Stalen mijnenvegers van de Jan van Amstel-klasse

Inleiding

De Russisch-Japanse oorlog van 1904-1905 was het eerste conflict waarin mijnen een grote rol speelden. Aan beide zijden werden grote verliezen geleden die aan mijnen toegeschreven konden worden. Daarna ging elke belangrijke marine in de wereld over tot het oprichten van een mijnendienst. Voor Nederland gold dit in 1907.

In eerste instantie werden alleen bestaande schepen zoals trawlers en slepers omgebouwd maar vanaf 1910 werden de eerste Nederlandse mijnenleggers op stapel gezet.

Het duurde echter nog tot 1930 voordat de eerste mijnenvegers ontworpen en gebouwd werden op de Rijkswerf Willemsoord in Den Helder. Het betrof de stalen mijnenvegers Hr. Ms. A, Hr. Ms. B, Hr. Ms. C en Hr. Ms. D van 179 ton, bestemd voor de dienst in Nederlands Oost-IndiŽ. Mijnenvegers werden toen nog gewoon van staal gemaakt omdat het begrip magnetische mijn nog niet bekend was. Pas in 1939 zouden de Duitsers dit nieuwe wapen voor het eerst gebruiken.

Nederland was niet bij machte een grote vloot te bouwen met belangrijke kapitale schepen maar was wel afhankelijk van een vrije, bevaarbare zee. Daartoe zou zij, ook als men neutraal kon blijven, moderne mijnenvegers, mijnenleggers en escorteschepen nodig hebben. De oplossing werd gevonden in de door ir. D.J. de Jonge ontworpen stalen mijnenvegers van de Jan van Amstel-klasse. Deze klasse zou bestaan uit acht schepen die alle in 1936 op stapel werden gezet. De schepen waren groot en relatief zwaar bewapend zodat zij ook als mijnenleggers en voor konvooibegeleiding ingezet konden worden. De kanonnen van 7,5cm waren afkomstig van de uit dienst gestelde Nederlandse pantserdekschepen.

De helft van de Jan van Amstel-klasse, VAM-klasse, VAMmen of ABC-klasse, zoals de schepen ook wel genoemd werden, was bestemd voor de Oost en de andere helft voor de Nederlandse wateren. Door hun aantal en door hun herkenbare ontwerp werden de schepen karakteristieke en veelvuldige verschijningen in Nederlandse en Indische havens. De klasse bestond uit Hr. Ms. Jan van Amstel (A), Hr. Ms. Pieter de Bitter (B), Hr. Ms. Abraham Crijnssen (C), Hr. Ms. Eland Dubois (D), Hr. Ms. Willem van Ewijck (E), Hr. Ms. Pieter Florisz (F), Hr. Ms. Jan van Gelder (G) en Hr. Ms. Abraham van der Hulst (H).

Hr. Ms. Abraham Crijnssen is beroemd geworden omdat zij op zeer spectaculaire wijze ontsnapte aan de Japanners toen die Nederlands Oost-IndiŽ onder de voet liepen in maart 1942. Vermomd als tropisch eiland wist zij aan de vijand te ontkomen en naar AustraliŽ uit te wijken. Zij heeft ook als het enige schip van deze klasse het oorlogsgeweld en de slopershamer overleefd en bestaat nu nog steeds als museumschip te Den Helder.


