Ardennenoffensief

Inleiding

Op 16 december 1944 lanceerden de Duitsers een laatste grootschalig offensief tegen de aan het westfront snel oprukkende geallieerde troepen. Er waren maar liefst 24 Duitse divisies bij het offensief betrokken. Veel van deze divisies waren net geformeerd of opnieuw uitgerust. Het doel van de Duitse aanval was een doorbraak via de Ardennen die de geallieerde troepen zou opsplitsen. De Britten en Amerikanen zouden van elkaar gescheiden worden. Een breuk tussen deze twee bondgenoten zou de weg vrijmaken voor vredesonderhandelingen. Adolf Hitler wilde vervolgens verder oprukken naar Antwerpen en deze belangrijke haven heroveren. Als gevolg van onderschatting van de Duitse gevechtskracht en het falen van de inlichtingendiensten werden de geallieerde troepen volledig verrast door de Duitse aanval. Van 16 tot 20 december 1944 rukten Duitse troepen op naar Stavelot, Sankt-Vith, Houffalize en Bastogne. In het begin heerste er chaos onder de geallieerden. Toch slaagden kleine geallieerde eenheden erin de Duitse opmars te vertragen (bijvoorbeeld in Bastogne). Bastogne was een cruciaal verkeersknooppunt in de Ardennen dat de noord-zuid en de oost-west route beheerste. De geallieerden wilden de stad ten koste van alles verdedigen. De vertraging die de Duitse opmars opliep vanwege de slag om Bastogne bleek cruciaal voor het verloop van het offensief te zijn. De verliezen die de Duitsers tijdens het offensief leden, waren bepalend voor het verdere verloop van de oorlog.


Aanloop naar het offensief

In 1944 was het bijna vijf jaar geleden dat Duitsland Polen binnenviel. De oorlog was dus al enkele jaren gaande en ondanks de nederlagen in Noord-Afrika en aan het Oostfront had Duitsland West-Europa nog steeds in zijn greep. Na Polen waren vele andere landen overrompeld door de Duitsers, zoals Frankrijk, België, Nederland, Luxemburg, Noorwegen, Denemarken, Tsjecho-Slowakije, Roemenie en Rusland. De Duitsers verloren in het najaar van 1940 de Slag om Engeland, maar dat was tot dan toe dan ook een van de weinige tegenslagen aan het Westfront. In het voorjaar van 1944 kwam daar verandering in.

Opmars in Frankrijk
Na jaren van voorbereiding staken de geallieerden op 6 juni 1944, D-day, het Kanaal over en zetten ze in Normandië voet aan wal op het Europese vasteland. Ondanks het slechte weer en de bloedige gevechten tijdens de landing werd D-day een succes. De geallieerden hadden een bruggenhoofd op de Franse kust. De definitieve uitbraak liet vanwege het lastig te doorkruisen Normandische heggenlandschap lang op zich wachten, maar toen de uitbraak eenmaal een feit was, waren de geallieerden nauwelijks meer te stoppen. In razend tempo rukten de legers op naar Parijs. De Franse hoofdstad werd op 25 augustus 1944 bevrijd, slechts zevenenzeventig dagen na D-day. Ondertussen waren op 15 augustus 1944 de geallieerden ook in Zuid-Frankrijk aan land gekomen om de Duitse troepen nog verder onder druk te zetten. Het ging de geallieerden dusdanig voor de wind dat men dacht de oorlog al voor de jaarwisseling te kunnen beëindigen. General Dwight Eisenhower twijfelde alleen over de wijze waarop de oorlog het snelst beëindigd kon worden. Moesten de geallieerde legers over een breed front oprukken naar Duitsland of kon de oorlog beslist worden met één krachtige aanval?

Market Garden
De Britse Field Marshall Bernard Montgomery was van mening dat de laatste manier de juiste was. Hij wist Eisenhower te overtuigen van zijn plan om via Arnhem op te rukken naar het Ruhrgebied, het industriële hart van Duitsland. Parachutisten van de 1st Allied Airborne Army zouden een corridor vrijmaken zodat de tanks van het Britse XXX Corps konden oprukken naar Arnhem. Daar zouden ze de brug over de Rijn innemen en afslaan naar het Rurhgebied. Als ze daar konden komen, waren ze in het hart van de Duitse oorlogsindustrie en zou de oorlog nog voor Kerstmis beëindigd kunnen worden. Op 17 september 1944 ging de operatie, Market Garden genaamd, van start. Al snel raakten de geallieerden achter op schema en de Duitsers wisten de Britse luchtlandingstroepen bij de Arnhemse verkeersbrug te verslaan. De geallieerden kwamen op een aantal kilometer van Arnhem tot stilstand en de Britse luchtlandingstroepen moesten zich overgeven.

Impasse
De geallieerden vormden tussen Nijmegen en Arnhem een verdedigingslinie. De opmars kwam tot stilstand. Eisenhower gaf nu de voorkeur aan een breed front en wilde dat Montgomery eerst zorgde dat alle gebieden achter de frontlijn werden veroverd. Dus volgde er een aanval op de Scheldemonding. Vervolgens ontstond er in het Hürtgenwald een enorme strijd. Het Hürtgenwald lag vol met mijnen, prikkeldraad en bunkers. Tijdens deze strijd werden er vijf volledige Amerikaanse divisies ingezet, in totaal zo’n 120.000 man, waarvan er 33.000 sneuvelden. Intussen hadden de geallieerden niet veel aandacht besteed aan de rest van het front. Zo werd in de Ardennensector een deel van de frontlijn van circa 110 kilometer slechts door vier divisies van het 8th Corps bestreken. Ook bestonden deze divisies vaak uit nieuwe, dus vaak nog onervaren soldaten.


De Duitse plannen

Op het moment dat Montgomery zijn plannen betreffende Market Garden kenbaar maakte aan Eisenhower bracht Adolf Hitler zijn belangrijkste mensen op de hoogte van zijn plan voor een verrassingsaanval in de Ardennen. Het offensief moest een einde maken aan de geallieerde opmars en het tij keren in het voordeel van de Duitsers.

De situatie van de Duitsers
Duitsland verkeerde tijdens de winter van 1944 al meer dan vijf jaar in staat van oorlog met de geallieerden. De grote verliezen in Frankrijk en Rusland noopten Hitler tot het afkondigen van een algehele mobilisatie van mannen tussen 17 en 54 jaar. Zestienjarigen konden vrijwillig dienst nemen. Joseph Goebbels probeerde met behulp van propaganda het moreel van het volk op te krikken. Hij waarschuwde de bevolking voor de maatregelen die de geallieerden zouden nemen bij een Duitse nederlaag. Hij zette de Duitse bevolking voor het blok: overwinnen door het voeren van een Totaler Krieg of weggevaagd worden. Velen kozen voor de eerste mogelijkheid. Deze maatregelen leverden het Duitse leger zo’n half miljoen extra soldaten op.

Hitler was ondertussen druk bezig met zijn plan voor een tegenaanval. De Russische legers waren tot stilstand gekomen en Hitler achtte hen pas in staat in februari 1945, als het ergste gedeelte van de winter achter de rug was, het offensief te hervatten. De Duitse troepen in Italië hielden stand tegen de geallieerden. In het westen was de opmars van de westelijke geallieerden tot stilstand gekomen vanwege het mislukken van Market Garden en het bevoorradingsprobleem. Hitler zag dit als het ideale moment voor een bliksemaanval op één van de fronten. Wanneer deze actie zou slagen, zouden er meer troepen beschikbaar zijn voor het andere front. Bij succes zou Duitsland een sterke positie bekleden tijdens eventuele vredesbesprekingen.

