Verhoor Hans Fritzsche 2

Ochtendzitting 1 27-06-1946

(Beklaagde Fritzsche neemt weer plaats in de beklaagdenbank.)
De BODE (Luitenant-kolonel James R. Gifford): Met welnemen van het Tribunaal, er wordt melding gemaakt dat beklaagde Von Ribbentrop afwezig is.
Dr. FRITZ: Meneer de President, Heren van het Tribunaal, allereerst een zeer korte uitleg: Gisteren heb ik de Aanklacht herhaaldelijk genoemd en ben van plan dat in de loop van het verhoor weer te doen. Daarmee bedoel ik de presentatie van de zaak tegen Fritzsche door Captain Sprecher tijdens de ochtendzitting van 23 januari 1946.
Meneer Fritzsche, gisteren had u het over uw radiotoespraken betreffende de propaganda van de Geallieerden – mijn laatste vraag: Probeerde u met uw propaganda een wig te drijven tussen de Geallieerden?
FRITZSCHE: Natuurlijk probeerde ik dat. Ik weidde uit over alle ideologische en alle practische politieke tegenstellingen en verschillen tussen de afzonderlijke Geallieerde landen. Ik vond dat een aanvaardbare manier van oorlog voeren. Destijds wilde ik net zo graag een scheiding tussen de Geallieerden als ik vandaag hun eenheid wens, omdat Duitsland het eerste slachtoffer van welk conflict dan ook zou worden.
Dr. FRITZ: Nu wordt u ervan beschuldigd te hebben geassisteerd bij het vestigen van de Nazi overheersing in heel Duitsland. Hebt u geageerd tegen de democratie?
FRITZSCHE: Ik heb nooit tegen de democratie als zodanig geageerd. Ik viel de democratie van de 36 partijen aan, de democratie die voorheen in Duitsland had geheerst, de democratie waaronder zelfs sterke groeperingen zoals bij voorbeeld de twee Marxistische partijen machteloos waren. Ik bekritiseerde buitenlandse democratieën slechts op twee punten: ten eerste de elementen die het basisprincipe van de democratie beperken – ik denk dat het overbodig is en misschien wordt het verkeerd begrepen als ik die vandaag noem. Ten tweede bekritiseerde ik de eis van de buitenlandse democratieën om hun regeringsvorm aan ons op te dringen. Volgens mijn kennis en informatie van destijds leek me dat niet gerechtvaardigd.
Dr. FRITZ: Vond u de dictatuur een betere regeringsvorm?
FRITZSCHE: Ik zou willen benadrukken dat ik dat, onder de heersende omstandigheden en slechts voor een tijdelijke noodtoestand destijds wel vond, vandaag natuurlijk niet. Nadat deze totalitaire regeringsvorm de ramp heeft veroorzaakt van de moord op 5 miljoen mensen vind ik deze regeringsvorm zelfs in tijden van nood verkeerd. Ik geloof dat elke vorm van democratische controle, zelfs een beperkte democratische controle een dergelijke ramp zou hebben voorkomen.
Dr. FRITZ: U wordt er verder van beschuldigd de leer van het Herrenrasse te hebben verspreid. De Aanklager uit deze beschuldiging indirect tegen u. Hoe staat het daarmee?
FRITZSCHE: Ik heb de theorie van het Herrenrasse niet uitgevonden noch verbreid. Ik heb zelfs die term vermeden. Ik heb het gebruik van die term door de Duitse pers en de radio uitdrukkelijk verboden toen ik de leiding had over de een of de ander. Ik meen dat de term Herrenrasse een grotere rol speelde in de anti-Nationaalsocialistische propaganda dan in Duitsland zelf. Ik weet niet wie die term heeft uitgevonden. Naar mijn weten werd die alleen maar in het openbaar door bijvoorbeeld mensen als Dr. Ley gebruikt, mensen – en dat moet ik duidelijk en openlijk uitleggen – mensen die in dit verband door niemand serieus werden genomen. Het is echter waar dat deze term, zonder dat die openlijk werd gebruikt, een grote rol speelde binnen de SS vanwege haar raciale exclusiviteit; maar mensen met intellect, tact en inzicht en met enige kennis van de wereld vermeden het gebruik van dit woord zeer zorgvuldig.
Dr. FRITZ: Meneer de President, bij deze gelegenheid zou ik het Tribunaal een verklaring van Dr. Scharping van 17 mei 1946 willen presenteren. Dr. Scharping was tot het einde Ministerialrat op het Ministerie van Propaganda. Uit deze verklaring zal ik een zin citeren van pagina 13. Ik citeer:
“In dit verband kan worden verklaard dat Fritzsche altijd tegen de term Herrenrasse was. Hij verbood zelfs uitdrukkelijk het gebruik van dit woord op de radio.”
(tot de beklaagde): Maar de Aanklager heeft een passage geciteerd uit een van uw radiotoespraken om die bewering te bevestigen.
FRITZSCHE: Het citaat is juist maar ik verzoek u het goed te lezen. De term Herrenrasse wordt in dit citaat geweigerd voor Joden en het Duitse volk. Het citaat kan niet woren misverstaan.
Dr. FRITZ: Meneer de President, dat staat in Captain’s Sprecher’s toespraak tot de Aanklager, de Engelse tekst pagina 31 en 32.
(tot de beklaagde): Maar u ging door met propaganda voeren, niet alleen in Duitsland maar ook in het buitenland. Wat was het verschil?
FRITZSCHE: Er was geen verschil in mijn radiotoespraken. Voor het uitbreken van de oorlog maakte ik kleine verschillen in de toespraken voor Duitsland en die voor andere landen, gewoon omdat het publiek anders was en omdat ik daar een andere mate van kennis moest aannemen. Tijdens de oorlog werden mijn toespraken via de Reichsrundfunk gewoon op de korte golf uitgezonden. Wat voor Duitsland of voor andere landen werd gezegd kon door beide kanten worden gecontroleerd. Bovendien heb ik in de 12 jaar dat ik op de Duitse radio sprak nooit toegestaan dat mijn toespraken werden vertaald omdat dat altijd een verschil opleverde. Geschreven artikelen kunnen worden vertaald, officiële toespraken misschien ook maar geen lichtvoetige en half geïmproviseerde praatjes.
Dr. FRITZ: Werden uw uitzendingen internationaal bekritiseerd?
FRITZSCHE: Ja, zeer vaak. Tijdens de oorlog was er vaak dagelijks kritiek uit een of ander land. Ik liet die kritieken verzamelen. Ik heb ze als document aangevraagd maar mijn verzoek is door het Tribunaal afgewezen. Voor zover ik weet word ik in deze kritieken niet beschuldigd van het aanzetten tot oorlog.
Dr. FRITZ: Nu fungeerde u niet alleen als uitlaat voor propaganda maar ook als opsteller ervan. U wordt ervan beschuldigd te hebben geholpen bij het creëren van een belangrijk instrument van de vermeende samenzwering. De aanklager zegt dat u 13 jaar lang hebt geholpen bij het scheppen van de propagandamachine die de samenzweerders zo goed hebben kunnen gebruiken. Hebt u de persorganisatie van de Nationaalsocialistische staat gecreërd?
FRITZSCHE: Nee, ik heb die organisatie niet opgzet en ik heb ook geen deel gehad aan het opzetten ervan. Die werd opgezet door Dr. Goebbels, Dr. Dietrich en Reichsleiter Amann. Toen ik in de winter van 1938 aan het hoofd kwam van de zogeheten Duitse perssectie probeerde ik de beperkingen die aan de Duitse pers waren opgelegd te verzachten. Ik probeerde dat op het terrein van het materiaal en het personeel. Ik haalde bijvoorbeeld honderden redacteuren die in 1933 en 1934 waren ontslagen terug naar hun werk bij de pers. Vandaag de dag zullen die kwaad op mij zijn maar ik deed het destijds met de beste bedoelingen. Als aanvulling op de officiële persconferenties die onder zeer strenge controle van mijn meerderen stonden, ook wat de verslagen ervan betrof, organiseerde ik ook de zogenaamde aanvullende conferenties waar ik de vertegenwoordigers van de 50 of 60 grootste kranten ontmoette en met hen in meer vrijheid de mogelijkheden van hun werk besprak. Ik uitte als eerste de leuze die daar vaak werd gebruikt: “U kunt in de Duitse kranten iedere kritiek schrijven die u wilt, vooropgezet dat een dergelijke kritiek niet wordt getoond in grote koppen maar ergens in de tekst in een elegante vorm wordt weggestopt.” Vele Duitse journalisten hebben in de afgelopen 12 jaar van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Ik zou blij zijn wanneer dit werk, dat verborgen werk was, vandaag op de een of andere manier geëerd zou worden in het belang van die mensen die gedeeltelijk alleen maar naar hun werk als journalist terugkeerden uit persoonlijk vertrouwen in mij. Ik moet er natuurlijk aan toevoegen dat de mogelijkheid van kritiek niet onbeperkt was.
Dr. FRITZ: Meneer de President, bij deze gelegenheid dien ik met toestemming van het Tribunaal een document in als document Fritzsche-4. Het is een uittreksel uit een brief van de Duitse Generalleutnant Dittmar die tijdens de oorlog regelmatig op de Duitse radio de militaire situatie besprak en die nu in Britse gevangenschap is. De bekende Engelse radioreporter, Mr. Liddell-Hart heeft een uittreksel van die brief aan de Britse Aanklager gezonden. Ik zou dit memorandum dat mij is toegezonden kort willen citeren. Mag ik deze passage citeren?
De PRESIDENT: Ja, dat mag u.
Dr. FRITZ: Dittmar schrijft dat de mogelijkheid tot behoud van de kritische houding bij zijn radiocommentaar voornamelijk te danken is aan de stilzwijgende toestemming en bescherming van Hans Fritzsche, de directeur van de politieke radio. Hij gelooft dat Fritzsche een geheime tegenstander van het regime was en dat hij blij was met de kans, een commentator te hebben gevonden die op discrete wijze ideeën uitte die overeenkwamen met die van hem en op een verraderlijke manier leidden tot een afname van het vertrouwen in het regime.
Volgend op dit citaat is er nog een citaat uit de verklaring van Dr. Scharping die ik al heb ingediend als document Fritzsche-2. Het staat op pagina 11 van deze verklaring en ik citeer:
“De radiomensen en de journalisten kenden Fritzsche’s tolerantie heel goed. Het gebeurde bijvoorbeeld vaak dat Fritzsche op zijn persconferentie een nummer van de Völkische Beobachter in zijn hand had en ironisch commentaar leverde op een anti-Joods artikel. Ik herinner me dat hij eens zijn kritiek met ongeveer de volgende woorden uitdrukte:
“Een Berlijnse krant’ – toen hield hij de Völkische Beobachter omhoog zodat iedereen die kon zien – “heeft weer eens in een redactioneel artikel meer dan twee blunders gemaakt. Misschien zal de uitgever er ooit in slagen de spijker eens op zijn kop te slaan.”