Overzicht klasse en technische gegevens

Bouwwerf en nummerOp stapel gezetTe water gelatenIn dienstEinde
Jan van AmstelP. Smit Jr. Rotterdam 49921 maart 193627 augustus 193615 maart 19378 maart 1942 tot zinken gebracht door een Japanse destroyer
Pieter de BitterP. Smit Jr. Rotterdam 50021 maart 193629 oktober 193626 mei 19376 maart 1942 tot zinken gebracht door de eigen bemanning
Abraham CrijnissenGusto v/h Smulders Schiedam 71221 maart 193623 september 193627 mei 1937Tot op heden in Marine Museum Den Helder
Eland DuboisGusto v/h Smulders Schiedam 71321 maart 193624 oktober 193621 juni 19378 maart 1942 tot zinken gebracht door de eigen bemanning
Willem van Ewijck(1)P. Smit Jr. Rotterdam 50621 maart 193622 februari 193719 juli 19378 september 1939 gezonken door eigen mijn
Pieter FloriszP. Smit Jr. Rotterdam 50722 november 193611 mei 193713 september 1939In 2006 gesloopt te Hendrik Ido Ambacht
Jan van GelderGusto v/h Smulders Schiedam 71410 oktober 193627 maart 193713 september 1937In 1979 gesloopt te Ouwerkerk
Abraham van der HulstGusto v/h Smulders Schiedam 71513 november 193631 mei 193711 oktober 193721 april 1944 gezonken in Oostzee in Duitse dienst
Abraham van der Hulst (2) Ex Willem van Ewijck (2) P Smit Jr. Rotterdam 547193918 april 194026 augustus 1940 Duitse dienst 15 augustus 1946 Nederlandse dienst Gesloopt in 1970, plaats onbekend

Technische gegevens

Grootste lengte: 55,8 meter
Grootste breedte:7,8 meter
Diepgang:2,2 meter
Waterverplaatsing standaard:460 ton (502 als mijnenlegger)
Waterverplaatsing volbeladen: 620 ton
Machine installatie: 2 triple expansie machines, 2 Yarrow ketels in ťťn ketelruim
Machinevermogen: 2x800pk
Voortstuwing: 2x 3-bladige schroef
Snelheid: 15 knopen
Actieradius: 1600 zeemijl bij 15 knopen, 4700 zeemijl bij 11 knopen
Bunkercapaciteit: 110 ton stookolie
Bemanning: 45 koppen
Bewapening bij oplevering: 1 7,5cm kanon, 2 dubbel mitrailleurs 12,7mm als mijnenlegger capaciteit voor 40 mijnen
Bewapening van 1946 tot 1951: 1 Bofors 40mm en 3 Oerlikon 20mm mitrailleurs
Bewapening als netpoort schip: 2 Oerlikon 20mm mitrailleurs

De Jan van Amstel-klasse in de vooroorlogse periode

Het Nederlands Oost-Indische viertal:


De vier mijnenvegers van de Van Amstel klasse die bestemd waren voor Nederlands Oost-IndiŽ, Hr. Ms. Jan van Amstel, Pieter de Bitter, Abraham Crijnssen en Eland Dubois, vertrokken uit Nederland op 30 augustus 1937, slechts een paar maanden nadat zij in dienst waren gesteld. De reis begon in Vlissingen en ging via Gibraltar, Napels, AlexandriŽ, Aden en Colombo naar Sabang op de noordkust van Sumatra waar de zusterschepen op 2 november aankwamen.

Samen vormden ze de 2e Divisie Mijnenvegers en hadden als thuisbasis Soerabaja, Java. In 1939 kreeg de Abraham Crijnssen mijnenrails zodat zij inzetbaar werd als mijnenlegger.

Omdat de gegevens over de in de Indische Archipel aanwezige mijnenvelden steeds naar Nederland werden gestuurd, nam men, nadat Duitsland Nederland had bezet in mei 1940, in de Oost aan dat de posities van de versperringen nu bekend waren. Alle mijnenvelden werden daarom opnieuw ontworpen. De stalen mijnenvegers begonnen eerst met het vegen van alle eigen versperringen te beginnen voor Balikpapan, aan de oostkust van Borneo.

In juli 1940 werd ter plaatse een nieuwe versperring gelegd. Later kwamen alle belangrijke havens aan de beurt zoals Soerabaja, Tandjong Priok en Tjilatjap op Java, Palembang op Sumatra en Tarakan aan de noordoost kust van Borneo.

