Dick van Faassen, oorlogsbeleving van een jongetje uit Lutten

Voorwoord

Hier volgt het verslag dat Dick van Faassen in 2007 schreef over zijn oorlogsherinneringen. Als kleine jongen beleefde hij de oorlog in het gehucht Lutten in de provincie Overijssel. Het verhaal geeft een heel mooie kijk op hoe een gewone Nederlandse familie in een klein dorpje de oorlog doormaakte.


Begin van de oorlog

In 1940, toen Nederland in de Tweede Wereldoorlog werd betrokken, was ik 9 jaar. Toch kan ik mij nog levendig voor de geest halen hoe dat op mij overkwam. In de vroege ochtend van 10 mei werden we wakker door ontploffingen. Mijn vader vertelde ons dat het oorlog was en dat de bruggen werden opgeblazen. Het was een vreemde dag; hij ging niet naar zijn werk, maar was nieuwsgierig hoe het bij de bruggen zou zijn. Daarom pakte hij de fiets om te gaan kijken. Na lang zeuren mocht ik mee achterop. Een stukje over het fietspad tot de vlonder over de Dedemsvaart en toen langs de Zwarte Dijk richting Slagharen. De brug over de Krimvaart (officieel “Lutterhoofdwijk”) was grondig vernield, Het brugdek lag vervormd in het water. Daarna reden we naar de brug over de aftakking van de Krimvaart vanaf de Dedemsvaart in Lutten, in de volksmond “de brug van Schrijver” genoemd.

Hier was het brugdek van de scharnierpunten losgeslagen en hing nog aan één ketting aan de pijlers; maar het was onmogelijk om de brug over te steken. Reparatie was op korte termijn ook niet mogelijk. Verder ging het naar de z.g. “trambrug” bij aardappelmeelfabriek De Baanbreker, die niet was vernield. Waarschijnlijk hadden de militairen het niet nodig gevonden om deze brug te ondermijnen. Daar zagen we de eerste Duitsers, met een fiets aan de hand. Een tweetal verkenners had de brug van Schrijver geïnspecteerd en was op de terugweg. “Kiek” zei mijn vader, “dat bint Moffen”. Voor mij als schooljongen was dit een heel vreemde ervaring. Ik had toen ter tijd een heel rare voorstelling hiervan. In mijn ogen waren het geen mensen die daar liepen. Het waren in mijn verbeelding een soort maanmannetjes. Ze waren klein van stuk, met grote pothelmen diep over de ogen. De ene liep, in het rond loerend, met een groot pistool in de ene hand, met de andere zijn fiets meevoerend. De ander had moeite met zijn bagage. Aan zijn fiets hing een machinegeweer, terwijl hij de driepoot daarvan op de bagagedrager meevoerde. Kennelijk was deze losgeschoten want hij viel steeds half van de fiets en de soldaat moest constant sjorren om het ding weer achterop te krijgen. We waren afgestapt bij de trambrug en stonden dit duo stiekem lachend te bekijken, hoewel we toch wel een beetje angstig waren. Het tweetal zette hun fiets tegen de leuning van de Trambrug en ging een stuk karton ophangen waarop stond: “Brücke gesprengt - linke Seite fahren”. Ze stapten op de fiets en reden langzaam langs de linkerkant van de Dedemsvaart om verder de weg te verkennen.

Mijn vader zei: “Kom jonchien, wi’j goat noar huus”, ik sprong achterop, en we reden naar huis. Ik weet niet meer of hij daarna toch nog naar zijn werk is gegaan. Wel herinner ik mij dat ik met een paar vriendjes op grote afstand ging kijken toen de eerste troepen, gezeten in door paarden getrokken wagens, met het geweer tussen de knieën, over de Jachthuisweg trokken en verdwenen langs de zandweg aan de zuidkant van het kanaal, richting Dedemsvaart. Later kwamen er ook tanks, waarvan er één een stuk uit de muur van een schuur, die te dicht aan de weg stond, reed. Ook weet ik nog dat er ‘s morgens vroeg enkele Nederlandse legerauto’s met doden of gewonden vanaf de grens met grote vaart in westelijke richting reden. Waarschijnlijk was dat al voordat de bruggen waren opgeblazen. Gek eigenlijk; het is nu ruim 60 jaar later, maar in de herinnering lijkt het nog maar zo kort geleden gebeurd!

Op mijn verjaardag in februari 1942 kreeg ik van mijn vrienden Jan en Albert een cadeautje waar ik erg blij mee was. Het was “Het Vliegtuigenboekje” met daarin een aantal foto’s en tekeningen van verschillende oorlogsvliegtuigen uit het begin van de oorlog. Het was een klein boekje met op de kaft een afbeelding van de Fokker G-1. Verder o.a. de D-21. Later ben ik dat boekje kwijtgeraakt, maar mijn belangstelling voor vliegtuigen was gewekt.


Lutten tijdens de oorlog

In een gehucht als Lutten merkte je in het begin niet zo veel van de oorlog. Het normale leven ging weer verder zoals voorheen. We kwamen ook niet veel met Duitsers in aanraking. Bij ons thuis was nog geen radio, dus alles wat je van de oorlog merkte, moest je lezen in de krant. Deze berichten waren natuurlijk opgeblazen door de Duitse propaganda. Je las over Duitse successen en over hoeveel bruto registerton naar de kelder was gegaan door aanvallen van U-boten.

Al in het begin van de oorlog, op 6 Juli 1941, werd een Engels vliegtuig neergeschoten bij Schuinesloot. De vier bemanningsleden zijn hierbij omgekomen en op de begraafplaats te Lutten begraven.

Toen de moffen hardere maatregelen ging nemen, werd de toestand wel wat anders. Hier en daar begon het verzet de kop op te steken. Er kwam distributie van levensmiddelen, textiel enz. Ook werd de Arbeitseinsatz ingesteld, waardoor veel jonge mannen werden gerekruteerd voor de oorlogsindustrie in Duitsland. Veel jongens doken onder, zodat je nogal eens vreemde gezichten in het dorp zag. Iedereen wist dat het onderduikers waren, maar er werd niet over gepraat.