De Duitse wapenindustrie draaide tijdens de herfst van 1944 beter dan ooit tevoren. Er werden meer tanks, vliegtuigen en ander militair materieel geproduceerd dan ooit. Hiermee kon Hitler de half miljoen extra soldaten bewapenen en zelfs een compleet nieuw pantserleger uitrusten. Albert Speer, de rijksminister voor Bewapening en Oorlogsproductie, maakte Hitler er echter wel op attent dat deze troepen direct moesten worden ingezet, want indien Duitsland nog meer terrein zou moeten prijsgeven, zou dit grote gevolgen hebben voor de oorlogsindustrie. Zo zou bijvoorbeeld het verlies van de Roemeense olievelden van Ploesti of andere gebieden die onmisbare grondstoffen opleverden tot gevolg kunnen hebben dat de oorlogsindustrie tot stilstand zou komen.

De situatie van de geallieerden
De opmars van de geallieerden was na het mislukken van operatie Market Garden in een impasse beland. Eisenhower wilde nu eerst de haven van Antwerpen tot zijn beschikking hebben. De aanvoerlijnen van de geallieerde legers liepen immers nog altijd vanaf de Normandische stranden waar D-day had plaatsgevonden. Sommige legers waren zelfs sneller opgerukt dan ze bevoorraad konden worden en waren noodgedwongen tot stilstand gekomen.

De frontlijn in de Ardennen werd bezet door eenheden van het Amerikaanse VIII Corps, onder bevel van Lieutenant-General Troy Middleton. De lengte van het front dat door het VIII Corps werd bezet, was 120 kilometer, drie maal langer dan gebruikelijk. Bovendien was de operationele waarde van de troepen langs de frontlijn zeer laag. Zo werd het noordelijke deel bezet door de 14th Cavalry Reconnaissance die geen gevechtservaring had. Bij St-Vith lag de 106th Infantry Division. Deze divisie was onlangs in Europa aangekomen nadat zij nog niet veel eerder haar basistraining in de Verenigde Staten had voltooid. Iets zuidelijker lag de 28th Infantry Division. Deze divisie had kort geleden een hevige strijd gevoerd in het Hürtgenwald. Meer dan een derde van deze divisie bestond nu uit nieuwe troepen zonder noemenswaardige gevechtservaring. Het zuidelijke deel van de linie werd bezet door de 4th Infantry Division. Ook deze eenheid kwam net terug van de gevechten in het Hürtgenwald en was daar 3500 manschappen kwijt geraakt. Hiervoor waren nog geen vervangers gearriveerd. De 9th Armored Division bevond zich ook aan het front. Deze divisie had echter nog geen enkele gevechtservaring en was verminderd met twee pantsergroepen.

De geallieerde inlichtingendienst beschikte over een behoorlijke hoeveelheid informatie over de vijand. Het ging echter om informatie waarvan de Duitsers graag wilden dat het bij de geallieerden terechtkwam. Deze informatie wekte namelijk de gedachte dat het om defensieve acties ging. Men was wel degelijk op de hoogte van de posities van vooral de 6.Panzerarmee. Verkenningsvluchten, onderschepte berichten en informatie van burgers hadden hieraan bijgedragen.


Hitlers plan

Terwijl de Amerikanen een van hun bloedigste gevechten in het Hürtgenwald leverden, waren in Duitsland de voorbereidingen gaande voor een enorm offensief dat de Duitse successen uit 1940 moest herhalen. Het offensief was gepland in de minst goed verdedigde sector van het geallieerde front. Het moest door Heeresgruppe B, onder het commando van General Walter Model, ingezet worden.

Wacht am Rhein
Het plan van Hitler zag er in grote lijnen als volgt uit:

De opmars van de 6.Armee moest worden versneld door een tweetal speciale operaties. Er zou een groep parachutisten, onder bevel van Leutnant-Kolonel Friedrich von der Heydte, landen bij Verviers (Operatie Stösser). Hun taak was om enkele belangrijke verkeersknooppunten in te nemen. Ook zou er een speciale eenheid, de 150.Brigade onder bevel van Obersturmbannführer Otto Skorzeny, de bruggen bij Amay en Huy innemen. Zij zouden uitgerust zijn met Amerikaanse uniformen en voertuigen (Operatie Greif). Na het innemen van de bruggen moesten zij zoveel mogelijk onrust zaaien onder de geallieerde troepen in de Ardennen. De aanval zou volgen op een hevige, maar korte artilleriebeschieting. Gedurende de operatie zouden Luik en Antwerpen worden bestookt met V1- en V2-raketten. Uur U was vastgesteld voor 5:30 op 16 december. Antwerpen moest op 23 december in Duitse handen zijn.

Aangezien de krachtsverhoudingen tussen de geallieerde en Duitse legers in het nadeel van de Duitsers uitvielen, moest de aanval een complete verrassing zijn. Om deze reden werd de operatie strikt geheim gehouden. Slechts enkele hoge officieren werden door Hitler vooraf op de hoogte gesteld. Berichten met betrekking tot de operatie mochten alleen mondeling worden overgebracht zodat zij niet door de geallieerden konden worden onderschept. Er werden berichten naar de geallieerden gelekt over een op handen zijnde tegenaanval die een geallieerde opmars tussen de Roer en Rijn moest tegenhouden. Een concentratie van Duitse troepen zou om deze reden niet al te veel opvallen. Zelfs de naam van de operatie, ‘Wacht am Rhein’ werd gebruikt als misleiding. Dit moest doen denken aan een defensieve actie.

Kanttekeningen
Veel Duitse commandanten waren het niet eens met het plan van Hitler. Velen vonden het te ambitieus, of zelfs geheel onrealistisch. Walter Model, Gerd von Rundstedt en Hasso von Manteuffel hadden alle drie hun twijfels over de brandstof die nodig was. Ze vroegen zich af of er wel zoveel brandstof op tijd bij elkaar gekregen kon worden. Hun zorgen over de brandstof bleken gegrond. Hitler had Generalfeldmarschall Wilhelm Keitel de taak toegewezen om de benodigde brandstof, 28 miljoen liter, te verzamelen. Hij wist inderdaad de 28 miljoen liter bij elkaar te krijgen, maar slechts de helft hiervan bevond zich op de westoever van de Rijn. De rest bevond zich nog in voorraaddepots.

Von Manteuffel had meer kanttekeningen bij het plan van Hitler. De oorspronkelijke dag van het begin van het offrensief was 25 november, maar op zijn aandringen werd dit 10 december. Later werd dit nog eens verzet naar de 14e. Ook werd de tijd tussen de artilleriebeschieting en de infanterieaanval verkleind. Hier zou eerst 3,5 uur tussen zitten, zodat de Luftwaffe de hoofdkwartieren in de Ardennen kon bombarderen. Dit leek Von Manteuffel nutteloos, omdat het de verrassing uit de aanval zou halen. Dit verrassingselement was cruciaal aangezien de Duitse infanterie niet meer zo goed was als in de eerste jaren van de oorlog en omdat het door Hitler opgestelde tijdschema erg krap was voor een operatie op een dergelijk moeilijk te doordringen terrein als de Ardennen. Von Manteuffel zei later over het plan: “Het leek mij in meerdere opzichten dwaas.”