Tussen de mijnenoperaties door werden vaak escortediensten verricht door de vaartuigen. Dat dit soort escorte-opdrachten niet zonder gevaar waren, bleek op 3 februari 1942. De Jan van Amstel en de Pieter de Bitter moesten de Van Lansberge, een schip van de Nederlandse Koninklijke Paketvaart Maatschappij (KPM), escorteren naar Makassar, Zuid Celebes. Dit schip zou daar evacuťs ophalen. Al op de heenweg werd het konvooi door Japanners verkend en met vliegtuigen aangevallen. De Van Lansberge ging hierbij verloren en de beide mijnenvegers kregen diverse near misses (indirecte treffers) te verwerken en werden licht beschadigd. De commandant van de Jan van Amstel, luitenant-ter-zee (LTZ) 1 P. van Willigen, werd hierbij gewond maar stond zijn plaats op de brug niet af. Vanwege zijn zeer moedige houding werd hij later onderscheiden met het Bronzen Kruis.

Het Nederlandse viertal:


Het tweede viertal bestond uit Hr. Ms. Willem van Ewijck (1), Pieter Florisz, Jan van Gelder en Abraham van der Hulst. Zij vormden de 1e Divisie Mijnenvegers die aanvankelijk Vlissingen, maar per oktober 1939 Den Helder als thuishaven had. De divisie had hoofdzakelijk tot taak veegoefeningen te houden voor de kust bij Kamperduin en de uitgelegde mijnversperringen langs de kust te controleren. Verder werden de schepen regelmatig ingezet als visserijpolitiekruiser.

Vanaf de mobilisatie in september 1939 kregen de mijnenvegers van de Jan van Amstel-klasse in Nederland de eerste klappen te incasseren. Op 8 september 1939 liep de Willem van Ewijck bij Terschelling op een eigen mijn, brak in tweeŽn en zonk. Hierbij kwamen 33 bemanningsleden om het leven. Nog in 1939 kreeg de werf P. Smit Jr. in Rotterdam de opdracht om een vervangende mijnenveger te bouwen voor de Willem van Ewijck die dezelfde naam zou krijgen. In het najaar van 1939 werd de kiel gelegd en op 18 april 1940 liep de tweede Van Ewijck van stapel.

Een maand na het ongeluk met de van Ewijck was er een mijnexplosie, door een eigen mijn, op de Jan van Gelder eveneens bij Terschelling. Door de ontploffing werd het achterschip weggeslagen maar het schip bleef drijven doordat de waterdichte schotten tijdig waren gesloten. Bij dit ongeluk waren zes doden te betreuren. De zwaar beschadigde mijnenveger werd eerst naar de Rijkswerf in Den Helder gesleept maar daar kon de zware schade niet hersteld worden. Daarom werd het onfortuinlijke schip verhaald naar de Werf Gusto in Schiedam om daar te worden gerepareerd. Op 17 april 1940 kon het schip weer in dienst gesteld worden.


Ondergang van de Jan van Amstel, Pieter de Bitter en Eland Dubois

De commandant van de marine (CMR) in Soerabaja, schout-bij-nacht P. Koenraad, besefte al op 17 februari 1942 dat een evacuatie van de kleinere schepen met voldoende actieradius, onvermijdelijk was. De stalen mijnenvegers van de 2e divisie en een aantal mijnenleggers kregen het bevel om bij de geheime code KPX te vluchten naar AustraliŽ. En op zeer klemmende toon werd eraan toegevoegd dat de schepen onder geen enkele voorwaarde in vijandelijke handen mochten vallen. Na de verloren Slag in de Javazee, in de nacht van 27 op 28 februari, werd al snel duidelijk dat de order KPX niet lang kon uitblijven. In de eerste week van maart was de order KPX uitgegaan maar deze werd door de betrokken commandanten ondertussen zwaar betwijfeld en dus ook nog niet uitgevoerd. De meesten van hen hielden het niet voor mogelijk om met de kleine schepen een geslaagde uitbraakpoging te doen zonder de schepen en de bemanning in ernstig gevaar te brengen.

De commandant van Hr. Ms. Pieter de Bitter, luitenant-ter-zee 1 J.P.A. Dekker, liet op de namiddag van 6 maart zijn bemanning aantreden op de wal en sprak hen toe dat hij het niet verantwoord achtte naar AustraliŽ uit te wijken. Hij liet daarop met twee tijdbommen de stalen mijnenveger tot zinken brengen aan de kruiserkade van het Marine Etablissement in Soerabaja. De bemanning van het schip is later veelal in Japanse krijgsgevangenenkampen terecht gekomen. Luitenant-ter-zee 1 Dekker heeft 3 jaar doorgebracht in krijgsgevangenschap en is na de oorlog voor de Zeekrijgsraad in Den Haag gekomen. Hem werd ten laste gelegd: ďOpzettelijke ongehoorzaamheid gepleegd in tijd van oorlogĒ, door de order KPX niet op te volgen. Hij werd oneervol ontslagen uit militaire dienst.