De jaren 1943 en 1944 hebben de meeste indruk op mij gemaakt. De bommenraids op Duitsland kwamen op gang; eerst vooral gedurende de nacht, maar later ook op klaarlichte dag. Tegen 10 uur ‘s morgens hoorde je het gebrom in de verte, dat aanzwol en je zag dan de grote eskaders Liberators en vliegende forten met witte condensstrepen erachter. In de namiddag kwamen ze terug, meestal verspreid en in minder grote aantallen. Soms kwam een aangeschoten bommenwerper laag over en in enkele gevallen werden in de buurt nog bommen geloosd. Hierdoor werd mijn interesse voor vliegtuigen nog groter. Ik verzamelde toentertijd alles wat met vliegtuigen en vliegen te maken had. Na de oorlog ben ik alles weer kwijtgeraakt door verhuizingen e.d.. In de buurt is af en toe een vliegtuig neergestort en we waren er dan als de kippen bij om nieuwsgierig rond te neuzen en te proberen souvenirtjes mee te smokkelen. Meestal werden we door Duitse wachtposten weggejaagd.

Op “Dolle Dinsdag”, 5 september 1944, dacht iedereen dat de bevrijders nu wel snel zouden komen. Duitsers en NSB-ers vluchtten in paniek richting Duitsland met handkarren en oude fietsen; meerovend wat ze nog bijeen konden graaien. Dat het nog zou duren tot april 1945 had niemand verwacht. Op het platteland hebben we wel gebrek, maar niet echt honger geleden. Veel kon zelf in de tuin worden verbouwd en kippen en konijnen werden geslacht voor het noodzakelijke vlees. Toch was het armoede in die laatste oorlogswinter. Vooral de schaarste aan textiel, schoenen, zeep en andere benodigdheden deed zich enorm gelden.


De gezinnen in oorlogstijd

Niet alleen ons eigen gezin, bestaande uit vader, moeder en vier kinderen, maar ook die van onze vrienden en kennissen vatten na de Duitse inval al snel het gewone leven weer op. De mannen gingen normaal naar hun werk. De moeders zorgden voor de kinderen en deden de huiselijke werkzaamheden. De kinderen gingen naar school. Ogenschijnlijk was er niets veranderd vergeleken met het vorige jaar.

Vooral in de eerste tijd van de bezetting ging de oorlog eigenlijk aan ons voorbij. Het leek allemaal zo veraf en Duitsers zag je nauwelijks in ons dorp. Toch zou alles spoedig veranderen, toen de voorraden opraakten en de distributie zijn intrede deed. Al voor de oorlog had de Nederlandse regering een distributiesysteem ontwikkeld met stamkaarten en bonkaarten om zo een eerlijke verdeling van de beschikbare middelen te bewerkstelligen. Elke week werden er bonnen aangewezen voor bepaalde levensmiddelen, zeep, textiel, schoenen en tabak. Voor de moeders brak de tijd aan om de eindjes aan elkaar te knopen.

Ook mijn moeder moest zorgen dat iedereen zijn natje en droogje kreeg en zo goed mogelijk in de kleren bleef. Oud breiwerk werd uitgehaald en van de wol “nieuwe” sokken gebreid. Gebruikte en deels versleten kleren werden gekeerd of versteld en op de handnaaimachine tot kinderkleren omgevormd. Omdat er bijna geen schoenen te krijgen waren, gingen we op klompen naar school. Eten was er voor ons wel voldoende, maar van steeds slechtere kwaliteit. Het brood dat je op de bonnen kocht, bestond uit een harde korst met binnenin een grijze kleffe massa. Je at het, maar lekker was het niet en je kreeg er een zere tong van.

Omdat we nog wel kans zagen om aan wat rogge te komen, ging mijn moeder roggebrood “stomen”. Van wat roggemeel met wat water, iets zout en een scheutje melk werd een deegbal gemaakt. Die werd op een plankje in een pan met een bodempje water gezet. De pan met het deksel erop op het vuur en door langzaam te laten sudderen werd het brood gaar gestoomd. Het was heel voedzaam, maar niet erg lekker. Wie snakte niet naar een gewone snee wittebrood?

Met Pasen 1944 aten we inderdaad wittebrood. Mijn vader had ergens een zakje tarwe opgescharreld. Hij liet die malen bij de plaatselijke molenaar. Van het meel liet hij bij bakker Van der Linde twee heerlijke wittebroden bakken. Wat hebben we gesmuld! “Een ontbijtje met een eitje”!

Omdat er veel surrogaatproducten op de markt kwamen, zoals o.a. koffie en thee, zochten de mensen naar middelen om bijvoorbeeld zelf koffie te maken. Hier werd weer een recept uit de oorlog 1914-1918 gebruikt. In de koekenpan ging een druppeltje olie en daarin roggekorrels. Door goed en langdurig roeren boven een flink vuur ging de rogge iets aanbranden. De geroosterde korrels werden op krantenpapier gelegd om af te koelen. Hierna werden ze in de koffiemolen gemalen en aldus ontstond eigengemaakt koffiesurrogaat.

Koffie werd gezet door in een emaillen koffiepot een lood van de gebrande en gemalen rogge te doen en met heet water op te schenken. Door een schepje Buisman toe te voegen werd de smaak nog iets verbeterd. Met gekookte geitenmelk toch een “heerlijk (?!) bakje troost”. Je kunt je nu met geen mogelijkheid meer voorstellen hoe dat smaakte.

We hebben ook nog geprobeerd om in plaats van rogge, tarwe te branden. De smaak hiervan was iets, maar dan ook heel iets, beter. Thee was nog weer heel iets anders. Er werd geëxperimenteerd met diverse soorten gedroogde blaadjes, maar zonder veel succes. Ik weet nog dat er pakjes werden verkocht met een soort roze-bruine tabletjes. Opgelost in heet water leverden die ook een soort thee. De smaak hiervan leek nergens op. Het was te drinken, maar daarmee is ook alles gezegd.