Dergelijke uitspraken werden door verscheidene Duitse commandanten gedaan. Zij illustreren het wantrouwen dat zij hadden in een goede afloop van de operatie. Zo zei Feldmarschall Gerd von Rundstedt, die van mening was dat er veel meer divisies nodig waren om de Maas te bereiken:
“Het was duidelijk dat de beschikbare troepen veel te gering in aantal waren. Maar ik was er intussen al achtergekomen dat het zinloos was om bij Hitler de haalbaarheid van iets te betwisten.”

De twijfels van de Duitse commandanten werden misschien nog wel het beste verwoord door SS-Obergruppenführer Josef Dietrich:
“Alles wat Hitler van me wil is dat ik een rivier oversteek, Brussel verover en dan verder optrek en Antwerpen inneem. En dat allemaal in de slechtste periode van het jaar, en door de Ardennen als de sneeuw heupdiep is en er geen ruimte is om vier tanks voorop te plaatsen, laat staan om pantserdivisies in te zetten. Een periode dat het om 8 uur nog niet licht is en om 4 uur alweer donker en dat met hervormde divisies, voornamelijk bestaande uit jochies en zieke oude mannen – en met Kerstmis.”


Openingsaanvallen

Op 15 december 1944 om half vier in de middag gaf het Duitse hoofdkwartier bevel om tot de uitvoering van het tegenoffensief over te gaan. Er hadden zich dertien infanteriedivisies, vijf pantserdivisies en een groot aantal ondersteunende eenheden verzameld voor deze aanval. In totaal zouden ruim 200.000 manschappen aan de operatie deelnemen. Het duurde vrijwel de gehele avond en nacht totdat iedereen zijn posities had bereikt. Daar wachtte iedereen op het uur U.

Opening van het offensief
Om half zes in de ochtend van 16 december barstte de Duitse artillerie los. De geallieerde linies werden een uur lang door ruim 200 stuks geschut en raketwerpers onder vuur genomen. De artillerie vernietigde huizen, bomen en voertuigen. Ook vielen de eerste slachtoffers onder de Amerikanen, die veelal lagen te slapen. De beschieting verbrak ook de telefoonverbindingen, waarmee de eenheden onderling contact hadden. Veel eenheden konden hun bevelhebbers niet informeren over de Duitse acties. De eenheden die hiertoe wel in de gelegenheid waren, hadden hier dusdanig veel tijd voor nodig dat de commandoposten met een fikse vertraging waren gewaarschuwd. De Duitse infanterie rukte op door de Amerikaanse linies en bereikte voor een deel hun doelen. Dit stelde de pantsereenheden in de gelegenheid om in de avond van 16 december hun opmars te starten. De verrassing aan geallieerde zijde was enorm.

Toch ondervonden de Duitsers in het noorden en zuiden veel tegenstand. In het noorden wisten troepen van het Amerikaanse 5th Corps tussen Bütgenbach en Monschau het 6. SS-Panzerarmee grotendeels tegen te houden. Deze eenheden maakten zich gereed voor een aanval op de dammen in de Ruhr, waardoor zij gevechtsklaar waren op het moment dat de Duitsers aanvielen. In het zuiden hield de Amerikaanse 4th Infantry Division, die op D-Day op Utah Beach aan land was gegaan en in de Ardennen zich herstelde van de strijd in het Hürtgenwald, de Duitsers tegen. In het midden van het Amerikaanse front in de Ardennen braken de Duitsers wel door. De 28th Infantry Division vocht tegen een enorme Duitse overmacht en werd vrijwel vernietigd. Van de 106th Infantry Division werden twee regimenten omsingeld. Zij wisten nog drie dagen stand te houden, maar niet meer uit te breken. De divisie verloor 7000 manschappen. Het was een grote chaos aan de Amerikaanse frontlinie. Berichten kwamen niet goed over of werden in sommige gevallen niet serieus genomen, waardoor men aan geallieerde zijde in het begin geen idee had van wat er zich afspeelde in de Ardennen.

Speciale operaties
Hitler had in zijn plan voor ‘Wacht am Rhein’ plaats ingeruimd voor een tweetal speciale operaties. Leutnant-Kolonel Friedrich von der Heydte moest met zijn parachutisten enkele belangrijke verkeerspunten bezetten en behouden bij Verviers. Dit was eerder Malmédy en de wegen rondom Baraque Michel, maar werd later gewijzigd. Door een gebrek aan brandstof waren er echter geen trucks voorhanden die zijn parachutisten naar het vliegveld zouden brengen. Hierdoor werd zijn operatie, die de codenaam Stösser had gekregen met een dag uitgesteld.

Om twee uur in de vroege ochtend van 17 december vertrokken de parachutisten alsnog. Als gevolg van een harde wind, Amerikaans luchtafweergeschut, onervaren Duitse piloten en een slechte voorbereiding bereikten slechts 35 van de 106 Junkers de droppingszone. Von der Heydte wist op de grond slechts 300 manschappen bij elkaar te brengen. De zware wapens die als ondersteuning moesten dienen, waren niet aangekomen. Er werden hinderlagen opgesteld voor de Amerikanen. Bij aanvallen van Amerikanen vielen aan beide kanten slachtoffers. Al snel had Von der Heydte door dat hij geen stand kon houden. Hij had te weinig manschappen en munitie om zijn operatie tot een goed einde te brengen. Hij besloot terug te keren naar de Duitse linies bij Monschau. De parachutisten verspreidden zich en begonnen aan hun terugtocht. Von der Heydte zelf werd gevangengenomen toen hij op 22 december op Amerikaanse soldaten stuitte bij Monschau.

De andere speciale operatie had de codenaam Greif gekregen, waarbij Obersturmbannführer Otto Skorzeny met zijn 150.Brigade de bruggen bij Amay en Huy moest veroveren. De brigade bestond uit 120 manschappen. Het zou om mannen gaan die Engels spraken en in Amerikaanse uniformen gekleed waren. Nadat alle Amerikaanse uniformen waren verzameld, bleken er veel te weinig uniformen voorhanden. Bovendien beheersten slechts tien man de Engelse taal perfect. Ook waren er slechts enkele Amerikaanse voertuigen voorhanden. Om dit op te lossen werden er enkele Duitse tanks opgetuigd tot M-10 tankjagers.

Uiteindelijk wisten acht spionagejeeps door de geallieerde linies te glippen. Vijf van deze jeeps werden aangehouden, de inzittenden werden veroordeeld als spion en gefusilleerd. Drie jeeps keerden onverrichterzake terug naar de Duitse linies. Operatie Greif was, wat betreft het innemen van de bruggen, mislukt. De operatie had echter wel voor grote verwarring in de Amerikaanse linies gezorgd. Iedere Amerikaanse soldaat werd met vragen bestookt die een ‘echte’ Amerikaan zou moeten weten om te controleren of het niet om een van de mannen van Skorzeny ging. Eisenhower kreeg zelfs extra bewaking, omdat het gerucht de ronde deed dat deze commando’s een moordaanslag op de geallieerde opperbevelhebber zouden plegen.

