April-meistakingen van 1943

Inleiding

De Wehrmachtsbefehlshaber in den Niederlanden beveelt (-) dat de leden van het voormalige Nederlandse Leger terstond opnieuw in krijgsgevangenschap worden teruggevoerd. (-) Wie aan de oproep van den Wehrmachtsbefehlshaber geen gevolg geeft (-), moet op de strengste maatregelen rekenen.” Deze zinnen vormen de kern van de bekendmaking (Bekanntmachung) van de Duitse territoriaal weermachtbevelhebber, General der Flieger Friedrich Christiansen, op donderdag 29 april 1943. Onder het Nederlandse volk veroorzaakt zij een ongekende beroering. Nog op dezelfde donderdag en de daarop volgende dagen klinkt door het gehele land van mond tot mond de oproep: “STAAKT! STAAKT”

Op indrukwekkende wijze wordt aan het informeel uitgegeven parool gevolg gegeven, eerst in de industrie- maar vervolgens ook in de agrarische gebieden: “soms heftig en verbitterd, dikwijls ook enigszins aarzelend en weinig demonstratief”. (dr. P.J. Bouman). Het is het begin van een reeks gebeurtenissen die de geschiedenis zijn ingegaan onder de prozaïsche naam de “April-Mei-stakingen” of – ten plattelande – “De Melkstaking”. De stakingen hebben niet langer dan drie tot vijf dagen geduurd, op enkele plaatsen zes of zeven dagen. Toen waren zij door een meedogenloze bezetter in bloed gesmoord. Er vonden 175 personen de dood, van wie er 80 standrechtelijk werden geëxecuteerd. Meer dan 400 personen werden ernstig gewond.


Voorgeschiedenis

Herleefde hoop

1943 is het jaar waarin de gebeurtenissen een versnelling ondergaan. Zij zijn volgens dr.L.de Jong alle van invloed geweest op het ontstaan van “een atmosfeer waarin zich de explosie der April-Mei-stakingen kon voordoen”. Wat waren de gebeurtenissen die voor de eerste vier maanden van het derde bezettingsjaar gezichtsbepalend waren? We beschrijven ze in het kort.

Het jaar begint schijnbaar onder een gunstig gesternte. Op de avond van 19 januari wordt in Ottawa (Canada) prinses Margriet Francisca geboren. Overal in den lande wordt, veelal op enigszins verhulde wijze, uiting gegeven aan de vreugde over de geboorte van het prinsenkind. “Een kort ogenblik van eerlijke blijdschap”, aldus het illegale blad “Het Parool”.

In bezet Nederland herleeft de hoop. Want het gaat goed met de oorlog, verzekeren de mensen elkaar. Op 3 februari 1943 heeft propagandaminister Joseph Goebbels het Duitse volk ervan in kennis moeten stellen dat het roemruchte 6de Leger onder veldmaarschalk Friedrich Paulus op 31 januari in Stalingrad is “bezweken voor de overmacht en de ongunstige omstandigheden”. Het Duitse volk is verbijsterd en neemt – daartoe van hogerhand opgeroepen – drie dagen van nationale rouw in acht. De goede Nederlanders putten daar hoop uit. Het gaat goed...

Goed nieuws is er ook uit Noord-Afrika. Op 15 november 1942 al hebben in Groot-Brittannië de klokken geluid omdat generaal Bernard Montgomery bij El Alamein het Duitse Afrikakorps in het hete zand van de Noord-Afrikaanse woestijn heeft laten bijten. Sindsdien zijn de Duitsers op de 1.500 kilometer lange terugtocht naar Tunesië. Enkele dagen na de capitulatie in Stalingrad overschrijden de achtervolgende Britse troepen de grens van Tunesië.

Strijd op zee en in de lucht

Ook op de Atlantische Oceaan begint licht aan de kim te gloren. In de eerste maanden van 1943 worden door een steeds effectievere samenwerking van zee- en luchtstrijdkrachten en verbeterde opsporingsapparatuur maandelijks tientallen U-boten naar de zeebodem gejaagd. De trans-Atlantische konvooien arriveren steeds vaker zonder verliezen aan scheepsruimte in de havens van bestemming. Groβadmiral Karl Dönitz concludeert op 24 mei 1943: “We hebben de slag om de Atlantische Oceaan verloren”. Hij breekt het U-bootoffensief voor langere tijd af. Het tij blijkt voorgoed gekeerd.

Maar van die beslissende periode in de strijd ter zee had toen nog niemand in bezet Nederland echt weet. Wel kon men zijn conclusies trekken uit het urenlange nachtelijk geronk van bommenwerpers, hoog overvliegend richting Duitsland. Het Britse Bomber Command bombardeert op 1 maart 1943 voor de eerste keer Berlijn en start op 5 maart de Battle of the Ruhr. Gedurende vier maanden wordt de ene stad na de andere in het Roergebied grotendeels in de as gelegd.

Maar dan het gaat het op een kwade dag gruwelijk mis. Op 31 maart 1943 verschijnt een luchtvloot van bijna honderd Amerikaanse zware bommenwerpers boven het Rotterdamse havengebied. Er staat een stormachtige grondwind. Waarschijnlijk is ‘bommendrift’ de oorzaak waardoor in twee minuten tijds 70 duizendponders op een dichtbevolkte woonwijk in Rotterdam-West terechtkomen. Er vallen niet minder dan 401 dodelijke slachtoffers. Onder hen zijn enkele tientallen schoolmeisjes aan wie matrozen van de Kriegsmarine hun eigen (kennelijk niet bomvrije) Luftschutzkeller (schuilkelder) hadden aangeboden. Zelf hadden zij elders dekking gezocht, waardoor zij het bombardement overleefden. Ruim 3200 woningen worden geheel of gedeeltelijk verwoest en ruim 1400 zodanig beschadigd dat ze tijdelijk onbewoonbaar moeten worden verklaard.