De Jan van Amstel, onder commando van luitenant-ter-zee 2 de Greeuw, en de Eland Dubois, met als commandant luitenant-ter-zee 2 de Jong, waren in de avond van 6 maart in oostelijke richting vertrokken uit Soerabaja in een gezamenlijke poging te ontsnappen. In de ochtend van 7 maart gingen zij op de rede van Gili Radja, ťťn van de Gili eilanden ten zuidoosten van Madoera, ten anker. Vervolgens werden de schepen gecamoufleerd met takken. Toch werden de schepen verkend door een vijandelijk vliegtuig. Omdat veel van de inlandse bemanningsleden gedeserteerd waren en omdat de Dubois ketelproblemen had, werd besloten het laatstgenoemde schip tot zinken te brengen en met een goed bemande Jan van Amstel verder te gaan. Door het openen van de buitenboord kleppen werd de Eland Dubois tot zinken gebracht. Een in de mijnenveger geplaatste dieptebom maakte het vernielingswerk compleet.

De resterende bemanning was overgestapt op de Jan van Amstel en op 8 maart lichtte dit schip het anker en ging op weg. Kort voor middernacht werd de stalen mijnenveger gevangen in het zoeklicht van de Japanse torpedobootjager Arashio. Dit schip opende meteen het vuur en de zwaar getroffen Jan van Amstel sloeg om. Terwijl het schip met de kiel naar boven dreef vuurde het Japanse schip verder waardoor de mijnenveger zonk, doden en gewonden meenemend. De Arashio bekommerde zich niet om de overlevenden die zich moesten zien te redden met reddingsvlotjes. Bij deze ramp kwamen 23 bemanningsleden om het leven waaronder de commandant van de Eland Dubois. Een deel van de drenkelingen werd, na 43 uur in de zee te hebben rondgedreven en gezwommen, opgepikt door een andere Japanse jager die hen naar Makassar bracht. Onder hen was de commandant van de Jan van Amstel. Allen werden krijgsgevangen gemaakt.


Hr. Ms. Abraham Crijnssen in de Tweede Wereldoorlog

Hr. Ms. Abraham Crijnssen had zich, onder de voortvarende leiding van commandant luitenant-ter-zee 1 A. van Miert, zeer goed voorbereid voordat zij een poging waagde naar AustraliŽ te ontsnappen. De scheepshuid was zodanig met verf bewerkt dat een vertekenend effect werd verkregen. Verder werd het schip helemaal gecamoufleerd met takken, bladeren en ander groen zodat het van bovenaf of van zee uit gezien veel leek op een tropisch eiland.

Het schip vertrok op de avond van 6 maart richting de Gili Eilanden en de volgende dag naar het eiland Kangean. 8 Maart werd koers gezet naar het eiland Soembawa. Vandaar ging het door de Alas Straat, tussen de eilanden Lombok en Soembawa richting Indische Oceaan die op 10 maart werd bereikt. Door steeds `s nachts te varen en zich overdag schuil te houden kon de mijnenveger al die tijd onopgemerkt blijven. Bovendien werd elke dag het groen zoveel mogelijk ververst zodat de camouflage als tropisch eiland intact bleef. De commandant verminderde vaart om brandstof te sparen en op 15 maart bereikte de Crijnssen de Australische haven Geraldton. Een meer gedetailleerde beschrijving van de spectaculaire ontsnapping van de Crijnssen is terug te vinden in het artikel: Ontsnapping van Hr. Ms. Abraham Crijnssen.