Oorlogsmisdaden
Voor SS-Obersturmbannführer Joachim Peiper en zijn Kampfgruppe was een grote rol weggelegd tijdens het Duitse offensief. Hij zou de absolute speerpunt vormen van de aanval. Peiper stond bekend om zijn enorme vechtlust en meedogenloosheid. In Rusland hadden zijn troepen vreselijk huisgehouden. Ook door hun optreden in de Ardennen werd de Kampfgruppe Peiper berucht. Tijdens hun opmars hebben ze op meerdere locaties zowel burgers als krijgsgevangenen omgebracht. Over de exacte aantallen slachtoffers, de precieze toedracht en de daders is nog veel onduidelijkheid en controverse. Peiper stond in elk geval te popelen om in de Ardennen een bliksemdoorbraak te forceren en Antwerpen te bereiken. Tot zijn grote woede werd zijn doorbraak echter vertraagd door een opgeblazen brug bij Losheim en hardnekkige Amerikaanse tegenstand bij Lanzerath.

Nadat de Duitsers de verdedigers van Lanzerath hadden verslagen, rukten ze verder op, om vervolgens bij Honsfeld weer op verzet te stuiten. Ondertussen was de hoofdmoot van Kampfgruppe Peiper op weg naar Büllingen, waar zich een Amerikaans brandstofdepot bevond. Peiper moest, wilde hij zijn opmars kunnen vervolgen, Amerikaanse brandstof buit maken aangezien hij niet genoeg voorraden had ontvangen. Nadat de Duitse tanks waren volgetankt, rukten ze verder op naar Malmédy. Op weg daarheen vond een gebeurtenis plaats die de beruchte reputatie van de Kampfgruppe Peiper sterk zou bepalen. Hier werden in een weide langs de N-23, vlakbij een kruispunt, Amerikaanse krijgsgevangenen samengedreven en vervolgens omgebracht. In totaal vielen daarbij 86 Amerikaanse slachtoffers. De massa-executie werd bekend als het Bloedbad van Malmédy.

Over wat zich in Baugnez precies heeft afgespeeld, doen vele verschillende verhalen de ronde. Het Amerikaanse leger deed het indertijd voorkomen alsof het een weloverwogen massa-executie betrof en ook tegenwoordig houden sommige historici daar aan vast. Andere onderzoekers beweren dat de Amerikanen een massale vluchtpoging ondernamen, waardoor de Duitse troepen het vuur hadden geopend. Weer anderen zoeken een middenweg tussen beide scenario’s. Wat er precies gebeurd is, zullen we waarschijnlijk nooit weten, maar feit is dat later de lichamen van de Amerikaanse slachtoffers werden aangetroffen, waarvan een aantal van dichtbij door het hoofd geschoten was. Deze lugubere vondst was van grote invloed op het moreel van de Amerikaanse soldaten tijdens het Ardennenoffensief. De geruchten over de massa-executie in Baugnez verspreidden zich in sneltreinvaart door de linies. De soldaten waren woedend, hun verzet werd nog vastberadener en ze waren niet langer bereid zich over te geven uit angst om vermoord te worden.


De geallieerden houden stand

De Duitsers hadden een bliksemdoorbraak geforceerd in het midden van de Amerikaanse linies. Tijdens het begin van de opmars ondervonden de Duitsers vooral hinder van kleine geïsoleerde groepjes Amerikanen. Hoe verder ze echter oprukten, hoe meer ze op grotere en georganiseerde verzetshaarden stuitten. De schok van het offensief mocht dan groot zijn in het begin, de Amerikanen zouden de Duitsers niet zomaar naar de Maas laten oprukken. Ook de geruchten over de moorden op de krijgsgevangenen zorgden voor verbetenheid onder de Amerikanen.

Noordelijke verzetshaarden
De Amerikaanse 2nd Infantry Division werd aangewezen om de bergkam van Elsenborn te verdedigen. General-Major Walter Robertson kreeg ter ondersteuning ook formaties van de 99th Infantry Division toegewezen, die gescheiden waren geraakt van hun eigen divisie. De bergkam van Elsenborn, onder sommigen beter bekend als de Elsenbornrug, is een boemerangvormig hogergelegen terrein dat de noordelijke route naar de Maas domineerde en was voor de Duitsers van groot strategisch belang. De 12. en 277. Volksgrenadierdivision moesten het gebied veroveren zodat de 12. SS-Panzerdivision verder op kon rukken. De Duitsers deden enkele verwoede aanvallen om de stadjes Rocherath en Krinkelt in te nemen. De Duitsers bereikten de stadjes en dreigden door de Amerikaanse linies heen te breken, maar in beide stadjes werden veel Duitse tanks uitgeschakeld door bazookateams, Shermans en tankdestroyers. Op 19 december besloot Robertson zich terug te trekken uit de stadjes naar het plateau van Elsenborn, aangezien de Duitsers met de 3. Panzergrenadierdivision verse troepen in de strijd wierpen. De Amerikanen kregen steun van de 1st Infantry Division, dat het terrein bij Bütgenbach zou verdedigen. Hier bevonden zich echter ook tanks van de 12. SS-Panzerdivison Hitlerjugend, die de Elsenbornrug probeerden te omzeilen om Kampfgruppe Peiper te versterken. De Amerikaanse divisies hadden zich ingegraven op het hogergelegen terrein. Naar verluidt deden de Duitsers zeven pogingen om de heuvels in te nemen, maar ze slaagden hier niet in, mede dankzij de Amerikaanse artillerie. De Duitsers hadden zware verliezen geleden in de strijd om de bergkam van Elsenborn en Dietrichs pantserdivisies richtten zich nu zuidwaarts op de inname van Sankt-Vith om zo verder op te kunnen rukken naar de Maas.

Sankt-Vith is een klein stadje dat ongeveer 15 kilometer van de Duitse grens ligt. Er lopen zes belangrijke wegen door het stadje, onder andere naar Huy, Luik en Antwerpen. De eerstgenoemde steden liggen aan de Maas en Antwerpen was het hoofddoel voor de Duitsers. In Sankt-Vith was het hoofdkwartier van 106th Infantry Division, waarvan General-Major Alan Jones de bevelhebber was. De Duitse bevelhebbers waren het erover eens dat het stadje tegen elke prijs moest worden veroverd en de 18. en 62. Volksgrenadierdivision, ondersteund door de Führer Begleit Brigade, moesten de aanval uitvoeren. De verdediging van Sankt-Vith bestond uit de manschappen van het hoofdkwartier van de 106th Infantry Division, restanten van het 14th Cavalry Regiment, twee bataljons genietroepen en Combat Command B van de 7th Armored Division. Ze groeven zich in een hoefijzervormige verdediging in en werden in de loop van de dagen versterkt met enkele overlevenden van de Duitse openingsaanvallen op het 424th Infantry Regiment. De Duitsers waren sterker en de Amerikanen moesten terrein prijs geven, maar verzetten zich hier zo hardnekkig tegen dat Sankt-Vith een flinke golfbreker was in de Duitse opmars. De Führer Begleit Brigade verloor een aantal tanks. Intussen hadden ook het restant van de tijdens de opening van het offensief zwaar getroffen 112th Infantry Regiment van de 28th Infantry Division en eenheden van de 9th Armored Division zich bij de verdedigers van Sankt Vith aangesloten. Indien de 560. Volksgrenadierdivision en de 116. Panzerdivision zouden oprukken naar Houffalize zou Sankt Vith omsingeld worden. Een grote Duitse aanval volgde op de 23ste. De Amerikanen zagen zich gedwongen terug te trekken uit het stadje, dat snel daarna werd ingenomen door de Duitsers. Op de terugtocht werden nog veel manschappen gedood en tanks vernietigd door de Duitsers. Meer dan vijfduizend Amerikanen lieten het leven, maar de verdedigers van Sankt-Vith hadden de Duitse opmars aanzienlijk weten te vertragen.

