. Hij werkte toe naar de zogenoemde Endlösung die op de Wannsee-conferentie in januari 1942 besproken werd met de door hem uitgenodigde vertegenwoordigers van de rijksministeries.

Door zijn Arische voorkomen, zijn radicale aanpak, zijn wilskracht en prestatiedrang was Heydrich het toonbeeld van de nationaalsocialist. Hij was een workaholic die zijn werk bij de SS combineerde met sport, een vliegenierscarrière en uiteindelijk de functie van Rijksprotector van Bohemen en Moravië. Over deze persoon wiens werklust gecombineerd werd met een enorme vernietigingsdrang gaat dit artikel.


Jeugdjaren

Reinhard Tristan Eugen werd geboren op 7 maart 1904 in Halle an der Saale, vlakbij Leipzig. Zijn vader, Bruno Heydrich, was de directeur en oprichter van het conservatorium van Halle. Hij bespeelde verschillende instrumenten, zong in opera’s en componeerde onder meer pianostukken, koorzang en de opera “Amen”. Reinhards moeder, de streng katholieke Elisabeth Heydrich Kranz, gaf pianoles op het conservatorium van haar man. De naam van hun zoon toont de grote muzikale belangstelling van het echtpaar. Reinhard was de naam van de hoofdpersoon uit Bruno Heydrichs opera “Amen”. Tristan was afgeleid van de opera “Tristan und Isolde” van Richard Wagner en Eugen was een eerbetoon aan de vader van Elisabeth, Georg Eugen Krantz, hoogleraar muziek in Dresden en Hofrat.

Reinhard was het tweede kind van het gezin. Zijn zus, Maria, werd in 1901 geboren en zijn broer, Siegfried Heinz, in 1905. Toen Reinhard net een halfjaar oud was, kreeg hij een hersenvliesontsteking. Omdat voor zijn leven gevreesd werd, lieten zijn ouders hem nooddopen, maar hun zoon herstelde. Het is niet te zeggen of de hersenvliesontsteking van invloed is geweest op zijn geestelijke ontwikkeling. Wel is het bekend dat hij geen makkelijk kind was. Hij was eigenwijs, onhandelbaar en driftig. Door zijn moeilijke karakter was hij al op jonge leeftijd een eenling en werd hij gepest door leeftijdsgenootjes. Zijn karaktertrekken kwamen voor een deel overeen met die van zijn strenge en afstandelijke moeder. “Je kon niet echt contact met haar krijgen”, zo vertelt een huisvriend over Elisabeth Heydrich. “Het ontbrak haar aan vrouwelijke en moederlijke warmte tegenover jonge mensen. Ze maakte altijd een zeer verheven indruk. […] Ze bezat een zekere mate van arrogantie, en die heeft Reinhard geërfd.”

Bruno Heydrich bekommerde zich weinig om de opvoeding van zijn kinderen. Hij was te druk met zijn succesvolle muziekinstituut. Reinhard keek op tegen zijn vader, maar trad nooit in zijn voetsporen. Hij kon goed vioolspelen, maar gaf de voorkeur aan lichte stukken. Ook had hij geen zangstem zoals zijn vader. Zijn leven lang had hij een piepstemmetje dat hem in combinatie met een mekkerig lachje de bijnaam “geit” opleverde. Reinhard had meer succes als sportman. Hij hield zich vanaf het moment dat hij in de herfst van 1914 het Reform-Realgymnasium in Halle bezocht, bezig met zwemmen, hardlopen, voetballen, zeilen, paardrijden en schermen. Vooral in de schermsport blonk hij uit. Zelfs op het toppunt van zijn uiteindelijke carrière bij de SS was hij een actief schermer; in december 1941 eindigde hij bij de landskampioenschappen als beste Duitser. Als sporter, maar eigenlijk op alle gebieden, wilde hij de beste zijn. Door meer te presteren dan anderen probeerde hij zich als kind waarschijnlijk tegen de spot van zijn leeftijdsgenoten te beschermen. Deze dwangmatige behoefte om zich te bewijzen, bleef hem gedurende zijn hele leven kenmerken.

Ook de politieke vorming van Reinhard Heydrich vindt zijn oorsprong in zijn jeugd. De familie Heydrich was nationalistisch en keizersgezind. Het soldatenleven had een grote aantrekkingskracht op Reinhard en de nederlaag van Duitsland in de Eerste Wereldoorlog was voor hem een enorme teleurstelling. Aan het welvarende leven van zijn familie kwam abrupt een eind. Het conservatorium van zijn vader trok almaar minder leerlingen en in de winter van 1916 - 1917 leed de familie zelfs voor het eerst honger. Zoals vele andere tijdsgenoten geloofden ze de dolkstootlegende en gaven ze de Joden en de communisten de schuld van de nederlaag en al hun ellende.

In de jaren na de oorlog waren de politieke tegenstellingen in Duitsland groot en probeerden zowel rechts- als links-radicale groeperingen de macht te grijpen. Ook Halle werd geteisterd door politieke chaos. Toen de stad enkele maanden na de capitulatie door communistische opstandelingen werd ingenomen, sloot Reinhard Heydrich zich aan bij een rechts-radicaal vrijkorps, hoewel hij daar eigenlijk nog te jong voor was. Toen de communisten overwonnen waren, werd hij lid van de burgerwacht in Halle. Tijdens een tweede opstand van communisten in Halle diende Heydrich als lid de Technische Nothilfe, een nooddienst ingesteld door het ministerie van Binnenlandse Zaken die ervoor moest zorgen dat elektriciteit, gas en water bleven werken of werden hersteld. Door zijn ervaringen tijdens oproeren, zijn lidmaatschap van extreemnationalistische organisaties, zoals de Völkische Schutz- und Trutzbund, en contacten met propagandisten van de dolkstootlegende in het vrijkorps werd Heydrich gevormd tot een radicale aanhanger van de extreemnationalistische politiek, waarvan de rassenideologie een belangrijk speerpunt vormde.


Marinecarrière

Nadat Reinhard Heydrich met uitstekende cijfers geslaagd was op het Reform-Gymnasium, meldde hij zich op 30 maart 1922 aan bij de marine om zijn droom te verwezenlijken: admiraal worden. Hij werd ingedeeld bij de Crew 22. Hij volgde eerst gedurende zes maanden training aan boord van het slagschip Brandenburg. Vervolgens verbleef hij drie maanden op het opleidingsschip Niobe en deed hij van juli 1923 tot maart 1924 dienst op de kruiser Berlin, waarmee de cadettenopleiding beëindigd werd. Op 1 april 1924 werd Heydrich bevorderd tot Fähnrich en volgde hij gedurende een jaar de zeeofficiersopleiding op de marineschool Mürwick bij Flensburg.

Ook tijdens zijn opleiding bleef Heydrich een éénling en vonden andere crewleden hem een zonderling. “Vooral ijdelheid, zelfvoldaanheid, behaagzucht, weekhartigheid en hypergevoeligheid waren opvallende karaktertrekken van hem”, zo verklaart een crewkameraad van Heydrich. “[…] Hij werd al snel een geliefd mikpunt van spot bij bijna al zijn kameraden. En hij reageerde altijd verkeerd.” Ondanks de pesterijen hield Heydrich vol. Wanneer hij zich neerslachtig voelde, trok hij zich op het voordek terug met zijn viool. Aan boord van de kruiser Berlin trok Heydrichs vioolspel de aandacht van Korvettenkapitän Wilhelm Canaris, de latere leider van de Duitse militaire inlichtingendienst de Abwehr. Heydrich werd door Canaris regelmatig uitgenodigd voor muziekavonden bij hem en zijn vrouw thuis in Kiel. Politiek gezien zaten beide marinemannen op dezelfde golflengte. Ze spraken tijdens hun ontmoetingen onder meer over de oorzaken van de Duitse nederlaag in de Eerste Wereldoorlog en over de toekomst van Duitsland. Het contact met deze ervaren officier maakte indruk op Heydrich. Hiermee kon hij zich onderscheiden van de overige crewleden.