Vleesvoorziening

De tijd dat je bij de slager een stukje vlees haalde, was gauw voorbij. De distributie had zijn intrede gedaan en alles was op de bon. Soms kon je wel eens niet al te mooi vlees bemachtigen, maar ook vaak was het helemaal niet te krijgen. Als je vergunning hiervoor kreeg, mocht je een varken houden voor de slacht, maar vraag niet wat dit kostte aan ruimte, een hok, afvoer van mest en niet te vergeten het voer. Ook dat was schaars en van alleen aardappels wordt een varken ook niet vet. Mijn vader wist raad. “Wi’j goat ’n skoap ‘old’n veur de slacht”.

Een schaap stelt niet veel eisen aan voedsel; een beetje ruig gras voldoet. Als jongen moest ik dus gras snijden aan de walkant van de Dedemsvaart, waaraan we woonden. Dat een schaap niet alleen vlees brengt, maar ook wol, is bekend. Op gegeven moment charterde mijn vader een oude schapenscheerder, die het schaap van zijn wollen jas ontdeed. Papa, ja, steeds inventief, had een spinnewiel gefabriceerd en zat ‘s avonds de wol te spinnen. Ik weet nog dat we allemaal witte schapenwollen sokken droegen en ik had zelfs een trui, door mijn moeder gebreid van de schapenwol. Mooi met een kabelsteek. Toen het schaap voldoende gegroeid was, werd het tijd om te slachten. Hoe dat precies ging weet ik niet meer. Ik denk dat mijn vader het zelf heeft gedaan. Hij slachtte ook vaak konijnen of kippen. De huid met de inmiddels weer aangegroeide wol werd afgestroopt. Het schaap werd in stukken gesneden in mooie en minder mooie moten vlees.

Mijn moeder en tante gingen het vlees braden, dat grotendeels zou worden geweckt. Op het fornuis in de keuken pruttelden enkele pannen. De nogal scherpe geuren van het gebraden schapenvlees trokken door het hele huis. Misschien was het zelfs buiten te ruiken. Omdat slachten zonder vergunning illegaal was, werd ik op de uitkijk gezet om bij onraad te waarschuwen. Op gegeven moment zag ik veldwachter Schuurman op de fiets naderen. Hoewel hij niet “fout” was, maar wel een plichtsgetrouwe politieman, waarschuwde ik dat hij eraan kwam. Vlug werden de pannen van het vuur gehaald en in het aardappelkeldertje gezet. Plotseling herinnerde ik mij dat het schapenvel, dat mijn vader wilde looien, opgespannen op een oude deur, tegen het schuurtje stond. Snel gooide ik de deur plat op de grond.

De veldwachter naderde onze woning, maar fietste het naast ons huis gelegen fietspad op, richting Hardenberg. Misschien heeft hij de braadgeuren wel geroken, maar dat was niet abnormaal tegen het middaguur. Toen hij uit het gezicht was, werden de pannen weer tevoorschijn gehaald en kon het sudderen en wecken verder gaan. Het schapenvel heb ik maar laten liggen tot mijn vader van zijn werk thuis kwam. Later lag de gelooide schapenhuid als kleedje voor het bed van mijn ouders. Mijn vader vond het schapenvlees lekker, maar wij als kinderen waren er niet verzot op vanwege de scherpe smaak. Al met al toch wel een spannende tijd.


Verduistering

Al tijdens het begin van de bezetting werden maatregelen genomen voor de luchtbescherming. Eén van die maatregelen was de verduistering. De Britse bommenwerpers vlogen ’s nachts over ons land naar Duitsland om voor de oorlog belangrijke doelen te bombarderen. Om nu te voorkomen dat de vliegers zich op dorpen en steden zouden oriënteren, mocht er nergens een spoortje licht naar buiten vallen. Alle mogelijke constructies werden bedacht om lichtuitstraling door vensters te voorkomen. Zo was er zwart “verduisteringspapier” te koop in de winkels. Daarvan werden constructies gemaakt om voor de ramen te zetten. Vaak op wankele latwerken, die met de eerste beste windvlaag wegwaaiden of stuk vielen.

Mijn vader, ik heb het al eerder gezegd, was altijd vindingrijk en wist voor bijna alles een (nood)oplossing. Van ronde stokken, leukoplast, verduisteringspapier en touw werden keurige rolgordijnen gefabriceerd. Het papier werd ter breedte van het kozijn bijgeknipt. Ook de stokken werden op lengte afgezaagd. Het papier werd met de leukoplast op de stokken geplakt. Het lege blikken pleisterrolletje werd op een uiteinde van de bovenste stok bevestigd. Hier werd ook een touwtje aan vastgemaakt. Het papier werd op de bovenste stok gerold. In deze stok zat ook aan elk uiteinde een spijker. Steuntjes werden boven aan het kozijn bevestigd waarin de spijkers als asjes konden draaien. Als je nu het papier liet afrollen, rolde het touwtje zich op het leukoplastrolletje.

’s Morgens werden de verduisteringsrolgordijnen opgehaald door aan het touwtje te trekken, waardoor het touwtje af- en het papier oprolde. Het kostte wat werk om dit voor meerdere ramen te doen, maar het resultaat was effectief.


Stroop en aardappelmeel

Van suikerbieten kun je suiker maken, maar ook stroop. In de winkels was stroop bijna niet meer te krijgen. Als jongens zwierven wij nogal eens over de hei en door de velden. We speelden op onze manier oorlogje, stookten een vuurtje en haalden allerlei kattenkwaad uit. Toen we op een keer langs een groot stuk bouwland liepen, ontdekte ik dat daarop “suikerbieten” werden verbouwd. Mijn vriendjes, Jan en Albert, en ik namen elk twee van deze enorme witte “suikerbieten” mee. Onder elke arm één. Thuis gekomen werden deze bieten geschild en in kleine stukjes gesneden. Na het koken werd de pulp door een doek gezeefd en het “suikerwater” opgevangen in een pan. Dit vocht zou ingekookt stroop opleveren. Aldus werd gedaan. Maar..... wat een rare smaak had die “stroop”. Wrang en zurig; je zou er misselijk van worden. Wat bleek, de “suikerbieten” waren een nieuwe soort witte voederbieten. De koeien waren er gek op..... maar ik niet! En moeder kwaad; zonde van het vele werk. Later hoorde ik van Jan dat zijn moeder het niet vertrouwde, en de bieten maar aan hun geit had gevoerd. Wat ze bij Albert thuis er mee gedaan hebben weet ik niet. Ha, ha, wat een mop!