Zuidelijke verzetshaarden
In het zuiden was de Duitse 7.Armee van General der Panzertruppen Erich Brandenberger ook op de nodige tegenstand gestuit. Zijn troepen moesten de linkerflank van General Von Manteuffels opmars dekken. De belangrijkste Amerikaanse eenheden waarop zij hier stuitten, waren de 4th Infantry Division en de 2nd Armored Division. De 4th Infantry was een eenheid die tijdens de strijd in het Hürtgenwald zware klappen had moeten verwerken.

Tijdens de opening van het offensief had de Amerikaanse infanterie een zware aanval te verduren gekregen. In de loop van de dag waren ze echter in staat zich te herpakken en hier en daar zelfs kleine tegenaanvallen uit te voeren. Het primaire doel van de Duitsers in het zuiden, de bruggen over de Our veroveren zodat Von Manteuffel kon oprukken naar Oberwampach en Bastogne, werd niet bereikt. Ze waren tegengehouden door de Amerikaanse infanterie en de genie was hierdoor in staat gesteld om de bruggen over de Our op te blazen en versperringen op te werpen. Er moesten nieuwe pontonbruggen worden aangelegd en de vertraging liep nu al op tot een etmaal. Wel hadden de Duitsers in Luxemburg Diekirch en in de avond Clervaux ingenomen.

Nadat de Duitsers met dank aan hun pontonbruggen de rivier weer konden oversteken, waren de Amerikanen slechts in staat om de Duitse opmars in het Groothertogdom Luxemburg te vertragen. De Duitsers hadden zoveel pantservoertuigen en offensief geschut dat de Amerikaanse eenheden de opmars niet definitief konden stoppen. Toch verdedigden de Amerikanen de diverse kleine dorpjes met alles wat ze in de strijd konden werpen. Zelfs koks, kantoorpersoneel en de militaire politie werden ingezet. Er werd hevig gevochten om de dorpen Manarch, Heinerscheid en Wiltz, waar de Amerikaanse artillerie een aantal Duitse stukken geschut wist uit te schakelen. Toen de Duitsers steeds verder oprukten en dorp na dorp veroverden, werden er op de terugtocht nog verdedigingsposities ingenomen bij Hosingen en Consthum. Op de 18de werden er 300 Amerikanen gevangen genomen. De rest sloeg nog enkele aanvallen op Consthum af en wist in de mist te ontsnappen. Enkele duizenden soldaten werden tijdens de gevechten in Luxemburg gedood. Men had echter door het taaie verzet kostbare tijd gewonnen om de verdediging in te richten van de grootste en bekendste zuidelijke verzetshaard: Bastogne.


De Duitse opmars loopt vast

De Duitse opmars lag al bijna een week achter op schema en de problemen stapelden zich voor hen op. De Amerikanen hadden in een week een groot aantal reserves naar het front gebracht en konden de weg naar de Maas afgrendelen. De Duitsers hadden geen beslag weten te leggen op het belangrijke brandstofdepot bij Francorchamps. Dit tekort aan brandstof bracht de opmars tot stilstand. Voor de aanvoer van nieuwe voorraden waren de Duitsers afhankelijk van Bastogne, maar deze stad was nog altijd niet veroverd op de Amerikanen.

Montgomery en de Britten
In het noorden van de Ardennen waren de verbindingen tussen General Omar Bradley en de First en Ninth Army door de Duitse opmars verbroken. Eisenhower zag geen andere keus dan deze Amerikaanse eenheden onder het commando van Field-Marshall Bernard Montgomery te plaatsen. George Patton stond in het zuiden stevig aan het roer van de andere helft van Bradley’s legergroep, zijn Third Army. Bradley was hier nogal verbolgen over, aangezien hij nu vrijwel niets te doen had, terwijl zijn legers waren aangevallen.

Montgomery had, net als Patton, erop gerekend dat hij zou worden ingeschakeld door Eisenhower. Zijn tactiek verschilde echter van die van Patton. Waar de Amerikaan in de aanval ging, hergroepeerde Montgomery het geallieerde front ter voorbereiding op een tegenaanval. Montgomery had het XXX Corps en infanterie in de richting van het slagveld verplaatst en wilde voorkomen dat de Duitsers kans kregen de Maas over te steken. De bruggen over de Maas werden verdedigd door het XXX Corps en er werden gepantserde patrouilles uitgevoerd door Britse eenheden. Zij kwamen daarbij geregeld in aanraking met de speerpunten van de Duitse opmars. Het Amerikaanse 7th Corps werd door Montgomery aangewezen als reserve-eenheid voor offensieve acties.

De Duitse pantsertroepen zouden de Maas echter nooit bereiken. De opmars kwam tot stilstand als gevolg van kleinschalige geallieerde tegenaanvallen en een gebrek aan brandstof. De pantserdivisies waren ook al gehavend door de aanvallen van geallieerde vliegtuigen. General-Major Joseph Collins, bevelhebber van het Amerikaanse 7th Corps gaf het bevel om tot de aanval over te gaan. De Amerikaanse 2nd Armored Division en Britse Typhoons vielen vier Duitse pantserdivisies, Panzer Lehr, de 2., 9. en 116. Panzerdivision, aan en maakten zo vlak voor kerst een einde aan de offensieve dreigingen van deze Duitse eenheden.

Peiper komt tot stilstand
SS-Obersturmbannführer Joachim Peiper was ervan overtuigd dat hij met zijn Kampfgruppe in twee dagen de Maas kon bereiken. Na vier dagen had hij pas ongeveer de helft van de 95 kilometer afgelegd en was hij nagenoeg tot stilstand gekomen in de omgeving van Stoumont en La Gleize. Bovendien hadden de Amerikanen Stavelot heroverd en de bruggen bij Trois Ponts opgeblazen, waardoor Peiper was afgesneden van de rest van de 1. SS-Panzerdivision. Als gevolg van aanhoudende aanvallen over de grond, artilleriebeschietingen en luchtaanvallen verloor hij steeds meer manschappen. Het verlies aan pantservoertuigen was gezien de vele aanvallen opmerkelijk laag: Peiper had er slechts 13 verloren. Hij had ondertussen zelfs nog versterkingen gekregen in de vorm van zeven Tiger-tanks Deze Tigers hoorden reeds bij zijn eenheid, maar reden steeds achteraan in de kolonne. Nu waren ze naar voren gekomen. Peiper besefte dat de gevechten in de omgeving van Stoumont en La Gleize in een kansloze impasse waren geraakt en besloot zijn troepen bijeen te brengen in het laatstgenoemde stadje. De Duitsers hadden als enige uitweg de brug over de Amblève bij Cheneux in handen. Hier vonden hevige gevechten plaats tussen Duitse infanterie, gepantserde SS-troepen en de 82nd Airborne Division. De paratroepers van de 82nd waren eerst naar Bastogne gestuurd, maar waren onderweg van koers veranderd om ingezet te worden bij Werbomont, waar ze dus hevig slag leverden met Kampfgruppe Peiper en de 1. SS-Panzerdivision. SS-Oberführer Wilhelm Mohnke, bevelhebber van de 1. SS-Panzerdivision, probeerde hier weer aansluiting te krijgen met de troepen van Peiper.