Er was in AustraliŽ geen Nederlands vlootverband waarbij de mijnenveger zich kon aansluiten. Daarom kreeg het schip individuele taken zoals het escorteren van de Nederlandse onderzeeboten Hr. Ms. K IX en Hr. Ms. K XII van Fremantle, aan de Australische westkust, naar Sydney, in het oosten van AustraliŽ, in mei 1942. Daarna kwam het Nederlandse schip onder Amerikaans commando en kreeg regelmatig escorte-opdrachten langs de Australische oostkust en bij Nieuw-Guinea. Maar als eenling was het bijzonder moeilijk om goed onderhoud te plegen en het schip operationeel te houden. Bovendien was er steeds een bemanningstekort. Daarom werd besloten het schip in bruikleen te geven aan de Royal Australian Navy (RAN), die de mijnenveger gebruikte voor escorte-opdrachten en opleidingsdoeleinden.

De tijd dat de Abraham Crijnssen onder Australische vlag voer was niet lang. Al in mei 1943 kreeg de Koninklijke Marine het schip terug. Weer kwam een tijd van escorteren en de keren dat de Nederlandse militaire inlichtingsdienst (de NEFIS) een beroep op het schip deed mocht als een afwisseling worden gezien. Op 7 juni 1945 vertrok de mijnenveger vanuit Sydney richting Port Darwin met de tot oliehulk omgebouwde onderzeeboot K IX op sleeptouw. De volgende dag bleek, in slecht weer, de sleep zoek te zijn. Deze was op het strand aangespoeld en helaas niet meer te bergen.

Meteen na de Japanse capitulatie kreeg de Crijnssen al snel de opdracht zich gereed te maken om naar Nederlands Oost-IndiŽ terug te keren. De tocht werd samen met twee patrouillemotorboten gemaakt terwijl de mijnenveger een voorradenlichter vol vliegtuigbenzine sleepte. Het Nederlandse schip bleek een slechte sleper want ook deze sleep raakte men kwijt. Omdat Hr. Ms. Abraham Crijnssen een van de eerste beschikbare oorlogsschepen was in de archipel, werd het direct ingezet. Zo was het schip aanwezig bij de overgave van de Japanse commandant van Koepang op Nederlands Timor en deed het landingsdetachement actief mee met het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL) om het gezag te herstellen in Zuidwest-Borneo.


Hr. Ms. Jan van Gelder in de Tweede Wereldoorlog

De volledig herstelde Hr. Ms. Jan van Gelder kreeg op 11 mei 1940 opdracht de Nederlandse onderzeeboot Hr. Ms. O 13 naar Engeland te escorteren. Hierdoor was zij betrekkelijk veilig in de dagen dat Nederland bezet werd door de Duitsers. Nog in dezelfde maand werd de Nederlandse mijnenveger ingezet bij operationele opdrachten in Zuid-Engeland en het Kanaal. In mei en juni werden escorte-opdrachten uitgevoerd waarbij onder andere het Nederlandse schip ďBatavier IIĒ werd geŽscorteerd dat 280 voornamelijk Nederlandse militairen moest oppikken in Cherbourg aan de Normandische kust. Later werd het schip boeienlegger bij het 11e Britse Mijnenvegerflottielje met als thuisbasis Milford Haven aan de zuidwestkust van Wales.

Vanaf mei 1941 werd Portsmouth, aan de Zuid-Engelse kust, de thuisbasis omdat het schip overgeplaatst werd naar het 9e mijnenvegerflottielje. Vanaf oktober deed de Nederlandse mijnenveger mee aan mijnenveegacties voor de kust van Harwich en bij het eiland Wight. Nadat half januari 1942 deze klussen geklaard waren, ging de Nederlandse mijnenveger tijdelijk terug naar Portsmouth om in maart 1942 te vertrekken naar Holy Loch in Schotland om te functioneren als doel- en escorteschip bij het Britse 3e onderzeebootflottielje.