“Met dergelijke ironische opmerkingen had Fritzsche altijd de instemming van zijn luisteraars maar er bestond enig gevaar voor hem want Goebbels las dagelijks de verslagen van deze persconferenties.”
Meneer Fritzsche, volgend op de verklaring van Generalleutnant Dittmar, een vraag. Voelde u zich een vijand van het systeem of hoe komt Generaal Dittmar bij zijn uitspraak?
FRITZSCHE: Ik was geen vijand van het systeem. Het zou belachelijk en onwaardig zijn zoiets vandaag te beweren. Maar ik was wel degelijk een tegenstander van de misbruik van het systeem. Het meest duidelijke dat ik ook het meest tegenkwam omdat het op mijn werkterrein lag, was het goedpraten van slecht nieuws tijdens de oorlog. Het doel van mijn hele nieuwsbeleid was realiteit en blijkbaar is dat het wat Generaal Dittmar bedoelt in het deel van zijn verklaring dat hier is voorgelezen.
Ik ontmoette Generaal Dittmar in december 1942 of januari 1943 op het moment waarop het Duitse 6de leger bij Stalingrad al omsingeld was maar dit feit nog geheim werd gehouden voor de Duitse bevolking. Samen met Generaal Dittmar kondigde ik, tegen het verbod in, het feit aan dat het 6de leger bij Stalingrad omsingeld was. Dat veroorzaakte destijds grote opwinding.
In de volgende maanden en jaren verdedigde ik Generaal Dittmar en zijn realistische presentatie van de militaire situatie altijd tegen alle aanvallen, in het bijzonder tegen de aanvallen door de Partij, maar ook tegen de aanvallen van Buitenlandse Zaken dat er herhaaldelijk op wees dat die sombere presentatie van Generaal Dittmar een nadelig effect had op Duitsland’s bondgenoten.
In verband met deze strijd voor een realistische nieuwsdienst – en ik vraag toestemming dit hier kort te mogen noemen – voerde ik later een verbeten strijd tegen de onverantwoordelijke propaganda over de wonderwapens. Pas een jaar nadat Dr. Goebbels de toekomstige wonderwapens had genoemd, meldde ik voor het eerst een nieuw type wapen. Speer heeft SS-Standartenführer Berg genoemd van wie wordt gezegd dat hij heimelijk propaganda voerde over wonderwapens in samenwerking met het Ministerie van Propaganda.
Hij schreef een artikel in Das Reich, dat veel aandacht trok, met de sensationele en veelbelovende titel: “Wij, de dragers van geheimen.” Ik moest vechten tegen zulke dingen.
Een ander bijzonder opvallend voorbeeld was dit: Een ander lid van de SS, Hernau schreef op het moment waarop de invasie was geslaagd, een artikel waarin hij de situatie afschildeerde alsof de evacuatie uit Frankrijk (uit Duinkerken, vert.) een geheime truc van het Opperbevel was geweest dat de mogelijkheid bood voor een bijzonder sterke tegenaanval. Ik verbood dit artikel op mijn terrein en ik moest herhaaldelijk stelling nemen tegen de onverantwoordelijke geruchten over mysterieuze wapens die heimelijk de ronde deden. Dat deed ik in het openbaar en ik noemde op de radio duidelijk mijn standpunt tegen deze propaganda.
Aan de andere kant mag ik erop wijzen dat mijn meerderen op elk moment van de oorlog mij altijd goed gefundeerde beloften deden, ten eerste over een of ander militair offensief dat net werd voorbereid; bijvoorbeeld een doorstoot vanuit oost-Pruissen naar het zuiden; een doorstoot vanuit Opper-Silezië naar de Vistula, een doorstoot vanuit de Elzas naar het noorden en zo voorts. Hand in hand met deze beloften, die uiterst gedetailleerd waren, gingen de politieke beloften die gisteren kort zijn genoemd, anders gezegd de beschrijving gegeven door Dr. Goebbels dat in het buitenland politeke onderhandelingen gaande waren met de vijand aan een of andere kant.
Dr. FRITZ: Een andere vraag: Wie had de leiding over het persbeleid?
FRITZSCHE: Reichspressechef Dr. Dietrich. Hij gaf zeer gedetailleerde instructies, vaak in nauwkeurige bewoordingen, de zogenaamde “spreuk van de dag van de Reichspressechef.” Over het algemeen gaf hij zelfs de tekst van de commentaren die bij de persconferentie moesten worden gebruikt.
Dr. Dietrich was de meeste tijd op het hoofdkwartier van de Führer en kreeg zijn instructies rechtstreeks van Hitler. De vertegenwoordigers van Dr. Dietrich waren Sundermann en Lorenz.
De tweede factor die van belang was voor het Duitse persbeleid was Reichsleiter Amann die aan het hoofd stond van de organisatie van uitgevers. De derde factor was Dr. Goebbels als Rijksminister van Propaganda. Dietrich en Amann waren in naam aan hem ondergeschikt; in feite hadden beiden hetzelfde gezag als hij en ik moest altijd de verschillen tussen deze drie autoriteiten glad strijken.
Dr. FRITZ: Richtte u de organisatie van de journalistieke nieuwsdienst op?
FRITZSCHE: Ja, ik heb die organisatie opgericht. In principe was die van mij afkomstig. Ik mag verwijzen naar mijn verklaring, 3496-PS, punt 17. Ik had de leiding over de journalistieke nieuwsdienst van ongeveer 1934 tot 1938. Ik was trots op het feit dat aan het begin van de oorlog zelfs de vijand het goede functioneren van die dienst erkende. Op die tijd stond ik echter niet meer aan het hoofd van de afdeling nieuwsdienst. Als deskundige richtte ik die organisatie op in vredestijd zonder na te denken over de mogelijkheid van het gebruik ervan in oorlogstijd. De conclusie van de Aanklager dat ik ook de inhoud van het nieuws bepaalde is onjuist.
Dr. FRITZ: De Aanklager heeft gezegd dat het Ministerie van Propaganda de beroemdste leugenfabriek was ooit. Wat hebt u daarop te zeggen?
FRITZSCHE: Allereerst, voor mij persoonlijk, zou ik het volgende heel duidelijk willen maken. Ik verklaar onder ede: In echt serieuze kwesties van beleid en het voeren van de oorlog heb ik nooit enige falsificatie gepleegd en heb nooit bewust ook maar een enkele leugen verteld.
Hoe vaak ikzelf het slachtoffer ben geworden van een vervalsing of een leugen kan ik na de onthullingen tijdens dit proces niet zeggen. Hetzelfde geldt, voor zover ik weet voor al mijn medewerkers maar ik wil op geen enkele manier ontkennen dat ik en mijn medewerkers nieuws en citaten selecteerden volgens een bepaald patroon. Het is de vloek van propaganda in oorlogstijd dat men alleen maar in zwart/wit werkt. Slechts een klein aantal grote geesten blijft onafhankelijk. Ik geloof dat deze voorstelling in zwart/wit een luxe is die men zich ook niet langer kan veroorloven.
Wat het Ministerie van Propaganda als zodanig betreft moet ik zeggen dat ik alleen maar kan oordelen over dat 1/12de deel, die ene afdeling waarover ik destijds de leiding had. Maar naar mijn weten is het een vergissing om te geloven dat op het Ministerie van Propaganda duizenden kleine leugens werden verzonnen. In principe werkten we zuiver en eerlijk, technisch gezien zelfs perfect. Als we over duizenden dingen hadden gelogen dan zou de vijand ons veel gemakkelijker hebben kunnen aanvallen dan het geval was. Maar beslissend voor zo’n nieuwsdienst is niet het detail maar de uiteindelijke fundamentele basis waarop propaganda is gebaseerd. Beslissend is het geloof in de betrouwbaarheid van de leiders van de staat, waarop iedere journalist moet vertrouwen en deze basis is geschonden door wat er vandaag bekend is geworden over massamoord, zinloze wreedheden en door de twijfel aan de eerlijkheid van Hitler’s beloften voor vrede; ik ben niet in staat om over de feitelijke details te oordelen.
Dr. FRITZ: Tijdens dit proces is erop gewezen dat er in internationale wetgeving geen regels bestaan voor de wijze van propagandavoeren in oorlog en in vrede.
FRITZSCHE: Ik weet heel goed dat internationale wetgeving geen beperkingen oplegt aan propaganda, in het bijzonder aan propaganda in oorlogstijd. Ik weet ook heel goed dat er maar in een paar afzonderlijke verdragen tussen staten regels staan over het gebruik van propaganda; bijvoorbeeld in het Duits-Poolse verdrag en in het Duits-Russische verdrag. Maar gedurende mijn hele leven als journalist heb ik erop gewezen dat het ontbreken van internationale regels geen excuus is voor leugens. Ik heb altijd de morele verantwoordelijkheid van de journalist en de nieuwsman benadrukt. Ik heb dat lang voor de oorlog gedaan in een internationale discussie op Radio Luxemburg maar het zou te ver voeren om er hier op in te gaan.
Als ik laatst in mei niet de dood heb gezocht, een van de redenen was mijn wens – ik wilde het verhaal vertellen waar in dat systeem het zuivere idealisme zat en de heroische offers van miljoenen en waar de leugens en de wreedheden zaten die niet terugdeinsden voor het plegen van misdaden.
Dr. FRITZ: Noemt u ons alstublieft voorbeelden van gevallen waarin u zich bedrogen voelde.
FRITZSCHE: Gedurende dit proces werd het bericht besproken dat rondging aan het begin van de oorlog tegen Polen over de aanval op het radiostation van Gleiwitz. Destijds geloofde ik heilig in de waarheid van dit officiële Duitse nieuws. Ik hoef over die kwestie niets te zeggen.