Toen omstreeks 1944 in Nederland de schaarste begon, werden de mensen vindingrijk om toch met gebrekkige middelen dingen te produceren die niet meer in de winkels verkrijgbaar waren.Eén van die producten was aardappelmeel. De grote aardappelmeelfabrieken draaiden niet meer, deels omdat de grondstoffen (aardappelen) voor het grootste deel naar Duitsland werden vervoerd, deels ook bij gebrek aan brandstoffen voor de ketels.

Mijn vader was nogal handig en vindingrijk. Om aardappelmeel te vervaardigen moest je namelijk aardappelen raspen tot pulp. De pulp werd met water verdund, de vezels werden afgegoten en wat na bezinking achterbleef was in water opgelost aardappelmeel. Dit werd gedroogd op papier en ziedaar: zuiver aardappelmeel. Voor een beetje meel waren veel aardappels nodig en het raspen was een langdurige en vervelende bezigheid. Daar had mijn vader wat op gevonden. Twee plankjes werden zodanig uitgezaagd dat er op elk een halfrond cirkelsegment ontstond. In een strook stevig blik werden met een spijker rijen gaatjes geslagen. Omgekeerd was het nu een rasp. De rasp werd gebogen en met spijkertjes op de halfronde plankjes vastgezet. Van vier plankjes werd een soort kistje gefabriceerd waarvan de zijkanten verlengd waren, zodat ze precies om de rasp pasten. Met een spijker werden ze op de zijkant van de rasp vastgezet, zodanig dat om deze punten scharnierend het kistje heen en weer over de rasp kon worden bewogen. Een stamper paste in de bovenkant van het kistje. Nu werd het kistje gevuld met enkele aardappels en door de stamper heen en weer te bewegen en tevens goed aan te drukken werden de aardappels geraspt. Het geheel stond op een emmer met water waarin de pulp zich verzamelde. Na afgieten en drogen had je dus zelf gefabriceerd aardappelmeel. Het aardappelmeel werd voor van alles gebruikt, Je kon er pap van maken, stijfsel of bindmiddel. Een klein aardappelmeelfabriekje voor gezinsgebruik. Is dat niet leuk?


Illegale stroom

Toen aan alles gebrek begon te komen, vooral door gemis aan brandstoffen, werden soms vergaande maatregelen genomen. De elektriciteitscentrales konden door gebrek aan kolen niet meer aan de vraag voldoen. Zodoende vond de bezetter het nodig om particuliere afnemers van het elektriciteitsnet af te sluiten. In elke woning werd de hoofdzekering verwijderd en het zekeringkastje gesloten en met een loodje verzegeld.

Er werd op allerlei manieren geprobeerd om met eenvoudige hulpmiddelen verlichting te realiseren. Kaarsen waren al gauw ook niet meer te krijgen. Wie nog een oude carbid-fietslantaarn had probeerde op die manier zijn kamer te verlichten. Ook werd gebruik gemaakt van z.g. “drijvertjes”, een driehoekig stukje blik met in het midden een gat met een katoentje en aan de punten stukjes kurk. Een weckglas werd gedeeltelijk gevuld met water, waarop een laagje koolzaadolie kwam. Het katoentje zoog de olie op en aangestoken had je een soort waxinelichtje. Wat een licht... je kon er amper bij lezen.

Ook andere “uitvindingen” met fietsdynamo’s enzovoort waren maar lapmiddelen. Er was wel stroom op het net omdat zaken, fabrieken, scholen en kerken wél verlicht mochten worden. Waarom zou je niet illegaal van deze stroom gebruik maken? Mijn vader - ja, hij was nog steeds creatief - kreeg van mijn oom, die koster was, een reservehoofdzekering van de kerk. Het loodje van het hoofdzekeringkastje werd voorzichtig met een schilmesje opengepeuterd. De kerkzekering ging in het kastje, een stukje verduisteringspapier voor het glaasje, het kastje weer dicht. Nu het loodje er weer op. Voorzichtig werd het draadje door het loodje geschoven en met twee schijfjes kurk en een combinatietang werd het loodje weer stevig aangedrukt. Toen moest de meter nog worden stilgezet. Pa boorde een minuscuul gaatje onder in de meter en met een dun ijzerdraadje werd het telwieltje geblokkeerd. Nu hadden we weer elektrisch licht. De verduisteringsgordijnen werden extra nagekeken en ‘s avonds ging de grendel op de buitendeur. Steeds moest er iemand in de buurt van de schakelaar zitten. Er stonden altijd een paar drijvertjes op tafel. Bij het minste onraad ging het licht uit en de drijvertjes aan. Toch wel spannend!

Na de oorlog kwam iemand van het GEB vragen of er nog met de meter was geknoeid. Mijn vader was heel eerlijk en biechtte op wat hij had gedaan. Hij was kennelijk niet de enige. Zijn eerlijkheid werd beloond door het plaatsen van een nieuwe meter en.... met een voor die tijd forse rekening van naar ik meen 25 gulden. Duur grapje, maar we hadden maanden stroom voor niets gehad.


Varken slachten

Mijn opa, die naast ons woonde, had een klein boerderijtje. Een paar koeien, wat kippen en een paard. Ook fokte hij een paar varkens, waarvan er één voor eigen gebruik was bestemd, de andere biggen moesten z.g. “afgeleverd” worden, wat inhield dat die uiteindelijk bij de Duitse Wehrmacht terecht kwamen.