Peiper wist zelf maar al te goed dat hij de Maas niet meer zou bereiken. Hij wilde zijn troepen op de 23e daarom terugtrekken, maar dit werd hem door Mohnke verboden. Vervolgens volgde een hevige aanval van Amerikaanse infanterie en tanks. Ondertussen werden de stellingen van Kampfgruppe Peiper vrijwel constant bestookt door artillerie. Peiper liet alle geheime documenten met betrekking tot het offensief verbranden en maakte zich gereed voor terugtrekking. Laat in de middag zouden zijn troepen zich ook terugtrekken, nadat hier eindelijk toestemming voor was gegeven door het hoofdkwartier. Aan het begin van de achtdaagse veldtocht van zijn Kampfgruppe had Peiper 4000 man tot zijn beschikking, daar kwamen later nog eens 1800 manschappen bij. Slechts 800 Duitsers van Kampfgruppe Peiper wisten La Gleize te ontvluchten. De Duitsers werden nu in het defensief gedrukt. Toch gaven ze zich niet gewonnen. Indien ze Bastogne in handen konden krijgen, zouden ze hun troepen uit de achterhoede snel door het hele gebied kunnen vervoeren en het offensief wellicht kunnen hervatten. De inname van Bastogne was de laatste kans voor de Duitsers om ‘Wacht am Rhein’ te laten slagen.


De slag om Bastogne

De 101st Airborne Division had vrijwel direct na het begin van het Duitse offensief opdracht gekregen om Bastogne te bezetten. Bastogne is een belangrijke stad omdat het een kruispunt is van de belangrijkste wegen die door de Ardennen lopen. Eisenhower wist dat de Duitsers Bastogne nodig hadden, zeker wanneer de opmars vertraging zou oplopen. De stad moest dan ook in geallieerde handen blijven. Het bevel over de divisie die Bastogne zou verdedigen was tijdelijk in handen van Brigadier-General Anthony McAuliffe, omdat de eigenlijke bevelhebber, General Maxwell Taylor, in de Verenigde Staten verbleef.

Omsingeling
De manschappen van de 101st Airborne Division moesten dusdanig snel richting Bastogne vertrekken dat sommigen niet eens de gelegenheid hadden hun wapens op te halen in de werkplaats. Op weg naar Bastogne reden de trucks waarin de mannen van de 101st Airborne Division werden vervoerd met groot licht om de snelheid te bevorderen. Dit was natuurlijk wel een fikse gok, aangezien het konvooi hierdoor erg kwetsbaar was voor luchtaanvallen. Ondertussen moesten drie gevechtsgroepen die waren geformeerd uit het Combat Command B van de 10th Armoured Division de Duitsers in de dorpjes rondom Bastogne tegenhouden. Vlakbij Bastogne gingen de paratroepers te voet verder. Hier kwamen ze diverse Amerikaanse manschappen tegen die in paniek of gewond waren en op de vlucht waren geslagen. Veel para’s wisten bij hen nog wapens, munitie, voedsel en medische voorraden te ritselen. Ook werd er in allerijl nog wat extra munitie aangevoerd, maar de 101st Airborne Division moest Bastogne desondanks verdedigen met een tekort aan vrijwel alles.

De 101st Airborne Division kwam in de middag van 18 december aan in de omgeving van Bastogne. McAuliffe stuurde zijn regimenten naar de gevechtsgroepen die hevig slag leverden bij Neffe, Noville en Foy. Ze waren hier in aanraking gekomen met de 26. Volksgrenadierdivision, de 2. Panzerdivision en Panzer Lehr. Na enkele hevige gevechten trokken de Amerikanen zich terug uit deze dorpjes. McAuliffe beschikte nu over de 101st Airborne Division, het Combat Command B van de 10th Armored Division en het 705th Tank Destroyer Battalion van de 9th Army. Hij liet zijn troepen een verdedigingsring rond de stad vormen met in het centrum van deze ring zeven artilleriebataljons. De Duitsers deden nog enkele aanvallen op de buitenste randen van de verdediging, maar deze aanvallen werden dankzij de artillerie afgeslagen. De Duitsers rukten nu verder op, Bastogne dreigde omsingeld te worden, maar terugtrekken was geen optie meer. McAuliffe verzekerde dat de stad behouden zou worden. 20, 21 en 22 december waren relatief rustige dagen in het omsingelde Bastogne. De Duitsers bereidden een grote aanval voor, waarmee ze de slag om Bastogne in hun voordeel wilden beslissen.

Ondertussen had op 19 december in Verdun een bijeenkomst plaatsgevonden waarbij de belangrijkste geallieerde bevelhebbers present waren. Field-Marshall Bernard Montgomery was de grote afwezige; hij werd vertegenwoordigd door zijn stafchef, General-Major Sir Francis de Guingand. Één van de belangrijkste punten tijdens deze bijeenkomst was natuurlijk het omsingelde Bastogne. General George Patton werd gevraagd hoe snel hij zijn legers naar het noorden kon draaien om een aanval te doen in de richting van Bastogne. Hij antwoordde dat dit binnen twee dagen zou lukken, wat door de andere geallieerde bevelhebbers in twijfel werd getrokken. Patton had zich hier echter al op voorbereid en nam de taak op zich om de paratroepers van de 101st Airborne Division te ontzetten.

Duitse aanvallen
Op 22 december deden de Duitsers Anthony McAuliffe een voorstel tot capitulatie. De Amerikaanse bevelhebber deed dit ultimatum echter af met de beruchte kreet: Nuts! General der Panzertruppen Hasso von Manteuffel was woedend toen hij dit hoorde en hij zou Bastogne laten bombarderen. De volgende dag, 23 december, klaarde het weer op en werden de verdedigers van Bastogne door de lucht bevoorraad. De periode van helder weer was echter ook in het voordeel van de Duitsers en in de avond deden zij in het zuidoosten een aanval. Oberst Heinz Kokott voerde het bevel. Hij leek een doorbraak richting Bastogne geforceerd te hebben, maar het gat in de Amerikaanse linie werd gedicht. Op kerstavond verschenen de Duitse bommenwerpers, waar Von Manteuffel mee had gedreigd, boven Bastogne. Een hevig bombardement volgde waarbij grote delen van de stad verwoest werden.

Op 1e kerstdag volgde een grootschalige aanval op Bastogne. De Duitsers braken door de linies van de paratroepers, die naar de bossen rond Bastogne werden teruggedrongen, waar zij de Duitse opmars alsnog konden stoppen. Ook werden enkele tanks uitgeschakeld. Duitse tanks namen Hemroulle in, waarna een tankcommandant aan Kokott meldde dat de tanks in Bastogne waren. De Duitse tanks hielden halt en werden uitgeschakeld door de Amerikanen. Op 26 december zette Kokott wederom een aanval in om door te breken naar Bastogne, maar deze aanval stelde niets voor vergeleken met de aanval die op 25 december had plaatsgevonden. De aanval werd dan ook vrij eenvoudig afgeslagen.