Op 1 oktober 1926 werd Heydrich benoemd tot Leutnant zur See. Nadat hij in het eerste kwartaal van 1927 een opleiding tot technisch officier bij de verbindingsdienst volgde, deed hij tot oktober 1928 dienst als tweede radio-officier. Hierna werd hij benoemd tot Oberleutnant zur See, de hoogste rang die hij zou behalen bij de Reichsmarine. Tot zijn vertrek bij de marine werkte hij op de verbindingsafdeling van de marinebasis in Kiel aan de Oostzee.

Begin december ontmoette hij op een roeiersbal de 19-jarige Lina von Osten. Drie dagen later vroeg hij haar ten huwelijk en op 18 december verloofden ze zich. De aankondiging van zijn verloving stuurde hij zonder verdere toelichting ook aan een meisje waarmee hij meerdere keren was uitgegaan. Zij beschouwde zich als Heydrichs verloofde. Haar vader, een bij de marineleiding invloedrijk persoon, deed zijn beklag over de trouweloze officier bij Admiral Erich Raeder. Heydrich werd voor de ereraad geroepen. Omdat hij zich zelfingenomen opstelde en geen enkel schuldbewustzijn toonde, werd hij vanwege karakterloos en onwaardig gedrag op 30 april 1931 uit de marine gezet. Desondanks kreeg hij bij zijn vertrek een goede beoordeling. “Al zijn meerderen noemen H. een consciëntieuze en betrouwbare officier met een serieuze taakopvatting, die elk aan hem opgedragen werk voortvarend uitvoerde”, zo werd er geschreven in zijn getuigschrift. “Tegenover zijn meerderen open en militair, bij zijn kameraden geliefd. Ondergeschikten behandelde hij goed en rechtvaardig.”

Na de oorlog is er veel gespeculeerd over de veronderstelling dat zijn ontslag te maken gehad zou hebben met zijn rechtsradicale sympathieën. Dat lijkt echter onwaarschijnlijk omdat dit vrijwel zeker door de nazipropaganda uitgebuit zou zijn. Door de nazi-pers werd hierover echter altijd gezwegen. Ook is er na de oorlog veel gegist naar de identiteit van het meisje en haar vader die zijn beklag deed over Heydrichs vermeende trouweloosheid. Er zijn veel theorieën; zo zou deze man een bouwkundig marineambtenaar, een directeur van een werf of een hoge officier bij het arsenaal in Hamburg geweest kunnen zijn, maar onweerlegbaar bewijs dat de ware identiteit kan aantonen ontbreekt, mede omdat de notulen van de zitting van de ereraad nooit teruggevonden zijn.


Eerste carrièrestappen bij de SS

Na zijn oneervolle ontslag bij de marine keerde Reinhard Heydrich moedeloos en vrijwel zonder inkomen terug bij zijn ouders in Halle. Zijn droom om carrière te maken bij de marine had hij voorgoed verpest door zijn gedrag. Zijn ouders hadden hun eigen problemen; zijn vader had een beroerte gehad en zijn moeder moest de kost verdienen voor haar man, haar dochter, haar werkloze schoonzoon en haar andere zoon en diens echtgenote. Om haar oudste zoon aan een baan te helpen wendde ze zich tot zijn peettante, Elise von Eberstein. Haar zoon, Karl Freiherr von Eberstein, was Sturmführer in de Schutzstaffel (SS), toen nog een kleine aftakking van de Sturmabteilung (SA). Als staflid van SA-chef Ernst Röhm wist hij dat er door SS-leider Heinrich Himmler gezocht werd naar iemand die binnen de SS een inlichtingendienst kon opzetten. Heydrich kende de NSDAP enkel uit de verhalen van zijn verloofde die sinds haar achttiende lid van deze partij was. Het ruwe karakter van de SA sprak hem niet aan, maar een elitaire organisatie als de SS beviel hem wel. Op 1 juni 1931 werd hij in Hamburg lid van de nazi-partij en twee weken later, op 14 juni, reisde hij naar Himmlers kippenboerderij in Waldtrudering voor een sollicitatiegesprek.

Dat Heydrich in aanmerking kwam voor de functie van leider van een op te richten inlichtingendienst beruste eigenlijk op een misverstand, want hij was bij de marine verbindingsofficier geweest, geen inlichtingenofficier. Dit maakte Himmler niet uit; hij was tijdens zijn eerste ontmoeting direct onder de indruk van het “noordse uiterlijk” van Heydrich dat hij omschreef als “groot en blond met correcte, scherpe en goedmoedige ogen”. De SS-leider gaf Heydrich de opdracht om een opzet te beschrijven van hoe hij zich een inlichtingendienst binnen de NSDAP voorstelde. Deze opzet stemde hem tevreden en Heydrich werd door hem aangesteld als chef van de op te richten inlichtingendienst. Op 14 juli trad Heydrich vervolgens toe tot de SS met als rang SS-Untersturmführer. Voordat hij begon met het opzetten van zijn inlichtingendienst nam hij deel aan straatgevechten tegen communisten, waarbij hij bij hen de bijnaam “het blonde beest uit Dovenburg” verwierf.

Op 10 augustus werd Heydrich bevorderd tot SS-Sturmführer. Hij betrok een kamer in het Braune Haus, het partijhoofdkwartier in München, en begon met het opzetten van zijn inlichtingendienst die hij naar voorbeeld van militaire spionagediensten de afkorting ‘Ic’ gaf. Hij keek veel af bij de grotere en machtige buitenlandse inlichtingendiensten, vooral de Britse Secret Intelligence Service. Naar het voorbeeld van de Britten liet hij zich aanspreken als‘C’ en ondertekende hij zijn correspondentie ook met deze letter. Aanvankelijk waren Heydrichs middelen zeer beperkt; hij moest zijn kamer en typemachine delen met een andere medewerker en hij kreeg zo weinig financiële steun dat hij niet eens voldoende kantoorbenodigdheden kon kopen. Ook moest hij vooralsnog grotendeels gebruik maken van onbetaalde vrijwilligers. Langzaamaan ontwikkelde Heydrich met beperkte middelen, maar met een groot organisatietalent, een netwerk van informanten in het hele land. Op systeemkaarten verzamelde hij alle informatie die hij kon verkrijgen over zowel leden als tegenstanders van de partij, vooral informatie die hij later tegen de betreffende persoon kon gebruiken.

Oorspronkelijk was de belangrijkste taak van Heydrich het opsporen van vijandige spionnen, onder meer van de politie en de communistische partij. Op 26 augustus waarschuwde hij op een bijeenkomst van hoge SS-officieren ervoor dat de partij zwaar geïnfiltreerd was door spionnen van de politie en concurrerende partijen die de NSDAP “met alle mogelijke middelen schade [probeerden] te berokkenen”. Hij wist onder andere partijgenoot Horninger, die Himmler ook op het oog had gehad als leider van de inlichtingendienst, te ontmaskeren als informant van het hoofdcommissariaat van de politie in München. Himmler prees Heydrichs inspanningen. “Hij had een onfeilbare neus voor mensen,” zo roemde hij de leider van zijn inlichtingendienst. “Hij voorzag werkelijk verbluffend scherp de wegen die vriend en vijand zouden gaan.” De SS-leider besloot dat per 4 september elk SS-Abschnitt (SS-district) en elke SS-Standarte (SS-regiment) een eigen inlichtingenafdeling moest oprichtingen die aan Heydrich rapport moest uitbrengen. Op 1 december 1931 steeg Heydrich weer een stapje hoger in de hiërarchie toen hij werd benoemd tot SS-Hauptsturmführer.