Dan, in december vorig jaar, hier in de gevangenis in Neurenberg realiseerde ik me uit een gesprek met Grossadmiral Raeder dat het in feite een Duitse U-boot was geweest die de Athenia had getorpedeerd. Tot aan dat moment had ik heilig geloofd in de waarheid van het officiële Duitse rapport dat er geen Duitse onderzeeboot in de buurt was geweest. Ik heb mijn advocaat verzocht de felste uitlatingen die ik in mijn radiotoespraken over de Athenia deed eruit te halen en aan mijn documentenboek toe te voegen. Dat zijn uitlatingen die feitelijk tegen mij zouden spreken maar die aan de andere kant aantonen dat ik niet alleen werkte op basis van het officiële Duitse nieuws maar dat ik ook nieuws verzamelde dat de officiële Duitse versie ondersteunde; bijvoorbeeld het feit dat het in eerste instantie niet openbaar werd gemaakt en daarom verdacht was; dat het wrak van de Athenia, een dag na de ramp door Britse destroyers met kanonvuur tot zinken werd gebracht, iets wat voor zich spreekt in het belang van de scheepvaart maar wat mij destijds verdacht leek. Ik heb ook Amerikaans nieuws over hetzelfde onderwerp gebruikt. Maar het meest indrukwekkende valse nieuws waarvan ik het slachtoffer ben geworden werd uitgegeven in de laatste paar dagen van de oorlog. Dat moet ik omschrijven om de zaak duidelijk te maken.
In de dagen waarin Berlijn door het Russische leger werd omsingeld werd de inwoners van Berlijn verteld dat een bevrijdingsleger, het leger van Generaal Wenk naar Berlijn optrok; dat er geen gevechten meer plaats vonden aan het Westelijk Front. Het nieuws werd verspreid dat Von Ribbentrop naar het Westelijk Front was gegaan en daar een verdrag had gesloten en er werden in Berlijn pamfletten gedrukt die ongeveer deze tekst bevatten: “Soldaten van het Wenkleger, wij Berlijners weten dat jullie tot Potsdam gevorderd zijn. Vlug, kom snel en help ons.” Deze pamfletten werden gedrukt op een tijdstip waarop het leger van Wenk al niet meer bestond en verslagen was. Die pamfletten werden blijkbaar onopzettelijk boven Berlijn verstrooid om de inwoners van Berlijn nieuwe moed in te spreken. Dat gebeurde in de dagen waarin Hitler, volgens de getuigenis van Speer, zijn gevolg al had verteld dat het geen zin meer had nog iets voor de rest van de Duitse bevolking te doen.
Dr. FRITZ: Meneer de President, de twee radiotoespraken over de kwestie rond de Athenia die beklaagde Fritsche heeft genoemd zitten in het document Fritzsche-1 dat ik gisteren heb ingediend. Ik verwijs alleen aar de inhoud van deze toespraken.
(tot de beklaagde): Noemt u alstublieft voorbeelden van onwaarheden die u bekend waren en die u niet als leugens beschouwde.
FRITZSCHE: Een voorbeeld is de zogenaamde V-mars. Kolonel Britton, een Britse kolonel riep op tot deze V-mars, deze Victory mars op de Britse radio. Op dezelfde avond stond ik voor een Duitse microfoon en zei, blijkbaar onschuldig: “We zullen een V-mars houden, de V staat voor Victorie.” Toen zei Kolonel Britton dat ik de V van hem had gestolen. Ik zei dat dat niet het geval was, dat ik hem het eerst had bedacht.
Dr. FRITZ: Als u dacht dat u alleen volgens de waarheid handelde, waarom dan uw scherpe taal, waarom het verbod op het luisteren naar buitenlandse radiozenders?
FRITZSCHE: Ik heb in mijn verklaring al benadrukt dat naar mijn mening mijn taal altijd minder scherp was dan die van mijn tegenstanders. Het verbod op het luisteren naar buitenlandse radiozenders werd zeer tegen mijn wil uitgevaardigd. Dit verbod was voor mij alleen maar hinderlijk in mijn discussies met mijn buitenlandse tegenstanders in de diverse landen. Vanwege dit verbod moest mijn vijand om zo te zeggen, half in de schaduw spreken, ik kon niet officieel met hem spreken maar aan de andere kant wist ik dat veel van mijn luisteraars hem hadden gehoord.
Mag ik hier opmerken dat ik altijd voor een milde straf was tegen de overtreders van het verbod om te luisteren naar buitenlandse radiozenders. Juridische autoriteiten vroegen mij als deskundige altijd om raad. Ik mag benadrukken dat ik in het bijzonder na Stalingrad mijn eigen luisterdienst opzette voor de Russische radio om achter de namen te komen van de soldaten die bij Stalingerad gevangen waren genomen die op de radio werden genoemd en die door te geven aan hun verwanten omdat het voor mij wreed leek de verwanten een dergelijke bron van informatie over het lot van hun naasten te onthouden.
Bovendien was er maar een alternatief met betrekking tot het verbod op luisteren naar de radio. Dat was ofwel het in beslag nemen van alle radio’s en zo het hele Duitse omroepstelsel afschaffen – de Partij eiste dit vaak – ofwel een verbod op het luisteren naar buitenlandse zenders dat mij het minste van de twee kwaden leek.
Tenslotte waren we in oorlog en de vijand was niet zo nauwgezet in zijn methoden. Ik zou een voorbeeld willen geven. Dat was de zender Gustav Siegfried 2, die aan het begin van zijn uitzendingen in Duitsland luisteraars won met verhalen die ik niet nader wil omschrijven maar die mij ertoe brachten mijn eigen luisterpost te verbieden naar dit station te luisteren.
Dr. FRITZ: U wordt ervan beschuldigd te hebben aangedrongen op een beleid van meedogenloze uitbuiting van de bezette gebieden. Erkent u een dergelijk beleid?
FRITZSCHE: Nee. Het doel van mijn hele propaganda arbeid in Europa was en moest zijn de volkeren van Europa te winnen voor de Duitse zaak. Al het andere zou onlogisch zijn geweest. Alle radiouitzendingen in alle Europese talen, die onder mijn leiding werden gemaakt, hadden jarenlang maar een doel: vrijwillige samenwerking te verkrijgen, in het bijzonder van de bezette gebieden, voor de strijd van het Reich.
Dr. FRITZ: Was u van mening dat het Duitse bestuur in de bezette gebieden vrijwillige samenwerking aanwierf?
FRITZSCHE: In het begin zeker met een enkele uitzondering. Dat was Koch in de Oekraïne. Anders zochten, voor zover ik kon nagaan, alle besturen van de bezette gebieden deze samenwerking min of meer met vaardigheid. Ik zag de enorme inspanningen die de Geallieerden zich getroosten om dit Duitse beleid van samenwerking te dwarsbomen, iets wat zeer gevaarlijk voor hen was. Ik zag dat de Geallieerden bij deze pogingen allereerst hun middelen van propaganda toepasten. Dat alleen zou niet hebben gewerkt. Daarna zag ik dat ze andere middelen gebruikten bij deze pogingen, opstand en sabotage. Die laatste inspanningen hadden meer succes. Opstand lokte altijd wraakacties uit en wraakacties leidden altijd tot nieuwe opstanden. Ik hoop dat ik niet verkeerd begrepen wordt, en dit is niet cynisch bedoeld, wanneer ik het volgende zeg: Als propagandist vond ik bijvoorbeeld de moord op Heydrich een klein succesje. De verwoesting van Lidice, uitgevoerd door de Duitsers was echter een geweldig succes voor de Geallieerden. Anders gezegd, ik was en moest altijd een tegenstander van wraakacties zijn.
Dr. FRITZ: Wist u van wraakacties? Hoe ging u daarmee om in uw propaganda?
FRITZSCHE: Over Lidice, dat ik net heb genoemd, hoorde ik pas maanden later omdat ik toen aan het Oostfront was. Ik hoorde alleen maar – en dat is belangrijk – over de verwoesting van huizen in Lidice en het verjagen van de inwoners. Ik hoorde pas hier in de rechtszaal over de moord op een deel van de inwoners. Ik hoorde dat er gijzelaars werden genomen maar niet dat ze werden gedood. Het doden van gijzelaars werd alleen in de bezette gebieden bekend gemaakt. Als er ergens anders executies plaatsvonden werd mij altijd gezegd dat het ging om personen die ter dood waren veroordeeld wegens opstand of samenzwering. Het Nacht und Nebelbefehl was mij ook niet bekend. Aan de andere kant hoorde ik regelmatig over boetes die aan steden of districten waren opgelegd. In onze propaganda verwezen we altijd naar de oorzaken van dergelijke wraakacties.
Dr. FRITZ: En hoe beschreef u in uw propaganda het werk van het Duitse bestuur?
FRITZSCHE: Ik heb altijd verwezen naar de bouwwerkzaamheden die ondanks alle moeilijkheden en tegenstand in de bezette gebieden werden uitgevoerd, in het bijzonder en ver vooraan het werk voor de uitbreiding van de landbouw, daarna naar de toename van de industriële productie. Ik liet verwijzingen maken naar de bevoorrading van de bezette gebieden met voedsel, vaak uit, dat wil ik benadrukken, beperkte Duitse voorraden. Ik liet rapporten opstellen over het stichten van scholen en ik ontving vaak zeer indrukwekkende rapporten en liet die bewerken over bijvoorbeeld de bevoorrading van steden als Parijs, ondanks sabotage door de vijand van spoorlijnen of andere lijnen van bevoorrading. Ik liet die rapporten verzamelen in permanente dossiers en liet er hele series toespraken over maken. Er waren veel van dergelijke rapporten. Ik moet benadrukken dat er voor zover ik weet in geen enkel door Duitsers bezet gebied een kindersterfte van 80 procent was en in geen enkel gebied lagen er velden braak. Het is gewoon niet waar, zoals de Aanklager hier eens heeft gezegd, zij het in een moment van opwinding, dat Duitsland en de Duitsers tijdens de oorlog goed gevoed en gelukkig waren terwijl de bezette gebieden verhongerden. Dat is niet waar.
Dr. FRITZ: Wat wist u van slechte toestanden in de bezette gebieden?
FRITZSCHE: Bovenal, de mislukking van de oproep aan de bevolking zichzelf te besturen en het gebrek aan beslissende politieke concessies aan de landen die zichzelf bestuurden. Direct na de campagne in Frankrijk heb ik herhaaldelijk het opstellen geëist van een Magna Charta voor Europa waarin de grondrechten van de Europese volkeren waren vastgelegd. Ik schreef vele memoranda over dit onderwerp die door Dr. Goebbels werden aanvaard en aan Hitler getoond. Toen ik in de herfst van 1942 besloot terug te keren naar het Ministerie van Propaganda was een van de beloften die Dr. Goebbels mij deed dat eindelijk het Magna Charta voor Europa zou worden uitgeroepen.
Dr. FRITZ: Meneer de President, bij deze gelegenheid zou ik een passage willen citeren uit de verklaring van Scharping, document Fritzsche-2, pagina 13 van de verklaring:
“Na de bezetting van diverse Europese landen vaardigde Fritzsche richtlijnen voor persberichten uit dat de volkeren van Europa een statenbond moesten vormen op basis van gelijkheid met Duitsland. Hij zei mij een aantal toespraken over dit onderwerp uit te werken waarin dit standpunt een beslissende rol moest spelen en dat op hetzelfde moment de autoriteiten aanwijzingen moest geven voor een gezonde hervorming van de bezette gebieden.”