In de avond van de 22e waren de troepen van Patton nog maar elf kilometer opgeschoten, wat vanwege de sneeuw en de mist al een opmerkelijk grote afstand was. Dit slechte weer leidde zelfs tot een gebed van Patton voor beter weer. In de middag van 23 december klaarde het weer op. Er werden voorraden gedropt boven Bastogne en jachtvliegtuigen vielen de Duitsers aan. Patton wist steeds dichter bij Bastogne te komen. De aanval van 26 december zou de laatste aanval zijn van Kokott op Bastogne. De voorhoede van het 3rd Army van General Patton was nog slechts zes kilometer verwijderd van Bastogne. Later die dag brak het Amerikaanse 37th Tank Batallion onder bevel van Lieutenant-Colonel Creighton Abrams door de Duitse linies en werd in het zuiden de omsingeling van Bastogne doorbroken.


De laatste Duitse stuiptrekkingen

Ondanks dat de geallieerden Bastogne ontzet hadden, was de strijd om deze stad nog niet gestreden. De Duitsers ondernamen nog enkele pogingen om de stad in te nemen om hiermee de hoop op een goede afloop van het offensief levend te houden. Hitler had echter nog een tweetal troeven achter de hand om het tij in de Ardennen te doen keren.

Nordwind
Op oudejaarsavond lanceerde Hitler een nieuw offensief tegen de geallieerden. Ditmaal in de Elzas op de troepen van de 6th Army Group, die onder bevel stond van General Jacob Devers. Bij dit offensief, genaamd Operatie Nordwind, waren negen Duitse divisies betrokken. Hitler trachtte door middel van deze operatie General Patton te dwingen zich terug te trekken uit de Ardennen om zijn verbindingslijnen te beschermen. Indien Patton zich terug zou trekken, zou het tij in de Ardennen weer in het voordeel van de Duitsers kunnen keren.

Devers moest zijn troepen in eerste instantie laten terugvallen. Dit veroorzaakte enige paniek onder zijn manschappen. Dankzij Ultra, de verzamelnaam voor door middel van ontcijfering onderschepte Duitse berichten, was Devers echter goed op de hoogte van de Duitse plannen. De 101st Airborne Division moest het gat in de Amerikaanse linies in de Elzas, dat was ontstaan na het lanceren van Nordwind, dichten. Deze divisie had zichzelf zojuist erg gevreesd gemaakt bij de Duitsers tijdens de slag om Bastogne.

Binnen een week was de Duitse aanval alweer afgeslagen door de geallieerden. De geallieerde posities waren uiteindelijk niet serieus bedreigd geweest. De vrees van de Amerikaanse troepen voor een grootschalige Duitse doorbraak was dus ongegrond, want Devers kon standhouden met zijn troepen, al werd dit echter pas half januari echt duidelijk.

Bodenplatte
Hitler deed op 1 januari nog een nieuwe aanval op de geallieerden. Het ging om operatie Bodenplatte, een aanval van de Luftwaffe op de vliegvelden van de geallieerde tactische luchtmachten in België, Nederland en Noord-Frankrijk. Elke Duitse piloot werd hierbij ingezet, zelfs hoge officieren en vlieginstructeurs. Deze operatie moest het evenwicht tussen de geallieerde luchtmacht en de Luftwaffe herstellen. Indien dit evenwicht hersteld werd, hoopte Hitler met zijn nieuwe straalvliegtuigen het initiatief terug te winnen aan het Westfront. De operatie was vanaf 15 december grondig voorbereid, maar kon uiteindelijk vanwege de slechte weersomstandigheden pas op 1 januari beginnen. Vanaf elke Luftwaffebasis werden er die dag aanvallen op geallieerde bases uitgevoerd.

Operatie Bodenplatte liep echter op een fiasco uit. De geallieerden verloren maar een gering percentage van het aantal vliegtuigen dat ze tot hun beschikking hadden. De Luftwaffe verloor daarentegen meer dan 300 toestellen en meer dan 200 piloten, waaronder vele vlieginstructeurs en enkele zeer ervaren piloten. Toch waren de geallieerden wederom door de Duitsers verrast met Bodenplatte. Bovendien bleken de geallieerde vliegvelden slecht verdedigd tegen een aanval van de Luftwaffe. Het luchtoverwicht boven Europa had ervoor gezorgd dat men hieraan steeds minder aandacht was gaan besteden.


De rollen omgedraaid

De speerpunt van de Duitse aanval, Kampfgruppe Peiper was vlak bij de Maas tot stilstand gekomen. De eenheid was omsingeld, aangevallen en had zich teruggetrokken. Het Britse XXX Corps had haar defensieve stellingen verlaten en drong de Duitsers weg van de Maas. Bastogne was niet langer omsingeld nu er contact was gelegd met de grondtroepen van Patton. “Wacht am Rhein” leek mislukt, maar een Duitse nederlaag in de Ardennen was nog lang niet zeker. Hitler wilde zich nog niet gewonnen geven. Hij was er nog altijd van overtuigd dat Duitsland als winnaar tevoorschijn zou komen. Zo ook Walther Model. Hij beschreef de huidige situatie in de Ardennen als volgt: “Duitsland is nu verwikkeld in een uitputtingsslag, waardoor de geallieerden zullen worden verstrikt en vermalen.”

Geallieerde tegenaanval
General Dwight Eisenhower stond voor een lastige beslissing. Veel geallieerde troepen waren uitgeput en hadden veel manschappen verloren. Er waren niet voldoende reservetroepen beschikbaar om de verliezen op te vullen. Wellicht was het te veel gevraagd de mannen nu te laten aanvallen, maar de nog altijd voortdurende gevechten in de Ardennen waren nog niet gewonnen en konden dus ook nog een ongunstige wending nemen. Met behulp van een snelle tegenaanval konden de geallieerden gebruik maken van het gebrek aan voorraden en versterkingen bij de Duitsers en zo de slag om de Ardennen in hun voordeel beslissen. Hier koos Eisenhower, ondanks de hachelijke situatie bij de geallieerden, dan ook voor.

Het geallieerde opperbevel besloot dat de tegenaanval uit twee grote offensieven moest bestaan. Het 3th Army zou een offensief ontketenen vanuit Bastogne. Het 1st Army zou een offensief beginnen in de richting van Sankt-Vith. De twee legers moesten vervolgens samenkomen bij Houffalize, een klein stadje in het midden van de Ardennen. Volgens Eisenhower zou deze tegenaanval de geallieerden een overtuigende overwinning in de Ardennen bezorgen. Deze overwinning moest worden vervolgd met een opmars naar de Duitse grens door de Ardennen en de Eifel om vervolgens naar het noordwesten richting de Rijn op te rukken.

De aanvallen begonnen op 3 januari 1945. De 1st Army rukte op in de richting van Houffalize, Sankt-Vith en het plateau van Elsenborn. In het zuiden rukte het 3th Army vanuit Bastogne ook op naar Houffalize. De Duitse commandanten beseften dat de druk die de geallieerden uitoefenden te groot was en wisten dat ze niet meer verder op zouden rukken. Hitler wilde echter, zoals altijd, dat elk stuk veroverde grond tot de laatste man verdedigd zou worden. Zo besloten de Duitse commandanten zich vechtend terug te trekken om de geallieerde opmars zoveel mogelijk te vertragen. In het zuiden van de Ardennen waren de 4th, 5th en de 80th Infantry Divisions verwikkeld in een uitputtingsslag met de 7. Armee in het gebied bij Echternach en Diekirch.