Op 26 december 1931 trouwde Heydrich met zijn Lina. De plechtigheid was geheel in nazi-stijl aangekleed; boven het altaar hing een hakenkruis van dennentakken, buiten de kerk liep het echtpaar door een erehaag van nazi’s die de Hitlergroet brachten en bij het verlaten van de kerk speelde het orgel het Horst-Wessellied. Een dag voor de bruiloft was Heydrich benoemd tot SS-Sturmbannführer. Intussen had hij sinds de herfst een eigen kantoor in de Türkenstrasse 23, maar in 1932 betrok hij met zijn vrouw een villa in de Zuccalistrasse 4 in München waar hij ook het hoofdbureau van zijn Ic vestigde dat ondertussen bestond uit zeven vaste medewerkers. Op 29 juli 1932 werd Heydrich gepromoveerd tot SS-Standartenführer. Van april tot juni werd zijn inlichtingendienst vanwege het verbod op de SA en SS tijdelijk omgedoopt tot pers- en informatiedienst (PID). Later zou de organisatie Sicherheitsdienst (SD) genoemd worden.

Begin juni 1932 werd Heydrich geconfronteerd met het gerucht dat hij deels van Joodse komaf zou zijn. Dit was niet voor het eerst, want ook al tijdens zijn loopbaan bij de Reichsmarine en misschien zelfs al eerder werd hij hiermee lastiggevallen. De oorsprong van dit gerucht was dat zijn vaders moeder drie jaar na de dood van haar echtgenoot trouwde met Gustav Robert Süss, wiens achternaam leek te wijzen op een Joodse afkomst, alhoewel daar in dit geval geen sprake van was. In een muziekencyclopedie uit 1916 stond zijn vader onjuist vermeld als “Heydrich Bruno (eigenlijk Süss)”. Rudolf Jordan, de Gauleiter van Halle-Merseburg, schreef een brief aan Gregor Strasser, de leider van de NSDAP-organisatie, waarin hij wees op deze muziekencyclopedie. Strasser gaf daarop de partijgenealoog Achim Gercke de opdracht om dit uit te zoeken. Gercke kwam tot de conclusie dat “[…] Heydrich van Duitse afkomst is en vrij [is] van gekleurd of Joods bloed.” Volgens Heydrich-biograaf Mario R. Dederichs ontbraken in de bijgesloten genealogische lijst opmerkelijk genoeg bepaalde gegevens, waaronder de geboortedatum van Heydrichs moeder en grootvader. Het is eigenaardig dat zulke essentiële gegevens ontbreken terwijl Himmler tegelijkertijd van zijn belangrijkste medewerkers een “bewijs van ariërschap” teruggaande tot het jaar 1648 eiste.

Ondanks dat de geruchten over zijn Joodse komaf door de partij als onwaar bestempeld werden, schakelde Heydrich privé ook een genealoog in die tot dezelfde conclusie kwam. Alhoewel het eigenlijke gerucht inderdaad gebaseerd was op onjuiste feiten wijst Dederichs erop dat er nog wel enige onduidelijk bestaat over Heydrichs afkomst. In Heydrichs dossier wordt zijn overgrootmoeder namelijk Johanna Birnbaum genoemd. Dit hoeft niet perse te duiden op een Joodse afkomst, maar vreemd genoeg komt deze naam niet voor in de afstammingsoorkonde van zijn broer waar deze overgrootmoeder zonder verdere data Maria Rosine Lichner wordt genoemd. Misschien betekent dit niets, want als deze vrouw daadwerkelijk Joods geweest zou zijn, was het logischer geweest dat haar naam in Heydrichs papieren aangepast zou zijn in plaats van in die van zijn broer.

Er wordt wel eens beweerd dat Heydrichs onzekerheid over zijn afkomst de oorzaak is van zijn trouw en gehoorzaamheid aan Himmler. Ook zou zijn radicale antisemitisme hierin zijn oorsprong vinden. Dit valt achteraf moeilijk te bewijzen, maar het is in elk geval erg waarschijnlijk dat de pesterijen, de geruchten en de onzekerheid over zijn komaf ertoe hebben geleid dat Heydrich zich al vanaf zijn periode bij de Reichsmarine almaar verder afzette tegen het Jodendom om te bewijzen dat hij hier niks mee van doen had.


Nazi’s aan de macht

De benoeming van Adolf Hitler tot rijkskanselier op 30 januari 1933 had aanvankelijk nog weinig invloed op Heydrichs carrière. Op dat moment nam de SS als onderdeel van de SA namelijk nog altijd een ondergeschikte positie in binnen de nazi-hiërarchie. Een belangrijke promotie van Heydrich vond plaats in maart 1933 toen de nazi’s de macht in Beieren grepen. Himmler werd het nieuwe hoofd van de politie in München. Hij benoemde Heydrich tot chef van de politieke afdeling, de Bayerische Politische Polizei (Baypopo). Beieren werd voor het duo een proefterrein voor de ontwikkeling van hun terreurapparaat. Om de machtspositie van de nazi-partij te waarborgen arresteerden ze communisten en andere politieke tegenstanders. Op 22 maart opende Himmler in Dachau het eerste concentratiekamp waar politieke tegenstanders zonder voorafgaand proces geïnterneerd werden. Een dag daarvoor was Heydrich benoemd tot SS-Oberführer en enkele maanden later, op 9 november, werd hij gepromoveerd tot SS-Brigadeführer.

Met hun macht in Beieren namen Himmler en Heydrich geen genoegen, want hun doel was om de versplinterde deelstaatpolitiediensten te vervangen door één grote, centrale politiemacht. Hierin slaagden ze in rap tempo, want vanaf de herfst van 1933 wist Himmler gaandeweg in vrijwel elke deelstaat de macht over de geheime politiediensten te verkrijgen. Vooralsnog slaagde Himmler er niet in om het gezag over de Berlijnse politieke politie, de Geheime Staatspolizei of Gestapo, over te nemen van Hermann Göring. Daar kwam op 20 april 1934 verandering in toen Himmler door Göring werd benoemd tot Inspektor der Gestapo en Himmler Heydrich de operationele leiding gaf over deze geheime politiedienst. Het motief voor dit gebaar van Göring was dat een pact met de SS voor hem van belang was om zijn concurrent Ernst Röhm en zijn SA uit te schakelen.

Heydrich was in zijn element bij het beramen van dit complot tegen de SA-leiding. De valse geruchten en verzonnen bewijsstukken die door Heydrichs Sicherheitsdienst verspreid werden, wisten uiteindelijk ook Hitler ervan te overtuigen dat de SA een putsch aan het voorbereiden was. In de nacht van 30 juni op 1 juli, die de geschiedenisboeken is ingegaan als de “Nacht van de lange messen”, en de twee daarop volgende dagen, werden meerdere SA-leiders, waaronder Röhm, en oude opponenten van de partij door de SS opgepakt en geëxecuteerd. Dat Röhm een persoonlijke vriend en de peetvader van zijn eerste zoon was, lijkt Heydrich niet gedeerd te hebben.