(tot de beklaagde): Wist u wat er hier door de Aanklager is gezegd over de activiteiten van de politie in de bezette gebieden?
FRITZSCHE: Nee.
Dr. FRITZ: Op dit punt zou ik een vraag willen inlassen. Ik heb getuige Paulus al gevraagd naar uw optreden nadat u hoorde van het Kommissarbefehl. Hoe staat het daarmee?
FRITZSCHE: Ik hoorde over het bevel, gevangen genomen Sovjet commissarissen te executeren begin mei 1942 toen ik bij het 6de leger kwam. Ik was er direct op tegen. Of het uitgevoerd werd of niet weet ik niet. Feldmarschall Paulus heeft ongetwijfeld gelijk toen hij het opvolgen van deze order door zijn leger al voorkomen had. Hoe dan ook, ik maakte me er sterk voor dat dit bevel als zodanig werd ingetrokken en dat bereikte ik ook. Het 6de leger gaf op mijn advies bepaalde informatie aan het OKW of aan de Staf Operaties van de strijdkrachten. Ik ben er bovendien van overtuigd dat veel legerleiders op dezelfde manier handelden als de commandant van het 6de leger en het bevel gewoon niet opvolgden. Hoe dan ook, later werd het uitdrukkelijk ingetrokken.
Dr. FRITZ: De Aanklager citeert twee passages uit uw radiotoespraak van 5 juli 1941. Meneer de President, dat staat in het Engelse verslag van Captain Sprecher, pagina 32 en 33.
(tot de beklaagde): De Aanklager trekt uit die toespraak de conclusie dat u hebt aangezet tot meedogenloze maatregelen tegen de bevolking van de Sovjet-Unie. U zou de bevolking van de Sovjet-Unie belasterd hebben.
De PRESIDENT: We kunnen het hier niet vinden. Wat is het PS nummer?
Dr. FRITZ: Het staat in het transcript, Meneer de President.
De PRESIDENT: We hebben het transcript hier niet. We hebben het documentenboek. Het documentenboek heeft geen pagina 32 en 33. Het heeft alleen 32 en 31 en een beetje....
Dr. FRITZ: Ik kan u het documentnummer geven, dat is 3064-PS, bewijsstuk USA-723 en ....
De PRESIDENT: Het is pagina 14 in ons boek. Nou, zei u 5 juli?
Dr. FRITZ: 5 July 1941.
De PRESIDENT: Nou, ik heb 7 juli en 10 juli maar 5 juli niet. Welke pagina van het stenografisch verslag is het? Weet u dat?
Dr. FRITZ: Pagina 32, pagina 33 van het Engelse transcript. Ik heb het Engelse transcript hier.
De PRESIDENT: Welnu, dan kunt u het maar beter voorlezen.
Dr. FRITZ: Deze passage uit Captain Sprecher’s verklaring voor de Aanklager luidt:
“Brieven van het front, film journalisten, propaganda eenheden toegevoegd aan het Duitse leger waar het ook maar optrok, P.K. verslaggevers en soldaten met verlof bevestigen: In deze oorlog in het Oosten is het niet de ene ideologie die tegen de andere strijdt, niet het ene politieke systeem tegen het andere maar cultuur, beschaving en menselijke waardigheid zijn in opstand gekomen tegen de duivelse principes van een onderwereld.”
FRITZSCHE: Ik zou het volgende willen zeggen: Met deze uitspraak riep ik niet op tot meedogenloze maatregelen tegen de bevolking van de Sovjet-Unie en ook heb ik de bevolking van de Sovjet-Unie niet willen beledigen. Ik verwijs naar de volledige tekst van de toespraak van 5 juli. Ik wil die toespraak niet voorlezen maar ik zou toestemming willen vragen die kort samen te vatten.
Dr. FRITZ: Meneer de President, in mijn documentenboek-1 heb ik alle radiotoespraken – ik weet niet of het Tribunaal dat al heeft.
De PRESIDENT: Nee, we hebben het niet.
Dr. FRITZ: Ik heb de volledige tekst van al deze radiotoespraken van beklaagde Fritzsche waaruit de Aanklager passages tegen hem heeft geciteerd in mijn documentenboek.
De PRESIDENT: Het is mij zojuist overhandigd. Welke pagina is het?
Dr. FRITZ: Pagina 8 tot 13, de radiotoespraak van 5 juli 1941.
(tot de beklaagde): Wilt u verder gaan?
FRITZSCHE: Ik vraag toestemming de inhoud kort te noemen.
Ik sprak over de verslagen die het Duitse publiek hoorde over wat Duitse soldaten hadden gezien tijdens hun opmars door de Sovjet-Unie, in het bijzonder met betrekking tot gevangenen in de gevangenissen in diverse steden. Ik beschreef die zaken niet nogmaals, ik haalde ze alleen aan uit de rapporten die destijds waren gepubliceerd. Daaruit trok ik de conclusie dat men nu zag hoe nodig de strijd was tegen een systeem waaronder dergelijke wreedheden mogelijk waren. Voor de bevolking van de Sovjet-Unie gebruikte ik uitdrukkelijk woorden van medeleven en sympathie.
Dr. FRITZ: In hetzelfde verband en met dezelfde strekking haalt de Aanklager dan een zin aan uit een alinea uit uw radiotoespraak van 10 juli 1941. Meneer de President, dat staat in documentenboek 1 – de toespraak van 10 juli 1941 – ook met de volledige tekst op pagina 14 tot 19.
(tot de beklaagde): Wat hebt u op die beschuldiging te zeggen?
FRITZSCHE: Wat ik net heb gezegd wordt in dat citaat nog duidelijker en in die hele toespraak verwees ik nogmaals naar de zojuist genoemde rapporten. Ik verwees ook naar de beschrijvingen van buitenlandse correspondenten. Ik noemde toen heel openlijk de houding van Moskou betreffende deze gebeurtenissen en ik zei heel eerlijk: “Radio Moskou zegt dat deze wreedheden feiten zijn, maar houdt vol dat die niet werden gepleegd door Russen maar door Duitsers.”
Gezien deze houding van Moskou nam ik, om het zo maar te zeggen, het publiek in vertrouwen. Ik riep miljoenen Duitse soldaten op als getuige; ik riep hun moeders, vaders en vrouwen op als getuige. Ik riep formeel de bewoners van de bezette gebieden waar de Duitsers destijds aan de macht waren op als getuige en waar zij, zoals ik zei, alleen verantwoording schuldig waren aan de wetten in hun eigen hart. Toen trok ik de conclusie: Deze Duitse soldaten kunnen de wreedheden niet hebben begaan die door Berlijn aan hen worden toegeschreven en op dezelfde manier door Moskou.
De Aanklager beweert dat deze poging om Duitse wreedheden aan de Russen toe te schrijven belachelijk was. Ik vind het niet belachelijk, ik vind het tragisch. Het toont duidelijk, zoals ik het begrijp, de absolute zuiverheid en eerlijkheid van de hele Duitse oorlogvoering aan. Ik geloof vandaag nog steeds dat moorden en geweld en Sonderkommandos slechts op een vreemd lichaam zaten, als gezwellen op het moreel gezonde lichaam van het Duitse volk en haar strijdkrachten.
Dr. FRITZ: Tenslotte citeert de Aanklager een passage uit uw toespraak van 9 oktober 1941, een ander citaat dat elders is gebruikt.
Meneer de President, dat staat in het documentenboek 1van Fritzsche; de volledige tekst van de toespraak staat op pagine 20 tot 25. De citaten van de Aanklager zijn opgesomd in een document in het documentenboek van Fritzsche van de Aanklager. Ik denk dat het Tribunaal die eenvoudig kan vergelijken.
(tot de beklaagde): De Aanklager trekt uit dat citaat de conclusie dat u had ingestemd met het beleid van de samenzweerders van de meedogenloze uitbuiting van de bezette gebieden. Wat hebt u daarop te zeggen?
FRITZSCHE: Er is geen sprake van meedogenloosheid in het citaat dat door de Aanklager is genoemd, noch in de rest van de tekst van de toespraak van 9 oktober 1941. Ik verwijs naar mijn verklaring, 3469-PS, paragraaf 39, een paragraaf die de Aanklager in dit verband heel eerlijk heeft geciteerd.
Mag ik ter aanvulling nog kort de strekking van de toespraak opsommen?
Dat was in de tijd dat Duitse soldaten waren gelegerd tussen de Zwarte Zee en de Golf van Biskaje. Ik sprak over de mogelijkheid van het benutten van de bronnen van dit enorme gebied. Ik zei:
“De mogelijkheden van dit continent zijn zo enorm dat daarmee iedere behoefte voor oorlog en vrede gedekt kan worden.”
Ik zei in dit verband dat er van het uithongeren door een blokkade, zoals in 1914-1918 werd geprobeerd nu geen sprake kon zijn. Ik sprak over de mogelijkheden van een verenigd Europa waarmee midden in de oorlog begonnen kon worden.
Dr. FRITZ: Midden in de oorlog?
FRITZSCHE: .....midden in de oorlog en ik bedoelde het verenigen van Europese naties met gelijke rechten. Het is boven alle twijfel verheven dat ik op dat moment niet dacht aan meedogenloze uitbuiting van de bezette gebieden, maar alleen die politiek en economisch voor ons te winnen zodra de stormen van de oorlog waren gaan liggen.
Dr. FRITZ: Meneer de President, Ik kom nu toe aan een ander onderwerp, dus dit is misschien een goed moment voor een schorsing?
De PRESIDENT: Ja.
Dr. THOMA: Meneer de President, ik heb een verzoek. Ik zou mijn cliënt voor de rest van de dag willen laten excuseren want ik wil hem spreken.
De PRESIDENT: Ja, zeker.
(de zitting wordt geschorst.)


Ochtendzitting 2

Dr. FRITZ:Wat wist u over de deportatie van Joden uit de bezette gebieden?
FRITZSCHE: Ik wist niets van hun deportatie maar ik hoorde dat er bepaalde personen werden gearresteerd, Joden en niet-Joden.
Dr. FRITZ: Wat wist u over het onderwerp dat we hier hebben besproken, slavenarbeid?
FRITZSCHE: Ik wist dat er miljoen buitenlandse arbeiders in het Reich werkten. Ik vond het geen slaven want ik zag ze dagelijks in alle steden vrij rondlopen in de straten.
Dr. FRITZ: Wat wist u over hun behandeling, hun leefsituatie en hun loon?