In november werd een slachtvergunning aangevraagd. Zodra die er was, werd een afspraak met de slachter gemaakt voor de huisslachting. Dat was iets voor mij als schooljongen om bij te kijken en niets te missen. De slachter bond de poten van het varken vast en haalde een scherp mes uit zijn koker. Daarmee werd de halsslagader van het varken doorgestoken. Snel werd een emmer hieronder gehouden en als hij het mes terugtrok gutste het bloed in de emmer. Dit bloed werd een tijdje geroerd om klonteren te voorkomen. Het was bestemd voor het maken van bloedworst. Het schreeuwen van het varken ging je wel door merg en been. Maar de slachter kon geen schietmasker gebruiken omdat dit onder de vuurwapens viel, wat door de bezetter was verboden. Na het schreeuwen volgde een gerochel en het varken was dood.

Een buurjongen, Hendrik, kwam nieuwsgierig rondneuzen. Wij vonden hem niet sympathiek en ook de slachter had kennelijk een hekel aan hem. “Ënduk”, zei hij, “old em is ee’m an de starte vaste, goed trekk’n”. Hendrik pakte de staart van het dode varken vast. De slachter gaf het varken een flinke por in de zij, op de blaas, net voor de achterpoot. Een flinke straal urine spoot onder de staart vandaan, zodat Hendrik letterlijk en figuurlijk “in de zeik” gezet werd. Hendrik, foeterend “Dat za’k an mien va vertell’n, lillike keal!”, naar huis en wij lachten ons kapot.

Inmiddels kwam mijn grootvader met emmers heet water uit de fornuispot en werd het varken afgeborsteld en met een scherpe krabber van haren ontdaan. Daarna werd nog eens flink met schoon heet water nagespoeld. Nu werd het varken opengesneden en van de ingewanden ontdaan. Het werd op een ladder bevestigd en rechtop tegen de muur geplaatst. Het vlees moest “besterven”. De darmen werden schoongemaakt, uitgespoeld en in zout water gelegd. Later zouden ze dienen als omhulsel voor de metworst. ‘s Avonds kwam de slachter terug en werd het varken “afgehouwen”, dat wil zeggen in stukken vlees, zijden spek, hammen enz. verdeeld.

De volgende dagen waren mijn grootmoeder en tante druk bezig met het vlees te wecken en spek te zouten om te worden gedroogd. Bovendien werd er worst gemaakt. Bloed- en leverworst om te bakken en metworst om te drogen. Ik moest dan voor mijn opoe “veur ’n kwattien peper en groes” halen. Hiermee werd de worst gekruid. Verder hoofdkaas en balkenbrij, voornamelijk van het vlees van de kop. Het spek en de metworst werden aan stokken in de “wieme” (wiemsel) aan de zolder opgehangen.

Je had ook nog vetplaten uit de ribbenkast, de “russel”, (reuzel). Dat, in stukjes gesneden en uitgebakken, leverde “koachies”, (kaantjes) op - heerlijk op brood - en “smolt” (uitgebakken vet van de kaantjes), dat werd gebruikt als braadvet en ook wel als broodsmeersel in plaats van boter of margarine. Er was erg weinig slachtafval omdat bijna alles kon worden gebruikt. Een van de leuke dingen was de blaas van het varken. Die kreeg ik van de slachter. Mijn vader droogde die en pompte hem op met de fietspomp. Zo had je een prachtige voetbal, die net zo lang gebruikt werd tot hij helemaal afgetrapt was.


Het Bruine Goud

De Dedemsvaart werd eind negentiende eeuw gegraven door een nogal woest veengebied. Het dorp Lutten bestond toen nog niet. Misschien stond hier en daar een plaggenhut. Eerst werd het veen afgegraven en tot turf verwerkt. Nadat de turf was afgevoerd, kon met de ontginning een begin worden gemaakt en ontstonden er boerenbedrijfjes. Van lieverlee kwam er wat bewoning en ontstond er een lintbebouwing. Winkels, kerken en scholen werden gesticht. Door de aardappelteelt was er behoefte aan een aardappelmeelfabriek en zo ontstond de Baanbreker.

Ook oorlog ging niet aan Lutten voorbij. Hoewel Nederland daar niet in was betrokken, werd ook in de Eerste Wereldoorlog, 1914-1918, in Lutten armoede geleden. Ik hoorde mijn ouders er vaak over praten. Er werd onder andere van gebrande rogge koffie gemaakt en er was gebrek aan vele importartikelen. Ook toen was het nagenoeg onmogelijk producten over zee te vervoeren, mede wegens de Duitse duikbootoorlog.

De Tweede Wereldoorlog kwam en weer was er armoede en gebrek. Naast schaarste aan onder andere levensmiddelen en textiel was er uiteindelijk ook een behoorlijk tekort aan brandstoffen. Kolen waren al lang niet meer te krijgen en zelfs aan turf kwam een gebrek. Omdat hier en daar richting Collendoornerveen nog wat veen was blijven zitten, waarschijnlijk omdat het pakket te dun was geweest voor de verveners, kwam de grondeigenaar op het idee om stukjes onontgonnen gebied, begroeid met wat heide en bentgras, te verkavelen voor burgers. Hier kon men in eigen beheer turf steken.

Ook mijn vader had een kaveltje gepacht. Hij wist van mijn grootvader, die vroeger ook in het veen had gewerkt, hoe je dit moest aanpakken. Omdat goed gereedschap het halve werk is, zag hij kans om wat specifiek turfgraversgereedschap te versieren. Nu kon het “feest” beginnen. Eerst moest de “bolster” worden verwijderd, dat wil zeggen: het terrein afplaggen. De bovenkant van het veen werd glad gemaakt. Met twee harken, één met tanden ter breedte en één ter lengte van een turf, werd een patroon in het veen gekrast, waarna met een steekijzer de diepte van de turven werd ingestoken. Langs de kant werd een sleuf gegraven en van hieruit kon het turfsteken beginnen. Een lange houten schop met een blad ter grootte van een turf en aan het einde een scherpe stalen rand moest worden gebruikt om telkens één turf uit te steken en opzij te gooien. Terwijl de steker door ging met graven, waren de vrouwen en kinderen bezig met het opstapelen van de turven.