Na de uitschakeling van de SA werd de SS op 20 juli 1934 uitgeroepen tot zelfstandige organisatie. Tevens was op 9 juni officieel vastgelegd dat “naast de Sicherheitsdienst van de Reichsführer-SS geen andere inlichtingen- of contraspionagedienst van de partij meer mocht functioneren”. Heydrich werd bevorderd tot SS-Gruppenführer. Als verantwoordelijke voor de Gestapo en de Sicherheitsdienst was hij op dertigjarige leeftijd, na Himmler, de machtigste persoon binnen de SS. De geheime politiediensten van de verschillende deelstaten werden door hem gereorganiseerd en bestuurd vanuit het hoofdkwartier van de Gestapo aan de Prinz Albrechtstrasse in Berlijn. Aan het roer van de Gestapo zette hij de voormalige Beierse politieman Heinrich Müller. Veel medewerkers werden vervangen door SS’ers. Voor de SD trok hij bij voorkeur jonge academici, ambtenaren en zakenmensen aan, zodat hij van zijn inlichtingendienst de leiderselite van de SS kon maken.

Hardheid en meedogenloosheid waren al voor de oorlog, de bezettingspolitiek en de uitroeiing van de Joden kenmerken van Heydrichs strategie. “Om ons volk te behouden moeten we hard tegenover onze tegenstander zijn,” zo schreef hij in 1935 in een partijpamflet, “ook al is het op het gevaar af dat we de individuele tegenstander menselijk daarmee misschien pijn doen en dat we eventueel ook als onbeheerste woestelingen worden bestempeld door een aantal welmenende personen.” Datzelfde jaar sprak hij met de Zwitser Carl Jacob Burckhardt, een vertegenwoordiger van het Rode Kruis die onderzocht wat zich in de concentratiekampen afspeelde. “In het buitenland beschouwen ze ons als bloedhonden, is het niet?”, zo vroeg Heydrich hem. “Het is bijna te hard voor individuen, maar we moeten hard als graniet zijn, want anders gaat het werk van de Führer ten gronde. Over een hele tijd zullen ze ons dankbaar zijn voor datgene wat we op ons hebben genomen.”

Op 17 juni 1936 werd Himmler benoemd tot hoofd van de Duitse politie. Heydrich werd kort daarna aangesteld als hoofd van de nieuw opgerichte Sicherheitspolizei, een samenvoeging van de Gestapo en de Kriminalpolizei, de recherche. Heydrich voerde nu op 33-jarige leeftijd het bevel over ten minste vijftigduizend man. Vrijwel het enige dat voorkwam dat Heydrichs macht groter werd dan die van zijn baas was dat de leiding over andere belangrijke diensten binnen de SS en de politie, zoals de Ordnungspolizei en het concentratiekampbeheer, in handen waren van andere personen dan Heydrich. Ook de door Himmler in 1937 aangestelde functie van Höhere SS und Polizeiführer voorkwam dat Heydrich het monopoly verkreeg over het politie- en veiligheidsbeleid. Ondanks alle concurrentie bleef Heydrich Himmlers belangrijkste medewerker. De wijze waarop beide personen elkaar nodig hadden, wordt treffend omschreven door de Duitse verzetsstrijder Hans Bernd Gisevius die beide SS’ers gekend heeft. “Reinhard Heydrich is zonder Himmler niets, en Heinrich Himmler is met Heydrich alles”, zo oordeelde hij. Göring omschreef de werkrelatie tussen beide personen op zijn eigen treffende manier: “Himmlers hersenen heten Heydrich”.

Heydrich en Himmler waren geen vrienden en waren op diverse vlakken elkaars tegenpolen. De van de Germaanse geschiedenis dromende Himmler was onsportief, had een zwakke gezondheid en had de uitstraling van een schoolmeester. Heydrich daarentegen was sportief en fit, stond met beide benen op de grond en had een imposante uitstraling. Waarin beide personen elkaar vonden was hun geldings- en vooral vernietigingsdrang. Tegelijkertijd met inspanningen om hun macht uit te breiden, desnoods ten koste van anderen, werd de basis gelegd voor de vernietigingspolitiek van tijdens de oorlog.

Terwijl de SS voor de machtsovername zich hoofdzakelijk bezighield met het beveiligen van de partij tegen interne en externe vijanden, richtten Himmler en Heydrich zich inmiddels op staatsvijanden van allerlei soorten, waaronder specifiek de Joden. Ondanks dat Heydrichs moeder streng katholiek was en zijn vader lid was van een vrijmetselaarsloge zag hij ook in deze religie en filosofie veel kwaad. “Ze strijden in werkelijkheid niet positief voor het behoud van religieuze en culturele waarden (die zijn helemaal niet in het geding), maar zetten hun oude, verbitterde strijd om de wereldlijke heerschappij in Duitsland voort”, zo verklaarde hij over het katholieke geloof. Vrijmetselaars waren volgens hem “het instrument van de Joodse wraak […]” Als de vrijmetselaars de overhand zouden krijgen in hun strijd met het nationaalsocialisme, zouden ze “orgieën van wreedheid” aanrichten waarmee vergeleken “de strengheid van Adolf Hitler zeer gematigd zou lijken.”

Niet alleen werd de werkrelatie tussen Himmler en Heydrich nooit geteisterd door onderlinge conflicten, ook met andere nazi-leiders had Heydrich zelden problemen. Over het algemeen hadden de meeste van hen ontzag voor Heydrich, waarschijnlijk vooral omdat hij in zijn archieven informatie bewaarde die hij tegen hen kon gebruiken. Daarbij gebruikte hij soms onconventionele methoden, zoals het Berlijnse luxebordeel, Salon Kitty, waar prostituees hun klanten in zijn opdracht moesten uithoren, terwijl de gesprekken werden opgenomen met microfoontjes. Onder de bezoekers waren talrijke belangrijke personen, waaronder Josef Dietrich, Joachim von Ribbentrop en de Italiaanse minister van Buitenlandse Zaken, graaf Galeazzo Ciano. Veel informatie leverde het bordeel echter niet op omdat de vrouwen hun klanten maar moeilijk belangrijke informatie konden ontfutselen.

Alhoewel Heydrich dus niet, zoals veel andere nazi-leiders, voortdurend conflicten met collega’s had, had hij ook geen vrienden. Echt persoonlijk contact was hem vreemd. “Hij wilde geen vrienden”, zo verklaarde zijn vrouw na de oorlog. “Hij was van mening dat hij geen vriendschappen mocht sluiten.” Ook het huwelijk met zijn vrouw was niet altijd even goed en de sekswellustige Heydrich liet zijn medewerkers regelmatig sekspartners zoeken zodat hij toch aan zijn trekken kwam.


Holocaust

Reinhard Heydrich en zijn inlichtingenapparaat speelden bij de aansluiting van Oostenrijk bij Duitsland in maart 1938 een belangrijke rol. Zogenaamde Einsatzgruppen werden door hem het land in gestuurd om belangrijke gegevens te verzamelen en politieke tegenstanders te arresteren. In een razendsnel tempo werd ook Oostenrijk onderworpen aan de onderdrukking van zijn Gestapo en Sicherheitsdienst. Hitler roemde Heydrich voor zijn bijdrage aan de Anschluss. Diezelfde bijdrage leverde hij aan de annexatie van Tsjechië een jaar later. Voor die tijd speelde hij echter ook een bijzondere rol bij een gebeurtenis die vaak gezien wordt als het begin van de Holocaust, namelijk de Kristallnacht van 9 op 10 november 1938. Die avond werden de Joden in Duitsland en Oostenrijk het slachtoffer van een pogrom; hun winkels, woningen en synagogen werden geplunderd en in brand gestoken en velen van hen werden mishandeld, tientallen werden vermoord.