FRITZSCHE: Rapporten over dat soort zaken werden mij of mijn medewerkers toegezonden door het bureau van Sauckel en het DAF. Uit deze rapporten herinner ik mij ondermeer het feit dat buitenlandse arbeiders in alle opzichten net zo behandeld werden als de Duitse. Ik herinner me verder te hebben gehoord dat de slechte behandeling die de Ostarbeiter in eerste instantie ondergingen was beëindigd. Ik kreeg veel brieven van luisteraars die klaagden over het feit dat buitenlandse arbeiders een betere positie zouden hebben dan de Duitse; in dit verband herinner ik me een verwijzing naar het feit dat het buitenlandse arbeiders was toegestaan geld in de vorm van buitenlandse valuta naar huis te sturen.
Ik sprak ook vaak met buitenlandse arbeiders. Ik hoorde nooit bijzondere klachten. Aan de andere kant hoorde ik op het Ministerie van Propaganda, via officiële kanalen een heleboel over de zorg die zelfs op cultureel gebied aan buitenlandse arbeiders werd verleend. Ik werd herhaaldelijk benaderd door Sauckel of door het DAF – wie precies herinner ik me niet meer – met het verzoek om radiouitzendingen te maken voor deze of gene groep buitenlandse arbeiders. Ik werd ook benaderd met het verzoek om radio ontvangers over te dragen aan kampen van buitenlandse arbeiders et cetera.
Dr. FRITZ: Wist u dat de meesten van hen niet vrijwillig naar Duitsland kwamen?
FRITZSCHE: Dat was precies wat ik niet wist. Tijdens dit proces werd gezegd dat Sauckel op een of andere vergadering een uitlating deed over het feit dat slechts een klein percentage vrijwillig was gekomen. Dat was mij niet bekend.
Ik hoorde wel de volgende klachten: Allereerst dat ten tijde van de werving van buitenlandse arbeiders er buitensporige beloften werden gedaan die later niet konden worden nagekomen. In het belang van mijn propaganda liet ik daartegen bezwaar maken via de propaganda afdeling van mijn ministerie wanneer ik erover hoorde. Dan herinner ik mij klachten te hebben gehoord uit Polen dat werkgevers Poolse arbeiders bij elkaar wegkochten.
Dr. FRITZ: Sauckel getuigde dat hij in dit verband samenwerkte met het Ministerie van Propaganda en dat hij vele discussie had met het Ministerie. Nam u deel aan dergelijke discussies?
FRITZSCHE: Nee, ik nam geen deel aan dergelijke conferenties. Ik meen dat ik Sauckel hier voor de eerste keer ontmoet heb. Hij herinnerde me aan onze bijeenkomst in het voorjaar van 1945 bij Dr. Goebbels thuis toen er een of andere avondbijeenkomst plaats vond.
Dr. FRITZ: Had u iets te maken met de propaganda die werd gevoerd bij de werving van buitenlandse arbeiders in de bezette gebieden?
FRITZSCHE: Nee.
Dr. FRITZ: Wat had u te maken met de propaganda die werd gevoerd in de bezette gebieden?
FRITZSCHE: Deze propaganda, die voor de bezette gebieden gold, viel niet onder mijn verantwoordelijkheid, zelfs de pers en radio niet. Deze propaganda viel onder de verantwoordelijkheid van de plaatselijke Reichskommissar, militaire commandant of de gouverneur. Ik oefende bij twee, drie of vier gelegenheden echter wel invloed op die propaganda uit wanneer die in strijd was met de richtlijnen die voor het Reich golden. Ik maakte dit gewoonlijk op uit de reacties uit het buitenland. Ik herinner me een bijzonder geval dat algemene aandacht trok. Een zeker persoon, genaamd Fritsch viel op de Duitse radio in Parijs de Paus aan. Ik heb deze man laten vervangen. Dat was de mate van mijn invloed.
Dr. Goebbels oefende echter veel meer invloed uit op de propaganda in de bezette gebieden, in het bijzonder via zijn sectie buitenland, via zijn Auswärtiges Presseamt of via zijn verbindingsofficier bij het OKW.
Dr. FRITZ: Maakte u geen radiouitzendingen in de bezette landen?
FRITZSCHE: Ja, radiouitzendingen in twee soorten. Een voorbeeld van het eerste soort is het volgende: Ten tijde van de bezetting stond Radio Parijs onder Duits toezicht. Ondanks dat behield ik de oude Duitse uitzendingen in het Frans via Radio Stuttgart. Ik wilde heel duidelijk onder de aandacht brengen dat de bezetting abnormaal was en een tijdelijke situatie en alles wat er tijdens de bezettingsperiode gebeurde niets te maken had met dat deel van, laten we zeggen Duits Frans overleg tussen de twee moederlanden.
Het tweede voorbeeld is als volgt: Het betreft Duitse uitzendingen in het Spaans en het Portugees. Ik liet die via drie stations in het zuiden van Frankrijk uitzenden omdat het van daaruit makkelijker was deze uitzendingen op het Iberisch schiereiland te ontvangen. In dit verband was de basis voor mijn werk een contract dat we met die stations hadden en de betaling van gebruikelijke rekeningen. Onderhandelingen voor dit contract werden via Buitenlandse Zaken gevoerd.
Dr. FRITZ: Ik ga nu naar een ander onderwerp. U wordt ervan beschuldigd, anti-semitische uitlatingen te hebben gedaan. Was u anti-semiet en op welke manier had u deel aan anti-semitische propaganda?
FRITZSCHE: Ik was geen anti-semiet in de zin van een luidruchtige anti-semiet. De Aanklager heeft beweerd dat alle beklaagden waaronder ik, hebben geroepen: “Duitsland ontwaak, dood aan Juda.” Ik verklaar onder ede dat ik deze kreet of iets dergelijks nooit heb gebruikt. Ik was geen anti-semiet in de zin van de radicale theoriën of methoden beginnend bij Theodor Fritsch tot Julius Streicher aan toe. De Aanklager heeft beweerd dat zelfs beklaagde Streicher, de belangrijkste anti-Joodse agitator ooit, nauwelijks voor Fritzsche onderdeed waar het beledigingen tegen de Joden betrof. Ik protesteer tegen deze bewering. Ik meen dat ik een dergelijke beschuldiging niet verdien. Ik heb nooit propaganda gemaakt die ging over rituele moorden, de cabala en de zogenaamde geheimen van de Ouderen van Zion. Altijd in mijn leven heb ik die beschouwd als manipulaties van een nogal primitieve agitatie. Om menselijke redenen betreur ik het dat ik een verdere verklaring moet afleggen maar ik kan mij in het belang van de waarheid niet van deze verklaring onthouden.
Mijn medewerkers en ik, in de pers en op de radio hebben zonder uitzondering zou ik zeggen Der Stürmer afgewezen. Ik zelf heb in een periode van 13 jaar van regelmatige commentaren op kranten deze krant nooit geciteerd. Der Stürmer werd ook in de Duitse pers niet geciteerd. De redacteuren behoorden niet tot de vereniging van journalisten en de uitgever niet tot de vereniging van uitgevers gedurende mijn zittingsperiode. Hoe die dingen later waren weet ik niet.
Zoals ik al in mijn verklaring heb gesteld, heb ik twee keer geprobeerd Der Stürmer te verbieden. Daar slaagde ik echter niet in. Er werd toen voorgesteld Der Stürmer te censureren. Dat voorstel heb ik echter afgewezen. Ik wilde het uitgeven van Der Stürmer verbieden, niet alleen vanwege de letterlijke overname van een pagina uit de krant. Der Stürmer was de meest doeltreffende anti-Duitse propaganda die ooit heeft bestaan maar ik wilde Der Sürmer gewoon verbieden om redenen van goede smaak. Ik wilde hem verbieden als een bron van radicalisme waartegen ik streed wanneer ik dat ook maar tegenkwam.
Het grote geheim van de plotselinge toename van de oplage tot een half miljoen van Der Stürmer na 1933, in deze rechtszaal al genoemd, had dezelfde oorzaak als het geheim van de plotselinge groei van organisaties als de SA.
In 1933 had de Partij het toetreden van nieuwe leden verboden en zeer veel mensen probeerden er op een of andere manier toch in te komen, al dan niet rechtstreeks via de Partij dan wel via een of andere met de Partij verbonden organisatie zoals misschien de SA. Of ze probeerden hun sympathie met de Nationaalsocialistische ideeën te tonen door zich te abonneren op Der Stümer en dat ook te laten zien. Daarom was ik in dat opzicht geen anti-semiet.
Maar ik was anti-semiet in deze zin: Ik wenste een beperking van de overheersende invloed van het Jodendom op de Duitse politiek, de economie en de cultuur zoals die zich na de Eerste Wereldoorlog openbaarde. Ik wilde een beperking van de verhouding tussen Joden en Duitsers. Ik heb die mening bij diverse gelegenheden geüit maar ik heb die mening niet verkondigd in uitgebreide propaganda.
Die anti-semitische uitlatingen waarvan ik door de Aanklager wordt beschuldigd, liggen in een ander verband. De feiten zijn als volgt: Na het uitbreken van de oorlog wees ik herhaaldelijk op het feit dat direct na 1933 Joodse emigranten de eersten waren om te benadrukken dat een oorlog tegen de Nationaalsocialistische Staat Duitsland noodzakelijk was; bij voorbeeld Emil Ludwig, George Bernhard of het Pariser Tageblatt. Zover ik me kan herinneren was dit het enige verband waarin ik anti-semitische uitlatingen van welke soort dan ook deed. Ik kan dit niet zeggen zonder toestemming te vragen een ander punt te benadrukken. Pas tijdens dit proces hoorde ik dat er in de herfst van 1939 meer aan de hand was dan maar een stad en een weg door de Corridor; dat er in werkelijkheid en in feite al een nieuwe verdeling van Polen in ieder geval al was voorbereid en pas hier in deze zaal kwam ik er achter dat Hitler op een vreselijke manier de waarschuwingen van de Joden tegen hem had bevestigd door een bevel ze te vermoorden. Als ik beide dingen destijds had geweten dan had ik de rol van de Joodse propaganda van voor de oorlog heel anders geschilderd.
Dr. FRITZ: Meneer de President, in dit verband zou ik willen verwijzen naar een document dat al is ingediend, document Fritzsche-2, de verklaring van Dr. Scharping, pagina 9 tot 11. Dit document zit in mijn documentenboek 2; ik weet echter niet of dit boek bij het Hoge Tribunaal is ingediend.
De PRESIDENT: Ja, dat is gebeurd.
Dr. FRITZ: Pagina 9 tot 11. Ik verwijs naar de inhoud van dit document.