Net als zusterschip Hr. Ms. Abraham Crijnssen in AustraliŽ was het voor de Nederlandse eenling in Groot-BrittanniŽ erg moeilijk om het schip goed te onderhouden en operationeel te houden. Bovendien wilde de Nederlandse marineleiding dat de bemanning van de mijnenveger meer betrokken zou worden bij de eigenlijke strijd op zee. Daarom werd besloten de Jan van Gelder in bruikleen te geven aan de Britse marine en in ruil een escortevaartuig in bruikleen te nemen. Op 26 maart 1943 werd Hr. Ms. Jan van Gelder uit dienst genomen door commandant luitenant-ter-zee 1 P.L.M. van Geen die daarna, met bijna de voltallige bemanning overstapte op het flower-class corvette HMS Carnation dat diezelfde dag in dienst werd gesteld als kanonneerboot Hr. Ms. Friso (2). In maart 1945 werd de Jan van Gelder weer teruggeven aan de Koninklijke Marine terwijl de Friso al in oktober 1944 terugging naar de Royal Navy.


Hr. Ms. Willem van Ewijck (2), Pieter Florisz en Abraham van der Hulst in Duitse handen

Hr. Ms. Pieter Florisz en Hr. Ms. Abraham van der Hulst werden op 12 mei 1940 toegevoegd aan het IJsselmeerflottielje. Dit flottielje bestond uit een achttal gevorderde motorsleepboten, de kanonneerboten Hr. Ms. Brinio en Hr. Ms. Friso, de torpedoboot Hr. Ms. Z 3 en de oude stoomkanonneerboot Hr. Ms. Hefring en had tot taak te voorkomen dat de Duitsers het IJsselmeer konden oversteken van Friesland naar Noord-Holland. Met de gezamenlijke bewapening van het flottielje zou dit ook kunnen lukken en de Friso bracht in de nacht van 11 op 12 mei in Stavoren een door de Duitsers gevorderde veerboot tot zinken.

Tegen vliegtuigen waren de schepen echter kansloos en Hr. Ms. Friso werd in de middag van 12 mei getroffen door een bom tijdens een Duitse luchtaanval. De stalen mijnenvegers schoten te hulp en Hr. Ms. Abraham van der Hulst, onder commandant luitenant-ter-zee 1 P. Wentholt, drukte haar achterschip tegen de zwaar beschadigde kanonneerboot zodat de bemanning kon overstappen. Vlak nadat iedereen van boord was kapseisde de Friso en kwam met de kielplaat boven drijven. De Pieter Florisz, onder leiding van commandant luitenant-ter-zee 2 G.E.A. Daane Bolier, die in de buurt gebleven was om luchtdekking te geven, bracht het wrak even later met kanonvuur tot zinken.

De volgende dagen gebeurde er niet veel en het IJsselmeerflottielje meerde op 13 mei af in Enkhuizen en Medemblik. De dag erna kregen de schepen tegenstrijdige orders van de commandant van het flottielje, schout-bij-nacht Vreede, en de Commandant Marine Willemsoord, schout-bij-nacht H. Jolles, die zich in Den Helder bevond. De flottieljecommandant gaf order in Enkhuizen te blijven en de Commandant Marine Willemsoord wilde dat de schepen door de sluizen in Den Oever zouden schutten en naar Den Helder doorvaren. De commandant van de Abraham van der Hulst, die tevens divisiecommandant van de mijnenvegers was, wilde duidelijkheid en probeerde informatie te verkrijgen via de radio en via de telegraaf. Bijzonder kostbare tijd ging verloren en in de avond kwamen berichten door van de capitulatie. Luitenant-ter-zee Wentholt en de commandant van de Florisz gingen er nu vanuit dat de sluizen in de Afsluitdijk door de Duitsers gecontroleerd werden en besloten hun schepen zelf tot zinken te brengen. Dit gebeurde voor de haven van Enkhuizen maar niet zorgvuldig genoeg. Zowel de Pieter Florisz als de Abraham van der Hulst werden op last van de Duitsers in augustus 1940 gelicht en hersteld op de werf van de Nederlandsche Scheepsbouw Maatschappij te Amsterdam. Zij kwamen in Duitse dienst als M552 en M553 en werden gebruikt als torpedowerkschepen.

De M553, de ex Abraham van der Hulst ging op 21 april 1944 verloren toen het schip in de Oostzee op een mijn liep. Het Nederlandse schip in Duitse dienst werd op 20 juli 1944 gelicht en verhaald naar Stettin aan de Poolse Oostzee kust. Op de Gollnowwerf brandde het schip helemaal uit na een Sovjet- luchtaanval.