Propagandaminister Joseph Goebbels was de agitator van de pogrom die werd uitgevoerd door de SA en andere fanatieke nationaalsocialisten. De SS en de Duitse politie speelden op de achtergrond een beduidende rol; zij moesten ervoor zorgen dat de avond ordelijk verliep. In een nieuwsflits over de Kristallnacht die Heydrich op 10 november om 01:20 uur verzond aan alle bureaus van de Gestapo en de Sicherheitsdienst maakte hij onder meer duidelijk dat “synagogen alleen in brand [gestoken mogen worden] wanneer er geen gevaar bestaat dat het vuur overslaat naar de omliggende wijk” en dat “winkels en woningen van Joden mogen worden vernietigd, maar niet geplunderd”. Verder gaf hij de opdracht tot de arrestatie van “zoveel joden […] - in het bijzonder welgestelde - als in de bestaande cellen kunnen worden ondergebracht.” Op 12 november maakte hij de balans op gedurende een vergadering op Hermann Görings luchtvaartministerie. “Alles bij elkaar zijn er 101 synagogen verwoest door brand, 76 zijn afgebroken en 7.500 winkels zijn vernield”, zo rapporteerde hij aan de deelnemers aan deze vergadering, waaronder onder meer voorzitter van het vierjarenplan Hermann Göring, propagandaminister Joseph Goebbels en minister van Binnenlandse Zaken Wilhelm Frick.

Heydrich gebruikte de Kristallnacht om zijn bevoegdheden inzake de Joodse kwestie uit te breiden. Hij stelde voor om in Duitsland een centraal bureau voor de emigratie van Joden op te richten, zoals ook in Oostenrijk al gebeurd was. Dit bureau, onder leiding van zijn medewerker Adolf Eichmann, had volgens hem al 50.000 Joden het land uit gezet. Verder pleitte hij ervoor om Joden een insigne te laten dragen zodat ze herkenbaar waren. Dat gebeurde pas in september 1941, maar op 24 januari 1939 kreeg Heydrich van Göring wel de opdracht tot het oprichten van een emigratiebureau in Duitsland. Tegen het einde van dat jaar werden 78.000 Duitse en Oostenrijkse Joden en 38.000 Tsjechische Joden uitgewezen.

Het aanbreken van de oorlog betekende een nieuwe stap in de richting van de Holocaust. De oorlog begon op 1 september 1939 toen Duitse troepen Polen binnenvielen. Om de aanval te rechtvaardigen werden onder aanvoering van Heydrich Poolse overvallen in het Duitse grensgebied gefingeerd, waaronder op de radiozender Gleiwitz. Bij de inval in Polen werden onder Heydrichs leiding ook weer Einsatzgruppen het land ingestuurd. Hun taak was radicaler dan gedurende de annexatie van Oostenrijk en Tsjechië en bestond nu uit “het uitschakelen van alle anti-Duitse en tegen het Rijk gerichte elementen achter de frontlinie door middel van contraspionage, het arresteren van politiek onbetrouwbare personen, het confisqueren van wapens, het veilig stellen van belangrijk contraspionagemateriaal, etc.” Door aristocraten, intellectuelen, leraren, artsen, priesters, landeigenaren en zakenmensen gevangen te nemen of te executeren werd voorkomen dat zij een nieuwe bestuurslaag konden vormen en zich effectief konden verzetten tegen de bezetting van hun land. In het door Duitsland bezette deel van Polen woonden meer dan 2 miljoen Joden. Na de aanval op de Sovjet-Unie in 1941 kwamen er nog eens meer dan een miljoen bij. Er werd overwogen om alle Joden in Duitsland en geannexeerd en bezet gebied te deporteren naar de Nisko-regio in het Generalgouvernement (het deel van Polen dat niet door Duitsland werd geannexeerd, maar wel onder Duits bestuur stond) of naar het eiland Madagascar in Afrika. Spoedig bleek dat beide emigratieplannen grote logistieke problemen opleverden en onuitvoerbaar waren.

Op 27 september 1939 werden de Sicherheitsdienst en de Sicherheitspolizei door Heydrich ondergebracht in een overkoepelend orgaan, het Reichssicherheitshauptamt (RSHA). Deze organisatie telde 60.000 medewerkers en speelde gedurende de oorlog de belangrijkste rol bij de uitvoering van de Endlösung, de uitroeiing van de Europese Joden. In september 1939 was het nog niet zover dat Joden systematisch werden omgebracht, maar het fundament daarvoor werd al wel gelegd. Op 21 september 1939 gaf Heydrich de opdracht tot de concentratie van de Poolse Joden in getto’s “zodat latere maatregelen worden vergemakkelijkt”. Die latere maatregelen betroffen nog altijd emigratie en niet genocide, ondanks dat in de loop der maanden door de slechte leefomstandigheden grote aantallen Joden stierven in de getto’s.

Een volgende stap richting de massale fysieke uitroeiing van Joden vormde operatie Barbarossa, de aanval op de Sovjet-Unie die begon op 22 juni 1941. Opnieuw volgden Heydrichs Einsaztgruppen in de achterhoede van de Wehrmacht. Hun taak was nog destructiever dan in Polen. “Ik kan me alleen nog herinneren dat Heydrich in een toespraak zei dat, in het geval van oorlog met Rusland, alle Joden in het oosten moesten worden doodgeschoten”, zo verklaarde Karl Jäger, de commandant van Einsatzkommando 3, na de oorlog. “Ik weet ook nog dat één van de Gestapoleiders toen letterlijk vroeg: ‘We moeten de Joden doodschieten?’ Heydrich antwoordde toen zoiets als dat dat toch vanzelfsprekend was.” Aanvankelijk werden enkel volwassen Joodse mannen (en onder meer ook Sovjetcommissarissen en partizanen) door de Einsatzgruppen geëxecuteerd, maar spoedig volgden ook Joodse vrouwen en kinderen. In totaal werden totdat de vernietigingskampen in gebruik werden genomen naar schatting 1,5 miljoen Joden door de Einsatzgruppen geëxecuteerd.

Zowel Himmler als Heydrich kwamen tot de conclusie dat de massa-executies een zware psychische belasting vormden voor de leden van de Einsaztgruppen. Heydrich gaf Arthur Nebe, chef van de Kriminalpolizei en de leider van Einsaztgruppe B, de opdracht om te zoeken naar een moordmethode die humaner was voor de daders. Nebe riep de hulp in van dr. Albert Widmann en na meerdere experimenten vonden ze een geschikte moordmethode; een luchtdichte kamer waarin slachtoffers werden vergast door middel van de uitlaatgassen van een motor. Ongeveer tegelijkertijd voerde men in Auschwitz soortgelijke experimenten uit, maar niet met uitlaatgassen, maar met het ontsmettingsmiddel Zyklon-B. Het eerste vernietigingskamp werd geopend op 7 december 1941 in Chelmno. Binnen 15 maanden werden hier 150.000 mensen omgebracht. Niet in gaskamers, maar in vrachtwagens waarin het laadcompartiment diende als vergassingsruimte waarin de slachtoffers werden vermoord door koolmonoxide, eerst uit cilinders en later door de uitlaat te verbinden met het laadcompartiment. Een tweede vernietigingskamp werd sinds november ontwikkeld in Belzec.