(tot de beklaagde): De Aanklager heeft een passage uit dit boek van Muller, handelend over het Ministerie van Propaganda aangehaald. Volgens deze passage was het onder meer de taak van dit Ministerie de bevolking voor te lichten over het Jodenvraagstuk. Volgens het beeld dat door de Aanklager is geschetst, leek het alsof u belast was met deze voorlichtende taak; is dat juist?
FRITZSCHE: Nee. De Joodse afdeling was een afdeling van het Ministerie van Propaganda dat deze actieve propaganda voerde in tegenstelling tot de gespecialiseerde en bestuurlijke afdelingen. Ik heb deze propaganda afdeling nooit geleid.
Dr. FRITZ: Ik zou een vraag willen inlassen. Beklaage Streicher heeft op 29 april verklaard dat het Ministerie van Propaganda de “NationalSocialistische Korrespondent” publiceerde die ook aan Der Stürmer werd gestuurd en die in elke aflevering anti-semitische artikelen bevatte. Is dat juist?
FRITZSCHE: Nee. De NationalSocialistische Korrespondent werd niet door het Ministerie van Propaganda uitgegeven maar door de Reichspressestelle van de NSDAP; ik heb echter niet de indruk dat het specifieke beleid, gevolgd door Der Stürmer uit deze artikelen stamt. Aan de andere kant kan Der Stürmer een of ander artikel hebben gepubliceerd dat van de NSK afkomstig was.
Dr. FRITZ: De Aanklager heeft een passage geciteerd uit een toespraak die u op 18 december 1941 op de radio hebt gehouden. Deze toespraak staat in zijn geheel in mijn documentenboek 1 op pagina 26 tot 32. Bij die gelegenheid zei u dat het lot van de Europese Joden nogal onplezierig was geweest en dat dit lot zich naar alle waarschijnlijkheid ook naar de Nieuwe Wereld zou uitstrekken. De Aanklager is van mening dat dit een aankondiging van verdere acties bij de Jodenvervolging was. Wat kunt u ons daarover vertellen?
FRITZSCHE: In dit citaat besprak ik het onplezierige lot van de Joden in Europa. Op grond van wat we vandaag weten moet dit erop lijken alsof ik de moord op Joden bedoelde. Maar in dit verband zou ik willen verklaren dat ik destijds niets over die moorden wist; daarom kon ik het ook niet zo bedoeld hebben. Ik bedoelde zelfs niet de deportartie van de Joden want dat gebeurde in Berlijn minstens een of twee jaar later.
Wat ik bedoelde was eenvoudig de eliminatie van de Joden uit het politieke en economische leven. De uitdrukking “onplezierig” duidt daarop; anders kon de onschuldigheid van die uitdrukking niet worden verklaard. En nu waarom ik het in dit verband had over de Joden in Amerika. De zin die door de Aanklager is geciteerd, is onlosmakelijk verbonden met een bericht dat eraan vooraf ging, luidende dat een Joodse Nationale Raad tegenover President Roosevelt de wens had geüit deel te gaan nemen aan de oorlog. Zelfs die gedachtenassociattie, die vandaag misschien begrijpelijk is, werd door mij niet zonder goede reden gebruikt. Het grootste deel van de desbetreffende toespraak, misschien 90 procent ervan, handelt over de onderzoekscommissie die in de Verenigde Staten werd ingesteld om de oorzaken van Pearl Harbor te onderzoeken.
De PRESIDENT: Hier zitten een heleboel pagina’s in.
Dr. FRITZ: Documentenboek 1, Meneer de President, pagina 26 tot 32.
De PRESIDENT: Ja, ik wilde weten of wij eigenlijk op pagina 31 zijn.
Dr. FRITZ: In de uitspraken die hij nu doet verwijst hij naar de totale inhoud van de toespraak, Edelachtbare. De Aanklager heeft alleen de allerlaatste alinea van deze toespraak aangehaald.
(tot de beklaagde): Gaat u alstublieft verder.
FRITZSCHE: In deze polemiek suggereerde ik niet alleen te onderzoeken of de wachtposten van de Amerikaanse Marine niet slordig waren geweest maar ik raadde ook aan naar de Amerikaanse politiek te kijken of er wellicht niet iemand belang had bij het uitbreken van de oorlog. In dit verband herinnerde ik eraan dat een onderzoekscommissie van de Amerikaanse Senaat, 20 jaar na de Eerste Wereldoorlog de redenen voor deelname door de Verenigde Staten aan de oorlog in 1917 had onderzocht. Ik zei letterlijk: “Deze senaatscommissie bewees dat President Wilson, toen hij aan de oorlog ging deelnemen, wist dat hij het slachtoffer was van een paar oorlogsophitsers.” Ik betreurde.....
De PRESIDENT: De onderzoekscommissie van de Amerikanen over hun deelname aan de laatste oorlog? Gaat hij niet erg ver terug?
Dr. FRITZ: Meneer de President, ik meen dat beklaagde bij dit punt kan ophouden, Hij wilde alleen maar aantonen dat het citaat van de laatste alinea, aangehaald door de Aanklager om hem te beschuldigen, uit zijn verband is gerukt. Dat is het feit dat hij wilde aantonen, Meneer de President.
(tot de beklaagde): Het tweede citaat dat door de Aanklager is gebruikt is een uittreksel uit uw radiotoespraak van 18 maart 1941. De Aanklager was van mening dat dit ook een aanzetten tot Jodenvervolging was en zij zeiden verder dat het het bewijs vormde van uw propaganda met de uitdrukking Herrenrasse.
Meneer de President, deze toespraak van 18 maart 1941 staat in mijn documentenboek 1, pagina 2 tot 7.
(tot de beklaagde): De Aanklager heeft slechts een alinea uit deze toespraak geciteerd. Wat kunt u ons in dat verband vertellen?
FRITZSCHE: Ik wil dit citaat niet voorlezen. Ik heb liever dat u dat zelf nauwkeurig leest en nadat u het hebt gelezen zult u zien dat ik het volledig met President Roosevelt eens was toen hij zei dat er geen Herrenrasse bestond. Ik onderschreef de juistheid van deze zin niet alleen waar die voor het Duitse volk gold maar ook voor het Jodendom. De Aanklager trok uit deze zin de conclusie dat het een rechtvaardiging was voor gepleegde daden bij de vervolging van Joden in het verleden en dat het een voorbode was van nog meer vervolging. Ik begrijp die conclusie niet; die heeft geen enkele basis.
De PRESIDENT: In ons exemplaar staat er geen datum bovenaan pagina 2 van uw deel I – ja, ik zie het in de index staan. Op welke pagina staat de passage die de Aanklager citeert?
Dr. FRITZ: Op pagina 5 onder punt 5, Meneer de President.
De PRESIDENT: Ja, In orde.
Dr. FRITZ: Het begint met de woorden: “Maar de kroon ....”en zo voorts. Dat is het citaat dat door de Aanklager is gebruikt.
(tot de beklaagde): Het derde citaat dat door de Aanklager is gebruikt is een passage uit de toespraak die u op 9 oktober 1941 hield.
Meneer de President, de hele toespraak kan worden gevonden in documentenboek 1, pagina 20 tot 25.
(tot de beklaagde): De Aanklager heeft ook uit deze toespraak maar een alinea aangehaald. In deze alinea hebt u het, meneer Fritzsche over een nieuwe golf van internationale Joods-democratische-bolsjewistische agitatie. Wat kunt u ons daarover vertellen?
FRITZSCHE: Ik heb in dit verband erg weinig te zeggen. Deze toespraak werd gehouden in die dagen in de herfst van 1941 toen de Reichspressechef had aangekondigd dat Duitsland in het Oosten een beslissende overwinning had behaald. Ik heb de hele Duitse pers gewaarschuwd, deze leus niet zonder meer over te nemen. Ik geloofde niet in het besluit dat toen al genomen zou zijn. Ik stelde alle Duitse kranten voor te spreken over een verlenging van de duur van de oorlog. In deze toespraak van mij wilde ik de indruk van het officiële overwinningsbericht afzwakken. Daarom noemde ik in deze toespraak – en misschien voor het eerst in Duitsland – de drie factoren die later in het Oosten de oorlog tegen Duitsland beslist hebben: allereerst de partizanen, ten tweede de internationale hulp in de vorm van wapens en munitie en ten derde propaganda. Alleen dit laatste deel is door de Aanklager geciteerd. Zoals ik al heb gezegd is dit laatste deel geheel in overeenstemming met de kennis en de mening die ik destijds had.
Dr. FRITZ: Het volgende citaat dat door de Aanklager is gebruikt is een uittreksel uit een toespraak die u hield op 8 januari 1944.
De volledige toespraak, Meneer de President, staat in mijn documentenboek 1. Het is toespraak nummer 7 op pagina 40 tot 45.
(tot de beklaagde): In deze toespraak zegt u dat het geen nieuwe regeringsvorm of een nieuwe vorm van socialisme was die tot de oorlog hadden geleid, maar eerder was de agitatie door de Joden en de plutocraten hier de oorzaak van. Hoe kwam u tot die uitspraak?
FRITZSCHE: Om dat te rechtvaardigen zou ik ook hier willen verwijzen naar alles wat ik al heb gezegd en bovendien zou ik willen benadrukken dat deze nogal verhitte beschuldiging niet zo maar uit het niets door mij werd gedaan of omdat ik alleen maar onrust wilde stoken. Dat wordt bewezen door de context.
Als het mij wordt toegestaan zou ik graag in het kort het verband in dit geval willen verklaren. Het onderwerp van deze toespraak waren de meningsverschillen die destijds bestonden tussen de Poolse regering in ballingschap in Moskou – sorry, in Londen en de Sovjet regering in Moskou. Er lag een kwestie van territoriale eisen waarover die twee het oneens waren en bij die gelegenheid citeerde ik de London Times letterlijk. De London Times schreef dat: “het opgeven van Poolse gebieden, zoals door Rusland wordt geëist, was slechts een bescheiden prijs voor de absolute en betrouwbare garantie aan Polen voor hulp van de Sovjet-Unie.” Ik gebruikte die uitlating in de London Times als vanzelfsprekend in een polemische uitspraak waarin ik zei: “Nou, als de Times op zo’n manier in augustus 1938 had geschreven dat het maar om een stad of een weg ging, dan zou er zeker geen oorlog zijn uitgebroken” enzovoorts.
Bij deze gelegenheid zou ik willen zeggen dat al die citaten, bijna zonder uitzondering alleen de combinatie van het concept Jood, plutocraat, Bolsjeviek aantonen. De kwestie ras was niet de belangrijkste maar het belangrijkste was de ideologische strijd zoals die volgens mij plaats moest vinden.