Vanuit Londen probeert koningin Wilhelmina in deze moeilijke tijd haar volk een hart onder de riem te steken; in een toespraak voor “Radio Oranje” op 27 april, dus vlak voor de stakingen, horen de luisteraars haar zeggen: het einde komt in zicht, spoedig zijn we vrij.

Hoop en vrees

Elke medaille heeft een keerzijde. De hoop op bevrijding vlamt op, maar tegelijkertijd leven de mensen in angst en beven. De laars van de bezetter drukt steeds zwaarder op de bevolking.

De bevolkingsgroep die verreweg het meeste te lijden heeft, is de Joodse. Langzaam wordt de Joden het leven onmogelijk gemaakt. De Februaristaking in Amsterdam en omgeving in 1941 heeft de onderdrukker geen halt kunnen toeroepen. Vanaf de zomer van 1942 rijden de treinen, volgeladen met Joden, met grote regelmaat van Amsterdam en andere steden naar het Judendurchgangslager Westerbork en vanaf januari 1943 ook naar het nieuwe kamp Vught. Vandaar gaat het in veruit de meeste gevallen, na kortere of langere tijd, naar vernietigingskampen als Auschwitz en Sobibor. “De Joodse stadsdelen zijn van gekerm en geween vervuld”, schrijft het liberale verzetsblad “Slaet op den trommele”. Aan de vooravond van de stakingen in 1943 zijn al rond 80.000 Joden gedeporteerd. De kerken protesteren bij de Reichskommissar für die besetzten niederländischen Gebiete, dr. Arthur Seyss-Inquart, tegen “het ten einde dodelijk vervolgen van Joodse medeburgers”. In hetzelfde schrijven tekenen zij protest aan tegen de Arbeitseinsatz die Hitler in het kader van de “totale Krieg” op 13 januari 1943 bij decreet (Führererlaβ) heeft afgekondigd. Een maand later was een begin gemaakt met de gevreesde razzia’s waarbij jonge mannen van de straat werden geplukt.






Onderdrukking èn verzet

Liquidaties door het verzet

Door al deze maatregelen groeit het georganiseerde verzet. Op de verjaardag van Hitler, 20 april, wordt – o ironie! – in Amersfoort de Raad van Verzet (RVV) gevormd, waarin veel communisten actief zijn. De Amsterdamse verzetsgroep CS-6 maakt naam in de geschiedenis van het verzet, omdat daartoe de beide daders behoren van de aanslag op 5 februari 1943 op de 71-jarige “gemachtigde voor het Nederlandse Legioen” (van Oostfrontvrijwilligers), luitenant-generaal b.d. H.A. Seyffardt. Het zijn dr.G. Kastein en Jan Verleun. De voormalige chef van de generale staf van het Nederlandse leger wordt in de deuropening van zijn woning in Den Haag neergeschoten en overlijdt de volgende dag. Twee dagen later treft de juist tot secretaris-generaal van Volksvoorlichting en Kunsten benoemde mr. H. Reydon en zijn echtgenote hetzelfde lot. Zij zullen niet de enige slachtoffers van liquidatie door het verzet blijven. Alleen al in 1943 worden 22 gevaar opleverende landverraders geliquideerd. De Höhere SS- und Polizeiführer Hanns Rauter is van oordeel dat alleen al ter vergelding van de “laffe moordaanslag” op Seyffardt vijftig “kalvinistische Oraniengeisel” (gijzelaars) moeten worden doodgeschoten. Het is nota bene de Führer zelf die daar een stokje voor steekt. In plaats daarvan moeten 5000 Plutokratensöhne (rijkeluiszoontjes) worden gearresteerd en in Duitsland tewerkgesteld. Op de universiteiten en hogescholen in Noord- en Zuid-Holland en Utrecht – waartoe ook Wageningen wordt gerekend! – worden razzia’s gehouden. Het resultaat is niet om over naar het Reichssicherheitshauptamt in Berlijn, het hoofdkwartier van de SD, te schrijven. De meeste studenten zijn naar huis en er worden dan ook niet meer dan ongeveer 600 van hen in de kraag gegrepen.

Drie dagen later, op 9 februari 1943, komt het tot een “algemene jacht op de jeugd” (dr. L. de Jong). Ongeveer 1200 jongeren belanden voor enige tijd in kamp Vught. De opeenvolgende gebeurtenissen brengen het hoger onderwijs vrijwel tot stilstand. Natuurlijk, aldus de rijkscommissaris, moet ook de studentenwereld een bijdrage aan de arbeidsinzet leveren, maar het universitaire leven moet wel voortgang vinden. Secretaris-generaal prof. J. van Dam komt daarop met het voorstel de studenten te verplichten tot het afleggen van een loyaliteitsverklaring, willen zij hun studie voortzetten. Elke student moet z’n handtekening zetten onder een verklaring waarin hij belooft “de in het Nederlandse gebied geldende wetten, verordeningen en andere beschikkingen naar eer en geweten te zullen naleven en zich te onthouden van iedere tegen het Duitse rijk, de Duitse weermacht of de Nederlandse autoriteiten gerichte handeling”. Bovendien moet elke student zich verplichten om na z’n studie een jaar in Duitsland te werken. Dit besluit wordt op 13 maart 1943 afgekondigd. Van Dams plannen lopen evenwel op een mislukking uit: van de bijna 14.600 studenten ondertekenen niet meer dan ruim 2000 de verklaring, ruim 14%. Massaal duiken studenten onder.

Artsen in verzet

In maart 1943 komt een al lange tijd smeulend conflict tussen de nazi-autoriteiten en de artsenwereld tot uitbarsting. De oorzaak is de boete van f. 1000,- die is opgelegd aan tachtig artsen die blijven weigeren lid te worden van de op nationaal-socialistische leest geschoeide Artsenkamer. Op advies van de illegale artsenorganisatie “Medisch Contact”, dat zo’n 6000 artsen bereikt, doet de overgrote meerderheid van de medische stand formeel “afstand van de bevoegdheid tot de uitoefening van hun beroep”. De artsen illustreren deze beslissing – die in het belang van de patiënten niet wordt geëffectueerd – door op hun naamborden het woordje ‘arts’ met pleisters onzichtbaar te maken. De rijkscommissaris dreigt met gevangenneming van alle artsen die niet binnen enkele dagen hun actie beëindigen. Ongeveer 750 doktoren vullen alsnog de aanmeldingspapieren in; 360 weigeraars worden voor enige tijd in Amersfoort opgesloten.