Zelfs terwijl de Einsatzgruppen aan het oostfront dood en verderf zaaiden en de vernietigingskampen ontwikkeld werden, bestond er vermoedelijk nog geen totaalplan tot de vernietiging van de Europese Joden. Verondersteld wordt dat Hitler dit besluit pas in december 1941 nam, na de Japanse aanval op Pearl Harbor en de Duitse oorlogsverklaring aan de Verenigde Staten. Inmiddels had Heydrich van Göring sinds 31 juli 1941 de volmacht over de Joodse kwestie gekregen. Zijn opdracht was “om alle noodzakelijke voorbereidingen te treffen met betrekking tot de organisatorische, feitelijke en materiële zaken voor de totale oplossing van de Joodse kwestie binnen de invloedssfeer van Duitsland in Europa.” Vanuit deze positie was Heydrich degene die enkele maanden later verantwoordelijk was voor de uitroeiing van alle Europese Joden waartoe Hitler opdracht gegeven had. Dat werd door hem benadrukt op een conferentie met vertegenwoordigers van de betrokken ministeries, vooral juristen, op 20 januari 1942 in een villa aan de Wannsee in Berlijn. Het doel van de Wannseeconferentie was om de praktische problemen bij de organisatie van de Endlösung te bespreken. Het lot van 10 miljoen Joden was nu bezegeld en in het voorjaar van 1942 begon de systematische massavernietiging in de vernietigingskampen.


Vliegenier

Reinhard Heydrich was geen bureaucraat die de hele dag op kantoor doorbracht. Terwijl hij tegelijkertijd aan het roer stond van het Reichssicherheitshauptamt wilde hij een actieve bijdrage wilde leveren aan de Duitse overwinning. Daarom werd hij in 1939 opgeleid tot jachtvlieger bij de Luftwaffe. Als vliegenier kon hij op individueel vlak presteren en dat paste bij zijn egocentrische instelling. Zijn opleiding vond plaats in een Messerschmitt Bf 109D op de vliegbasis Werneuchen bij Berlijn. Gedurende de inval in Polen maakte hij als boordschutter zijn eerste vlucht boven vijandelijk gebied. Daarna werd hij als gevechtsvlieger ingedeeld bij het Jagdgeschwader 77. In 1940 vloog hij voor gevechtsdoeleinden naar Noorwegen en Nederland en in 1941 deed hij dienst bij de kustbewaking op het Duitse Waddeneiland Wangerooge. Op zijn vliegtuig, een Messerschmitt Me-109 E-7, was een Siegrune geschilderd.

Heydrich blonk niet uit als vliegenier. Integendeel; hij verongelukte meerdere keren. Op 31 mei sloeg hij in Stavanger in Noorwegen met zijn Messerschmitt over de kop bij de start, omdat hij te snel teveel gas had gegeven. Zijn vliegtuig was ernstig beschadigd, maar zelf had hij niet meer dan een verwonding aan zijn arm. In juni 1941 op Wangerooge beschadigde hij zijn vliegtuig bij het binnenrijden van de hangar. “Ook de beste jachtvlieger heeft wel eens pech”, aldus de nazi-pers. Himmler was minder positief en verbood Heydrich om te vliegen. Daar trok de RSHA-leider zich niks van aan; tijdens operatie Barbarossa vloog hij opnieuw in een ME-109 als onderdeel van het Jagdgeschwader 77. Het privévliegtuig waarin hij verscheen scheen hij gekregen te hebben van de Luftwaffe-aas Ernst Udet in ruil voor een politienummerbord waarmee Udet ook ’s nachts en tijdens vijandelijke bombardementen onderweg mocht zijn.

Ook tijdens operatie Barbarossa ging het mis; bij een aanval op een brug over de Dnjestr, vlakbij Jampol in Oekraïne, werd Heydrichs vliegtuig op 22 juli 1941 geraakt door Russisch afweergeschut. Hij maakte een noodlanding tussen de twee fronten. Er ontstond grote paniek bij de leiding van zijn eskader, want uiteraard zou het een groot debacle zijn wanneer de machtige SS’er omgekomen was of in handen viel van de Sovjets. Heydrich was echter ongedeerd en werd in veiligheid gebracht door zijn eigen manschappen die toevallig in de buurt waren. Het betrof leden van het Sonderkommando 10a van Einsatzgruppe D onder leiding van SS-Hauptsturmführer Otto-Ernst Prast. Ook nu wist de nazi-propaganda weer een positieve draai te geven aan de crash van Heydrich. “Op een dag moest zijn ME-109 bij een actie in het oosten na een hardnekkig gevecht naar beneden”, zo werd er geschreven. “Met inspanning van al zijn krachten, vastberaden, slaagde hij erin de machine vlak bij de Duitse linies aan de grond te zetten. Bij het landen zag hij nog Sovjetsoldaten wegvluchten.” Voor Himmler was de maat vol; hij maakte een definitief einde aan de Luftwaffe-carrière van zijn belangrijkste man. Heydrich was binnen de Luftwaffe opgeklommen tot Major en was onderscheiden met het Flugzeugführerabzeichen, het zilveren Frontflugspange en het IJzeren Kruis eerste klasse.


Rijksprotector

Op 24 september 1941 werd Reinhard Heydrich in Hitlers Oost-Pruisische hoofdkwartier de Wolfschanze benoemd tot plaatsvervangend rijksprotector van Bohemen en Moravië, het huidige Tsjechië. Hij verving de gematigde diplomaat Konstantin von Neurath die met ziekteverlof werd gestuurd. De werkelijke reden van Von Neuraths verlof was echter dat hij de problemen in het protectoraat niet te baas was. De voor de Duitse oorlogsproductie vitale Tsjechische wapenindustrie werd geteisterd door sabotage, stakingen en een lage arbeidsproductiviteit. Hitler zag in Heydrich de juiste persoon om orde op zaken te stellen. Dit was een belangrijke promotie voor hem, want terwijl zijn contacten met Hitler voorheen via Himmler en Göring liepen, had hij nu zelf directe toegang tot de Führer. Tegelijk met zijn nieuwe aanstelling werd hij benoemd tot SS-Obergruppenführer, de hoogste rang die hij binnen de SS zou behalen.

Kort na zijn aantreden liet Heydrich de Tsjechische minister-president Alois Elias arresteren en een week later ter dood veroordelen in een schijnproces. Hij werd ervan beschuldig dat hij contacten had onderhouden met de regering in ballingschap in Londen in de tijd dat Von Neurath rijksprotector was geweest. De uitvoering van de executie werd echter uitgesteld, zodat Heydrich iets tegen de Tsjechische president Emil Hácha achter de hand had. Om de bevolking rustig te houden, bleef die namelijk wel in functie. Nadat Heydrich de noodtoestand had afgekondigd werden gedurende de eerste weken na zijn aanstelling ongeveer 400 Tsjechen geëxecuteerd. Bovendien werden meer dan 4.000 Tsjechen door de Gestapo gearresteerd en gevangen gezet. Het betrof personen die ervan verdacht werden tot het verzet of de oppositie te behoren. In twee weken tijd was het Tsjechische verzet voor een groot deel gebroken. “Verzetsgroepen grotendeels lamgelegd, op een paar na, die worden opgespoord omdat ze in staat zijn het vermorzelde verzetsapparaat opnieuw te organiseren,” zo schreef Heyrich in november een algemeen overzicht van de omstandigheden in zijn protectoraat. Zijn keiharde aanpak leverde hem de bijnaam “de beul van Praag” op.