Dr. FRITZ: De volgende citaten die door de Aanklager zijn gebruikt, zijn enkele uittreksels uit uw toespraak van 13 januari 1945.
Meneer de President, dit is toespraak nummer 8, de volledige tekst staat in documentenboek 1 op pagina 46 tot 51. De Aanklager citeert in dit geval maar twee alinea’s; een op pagina 50 van mijn documentenboek, paragraaf 2.
(tot de beklaagde): In deze passages noemt u Joodse invloed op Britse politiek. Hoe kon u die uitspraken doen? Wat waren uw redenen?
FRITZSCHE: De Aanklager concludeert uit dit citaat dat het een inleiding was tot verdere vervolging van de Joden en tot hun totale uitroeïng. Deze conclusie wordt echter noch door de tekst, noch in de zin van de context gerechtvaardigd. Ik zal u in dit geval geen beeld van de verbanden schetsen, zelfs niet in het kort. Het wordt duidelijk wanneer u de toespraak in zijn geheel leest.
Ik zie echter niet waar een oproep tot het uitroeien van Joden te vinden is.
Dr. FRITZ: U wordt beschuldigd, als onderdeel van de algemene misdaden tegen de menselijkheid, van het aanzetten tot belediging van Joden; verdere vervolging werd als logisch gevolg daavan verondersteld. Daarom wil ik u iets vragen over de moord op Joden. Wist u van het decreet van Hitler, zoals getuige Höss verklaarde, een besluit op grond waarvan de Joden moesten worden vermoord?
FRITZSCHE: Ik zou onder ede willen verklaren dat ik niet wist van dat decreet van Hitler. Als ik het wel had geweten dan zou ik die persoon die die order gaf geen minuut langer meer gediend hebben. Ik zou verder willen verklaren dat dit decreet, zowel als de hele actie, duidelijk voor mij en mijn medewerkers zorgvuldig geheim werd gehouden omdat ik ooit bijna het bestaan ervan ontdekte.
Dr. FRITZ: Kreeg u ooit aanwijzingen over het doden van grote aantallen onschuldige mensen?
FRITZSCHE: Ja. In februari of maart 1942 kreeg ik een brief van een niet erg hoge SS leider in de Oekraïne. Ik herinner me de naam van de man niet meer. De inhoud van de brief kwam hierop neer dat de schrijver commandant van een SS eenheid was, dat hij bevel had gekregen Joden en de Oekraïnse intellectuelen in zijn gebied te doden. Na ontvangst van dat bevel had hij een zenuwinzinking gekregen en hij lag nu in het ziekenhuis. Het leek hem dat een klacht via officiële kanalen voor hem volkomen mogelijk was. Hij zei dat hij mij niet kende maar hij vertrouwde mij; misschien kon ik op een of andere manier helpen. Hij vroeg mij zijn naam niet te noemen omdat hij verplicht was tot geheimhouding, op straffe van dood.
Zonder lang te aarzelen en direct na ontvangst van deze brief belde ik Obergruppenführer Heydrich op, toen Chef van het RSHA en de Gestapo. Ik kende hem persoonlijk nauwelijks maar hij verklaarde zich volkomen bereid mij onmiddellijk te ontvangen. Ik zocht hem op en vroeg hem op de man af: “Is uw SS daar met het doel om massamoorden te plegen?”
Heydrich was zeer verontwaardigd over deze vraag en zei dat kleinere of grotere SS eenheden door hem waren belast met politietaken voor diverse ministers, Rijkscommissarissen enzovoorts. Deze bijzondere eenheden van de SS waren bij diverse gelegenheden misbruikt en hij dacht dat dit ook gold voor de eenheid die aan Gauleiter Koch ter beschikking was gesteld. Hij vertelde mij dat hij onmiddellijk een onderzoek zou laten instellen.
De volgende middag belde hij me op, vanuit zijn hoofdkwartier zoals hij zei, en liet mij weten dat deze actie in werkelijkheid was uitgevoerd op bevel van Koch. Koch had op zijn beurt verwezen naar de Führer. De Führer had echter nog niet geantwoord. Heydrich zei dat ik nadere bijzonderheden zou krijgen.
Twee dagen later vroeg Heydrich mij hem te ontmoeten en zei dat Hitler uitdrukkelijk had gezegd dat hij zo’n bevel niet had gegeven; Koch zei nu dat het om een misverstand ging. Mij werd verder verteld dat er een onderzoek naar Koch was begonnen. Hoe dan ook, Heydrich beloofde mij dat die actie verder niet uitgevoerd zou worden. Ik herinner me heel duidelijk een zin die in dit gesprek werd gebruikt, woorden gesproken door Heydrich: ”Gelooft u mij, meneer Fritzsche, iedereen die de naam heeft wreed te zijn, hoeft niet wreed te zijn; hij kan ook menselijk handelen.”
Kort daarop werd ik soldaat; ik vroeg om bij het 6de leger geplaatst te worden en werd naar de Oekraïne gestuurd.
Dr. FRITZ: Hebt u .....
De PRESIDENT: Een ogenblik. Ik heb die laatste zin niet verstaan. Heydrich zei: “Gelooft u mij, meneer Fritzsche.....” en dan .....?
FRITZSCHE: Mag ik het herhalen: “....iedereen die de naam heeft wreed te zijn, hoeft niet wreed te zijn; hij kan ook menselijk handelen.”
De PRESIDENT: Ja, maar toen ging u ermee verder dat u naar het 6de leger ging?
FRITZSCHE: Ja, kort daarna werd ik soldaat.
Dr. FRITZ: Hij heeft eraan toegevoegd, Meneer de President, dat hij kort na deze ontmoeting met Heydrich hijzelf, beklaagde Fritzsche dus, soldaat werd en hij specifiek heeft gevraagd ingedeeld te worden bij het 6de leger dat destijds in de Oekraïne lag.
De PRESIDENT: Wat was de datum van dit incident?
FRITZSCHE: Februari-maart 1942.
Dr. FRITZ: Toen u soldaat in de Oekraïne was, probeerde u de uitspraken van Heydrich op hun juistheid te toetsen?
FRITZSCHE: Ik had geen officiële bevoegdheid om dat te doen maar als voormalig journalist deed ik natuurlijk op eigen initiatief onderzoek. Allereerst deed ik onderzoek in Kiev bij het plaatselijke Duitse radiostation. Het antwoord was: Ja, er vonden wel degelijk executies plaats, in het bijzonder na het opblazen van bepaalde huizenblokken in Kiev, waarbij veel Duitse soldaten het leven verloren. Dat waren echter executies volgens vonnissen die door een krijgsraad waren opgelegd.
Toen reisde ik drie dagen in alle richtingen tussen Kiev en Poltava. Ik reisde veelal alleen. Ik trof de bevolking in volkomen vrede aan; er waren geen tekenen van terreur of wat dan ook en – terzijde – ik werd zelf zeer hartelijk ontvangen. In Poltava deed ik navraag bij officieren en soldaten. Bij die gelegenheden werd mij ook verteld: “Ja, er vonden enkele executies plaats na een krijgsraad. De reden van die executies was sabotage.”
Daarna, in Charkov zelf bezocht ik het hoofdbureau van de SS daar en ik sprak met Sturmführer Rexlach. Hij liet mij de gevangenis zien en daar zaten misschien 50 gevangenen, niet meer. Ik vroeg hem over kampen en hij zei dat er geen kampen waren.
Toen bezocht ik een Oekraïnse familie; ik ondervroeg een Duitse landbouwleider in Biwelgorod en ik hoorde in alle gevallen hetzelfde: er vonden geen executies plaats.
Daaruit nam ik zeker aan dat het een voorgenomen individuele actie was die niet was uitgevoerd.
Dr. FRITZ: Koesterde u voordat u die brief ontving die die SS leider aan u stuurde al verdenkingen, misschien uit radiouitzendingen van de Geallieerden die u kon ontvangen?
FRITZSCHE: Ik kon die uitzendingen ontvangen. Ik liet destijds rapporten over wreedheden met opzet verzamelen en koos uit het grote aantal uitzendingen van de vijand die wij dagelijks ontvingen en daarna liet ik die rapporten onderzoeken en toetsen.
Dr. FRITZ: En wie hield zich bezig met die toetsing?
FRITZSCHE: De bevoegde specialist, Oberregierungsrat Korber, hoofd van de Schnelldienst van de Presseagentur, een van zijn medewerkers of ikzelf.
Dr. FRITZ: Waar werd dat gecontroleerd?
FRITZSCHE: We deden navraag bij het RSHA, want in de meeste rapporten over wreedheden werd de SS of de Gestapo genoemd als degenen die de moorden hadden gepleegd.
Dr. FRITZ: Bij welke afdelingen van deze dienst deed u navraag?
FRITZSCHE: We deden navraag bij de diverse bevoegde afdelingen en ik twijfel er niet aan dat we navraag deden bij Eichmann, die hier tijdens het proces is genoemd. Afgezien daarvan deden we navraag bij Sturmbannführer Spengler of zijn plaatsvervanger Von Kielpinski, allebei werknemers van die dienst die destijds of later door Ohlendorf, die hier ook als getuige is verschenen, werd overgenomen. Vaak deden we ook navraag bij de bijkantoren van het RSHA, de zogenaamde controlebureau’s van de staatspolitie, zeker als er rapporten uit een bepaald gebied kwamen.
Dr. FRITZ: Hoe luidden de antwoorden die u kreeg?
FRITZSCHE: We kregen altijd als antwoord dat het betreffende rapport ofwel volkomen verkeerd en een verzinsel was of dat het rapport een of andere juridische basis had.
Vaak werden er cijfers en bijzonderheden gerapporteerd die in feite zeer verontrustend waren.
Dr. FRITZ: Zijn daar dossiers van?
FRITZSCHE: Ja. De meest belangrijke vragen en antwoorden werden genoteerd en zelfs vermenigvuldigd en naar de diverse diensten binnen en buiten het Ministerie van Propaganda gestuurd. Al het materiaal werd verzameld in de archieven van de Schnelldienst waar ik hier om heb verzocht en die mij zijn toegewezen maar niet konden worden gevonden.
Dr. FRITZ: En u geloofde die antwoorden zomaar?
FRITZSCHE: Ja, die geloofde ik want tenslottwe was dit informatie die mij door officiële bronnen werd verstrekt en bovendien heb ik bij diverse gelegenheden ondervonden dat de echtheid van dergelijke rapporten uit die bronnen zonneklaar was aangetoond.
Dr. FRITZ: Wat bedoelt u daarmee?