Omdat het graven na werktijd of op zaterdagmiddagen moest gebeuren, duurde het lang voordat alle turf was gestoken. Omdat mijn vader naar zijn werk was, moesten wij als kinderen na schooltijd moeder helpen om de turf regelmatig op de droogrijen om te zetten. De kunst was om tussen de turven enige tussenruimte te laten, zodat de wind vrij spel had. Na een aantal weken was de turf droog en kon per kruiwagen naar huis worden getransporteerd. Naar ik me herinner waren het ettelijke ritjes en ik heb grote bewondering voor mijn vader, die toch, na zijn gewone werk, het meeste en het zwaarste voor zijn kiezen kreeg. Maar in de winter van 1944-1945 brandde de kachel, dankzij het moeizaam verworven “bruine goud”.


Het rokertje in oorlogstijd

Omdat natuurlijk alle invoer stop lag, waren de voorraden tabak snel uitgeput. Sigaretten, sigaren en tabak kwamen op de bon. Wat je kreeg was bocht, gemaakt van afval van de tabaksindustrie uit Veenendaal, waar nog inlandse tabak werd verbouwd. Hé dacht mijn vader, als ze in Veenendaal tabak kunnen verbouwen, waarom zou ik dat dan niet kunnen.

Zo gezegd, zo gedaan. Tabakszaad werd gekocht en uitgezaaid in een broeibak. Naderhand werden de jonge plantjes uitgepoot. Ze groeiden als kool en al gauw waren de planten zo’n twee meter hoog. In de zomer, als het onderste blad geel begon te worden, werden de grootste bladeren geplukt. Bij mijn grootvader in de schuur werden ze te drogen gehangen. Zodra ze voldoende gedroogd waren, kon je de mooiste bladeren er af halen, van de nerven ontdoen en oprollen. Met een scherp mesje werden heel dunne plakjes van de rol afgesneden. Dat plukte je een beetje uit elkaar en je had shag voor sigaret of pijp.

Vloeitjes waren ook al niet meer te krijgen. Iemand had al gauw ontdekt dat in plaats van krantenpapier bladzijden uit oude psalmboekjes uitstekend geschikt waren om als vloeitjes te gebruiken. Je hoorde wel eens vragen: “Wat voor merk rook jij?” waarop het antwoord bijvoorbeeld was: “Ik heb nu Psalm 26”.

De tabak was natuurlijk niet gefermenteerd en behandeld. Overal rook je de stinkende eigenbouwtabak. Maar iedereen die een beetje tuin had, verbouwde wel wat tabak en de geur was tenminste veel beter dan die van de zogenaamde “blazertjes” die van een surrogaattabak, volgens mij een soort heidedoppen, waren gemaakt.

Naarstig werd gezocht naar methoden om de kwaliteit van de tabak te verbeteren. Je kon ook in pakjes een soort “puddingpoeder” kopen, Virginia-smaak, om tussen de bladeren te strooien. Mijn oom kwam eens bij mijn vader en vertelde dat de tabak veel beter van smaak kon worden als de bladeren gestoomd zouden worden. Hij wist dat veel mensen de tabak naar de melkfabriek “Op Hoop van Zegen” in Sluis 6 brachten, waar ze in een oude stoomketel werden behandeld (de tabaksbladeren, uiteraard). Samen met mijn oom bracht mijn vader een deel van zijn tabak naar de fabriek en, nadat hij ze terugkreeg, was volgens hem de smaak inderdaad beter.

Later kwam dezelfde oom met een adres waar je de tabak in sigaretten, compleet in een pakje, kon laten vervaardigen. Dit kostte wel wat en bovendien was je een deel van de tabak kwijt. Maar het was wel leuk om een “echte” sigaret uit een pakje te presenteren. Ha, ha, het pakje was echter dan de sigaret.

Na de oorlog kwamen de “Players Navy Cut”, de “Wild Woodbine”, “Craven A” en andere Canadese merken. Wat heerlijk, wat een genot!!!


Hongertochten

Eind 1944 werd alles zo schaars dat in het westen praktisch niets eetbaars meer te krijgen was. Er was geen vervoer meer mogelijk. De winkels werden niet meer bevoorraad. De bevolking van de grote steden leed honger en kou. Een verschrikkelijke toestand; velen stierven van de honger. Wie nog een beetje krachten had, ging het platteland op om zo nog wat voedsel zien te krijgen, de zogenaamde “hongertochten”. Met wrakke fietsen zonder banden, karretjes, oude kinderwagens of een oude handkar kwamen ze naar het platteland om wat etenswaar op te scharrelen.Vaak moesten ze hun sieraden of andere dingen van enige waarde inruilen voor eten. Er was veel medelijden, maar er werd door sommige Nederlanders ook van geprofiteerd. Er zijn mensen rijk geworden van de ellende van anderen. Ook zijn mensen onderweg gestorven van honger en kou of omdat hun krachten het begaven.

Op een dag, eind 1944, kwam aan het eind van de middag een man aan de deur. Hij was gekleed in een oude, veel te wijde, winterjas en zijn broek was met een touw om zijn middel vastgebonden. Hij droeg 2 paar sokken over elkaar heen en grote oude werkschoenen. Aan mijn moeder vroeg hij of hij wat water mocht drinken. Hij zei dat hij Gerard heette.

Omdat ik laat thuis was gekomen had mijn moeder nog een restje soep voor mij warm gehouden op het fornuis. Ik had medelijden met de man en zei mijn moeder hem maar mijn soep te geven. Gretig slobberde de man de soep naar binnen. “Oh,” zei hij, “hij is lekker, hij is vet”. Op de soep hadden een schaars paar vetoogjes gedreven. Het was immers maar een soort surrogaatsoep uit een pakje van Fino.

De man vertelde dat hij uit Rotterdam was komen lopen, een afstand van meer dan 200 kilometer. Hij had bij een paar boeren wat rogge en bruine bonen gekregen. Hij was bezorgd om zijn oude moeder, die in Rotterdam was achtergebleven. Mijn moeder vroeg of nog wat witte bonen wilde. Wij hadden nog wel wat voorraad, afkomstig uit onze eigen tuin. “Kunt u het missen, mevrouw?” zei Gerard. “Wij hebben nog wel wat”, zei mijn moeder, “wij zijn gewend te delen wat we hebben”.