Heydrichs beleid was echter zeker niet enkel gericht op onderdrukking en terreur, want enkel daarmee zou hij er niet in slagen om de industriële en agrarische productie te verhogen. Als een Romeinse keizer zorgde hij voor brood en spelen voor de Tsjechische arbeiders en boeren. Hij verhoogde de levensmiddelenrantsoenen en salarissen, richtte gaarkeukens in en verbeterde het sociale stelsel. Daarnaast probeerde hij de arbeiders voor zich te winnen met schaars geworden kledingstukken en schoenen en vakanties in luxueuze kuurhotels. Op een belangrijke toespraak tegenover hoge ambtenaren binnen het protectoraat verklaarde hij op 2 oktober 1941 dat men “De Tsjechen in bepaalde zaken niet zo kwaad en ziedend [mocht] maken […] dat ze – omdat ze geen uitweg meer zien – tot de definitieve opstand menen te moeten overgaan.” Maar “Ons rijk laat niet met zich spotten en is kort en krachtig de baas in huis […]” Heydrichs beleid sloeg aan: de productiviteit werd verhoogd, de Tsjechische wapenfabrieken leverden weer wapens voor de oorlog en er was nauwelijks meer sprake van actief verzet tegen de Duitse bezetting. Op 19 november 1941 kreeg Heydrich als nieuwe rijksprotector symbolisch de zeven sleutels van de Kroningskamer overhandigd door de Tsjechische president. Heydrich gaf hem er drie terug “als symbolen van de trouw van Bohemen en Moravië aan het Rijk”.

Ondanks de maatregelen die Heydrich nam om de Tsjechen te vriend te houden, bleef zijn beleid gericht op de normen van de SS. In zijn protectoraat wilde hij de ideale SS-staat verwezenlijken, een voorbeeld voor alle landen die door nazi-Duitsland werden bezet. Op de korte termijn waren het naast politieke opponenten vooral de Joden die daarvan slachtoffer werden. Heydrich zond snel na zijn aantreden enkele transporten Joden naar Polen waar het merendeel van hen uiteindelijk vermoord werd. Daarnaast liet hij in november 1941 het getto Theresienstadt oprichten. Dit getto stond te boek als model-getto waar naast bejaarden onder meer ook welgestelde en beroemde Joden ondergebracht zouden worden onder goede condities. Dit was echter een dekmantel, want de levensomstandigheden in Theresienstadt waren slecht en het getto werd feitelijk als doorgangskamp naar de vernietigingskampen in Polen gebruikt. Het merendeel van de Joden dat hier verbleef overleefde de oorlog niet.

Heydrichs plannen op de lange termijn betroffen de complete Tsjechische bevolking die een etnische zuivering zou moeten ondergaan. Zijn voornemen met het protectoraat was “dat dit gebied eens Duits moest worden en de Tsjech hier uiteindelijk niets meer te zoeken heeft.” Heydrich deelde het Tsjechische volk in vier categorieën in: “Er zijn de volgende mensen. Aan de ene kant heb je het goede ras en de goede instelling, dan is het eenvoudig, die kunnen we verduitsen. Dan zijn er anderen, hun tegenpool: ze zijn van het slechte ras en hebben een verkeerde instelling. Die moeten hier weg. In het oosten is plek genoeg.” Hij schatte die laatste groep op ongeveer de helft van de bevolking. Zij moesten worden ondergebracht aan de IJszee in de concentratiekampen die na de verwachte overwinning op de Sovjet-Unie overgenomen zouden worden door de nazi’s. Naast deze twee groepen was er volgens hem nog een middenlaag van “mensen met een slecht ras maar een goede instelling, en mensen met een goed ras maar een slechte instelling.” De mensen van die eerste groep wilde hij “ergens in ons Rijk inschakelen en ervoor zorgen dat ze geen kinderen meer krijgen”. De mensen van een goed ras met een slechte instelling wilde hij “proberen […] in ons Rijk in een zuiver Duitse omgeving te huisvesten en te verduitsen en hun de goede instelling bij te brengen, of ze anders onherroepelijk tegen de muur te zetten; want in het oosten huisvesten kan ik ze niet, omdat ze ginds een toonaangevende kring zouden gaan vormen die zich tegen ons keert.”

In Berlijn was men tevreden met Heydrichs politiek in het protectoraat. Op 15 februari 1942 noteerde Goebbels in zijn dagboek dat “[…] het gevaar dat van de kant van de Tsjechen dreigde voor de Duitse veiligheid in het protectoraat, volledig [is] geweken. Heydrich opereert succesvol. Hij speelt kat en muis met de Tsjechen en ze slikken alles wat hij hun voorzet. […] De Slaven, benadrukt hij, kunnen niet opgevoed worden zoals je een Germaans volk opvoedt, je moet ze breken of voortdurend buigen.” In mei bracht Heydrich een werkbezoek aan Frankrijk. Het lag in de lijn der verwachting dat hij hier Reichsprotector zou worden, want zijn taak in Tsjechië beschouwde hij als voltooid. Zover kwam het echter niet, want op 27 mei 1942 werd er een aanslag op zijn leven gepleegd die zijn dood betekende.


Aanslag

Mede doordat Reinhard Heydrichs radicale bevolkingspolitieke plannen met Tsjechië niet geheim gebleven waren en verspreid waren geraakt, is het verzet tegen de Duitse bezetting in het protectoraat nooit helemaal afwezig geweest. In het voorjaar van 1942 registreerde Heydrichs Sicherheitsdienst overal in Bohemen en Moravië een toenemend aantal sabotageacties. Heydrich wist zelf ook dat het verzet toegenomen was, want een dag voor de aanslag deed hij aan journalisten de mededeling dat "kleine sabotagedaden, die niet zozeer schade aanrichten als wel blijk willen geven van een oppositionele geest" weer meer voorkwamen. Dat maakte blijkbaar weinig indruk op de rijksprotector, want hij bleef zich door Praag voortbewegen in een open auto zonder lijfwachten. Toen Albert Speer hem tijdens een bezoek aan Praag gewezen had op de gevaren daarvan had hij geantwoord: "Waarom zouden mijn Tsjechen op me willen schieten?" Vermoedelijk dacht hij werkelijk dat hij door het merendeel van de bevolking gerespecteerd werd en dat hij daarom geen risico liep. Rondrijden in een gepantserde wagen met lijfwachten paste niet bij zijn overmoedige instelling; ook bijvoorbeeld zijn carrière als jachtvlieger was in zijn positie behoorlijk riskant.

In Londen had de Tsjechische regering in ballingschap besloten tot een aanslag op de machtigste man in hun thuisland. Alhoewel het verzet hier misschien in het voorjaar van 1942 iets was aangewakkerd, was men verontrust over het succesvolle pacificatiebeleid van Heydrich dat hun machtspositie sterk ondermijnde. Een aanslag op Heydrich zou de Duitsers provoceren tot een harder en geweldadiger beleid dat zou resulteren in meer verzet onder de Tsjechische bevolking. Een aanslag op zo’n hoge nazi moest iedereen die leefde onder Duitse bezetting nieuwe moed geven en de tot dusver onoverwinnelijke nazi’s een zware morele klap toebrengen. De aanslag, met als codenaam Antropoïde, werd uitgevoerd door Josef Gabcik en Jan Kubis die met hulp van het Britse Special Operations Executive (SOE) op 29 december 1941 vanuit Londen in de buurt van Praag gedropt waren. In de ochtend van 27 mei stonden ze ergens langs de vaste route van Heydrich van zijn slot Jungfern-Breschan naar zijn kantoor in Praag.

Toen Heydrichs chauffeur gas afnam voor een haarspeldbocht opende Gabcik het vuur op de open Mercedes. Het geweer blokkeerde waarop Kubis een granaat gooide die explodeerde bij het rechterachterwiel. Heydrich werd geraakt door metaalsplinters, maar slaagde er nog wel in om de auto uit te springen en het vuur te openen op zijn aanvallers. Plotseling zakte hij echter ineen. In allerijl werd de gewonde rijksprotector afgevoerd naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis waar hij werd geopereerd. Heydrichs milt werd verwijderd, het middenrif werd hersteld en de wond werd gesloten. Daarna werd zijn ingeklapte long weer opgepompt. In de wond waren paardenharen van de bekleding terechtgekomen die een ontsteking in de buikholte veroorzaakten. Himmler stuurde zijn lijfarts Karl Gebhardt uit Berlijn die met sulfonamiden probeerde de ontsteking te remmen, maar dit mocht niet baten. Op 4 juni overleed Heydrich.