FRITZSCHE: Misschien mag ik u een voorbeeld geven. De eerste propaganda actie van de oorlog was een rapport, uitgegeven door Warschau over de vernieling van het schilderij “De zwarte Madonna van Czestochowa.” Dit rapport werd over de hele wereld verspreid. We namen Duitse en buitenlandse journalisten mee naar Czestochowa waar ze zich ervan konden overtuigen dat dat niet waar was.
Maar ik moet hier heel eerlijk zijn en zeggen dat ik eigenlijk een ander voorbeeld wilde noemen in antwoord op deze vraag die mij door mijn raadsman is gesteld, een ander rapport dat echt een verrassende nawerking voor mij had hier in deze zaal twee of drie dagen geleden. Op 24 september 1939 publiceerde de Britse krant The News Chronicle een artikel waarin de Duitse .....
De PRESIDENT: Wat is de bewijswaarde van de News Chronicle in 1939?
Dr. FRITZ: Beklaagde wil het Tribunaal bewijzen dat vele rapporten uit het buitenland, die handelden over Duitse wreedheden feitelijk onjuist waren, zodat .....
De PRESIDENT: Nou de bijzonderheden daarover hebben we niet nodig. Ongetwijfeld verschenen er regelmatig rapporten die niet juist waren. Wij wensen niet dat u op bijzonderheden ingaat.
FRITZSCHE: Ik wilde met slechts een nieuwsbericht bewijzen hoe destijds iets dat de hele wereld geloofde kon worden ontkend en dan, in de nasleep van die ontkenning en geheel onopgemerkt door het Duitse publiek gebeurde er echt iets, zoals een grotere golf arrestaties of iets dergelijks.
De PRESIDENT: Hij kan de feiten noemen, maar hij hoeft niet in te gaan op bijzonderheden over een bepaald exemplaar van die krant.
Dr. FRITZ: Was het slechts een keer, meneer Fritzsche dat u achter de onjuistheid van dergelijke buitenlandse berichten kwam?
FRITZSCHE: Nee, dat gebeurde heel regelmatig.
Dr. FRITZ: Houdt u het alstublieft erg kort, meneer Fritzsche.
FRITZSCHE: Een van mijn medewerkers verzamelde het nodige materiaal voor een artikel met de titel: “In acht weken oorlog 107 leugens.” Ik zou hier iets over willen zeggen. Het verzamelen van dergelijke onjuiste berichten uitgegeven door de vijand gaf me een gevoel van morele superioriteit over dat soort van berichtgeving en dat gevoel vormde de basis voor mijn latere werk dat zonder dat gevoel niet verklaard kon worden.
Dr. FRITZ: Viel het u niet op dat dergelijke onjuiste berichten alleen aan het begin van de oorlog verschenen?
FRITZSCHE: Nee, die gedachte kwam nooit bij mij op. De berichten waren in het begin zo talrijk en ik merkte ze in latere jaren ook op. Sommige raakten mij persoonlijk.
Dr. FRITZ: In hoeverre raakten u die persoonlijk? Kunt u dat in een paar woorden beschrijven?
FRITZSCHE: Een van vele uitlatingen: In een vijandelijk propagandabulletin werd ik beschuldigd van het feit dat ik 600.000 Zweedse Kronen.....
De PRESIDENT: Wat gaat hij nu doen? Wat is het doel hiervan?
Dr. FRITZ: Hij wil een voorbeeld geven hoe een vals bericht hem persoonlijk raakte. Hij wil dat kort noemen.
De PRESIDENT: Wel, zoals ik al zei, er werden ongetwijfeld onjuiste uitlatingen gedaan in de buitenlandse en in iedere pers. Dat soort zaken kunnen wij niet onderzoeken.
Dr. FRITZ: Dan zal ik overgaan op een andere vraag.
(tot de beklaagde): Had u als ervaren journalist van de nieuwsdienst niet het gevoel dat waar rook is, ook vuur is? Geloofde u niet dat er althans iets waar moest zijn van de berichten van de vijand over moorden enzo in de gebieden die onder Duitse controle stonden?
FRITZSCHE: Juist omdat ik een professionele journalist was had ik dat gevoel niet. Steeds weer dacht ik – en ik herinnerde mijn luisteraars er herhaaldelijk aan – aan een stukje onjuiste berichtgeving uit de Eerste Wereldoorlog. Ik verzoek het Tribunaal mij toe te staan het kort te noemen want het maakt ook deel uit van de basis van de propaganda die ik voerde.
De PRESIDENT: Nee, ik heb er al op gewezen dat wij aannemen dat er een veelheid aan fouten was. We willen niet op bijzonderheden ingaan.
Dr. FRITZ: Dan zal ik overgaan op een andere vraag.
(tot de beklaagde): Maar u wist vast wel dat de Joden uit het Reich werden afgevoerd; u moet hebben gemerkt dat ze uit het straatbeeld verdwenen?
FRITZSCHE: Ja, dat merkte ik wel hoewel het heel geleidelijk gebeurde. Bovendien hoorde ik Dr. Goebbels op een ministersconferentie zeggen dat hij als Gauleiter van Berlijn de evacuatie van Joden had bevolen.
Dr. FRITZ: Waar werden die Joden volgens u heen gebracht en wat werd u over die dingen verteld?
FRITZSCHE: Dr. Goebbels vertelde me dat ze naar reservaten in Polen werden gebracht. De verdenking dat ze naar concentratiekampen werden afgevoerd of dat ze zelfs werden vermoord kwam nooit bij me op.
Dr. FRITZ: Deed u navraag over deze reservaten waar de Joden naar toe zouden worden gebracht?
FRITZSCHE: Natuurlijk deed ik dat. Ik kwam achter diverse dingen via een voormalig medewerker van mij die was overgeplaatst naar het bestuur van het GeneraalGouvernement en die een bestuursfunctie had in het district Biala-Podlaska. Hij zei dat het district dat onder hem viel Joods gebied was geworden en hij beschreef regelmatig de aankomst en de huisvesting van deze Joden. Hij noemde ook de moeilijkheden en de tewerkstelling van Joden als arbeiders of op plantages. Zijn hele beschrijving was het bewijs voor zijn menselijke standpunt. Hij vertelde mij dat het de Joden onder hem beter verging dan in het Reich.
Dr. FRITZ: Wat was de naam van deze man?
FRITZSCHE: Oberregierungsrat Hubert Kühl.
Dr. FRITZ: Hoorde u ongunstige berichten over deze gedeporteerde Joden?
FRITZSCHE: Ja. Sturmbannführer Radke van de staf van de Reichsführer-SS berichtte, misschien in de winter van 1942, dat het sterftecijfer onder de Joden in de getto’s in het oosten abnormaal hoog was vanwege de overgang van hoofd- naar handarbeid. Hij zei dat er ook enkele geïsoleerde gevallen van typhus waren.
Bovendien vertelde Dr. Tauber, die hoofd was van de sectie die zich op het departement van propaganda bezig hield met de Joodse kwestie, mij in 1941 als ik me goed herinner dat er pogroms waren geweest tijdens de bezetting van Lvov en Kovno maar dat die werden uitgevoerd door de plaatselijke bevolking. Hij verzekerde mij destijds dat de Duitse autoriteiten maatregelen hadden genomen tegen deze pogroms. Niettemin deden deze verwijzingen mij de zaken zeer kritisch bekijken, hoewel deze dingen vandaag bijna onbelangrijk lijken vergeleken met wat wij vandaag weten. Mijn kritiek was gericht tegen mijn meerderen, in het bijzonder tegen Dr. Goebbels en ook tegen medewerkers en leden van de Gestapo en de Partij. Ik wees regelmatig op de juridische, politieke en morele noodzaak deze Joden te beschermen die immers aan onze zorg waren toevertrouwd.
Dr. FRITZ: Hoorde u iets anders over het lot van deze Joden?
FRITZSCHE: Bij verschillende gelegenheden wendden Joden of verwanten of vrienden van Joden zich tot mij vanwege discriminatie of arrestaties. Een groot aantal niet-Joden deed dat ook omdat mijn naam bekend was geworden bij het publiek. Zonder uitzondering maakte ik hun verzoeken tot de mijne en ik probeerde te helpen via diverse instanties zoals het RSHA, de afdeling personeel van mijn ministerie, bij afzonderlijke ministers en Gauleiter, enzovoorts.
Dr. FRITZ: Waarom wendde u zich tot zoveel verschillende autoriteiten en instanties?
FRITZSCHE: Het ging om heel veel verzoeken en als mijn naam te vaak bij dezelfde instantie opdook zou het effect snel verloren zijn gegaan.
Dr. FRITZ: Wees u bij gelegenheid deze verzoeken af?
FRITZSCHE: Nee, in geen enkel geval en ik zou dat bijzonder willen benadrukken want een brief die aan mij gericht was, hier in de gevangenis, is niet aan mij overhandigd maar werd in de pers gepubliceerd. Het was een brief waarin een vrouw beweerde dat ik een gratieverzoek had afgewezen. Ik herinner me dit geval in het bijzonder en ik zou kort willen benadrukken dat ik in dit geval speciaal de Reichsjustizminister.......
De PRESIDENT: Het is voor hem voldoende te zeggen dat hij ze niet afwees. Wij wensen geen voorbeeld van iemand die aan hem schreef.
Hoe lang bent u nog bezig, Dr. Fritz?
Dr. FRITZ: Ik denk dat ik morgenochtend de zaak tegen Fritzsche kan afronden.
Meneer de President, ik heb gehoord dat er vanmiddag geen openbare zitting is.....
De PRESIDENT: Ja.
Dr. FRITZ: ..... anders zou ik vandaag de hele zaak tegen Fritzsche hebben kunnen afronden. Ik hoop echter mijn verhoor van beklaagde in zijn eigen zaak te kunnen afsluiten en dat van de getuige Von Schirmeister. Ik hoop dat ik morgenmiddag klaar kan zijn.
De PRESIDENT: Dat hoopt het Tribunaal ook want, zoals ik u duidelijk heb gemaakt, wij wensen niet dat u zo uitgebreid op details ingaat. U bent naar de mening van het Tribunaal veel te uitgebreid op details ingegaan en wij wensen dat de zaken in meer algemene zin behandeld worden.
(De zitting wordt verdaagd tot 28 juni 1946 om 10:00 uur).

Zie ook: Verhoor Fritzsche 1, Slotverklaring Fritzsche, Vonnis Fritzsche

Bronnen

International Military Tribunal, Nuremberg 1947.
Versie: 18-6-2010 Vertaald door: Arnold Palthe

Deze website is een initiatief van STIWOT (Stichting Informatie Wereldoorlog Twee) Alle rechten voorbehouden © 2002--2017
Directe link: http://www.go2war2.nl/artikel/1977/Verhoor-Hans-Fritzsche-2.htm