Aanslag op bevolkingsregister

Op de avond van 27 maart 1943 overvallen negen verzetsstrijders het gebouw van het Amsterdamse bevolkingsregister aan de Plantage Middenlaan. De bezetter moet de namen van de hoofdstedelingen die voor arbeidsinzet in aanmerking komen, op een of andere wijze afhandig worden gemaakt. De illegaliteit besluit het wapen van brandstichting te hanteren. De leiding berust bij twee kunstenaars: Gerrit Jan van der Veen en Willem Johannes Cornelis Arrondeus. De aanslag lijkt boven verwachting te slagen: op woensdag 31 maart heffen de deelnemers en hun makkers tijdens een feest in Castricum het glas op het welslagen van de operatie. Maar door loslippigheid binnen het verzet is de SD de daders spoedig op het spoor. Binnen twee weken na de aanslag zijn twee van hen gearresteerd. Anderen volgen spoedig. Op 18 juni 1943 staan 21 verdachten voor het SS- und Polizeigericht in het gebouw van het Koloniaal Instituut in Amsterdam terecht. Dertien van hen worden ter dood veroordeeld en gefusilleerd, de overigen krijgen gevangenisstraf. Van der Veen slaagt er in om uit handen van de Duitsers te blijven, maar wordt later bij een (mislukte) poging om een aantal politieke gevangenen uit het Huis van Bewaring te Amsterdam te bevrijden, alsnog gepakt. Hij sterft op 10 juni 1943 in de duinen bij Overveen voor het vuurpeloton.

De aanslag op het bevolkingsregister blijkt toch niet het gewenste resultaat te hebben opgeleverd. Slechts enkele duizenden persoonskaarten zijn geheel verkoold. Ongeveer een half jaar na dato is het bevolkingsregister weer volop in bedrijf.






Het uitbreken van de stakingen

Nederland in rep en roer

De dagbladen van donderdag 29 april 1943 bevatten opzienbarend nieuws: de leden van het voormalige Nederlandse leger zullen terstond opnieuw in krijgsgevangenschap worden teruggevoerd. Volgens weermachtbevelhebber Friedrich Christiansen hebben de Nederlanders de maatregel uitsluitend te wijten aan ‘ophitsers’ die op misdadige wijze leden van het voormalige Nederlandse leger tot vijandig gedrag hebben aangezet. Daarmee hebben zij het door de Führer in hen gestelde vertrouwen schandelijk beschaamd. Had de Führer zich niet buitengewoon grootmoedig betoond door al in juni 1940 alle Nederlandse krijgsgevangenen naar hun haardsteden terug te laten keren?

Nederland is in rep en roer. Heftige verontwaardiging en diepe bezorgdheid strijden om de voorrang. Maar overheersend zijn de gevoelens van onzekerheid. Wat heeft dit te betekenen? Buren steken de hoofden bij elkaar. De bekendmaking van de opperbevelhebber in Nederland laat veel vragen open. In de Duitse versie staat Wehrmacht, de strijdkrachten. Sluit dit niet ook de marine en de luchtmacht in? Is ‘leger’ in het Duits niet ‘Heer’? En wat moet men ervan denken dat betrokkenen zich t e r s t o n d moeten melden? Moeten de militairen direct hun koffers pakken? Proberen snel een onderduikadres te vinden? Worden er helemaal geen vrijstellingen verleend?

Er gaat een dag overheen eer Christiansen een tweede bekendmaking met nadere informatie doet uitgaan. Het blijkt te gaan om beroepspersoneel beneden de rang van officier, geboren na 31 maart 1898 en in mei 1940 in werkelijke dienst van de landmacht. Vrijgesteld zijn de politie, brandweer en het kader van de luchtbescherming, tezamen zo’n 10.000 man. Voorts de gedemobiliseerden werkzaam in de landbouw of bij bedrijven die weermachtorders uitvoeren. De eerste duizend man moeten zich op 7 respectievelijk 10 mei in een militaire barak in Amersfoort melden. De reserve-officieren zijn in juni aan de beurt. Wat de betrokkenen moeten meenemen? “Zoveel mogelijk uniform, anders burgerkleding. Dringend wordt aanbevolen zondagse kleren (sic), wollen dekens, lijfgoed en extra-schoeisel mee te brengen. De bagage mag de omvang van twee handkoffers niet overschrijden.” Medio augustus moeten de laatsten hun oproep hebben ontvangen. Een deel moet zich in Assen melden.

De rijkscommissaris, dr. Arthur Seyss-Inquart, heeft de afkondiging van de beschikking van de Führer (Führererlaβ) aan de militaire bevelhebber Christiansen moeten overlaten. Terugvoering in krijgsgevangenschap is in eerste instantie een aangelegenheid van de Wehrmacht. Zelf is Seyss-Inquart als hoogste burgerambtenaar niet zonder bedenkingen. Hij betwijfelt of de bezettende overheid wel voldoende gezag heeft om de maatregel af te dwingen. Uiteraard is het onmogelijk alle militairen een voor een te arresteren. Bovendien vreest hij een ernstige terugslag in het Nederlandse bedrijfsleven. Daarom dringt hij er op aan mit Vorsicht te werk te gaan. Ook het Auswärtige Amt (ministerie van Buitenlandse Zaken) is niet enthousiast. De vijand kan propagandistische munt slaan uit de beslissing om de krijgsgevangenen in de oorlogsindustrie tewerk te stellen. Dat is immers in strijd met de Conventie van Genève. En is het wel verstandig de bekendmaking één dag voor de verjaardag van prinses Juliana en twee dagen voor de Dag van de Arbeid te publiceren? Juist op die dagen moet rekening worden gehouden met volksverzet. Maar ook los van de gekozen datum zijn ongeregeldheden te verwachten. Dan weet de Höhere SS- und Polizeiführer Hanns Albin Rauter, verantwoordelijk voor rust en orde, echter wat hem te doen staat. Hij zal met alle middelen elk verzet in de kiem smoren.