Ondertussen drong Winston Churchill bij Josef Stalin aan om het aankomende Russische winteroffensief zo snel mogelijk te laten aanvangen om de druk op de westelijke geallieerden te verlagen. Er werd namelijk weliswaar vooruitgang geboekt in de Ardennen, maar snel verliep de opmars allerminst. De twee aanvallende legers kregen nog diverse stevige klappen te verduren van de Duitsers, die zich vrijwel in elk dorpje hadden verschanst met antitankwapens en machinegeweren. Ook was elke kruising volgelegd met mijnen. Hierdoor moesten de Britten en Amerikanen hevig slag leveren voor elke meter.

Terug naar de Duitse grens
Toch leek Hitler op 9 januari 1945 de hoop op een overwinning in de Ardennen te laten varen. Hij verplaatste de 6. SS-Panzerarmee naar Hongarije en alle nieuwe troepen en tanks moesten naar het Oostfront gestuurd worden. Ondertussen had de geallieerde luchtmacht het stadje Houffalize, het doel van de tegenaanval, hevig bestookt. Het plaatsje was vrijwel met de grond gelijk gemaakt en de 9. SS-Panzerdivision was zo goed als weggevaagd. De luchtmacht had sowieso een belangrijke rol tijdens de gevechten in januari. Vanwege de betere weersomstandigheden konden er veel missies worden gevlogen. De Duitse pantserformaties die veelal met een brandstofgebrek kampten, waren een eenvoudige prooi voor de geallieerde piloten.

Op 16 januari maakten eenheden van de 2nd en de 11th Armored Divisions contact in Houffalize. Het Duitse offensief was nu definitief ten einde. Het geallieerde offensief daarentegen niet: de tegenaanval was geslaagd, maar men moest zich nog terugvechten naar de Duitse grens. De geallieerde commandanten wilden zo snel mogelijk oprukken en zoveel mogelijk Duitsers uitschakelen nu daar de mogelijkheid toe was. Ook hierin speelde de geallieerde luchtmacht wederom een belangrijke rol. De bruggen en kruispunten op de Duitse ontsnappingsroutes werden hevig onder vuur genomen. Ook de colonnes van Duitse tanks, bevoorradingstrucks en kanonnen werden vrijwel continu vanuit de lucht bestookt.

Op 23 januari werd door de 7th Armored Division Sankt-Vith heroverd op de Duitsers. In de periode van 23 tot en met 25 januari werden ook onder andere Baugnez, Malmédy, Vielsam, Clervaux en Diekirch heroverd. Op 26 januari bevonden zich nog slechts een handvol Duitse verzetshaarden in de Ardennen. Nadat deze ook waren opgeruimd, werd 28 januari door het Amerikaanse leger aangewezen als einddatum voor het Ardennenoffensief.


Nawoord

Hitler nam met ‘Wacht am Rhein’ een enorm risico. Hij zette kostbare manschappen, tanks en voertuigen in om Antwerpen te kunnen bereiken, een doel dat volgens veel Duitse officieren en ook historici als onrealistisch werd en wordt gezien. Maar niemand durfde de Führer tegen te spreken en de inname van Antwerpen was Hitlers laatste hoop om de westelijke geallieerden te kunnen verslaan.

Balans
De Amerikanen hadden maar liefst 600.000 manschappen ingezet tijdens de slag om de Ardennen. Onder hen waren 100.000 slachtoffers gevallen, waarvan er 19.000 werden gedood en 15.000 gevangen waren genomen. De Britten hadden 55.000 man in de strijd geworpen. Zij hadden 1400 manschappen verloren, waarvan er 200 waren gesneuveld. De 28 divisies die de Duitsers hadden ingezet omvatten meer dan 500.000 soldaten. Onder hen vielen 130.000 slachtoffers, waarvan er 19.000 zijn omgekomen. Ook zouden beide partijen elk zo’n 800 pantservoertuigen hebben verloren. De Luftwaffe was als gevolg van Operatie Bodenplatte zo goed als uitgeschakeld.

Het grote verschil tussen de geallieerden en de Duitsers was echter dat eerstgenoemden de verliezen nog konden opvullen. Er waren zojuist alweer nieuwe divisies in Engeland aangekomen en er werden ook nog enkele infanteriedivisies en een luchtlandingsdivisie geformeerd in de Verenigde Staten. De Duitsers hadden tijdens “Wacht am Rhein” hun laatste reserves verbruikt en konden de verliezen niet meer opvullen. Hetzelfde gold voor de pantservoertuigen. De Duitse oorlogsindustrie had hevig te lijden onder de geallieerde bombardementen, wat de productie vertraagde. De Amerikanen hadden hier geen last van en dankzij hun talent voor massaproductie vulden ze de verliezen snel weer aan. Mede als gevolg van het Ardennenoffensief zouden de geallieerde gevechten om de Rijn een stuk eenvoudiger verlopen, al werd hier nog verbeten gevochten.

Als gevolg van de strijd in de Ardennen waren er nieuwe verhoudingen tussen de beide partijen tot stand gekomen, en deze waren nu nog meer dan voorafgaand aan ‘Wacht am Rhein’ in het voordeel van de geallieerden. Zeker omdat de Duitsers geen meter verder waren dan aan het begin van ‘Wacht am Rhein’, terwijl er vele kostbare manschappen en voertuigen verloren waren gegaan gedurende het offensief. Intussen werden er aan het oostelijke front in de Baltische staten dertig Duitse divisies met omsingeling bedreigd.

Vervolg
Na de overwinning in de Ardennen was het voor de geallieerden taak om door middel van een geslaagde operatie de Rijn over te steken. Het oversteken van de Rijn was echter bovenal een logistiek probleem. De Duitse genie blies zoveel mogelijk bruggen op om de opmars te vertragen. Slechts de Ludendorff-brug bij Remagen viel in geallieerde handen, maar na een paar dagen intensief gebruik stortte de brug in. Veel troepen werden met bootjes en amfibische voertuigen naar de overkant gebracht, terwijl de geallieerde genietroepen bezig waren om Baileybruggen te bouwen. Ook werd de 17th Airborne Division ingezet om het gebied aan de andere kant van de Rijn veilig te stellen gedurende operatie Varsity.

Intussen waren de soldaten van het Rode leger aan het Oostfront nog verder opgetrokken. Duitse reserves om de opmars van de Russen te stoppen waren niet voorhanden. Er waren troepen van het Oostfront weggehaald om mee te vechten tijdens het Ardennenoffensief. Na het mislukken van dit offensief werden deze troepen teruggestuurd naar het Oostfront. Alleen waren zij niet meer in dezelfde getale als op het moment dat ze aan ‘Wacht am Rhein’ deelnamen. Duitsland was aan meerdere kanten binnengevallen.


Bronnen

Boeken


Versie: 7-6-2010 Artikel door: Pieter Schlebaum

Deze website is een initiatief van STIWOT (Stichting Informatie Wereldoorlog Twee) Alle rechten voorbehouden © 2002--2017
Directe link: http://www.go2war2.nl/artikel/1693/Ardennenoffensief.htm