Gerard had aan zijn touwceintuur allerlei kleine zakjes met gekregen etenswaar hangen en toen moeder uit een schaal wat witte bonen in één van die zakjes schudde, vielen er een paar naast. De man kroop op zijn buik over de grond om de laatste boontjes op te zoeken. Dat maakte op ons een bijzondere indruk. Wij hadden eigenlijk geen idee hoe groot de ellende was.

Gerard wilde niet blijven slapen. Hij had de vorige nacht bij een vriendelijke boer doorgebracht en wilde ook nu daar weer naar toe. Toen hij afscheid nam, zei hij met tranen in de ogen “Ik doe dit niet meer; ik kan het niet; dit stuit me tegen de borst. Ik voel me een bedelaar”. Na nogmaals nadrukkelijk en beleefd bedankt te hebben, vertrok hij. Of hij ooit in Rotterdam is teruggekomen......? Zouden hij en zijn oude moeder de oorlog overleefd hebben......?


De oorlog gaat nog verder


De oorlog gaat nog verder

Joden moesten met een grote gele ster op hun jas lopen. In Lutten woonden geen Joden, wel enkele families in Hardenberg. De ouders van onze wijkverpleegster hebben een paar jaar een Jodin verborgen. Niemand wist hiervan af; er stond immers een strenge straf op Jodenhulp. Mijn grootmoeder, die er tegenover woonde, vond het vreemd dat op zondag, als de verpleegster met haar ouders naar de kerk was, er al vóór dat de kerk uit ging rook uit de schoorsteen kwam. Later bleek dat de Jodin dan alvast het eten opzette. Van concentratiekampen hadden we nog nooit gehoord.

Uit alles blijkt dat wij in het oosten van het land eigenlijk weinig gebrek hebben geleden. Het land en de tuin leverden voldoende op om niet te verhongeren en met lapmiddelen werden allerlei zaken opgelost. Toch werd reikhalzend uitgezien naar de bevrijding van ons vaderland. Na bijna vijf jaar ellende en gevaar snakte iedereen naar vrede om zonder angst rustig te kunnen leven. De oorlogshandelingen in onze directe omgeving beperkten zich tot enkele geloosde bommen waarbij geen slachtoffers vielen.

Toch was er ook in Lutten helaas een aantal oorlogsslachtoffers te betreuren. Op 23 september 1944 werd Hans Erik Gouwe, zoon van de huisarts W.F.K. Gouwe, in de buurt van Dedemsvaart door de Duitsers doodgeschoten wegens deelname aan een verzetsactie.

De stoomtram van Coevorden naar Zwolle werd op 1 maart 1945 beschoten door een geallieerde jager, vermoedelijk een Mustang. Ik denk dat mijn vader naar zijn werk was. Toen het eerste schieten begon, ging mijn moeder met ons - vier kinderen - naar de kelder. Juist schuin boven ons huis vuurde de vlieger zijn mitrailleurs en boordkanon af. Wel een angstig moment. Eén keer keek ik door het kelderraampje en zag de jager laag over komen met een witte ster op de romp. Mijn moeder trok me terug.

De tram reed juist tegenover de Baanbreker en werd door enkele raids flink beschadigd. Doordat de machinist de tegenwoordigheid van geest had om de vuurkist van de locomotief open te trekken, ging er zoveel rook de lucht is dat de vlieger afzag van verdere beschieting. Helaas viel hierbij toch één dode te betreuren; de hulpconducteur Boers uit Coevorden zag geen kans om op tijd weg te komen en werd dodelijk getroffen. Enkele mensen uit Lutten kwamen om in Duitsland.

Het laatste slachtoffer uit Lutten was de aan het verzet deelnemende politieman Willem Sebel. Hij was tijdens een verzetsactie door de Duitsers opgepakt en werd op 31 maart 1945 op de huidige Meppelerstraatweg in Zwolle gefusilleerd.


Bevrijding

Eindelijk was het dan zo ver. Op 6 april 1945 werd Lutten bevrijd. Mijn moeder kwam binnen: “De Engels’n kompt eran!” “Bi’j ‘t Aantien ist elemoale gries!” Bij Het Haantje was het helemaal grijs. Mijn gedachten gingen uit naar een leger marcherende soldaten die grote stofwolken opwierpen. Maar de geallieerden hadden een andere manier van oorlog voeren.

Vanuit de richting Ane naderde om ca. half twaalf een drietal Canadese pantserwagens, een Staghound met geschutskoepel en twee armoured cars, vermoedelijk Lynx’s. Waarschijnlijk waren ze gewaarschuwd dat er Duitsers in de school zaten, want ze stopten voor het schoolplein en richtten het geschut op de school. Op dat moment rende één van de gevangenen naar buiten en riep niet te schieten, daar de Duitsers reeds waren gevlucht in de weilanden achter de school. De Canadezen reden een paar huizen terug en schoten tussen de huizen door op de vluchtende moffen. Met behulp van een paar BS-ers werden daarna de SA-mannen uit de weiden gehaald en door de Canadezen gevangengenomen.

Toen mijn broertje en ik een kijkje wilden nemen begon juist het schieten. We lieten ons in een droge greppel vallen en gingen pas kijken toen het vuren stopte.

Oost-Nederland werd bevrijd door het Canadese 18th Armoured Car Regiment (“The XII Manitoba Dragoons”) Het was een cavalerieverkenningsregiment. De mannen hiervan waren voornamelijk afkomstig uit de Canadese provincie Manitoba en het oostelijk deel van de provincie Satchkatchewan. Regimentscommandant was Major Patrick C. R. Black.

In april 1945 opereerde in de omgeving van Hardenberg het A-Squadron, bestaande uit 5 gevechtsgroepen: de 1st, 2nd, 3rd, 4th and 5th Troop. Verder was er een Assault Troop (commando’s), een administratieve Troop en een Headquarters-Troop. Elke Fighting Troop beschikte over 4 gevechtswagens: Scout Car (Lynx), Lead Car (Staghound), Second Car (Staghound) en Scout Car (Lynx). Voorts waren er nog een B, C en D Squadron en een RHQ-squadron (Headquarters en verbindingssquadron).