De ‘terugvoering’ wordt inderdaad een fiasco, groter dan de ergste pessimisten hadden gevreesd. Van de 240.000 in aanmerking komende militairen zijn niet meer dan ongeveer 11.000 daadwerkelijk opnieuw in krijgsgevangenschap geraakt. De beroepsofficieren, 2071 in getal, waren al op 15 mei 1942 naar kampen overgebracht. In totaal hebben zo’n 13.000 militairen de resterende oorlogsjaren in gevangenschap moeten doorbrengen. Van hen zijn er ongeveer 400 voor het eind van de oorlog overleden.

Londen slecht op de hoogte

De burgerij moet het na Christiansens bekendmaking hebben van de gedrukte media: van de (gelijkgeschakelde) dagbladen en van overal aangeplakte posters. Radio Hilversum zwijgt als het graf: Londen moet zo lang mogelijk in onwetendheid worden gelaten. Dat lijkt aardig te lukken. Op donderdagavond weet Londen nog van niets en op vrijdagavond brengt “Radio Oranje” weinig ander nieuws dan de viering van de 34ste verjaardag van prinses Juliana. Maar op de morgen van die vrijdag heeft het hoofd van de zender, H.J. van den Broek (“De Rotterdammer”) wel via de luisterdienst van de BBC een summier bericht uit een Duitse uitzending voor Japan ontvangen. In de berichtgeving spreekt men zichzelf echter faliekant tegen. Korte tijd later krijgt hij een persbericht uit Zwitserse bron onder ogen. Daarin wordt alleen bericht dat oud-militairen zich moeten melden. Niemand weet wat er precies aan de hand is. In overleg met premier Gerbrandy wordt via de radio aan bezet Nederland als richtlijn gegeven: “zich rustig houden, alle oproepen en bevelen doodgewoon negéren, niet het hoofd in de muil van de tijger steken; als het absoluut noodzakelijk is, trachten zich onvindbaar te maken.”

Rustig houden? Het mocht wat! Je onvindbaar maken? Alsof dat zo eenvoudig is! Niemand wordt hier echt wijzer van. Dagenlang is er vanuit Londen vrijwel geen nieuws van het stakingsfront. Het duurt tot maandag 3 mei eer minister-president Gerbrandy zich via de radio tot het volk richt. De Britse prime minister Winston Churchill heeft hem inmiddels te verstaan gegeven – maar dat houdt hij voor zichzelf - dat van een feitelijk ingrijpen van geallieerde zijde geen sprake kan zijn. Gerbrandy kan daarom geen ander advies geven dan al geruime tijd geldt: de vijand zoveel mogelijk afbreuk doen. Het woord ‘stakingen’ vermijdt hij, maar wel voegt hij veelzeggend aan z’n opwekking toe dat deze “geen oproep tot algemeen gewapend verzet” inhoudt. Aan gewapend verzet denken slechts weinigen, maar dat dit nadrukkelijk wordt gezegd stemt tot nadenken. Intussen lopen de stakingsacties dan al bijna overal ten einde.

STAAKT!!! STAAKT!!!

Al op de dag van de afkondiging, op donderdag 29 april, wordt de geest van verzet over grote delen van het Nederlandse volk vaardig. “Dit pikken we niet”, kan men alom horen. Als de circa 3.000 werknemers van machinefabriek Gebr. Stork en Co. NV in Hengelo tijdens de schaft bij drukkerij Smit van de aankondiging van de weermachtbevelhebber kennisnemen, besluiten zij spontaan het werk neer te leggen. Tussen twee en half drie loopt de fabriek leeg, spoedig gevolgd door andere bedrijven. Nog dezelfde middag zijn al 28 van de 41 grote Twentse fabrieken, bij elkaar zo’n 21.000 man, in staking. Via de telefoon worden collega’s opgewekt het voorbeeld van de collega’s van Stork te volgen. Anderen pakken de fiets om in omliggende plaatsen de mensen tot staking te bewegen. Treinreizigers verbreiden het nieuws via tussenstations. In de kortst mogelijke tijd – mit Windeseile meldt een Duitse bron – slaat de vlam over naar andere streken des lands.

In enkele delen hebben de stakingen een algemeen karakter, in die zin dat er niet alleen collectief wordt gestaakt door omvangrijke groepen fabrieksarbeiders en mijnwerkers die vanouds een grote solidariteit aan de dag leggen, maar ook individueel, door zelfstandigen, kleine neringdoenden. Kruideniers sluiten veelal pas de luiken nadat zij ongeruste huisvrouwen de gelegenheid hebben gegeven om levensmiddelen in te slaan. Want wat gaat er gebeuren? Overbezorgde burgers tappen water af voor het geval de waterleiding wordt afgesloten. Een fietsenmaker op een dorp weigert de band te plakken van een passant hoewel deze nog een flinke rit voor de boeg heeft. “Man, ik staak.” De man gaat pas overstag wanneer de onbekende hem ervan heeft overtuigd dat hij op weg is naar een vergadering van de top van de provinciale illegaliteit. Op het platteland zijn de stakingen later begonnen dan in de grotere bevolkingscentra, maar zij hebben daar wel langer geduurd. In Twente begon het verzet, maar werd het ook het eerst beëindigd.

Volgens een door de SD op 10 mei (intern) verspreid Stimmungsbericht hebben ongeveer een half miljoen mannen en vrouwen aan de stakingen deelgenomen. Dit getal kan niet worden geverifieerd.