In het hele protectoraat werd op de dag van de aanslag de noodtoestand uitgeroepen. De politie en SS organiseerden een klopjacht op de daders van de aanslag, maar vonden hen die dag niet. Hitler vergeleek de dood van Heydrich met een "verloren veldslag" en riep op tot een keiharde repressie. Als vergelding wilde hij tienduizenden "verdachte" Tsjechen of "mensen die politiek wat op hun kerfstok hebben" laten doodschieten. Himmler wist het aantal onmiddellijke executies tot honderd terug te brengen en gaf Heydrichs vervanger, Karl Hermann Frank, daarnaast de opdracht tot de arrestatie van tienduizend mensen, inclusief de gehele oppositionele Tsjechische intelligentsia. Honderd van hen moesten nog die avond worden geëxecuteerd. Eén van de eerste die werd geëxecuteerd was de minister-president Alois Elias. Op 28 mei wist de nieuwe rijksprotector Hitler ervan te overtuigen dat de geplande grote represailles in strijd waren met het beleid van Heydrich en groot verzet onder de bevolking zouden oproepen. De voorgenomen executie van tienduizend Tsjechen werd niet uitgevoerd.

Desondanks werden die zomer duizenden Tsjechen door de nazi’s omgebracht. Het grootste bloedbad vond plaats in het mijnwerkersdorpje Lidice waar de bewoners er onterecht van werden beschuldigd dat ze de aanslagplegers onderdak hadden geboden. Hitler gaf op 9 juni het bevel om het dorpje van de aardbodem weg te vagen. De SS executeerde alle 184 mannelijke dorpsbewoners, 198 vrouwen werden gedeporteerd naar concentratiekamp Ravensbrück (143 overleefden de oorlog) en 105 kinderen werden afgevoerd naar het getto in Lodz (slechts 17 overleefden). Het dorpje werd met de grond gelijk gemaakt. Op 24 juni werd ook het dorpje Lezaky getroffen, waar de Gestapo een agentenzender had aangetroffen. Hier werden in totaal 33 mensen geëxecuteerd, waaronder ook vrouwen. Inmiddels waren de aanslagplegers verraden door een kameraad en bij een vuurgevecht in een kerk in Praag op 18 juni 1942 omgekomen. Meer dan 200 mensen, waaronder leden van de kerk en anderen die ervan verdacht werden de agenten geholpen te hebben, werden naar concentratiekamp Mauthausen afgevoerd waar ze later om het leven gebracht werden.

Met een grootse staatsbegrafenis vol nazi-symboliek werd de laatste eer gebracht aan Heydrich. Een dag na zijn dood vond er in Praag een rouwplechtigheid plaats. De doodskist werd opgesteld op het ereplein met daarachter een enorm IJzeren Kruis, schalen met vlammen en de zwart-witte SS-vlag half stok. Tienduizenden, waaronder ook veel Tsjechen, defileerden voor de rouwplechtigheid langs de doodskist. Daarna werd het lichaam van Heydrich overgebracht naar Berlijn waar in de nieuwe Rijkskanselarij opnieuw een rouwplechtigheid plaatsvond. Zowel Himmler als Hitler spraken hun lof uit voor de overledene. "Hij was één van de beste nationaalsocialisten," zo sprak Hitler, "één van de sterkste verdedigers van de idee van het Duitse Rijk, één van de grootste tegenstanders van alle vijanden van het Rijk." Heydrich werd postuum onderscheiden met de hoogste rang van de Duitse orde die tot dusver nog enkel was uitgereikt aan de in 8 februari 1942 bij een vliegtuigongeluk omgekomen Fritz Todt. Op het Berlijnse Invalidenfriedhof werd Heydrich in een eenvoudig graf bijgezet. Op de plek van de aanslag werd een monument met zijn buste geplaatst. Tot 1945 werd het monument permanent bewaakt door een SS-erewacht.


Nawoord

Na de dood van Reinhard Heydrich stond het Reichssicherheitsamt tot het einde van de oorlog onder leiding van Ernst Kaltenbrunner. Onder zijn leiding en die van Himmler werd de Endlösung, waaraan Heydrich zo’n belangrijke bijdrage had geleverd, verder voortgezet. De operatie om de Joden in het Generalgouvernement te vermoorden werd in zijn nagedachtenis aangeduid met de codenaam Aktion Reinhard. Gedurende de hele oorlog werden in heel Europa naar schatting 5,1 tot 6 miljoen Joden door de nazi’s en hun bondgenoten omgebracht.

Heydrichs vrouw, Lina, bleef na de dood van haar man aanvankelijk wonen op slot Jungfern-Breschan, maar keerde uiteindelijk terug op haar geboorte-eiland Fehmarn ten noordoosten van Hamburg. Hier runde ze een pension dat later werd uitgebreid tot hotel. Toen het in 1960 afbrandde baatte ze een kleiner café-restaurant uit. Haar tweede huwelijk met een Finse toneeldirecteur en schilder duurde van 1965 tot 1969. Hoewel ze in 1948 door een speciale rechtbank in Praag werd veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf wegens “ondersteuning van de nazi-beweging” en “mishandeling van Joden” die bij haar in dienst waren geweest, werd ze vanwege de slechte verhouding tussen Oost en West tijdens de Koude Oorlog nooit uitgeleverd. In 1951 was ze ook door een denazificatiecommissie vrijgesproken. De beslaglegging op haar grondstuk op Fehmarn werd opgeheven en in 1952 kregen zij en haar kinderen een weduwen- en wezenpensioen, waartegen tevergeefs protest werd aangetekend door de deelstaat en Duitse republiek.

In 1976 schreef Lina Heydrich een biografie met als titel “Leben mit einem Kriegsverbrecher”, waarin ze volgens de bekende Duitse historicus Werner Maser “veel daden van haar man niet alleen verbloemt, fantasierijk vergoelijkt en rigoureus verdraait, maar ook essentiële dingen – overduidelijk – bewust [verzwijgt] of ze gewoon andere belangrijke mensen binnen het Hitler-regime in de schoenen [schuift].” Over haar man wilde ze niets negatiefs weten. “Mijn echtgenoot heeft niets te maken met de Endlösung”, zo beweerde ze in 1979 in een interview met The New York Times. “Daar is hij valselijk van beschuldigd. De Europese Joden zijn allemaal naar de Oeral gebracht.” Twee weken voor haar dood lijkt ze tot inkeer gekomen te zijn. In een telefoongesprek met een goede vriend verklaarde ze: “Dat met Jodenvervolging en de massamoorden, dat moet wel kloppen. Maar alle nazi-leiders hebben de schuld op Heydrich afgeschoven, omdat die al dood was.”

Op 14 augustus 1985 stierf Lina Heydrich in de leeftijd van 74 jaar op haar geboorte-eiland. De oudste zoon van de Heydrichs, Klaus, was al op 24 oktober 1943 overleden door een ongeluk. Hun andere kinderen, Heider, Marte en Silke, zijn tegenwoordig nog altijd in leven. Zij hebben sinds de oorlog met de misdaden van hun vader en diens reputatie als nazi-beul moeten leven.


Bronnen

Boeken


Versie: 7-4-2014 Artikel door: Kevin Prenger

Deze website is een initiatief van STIWOT (Stichting Informatie Wereldoorlog Twee) Alle rechten voorbehouden © 2002--2018
Directe link: http://www.go2war2.nl/artikel/1594/Heydrich-Reinhard.htm