De Staghound had een bemanning van 5: commandant, bestuurder, radio-operator, schutter en een boegschutter-tweede bestuurder. In de Lynx zaten 2 man: wagencommandant (schutter-radioman) en een bestuurder. Een Staghound was uitgerust met een koepel met snelvuurkanon en mitrailleur en had tevens een mitrailleur in de boeg.

De voornaamste taak was om bruggen en belangrijke kruispunten in handen te krijgen om zo de wegen voor de opmars van de legergroep vrij te maken. Vrijdag 6 april 1945. Het A-Squadron had overnacht in de buurt van de Hoogeweg bij Hardenberg aan de oostkant van het kanaal. Om 10.25 uur werd het kanaal overgestoken nadat de dag tevoren burgers de door de Duitsers opgeblazen brug hadden gerepareerd. De derde troop ging richting Gramsbergen, dat de codenaam “Collar” had.

Om 11.25 werd via de radio aan het HQ gemeld dat de Vechtbrug (bij Gramsbergen) intact was en geschikt voor zware voertuigen. Ze trokken verder richting Lutten (codename “Tile”) waar gestopt werd bij de school. Hier werden acht krijgsgevangenen gemaakt.

In de christelijk nationale school te Lutten waren enkele tientallen z.g. “politieke gevangenen” ondergebracht. Deze mensen werden bewaakt door een achttal oudere SA-leden in bruin uniform met hakenkruisband (“Braunhemden”). De gevangenen moesten overdag stellingen graven. Woordvoerder van de gevangenen was, voor zover ik mij herinner, de heer Gebuijs, die naar de pantserwagens rende en riep: “Don’t fire! Hier zijn gevangenen, de Duitsers zijn gevlucht naar de weilanden”. Nadat enkele kanonschoten en mitrailleursalvo’s tussen de huizen door waren gelost, konden de Duitsers met behulp van enkele BS-ers gevangen worden genomen. Eén der krijgsgevangenen bleek te zijn gewond door een schampschot in zijn bil.

Mijn vriend Jan vond later op de dag in het weiland een tas met geld. Hij was een eerlijke jongen en bracht de buit bij de Canadese commandant. Die nam het geld in beslag, maar Jan mocht de tas houden.

Eén van de pantserwagens beschoot vanuit een positie bij de molen een Duitse militaire auto. Langs de Modderwijk achter de aardappelmeelfabriek “De Baanbreker” naderde de Duitse auto Lutten uit de richting Hardenberg. De auto werd in brand geschoten, waarbij voor zover bekend één dode viel en één Duitse militair krijgsgevangen werd gemaakt.

In de late namiddag van die gedenkwaardige 6e april trok de Troop zich terug richting Ane en volgde nog een bange nacht voor de Luttenaren. Een groep vluchtende mensen uit Dedemsvaart, die achter de Canadezen aan gingen, waarschuwde dat de moffen terug zouden komen. Gelukkig is dat niet gebeurd. Wel gingen mijn moeder met mijn twee zusjes en broertje die nacht slapen bij de achterburen in het veld. Mijn vader en ik bleven thuis. We sliepen gekleed om bij het minste geringste over het pad achter ons huis weg te kunnen vluchten.

Pas toen de volgende dag de Canadezen de omgeving verder vrij maakten voelde men zich veilig. Overal gingen vlaggen uit en liepen de mensen met oranje strikken. Lutten was vrij!


Nawoord

De eerste tijd na de bevrijding van Lutten begon het dagelijkse leven langzaam weer op gang te komen. Natuurlijk bleef de schaarste. Van bevoorrading van de winkels was nog geen sprake hoewel al gauw uit de geallieerde legervoorraden dingen als biscuits en eierpoeder beschikbaar kwamen.

Toen op 5 mei de Duitsers in de rest van Nederland capituleerden, voelden we ons pas echt vrij. Dat werd op de verjaardag van koningin Wilhelmina op 31 augustus 1945 uitbundig gevierd met een daverend oranjefeest. Over de wegen werden erebogen geplaatst, versierd met bloeiende heide en goudsbloemen. Een schitterende allegorische optocht van tientallen prachtig opgetuigde praalwagens trok door Lutten. Nu kon Nederland met grote voortvarendheid aan de wederopbouw beginnen en zich herstellen van de ellende van vijf jaar bezetting. Voor de gevallenen werd bij de Hervormde kerk in Lutten een monument geplaatst.

Er was heel veel werk te doen. Met man en macht moesten de sporen van deze gruwelijke oorlog worden verwijderd. Maar de wederopbouw werd voortvarend aangepakt. Openbaar vervoer was nog een groot probleem. Het meeste vervoer, niet alleen goederen maar ook personen, ging in de eerste tijd nog met militaire vrachtwagens. Toch had iedereen het gevoel dat de ellende nu achter de rug was. We voelden ons allemaal vrij en niemand hoefde nog bang te zijn om opgepakt te worden.

We leven vrij, we leven blij;op Neerlands’ dierb’re grond.
Ontworsteld aan de slavernij . . .

Ik hoop met mijn verhalen de herinnering aan deze donkere tijden levend te houden.

Hengelo, september 2007.
Dick van Faassen.


Bronnen

Wij danken Dick van Faassen voor zijn toestemming dit verslag te mogen plaatsen. Voor meer informatie over de schrijver en zijn interesses verwijzen we u graag naar: www.profass.nl en Forgotten Heroes. Die laatste website gaat over Nederlandse piloten die het opnamen tegen de Duitse Luftwaffe.
Versie: 12-5-2009 Artikel door: Dick van Faassen

Deze website is een initiatief van STIWOT (Stichting Informatie Wereldoorlog Twee) Alle rechten voorbehouden © 2002--2018
Directe link: http://www.go2war2.nl/artikel/1674/Dick-van-Faassen-oorlogsbeleving-van-een-jongetje-uit-Lutten.htm