Duitse reactie

Achtergrond

SS-Gruppenführer Hanns Rauter, de hoogste Duitse politiechef in Nederland, is aanzienlijk beter op de hoogte dan de Nederlandse regering in Londen. Al in de middag van de eerste stakingsdag, dus op donderdag 29 april, kan hij zijn chef, de Reichsführer-SS Heinrich Himmler, ervan op de hoogte stellen dat groepen arbeiders uit diverse fabrieken in Hengelo het werk hebben neergelegd. De Gruppenführer kent inmiddels ook al de achtergronden van de onlusten. Zijn informanten hebben hem ingeseind dat de mensen op straat een mogelijke invasie als reden voor de terugvoering noemen en dat het volgens hen kennelijk de bedoeling is de krijgsgevangenen in de Duitse oorlogsindustrie tewerk te stellen. “Eerst heeft men de Joden naar Duitsland afgevoerd en nu zijn de soldaten aan de beurt”, zegt men op straat.

Wat de ‘man in the street’ volgens Rauter te berde brengt, is overeenkomstig de feiten. Naar de mening van het Oberkommando der Wehrmacht (OKW) vormen de leden van het voormalige Nederlandse leger een bedreiging wanneer, zoals wordt verwacht, in West-Europa een Tweede Front wordt geopend. Vooral de kuststrook, waaraan men bij een geallieerde invasie allereerst moet denken, is dichtbevolkt. De gedachte aan een “dolkstoot in de rug” is voor de Duitsers sinds de Eerste Wereldoorlog een obsessie. Sommigen houden het zelfs voor mogelijk dat een eventuele opstand in de Nederlanden overslaat naar België en misschien zelfs naar Frankrijk.

Door de Wehrfähigen (weerbare mannen) naar Duitsland over te brengen, slaat men twee vliegen in één klap. Enkele honderdduizenden veelal nog (betrekkelijk) jonge mannen vormen een aantrekkelijk arbeidsreservoir. En de Bevollmächtigte für den Arbeitseinsatz, Gauleiter Fritz Sauckel, heeft een onverzadigbare honger naar arbeidskrachten nu steeds meer Duitsers voor het front worden opgeroepen. De ex-militairen moeten dan ook in kampen in industriegebieden worden ondergebracht. Het Auswärtige Amt (Ministerie van Buitenlandse Zaken) gaat uit van zo’n 300.000 man – vrijstellingen niet meegerekend - van wie dan 100.000-120.000 man kunnen worden ingeschakeld bij kustverdedigingswerken in eigen land.

Rauter treedt hard op

Gruppenführer Rauter laat geen tijd verloren gaan: alle verzet moet zo snel mogelijk de kop in worden gedrukt. Hij doet het rücksichtlos (meedogenloos), zeggen de Nederlanders die zich een aantal typerende Duitse woorden hebben eigen gemaakt. Nog op de middag waarop in Twente stakingen uitbreken, commandeert Rauter het in Arnhem gelegerde, 200 man tellende 3de bataljon van het 28. SS-Polizeiregiment “Todt” naar Hengelo. Voorts geeft hij de Ordnungspolizei, die de openbare orde moet handhaven – ook wel naar hun uniform Grüne Polizei genoemd - bevel in het gehele land patrouille te lopen. Naarmate de stakingen zich uitbreiden, groeit ook de ‘anti-terreurbrigade’ van de Höhere SS- und Polizeiführer: behalve genoemde politie-eenheden behoren daartoe enkele bataljons van de Waffen-SS, het overwegend uit (voormalige) Nederlandse kampbewakers bestaande SS-Wachbataillon Nord West en de SS Schule Avegoor (bij De Steeg). En dan zijn er natuurlijk de Sicherheitsdienst (de inlichtingen- en spionagedienst) en de Sicherheitspolizei, gevormd door de Gestapo en de Kriminalpolizei (de geheime staatspolitie en de recherche). Ook de Nederlandse politie wordt ingeschakeld. Zij wordt onder het directe bevel van Duitse Kommandeure geplaatst. De politie deed haar plicht, aldus een van de Beauftragten (provinciale vertegenwoordigers van de rijkscommissaris) in zijn rapport, maar “ziemlich schlapp”, tamelijk slap. Dat is volgens onderzoeker Sijes van het RIOD (het huidige NIOD) in overeenstemming met de werkelijkheid. De politie deed noodgedwongen mee maar probeerde er zich met een jantje-van-leiden van af te maken. Van geen Nederlandse agent is bekend dat hij raak heeft geschoten.

Polizei en SS krijgen van Rauter ondubbelzinnige instructies: zij moeten onmiddellijk het vuur openen wanneer zij op de openbare weg samenscholingen van vijf of meer burgers ontwaren. Niet eerst waarschuwingsschoten lossen maar onverwijld op de mensen richten. En raak schieten! Er moeten doden vallen. Alleen Frauen sind zu schonen, alleen vrouwen moeten worden ontzien. Maar op de avond van 1 mei wordt de 24-jarige Grietje Dekker uit Musselkanaal (Groningen) in Mussel door een patrouille in de buik geschoten. De Ordnungspolizei belooft een te hulp geschoten huisarts na veel bidden en smeken het zwaargewonde meisje naar het ziekenhuis in Emmen te vervoeren. De politiemannen stoppen evenwel buiten het dorp, leggen haar in de berm en schieten haar vervolgens enkele malen door het hoofd. Grietje sterft. Op de dag van haar verloving! Het stoffelijk overschot wordt meegenomen en is tot op vandaag vermist. In het Friese dorp Opeinde wordt de tienjarige Willem de Vries dodelijk getroffen. Wilde schietpartijen doen zich in een groot aantal dorpen en steden voor. Vrijwel overal waar wordt gepatrouilleerd vallen doden en gewonden. Te veel om op te sommen.