Hr. Ms. Willem van Ewijck 2 was nog in afbouw op de werf van P. Smit te Rotterdam toen Nederland bezet werd door de Duitsers. De mijnenveger kon niet op tijd weggesleept worden en viel in handen van de bezetter. Het schip werd voor rekening van de Kriegsmarine afgebouwd en overgevaren naar Emden, aan de Duitse oost oever van de Eems. Hier werd het schip op 30 augustus 1940 als M551 in dienst gesteld. Het schip werd behalve als torpedowerkschip ook gebruikt als escorteur.


De vier overgebleven stalen mijnenvegers na de oorlog

De M551 en M552 werden in mei 1945 aan Nederland teruggegeven en beide schepen werden op de Rijkswerf in Den Helder gerepareerd. De ex M551 werd op 15 augustus 1946 in dienst gesteld als Hr. Ms. Abraham van der Hulst. Dit was een vergissing want het schip was eigenlijk de ex Willem van Ewijck 2. Dit is echter nooit meer veranderd. Even later volgde de ex M552 die in dienst gesteld werd onder haar oude naam Hr. Ms. Pieter Florisz.

Op 16 september 1947 vertrokken de zusterschepen naar Nederlands Oost-IndiŽ. De Jan van Gelder was daar al aangekomen op 26 mei. De schepen werden vooral gebruikt als patrouillevaartuigen. De Abraham Crijnssen was in 1946 teruggekeerd naar Nederland voor groot onderhoud en keerde in 1948 terug naar de Oost. Het schip sloot zich aan bij de drie andere stalen mijnenvegers en samen vormden zij het 1e Mijnenvegerflottielje te Soerabaja. In verschillende delen van de archipel werden vele vaarwegen vrijgemaakt van contactmijnen door de divisie van stalen mijnenvegers.

Na de soevereiniteitsoverdracht door Nederland aan IndonesiŽ, op 15 augustus 1951, keerden de vier Nederlandse schepen terug naar Nederland. Mijnenvegers van dit type waren niet meer nodig omdat in NAVO-verband nieuwe, houten mijnenvegers waren ontworpen in verband met de vele magnetische mijnen. Zij werden daarom verbouwd tot netpoortschepen en werden als zodanig ingezet om netversperringen aan te brengen en te onderhouden in de zeegaten. Als netpoortschepen waren zij bewapend met 2 20mm Oerlikon mitrailleurs en hadden zij een bemanning van 20 koppen.

De vier schepen van de Jan van Amstel-klasse werden in 1961 van de sterkte afgevoerd en in bruikleen gegeven aan het Zeekadetkorps Nederland.
De Pieter Florisz ging naar IJmuiden waar het schip tot 1976 bleef. Daarna werd zij opgelegd in Hendrik Ido Ambacht en is in 2006 daar gesloopt.
Hr. Ms. Abraham van der Hulst (ex Willem van Ewijck 2) kreeg Maassluis al thuishaven maar was in 1970 in een zo slechte staat van onderhoud dat het gesloopt werd.
De Jan van Gelder kreeg als standplaats Schiedam waar zij tot 1979 verbleef. Daarna is het schip voor de sloop verkocht naar Ouwerkerk bij Zierikzee.
De Crijnssen ging eerst naar Den Haag en vanaf 1972 naar Rotterdam. Het Zeekadetkorps Rotterdam heeft het schip altijd goed onderhouden en daardoor behouden voor sloop.

De stalen mijnenveger is in 1996 overgedragen aan het Marine Museum in Den Helder waar het schip nu nog steeds te bezichtigen is.


Bronnen

Boeken


Versie: 20-11-2012 Artikel door: Peter Kimenai

Deze website is een initiatief van STIWOT (Stichting Informatie Wereldoorlog Twee) Alle rechten voorbehouden © 2002--2018
Directe link: http://www.go2war2.nl/artikel/1887/Stalen-mijnenvegers-van-de-Jan-van-Amstel-klasse.htm