Politiestandrecht

Een belangrijk wapen in de bestrijding van de Unruhen vormen de Polizeistandgerichte, die ad hoc worden gevormd en vonnissen kunnen vellen met terzijdestelling van alle geldende rechtsregels. Zij moeten verfassungsmäβig, in overeenstemming met de grondwet (sic), door de rijkscommissaris worden ingesteld, maar de vonnissen moeten door Rauter worden bekrachtigd en tenuitvoergelegd. Vanaf zaterdag 1 mei functioneren standgerechten in Groningen, Hengelo, Amsterdam, Den Haag en Maastricht. De nazirechters gaan voortvarend te werk: de eerste doodvonnissen worden geveld en binnen enkele uren voltrokken. Hoger beroep is onmogelijk. De namen van de veroordeelden worden op posters afgedrukt en overal aangeplakt. Als reden voor de doodvonnissen wordt meestal niet meer vermeld dan: “wegens overtreding van de verordeningen van het standrecht”. De voorbijgangers huiveren. Het aanvankelijk overheersende gevoel van bevrijding smelt als sneeuw voor de zon. De Rotterdamse SD-chef, Wölk, heeft dat gevoel omschreven als “freudig und hoffnungsfroh” (opgewekt en vol goede hoop). Maar, voegde hij er in een rapport aan de rijkscommissaris met scherpe blik aan toe, nu is de breuk tussen het Duitse en het Nederlandse volk wel definitief. De stakers in het Gelderse Hattum, die met vrouwen en kinderen hossend en vaderlandse liederen zingend door de straten zijn getrokken, zitten timide achter de gordijnen. Hoe lang kan dit zo doorgaan?

Niet in alle gevallen laat Rauter de vonnissen voltrekken. Een aantal houdt hij in petto en volstaat hij met dreigementen: wanneer in de betrokken regio het werk niet onmiddellijk wordt hervat, zullen de vonnissen alsnog worden voltrokken. Veroordeelden als Todeskandidaten. In het algemeen staat de doodstraf op het deelnemen aan samenscholingen en stakingen, het in bezit hebben van schiet-, slag- of stootwapens, het in bezit hebben (laat staan verspreiden) van opruiende pamfletten en het zich verzetten tegen de openbare macht.

In het kader van het standrecht wordt ook een ‘spertijd’ ingevoerd: het is verboden zich tussen 20.00 en 6.00 uur in de open lucht op te houden. Ook is het verboden in openbare lokaliteiten alcoholische dranken te schenken. Werkgevers mogen aan stakers geen loon uitbetalen over de dagen waarop het werk heeft stilgelegen. Op vergrijpen tegen deze beschikking staat gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaar en een geldboete tot een onbeperkt bedrag.

Moord en doodslag

De bezetter doet het voorkomen dat hij volgens geldend recht handelt, althans naar wat de nazi’s onder recht verstaan. De schijn bedriegt: processen worden slechts voor de show gevoerd; zij kenmerken zich door volstrekte willekeur. Elke burger moet zichzelf als potentieel slachtoffer beschouwen. De volgende dagen worden veelal lukraak arrestaties verricht, de gearresteerden worden beticht van niet gepleegde vergrijpen en veroordeeld tot straffen die tot de beschuldiging in geen enkele verhouding staan. De 19-jarige Broer de Witte uit Blauwhuis (Friesland) wordt op 3 mei standrechtelijk gefusilleerd, hoewel hij niet méér op zijn geweten heeft dan dat hij met een groep leeftijdgenoten (“eine Bande von halbwüchsigen Burschen” – een bende opgeschoten knapen) melkleveranties aan de zuivelfabriek heeft gesaboteerd door melkbussen van wagens te gooien en leeg te laten lopen.

In een besloten vergadering van districtleiders van de NSB zal Rauter naderhand z’n tactiek toelichten. “Het gaat er bij de bestrijding van onlusten niet om dat de juiste mán wordt neergeschoten, maar dat er op het juiste moment dóden vallen.” Rauter gaat berekenend tewerk. Zo deelt hij op een gegeven ogenblik aan de voorzitter van het Maastrichter standgerecht telefonisch mee dat er in Limburg van de vijftien gearresteerden niet vier, maar zeven man ter dood moeten worden veroordeeld. Maar op maandag 3 mei, wanneer op de meeste plaatsen het werk wordt hervat en het er naar uitziet dat de mijnwerkers de dag daarop weer in de mijnen zullen afdalen, gratiëert hij tien Limburgers. Van de in totaal 116 uitgesproken doodvonnissen zijn er tachtig voltrokken. “Eerst moet je hard ingrijpen”, betoogt Rauter, “en vervolgens kun je dan ontspannen, opdat met weinig doden voldoende bereikt wordt.” Weinig doden – maar elke dode staat wel voor een menselijke tragedie!

Tot het uitoefenen van terreur behoort ook het verdonkeremanen van de lichamen van slachtoffers. De familieleden moeten worden geprangd door de vraag: waar is mijn zoon, waar ligt mijn man? Verdwenen in Nacht und Nebel, zeggen de Duitsers. Van de in totaal 175 dodelijke slachtoffers worden er bijna honderd in onbekende massagraven gedumpt. Ondanks tientallen jaren van nasporingen zijn de graven van 52 van hen nog steeds (in 2010) onbekend. Daar is bijvoorbeeld de nog maar 25-jarige gereformeerde boer Berend Trip uit Nieuw-Buinen (Drente), die een menigte van rond 400 mensen heeft ‘opgeruid’ tot het plegen van (passief) verzet. Voor het standgerecht neemt hij alle verantwoordelijkheid op zich om anderen zo mogelijk vrijuit te laten gaan. In een telexbericht aan Rauter prijzen de rechters hem om zijn fabelhafte (fabelachtige) persönliche Haltung. Maar hij wordt wel nog dezelfde avond doodgeschoten. Een half jaar na de bevrijding vindt men zijn stoffelijk overschot in het massagraf “De Appelberg” bij Glimmen.

Vanaf 4 mei, wanneer de situatie op de meeste plaatsen in het land weer min of meer ‘normaal’ is, worden stoffelijke overschotten aan nabestaanden overgedragen. Zij moeten ’s morgens vóór 7 uur onder toezicht van de politie vanuit een lijkenhuisje worden begraven. De lichamen dienen zonder enige plechtigheid ter aarde te worden besteld; alleen naaste familieleden mogen daarbij aanwezig zijn. Rouwadvertenties mogen niet worden geplaatst: voorkomen dient te worden dat begrafenissen ‘ontaarden’ in anti-Duitse demonstraties. Op deze verstolen wijze wordt de 35-jarige boer Freerk Wijnia uit het Friese Suameer, een vooraanstaand man in het verzet, in zijn woonplaats begraven. Op 4 mei weigert hij halsstarrig melk aan it fabryk te leveren en verkoopt hij z’n melk zo veel mogelijk aan particulieren. Hij gaat daar zelfs onverstoorbaar mee door wanneer hij door een Duitse patrouille wordt overvallen. Vervolgens vertikt hij het om mee te gaan naar de SD in Groningen, naar het beruchte Scholtenhuis. “As ik dochs deasketten wurde moat, dan op myn eigen hiem ” (Als ik dan toch doodgeschoten moet worden, dan op mijn eigen erf.) Daarop haalt de patrouillecommandant de trekker van z’n pistool over….. Boer Wijnia is een van de laatste slachtoffers in Noord-Nederland. In totaal vallen er in Friesland, Groningen en Drente 56 dodelijke slachtoffers – in verhouding meer dan elders.






Moord en doodslag

De bezetter doet het voorkomen dat hij volgens geldend recht handelt, althans naar wat de nazi’s onder recht verstaan. De schijn bedriegt: processen worden slechts voor de show gevoerd; zij kenmerken zich door volstrekte willekeur. Elke burger moet zichzelf als potentieel slachtoffer beschouwen. De volgende dagen worden veelal lukraak arrestaties verricht, de gearresteerden worden beticht van niet gepleegde vergrijpen en veroordeeld tot straffen die tot de beschuldiging in geen enkele verhouding staan. De 19-jarige Broer de Witte uit Blauwhuis (Friesland) wordt op 3 mei standrechtelijk gefusilleerd, hoewel hij niet méér op zijn geweten heeft dan dat hij met een groep leeftijdgenoten (“eine Bande von halbwüchsigen Burschen” – een bende opgeschoten knapen) melkleveranties aan de zuivelfabriek heeft gesaboteerd door melkbussen van wagens te gooien en leeg te laten lopen.

In een besloten vergadering van districtleiders van de NSB zal Rauter naderhand z’n tactiek toelichten. “Het gaat er bij de bestrijding van onlusten niet om dat de juiste mán wordt neergeschoten, maar dat er op het juiste moment dóden vallen.” Rauter gaat berekenend tewerk. Zo deelt hij op een gegeven ogenblik aan de voorzitter van het Maastrichter standgerecht telefonisch mee dat er in Limburg van de vijftien gearresteerden niet vier, maar zeven man ter dood moeten worden veroordeeld. Maar op maandag 3 mei, wanneer op de meeste plaatsen het werk wordt hervat en het er naar uitziet dat de mijnwerkers de dag daarop weer in de mijnen zullen afdalen, gratiëert hij tien Limburgers. Van de in totaal 116 uitgesproken doodvonnissen zijn er tachtig voltrokken. “Eerst moet je hard ingrijpen”, betoogt Rauter, “en vervolgens kun je dan ontspannen, opdat met weinig doden voldoende bereikt wordt.” Weinig doden – maar elke dode staat wel voor een menselijke tragedie!

Tot het uitoefenen van terreur behoort ook het verdonkeremanen van de lichamen van slachtoffers. De familieleden moeten worden geprangd door de vraag: waar is mijn zoon, waar ligt mijn man? Verdwenen in Nacht und Nebel, zeggen de Duitsers. Van de in totaal 175 dodelijke slachtoffers worden er bijna honderd in onbekende massagraven gedumpt. Ondanks tientallen jaren van nasporingen zijn de graven van 52 van hen nog steeds (in 2010) onbekend. Daar is bijvoorbeeld de nog maar 25-jarige gereformeerde boer Berend Trip uit Nieuw-Buinen (Drente), die een menigte van rond 400 mensen heeft ‘opgeruid’ tot het plegen van (passief) verzet. Voor het standgerecht neemt hij alle verantwoordelijkheid op zich om anderen zo mogelijk vrijuit te laten gaan. In een telexbericht aan Rauter prijzen de rechters hem om zijn fabelhafte (fabelachtige) persönliche Haltung. Maar hij wordt wel nog dezelfde avond doodgeschoten. Een half jaar na de bevrijding vindt men zijn stoffelijk overschot in het massagraf “De Appelberg” bij Glimmen.

Vanaf 4 mei, wanneer de situatie op de meeste plaatsen in het land weer min of meer ‘normaal’ is, worden stoffelijke overschotten aan nabestaanden overgedragen. Zij moeten ’s morgens vóór 7 uur onder toezicht van de politie vanuit een lijkenhuisje worden begraven. De lichamen dienen zonder enige plechtigheid ter aarde te worden besteld; alleen naaste familieleden mogen daarbij aanwezig zijn. Rouwadvertenties mogen niet worden geplaatst: voorkomen dient te worden dat begrafenissen ‘ontaarden’ in anti-Duitse demonstraties. Op deze verstolen wijze wordt de 35-jarige boer Freerk Wijnia uit het Friese Suameer, een vooraanstaand man in het verzet, in zijn woonplaats begraven. Op 4 mei weigert hij halsstarrig melk aan it fabryk te leveren en verkoopt hij z’n melk zo veel mogelijk aan particulieren. Hij gaat daar zelfs onverstoorbaar mee door wanneer hij door een Duitse patrouille wordt overvallen. Vervolgens vertikt hij het om mee te gaan naar de SD in Groningen, naar het beruchte Scholtenhuis. “As ik dochs deasketten wurde moat, dan op myn eigen hiem ” (Als ik dan toch doodgeschoten moet worden, dan op mijn eigen erf.) Daarop haalt de patrouillecommandant de trekker van z’n pistool over….. Boer Wijnia is een van de laatste slachtoffers in Noord-Nederland. In totaal vallen er in Friesland, Groningen en Drente 56 dodelijke slachtoffers – in verhouding meer dan elders.






Aard van de stakingen

Sabotage

Tijdens de stakingsdagen is er weinig gedemonstreerd. De stakingen zelf vormen de demonstratie. Ook zijn er weinig gevallen van sabotage bekend. Overigens is daartoe wel opgeroepen. Op zondag 2 mei laat de Raad van Verzet (RVV) in 40.000 exemplaren een pamflet drukken waarin wordt opgeroepen alle verkeersverbindingen, te land en te water, te verbreken. Daarna volgt een opwekking tot het uitoefenen van “terreur tegen de mede-verantwoordelijken (NSB-ers, Duitschgezinde(n), medewerkende ambtenaren, lieden die zich toch melden en vernieling van ambtelijke gegevens.)” De oproep heeft geen noemenswaardig effect; slechts op een klein aantal plaatsen blijft het niet bij passief verzet. Er worden op diverse plaatsen wegversperringen opgeworpen en draden van telefoonpalen doorgesneden. In Drente en in de Friese Wouden, wellicht ook elders, gaan boerderijen van NSB-ers in vlammen op. In een fabriek in Emmen wordt brand gesticht.

Wat meer kaliber heeft de actie in de nacht van donderdag 29 op vrijdag 30 april bij Leeuwarden. Gedurende die nacht leggen verzetsmensen een waterleidingbuis op de spoorlijn naar Groningen waardoor een locomotief van een goederentrein ontspoort. Bij Marum – zie hieronder – wordt een melkwagen dwars over de rails gezet. Aangenomen moet immers worden dat de krijgsgevangenen per trein naar Duitsland zullen worden getransporteerd. Op de spoorlijn Amersfoort-Apeldoorn worden twee explosieve ladingen aangebracht, waarvan er slechts één ontploft. De schade is gering.

Treinen blijven rijden

Met lede ogen zien de mensen aan dat de treinen volgens het spoorboekje blijven rijden. Zo lang dat het geval is, heeft de staking niet het beoogde nationale karakter. Bij het spoorwegpersoneel blijkt overigens wel bereidheid tot staking te bestaan. In het hoofdgebouw van de NS in de stad Utrecht ontstaat een “aanzienlijke deining”: van de drieduizend daar werkzame personen legt op vrijdag 30 april bijna een derde het werk neer. Dat gebeurt ook op de stations Amersfoort en Roozendaal en in de werkplaatsen te Blerik en Haarlem. Maar op telefoontjes van personeelsleden met vragen om inlichtingen, moet als antwoord worden gegeven dat de werkzaamheden normaal doorgang vinden. De directie komt in een overlegvergadering met de Personeelsraad tot de slotsom dat er niet moet worden gestaakt. Vanuit Londen heeft de directie geen enkele aanwijzing gekregen dat er moet worden afgeweken van de al in juni 1940 met de bezetter gemaakte afspraak dat de NS zonder enige beperking alle transporten zullen uitvoeren waartoe de Bahnbevollmächtigte opdracht geeft. Indien dat naar behoren gebeurt, blijft de leiding van het bedrijf bij de directie berusten. Pas op 17 september 1944, bij het begin van de operatie Market Garden, de luchtlandingen in Noord-Brabant en Arnhem/Oosterbeek, zal de spoorwegdirectie gehoor geven aan het consigne van de Nederlandse regering in Londen om het spoorwegverkeer stil te leggen. Tijdens de stakingen van 1943 houden wel veel busondernemingen hun bussen in de garage.

Grote verschillen

P.J. Bouman concludeert in z’n gedetailleerde studie over de stakingen dat er tussen de regio’s grote verschillen hebben bestaan voor wat betreft “de mate van verbittering en de geneigdheid tot verzet”. Tegenover gebieden waarin vrijwel algemeen het werk wordt neergelegd, staan streken waarin heel weinig of zelfs helemaal niet is gestaakt. In Zeeland wordt bijna alleen gestaakt op Noord-Beveland; de bewoners van de kuststrook nemen, met uitzondering van de Katwijkers, niet of nauwelijks aan de stakingen deel – zeer velen waren overigens inmiddels geëvacueerd - en hetzelfde geldt voor delen van Noord- en Zuid-Holland en Utrecht.

Pogingen om de regionale verschillen uit de volksaard te verklaren, zoals Bouman (als socioloog) heeft gedaan, vinden in onze tijd van sterk toegenomen mobiliteit en het nog betrekkelijk nieuwe verschijnsel van multi-etniciteit en multiculturaliteit nog maar weinig begrip. Toch zal bijvoorbeeld de emotionaliteit van de Friezen, gepaard gaande met een uitgesproken principiële levensovertuiging, goeddeels de grote omvang en de intensiteit van de stakingsgolf in hun provincie verklaren. De Noord-Hollanders hebben de naam nuchterder te zijn; in deze provincie beperken de stakingen zich tot bepaalde gebieden. Maar: waarom wordt er in Arnhem op grote schaal gestaakt en in Nijmegen slechts in zeer beperkte mate? In de stad aan de Waal beschouwt men het als een goede grap dat het personeel van het Sportfondsenbad het bad heeft laten leeglopen terwijl Duitsers daar een duik namen. Waardoor kenmerkte het Land van Maas en Waal zich door een felle verzetsgeest, maar ontbrak deze in de aangrenzende Betuwe (met uitzondering van Tiel)? De regionale verschillen laten zich slechts gedeeltelijk verklaren.

Gereformeerd contra gereformeerd

Niet oninteressant lijkt het ons om erop te wijzen dat er een tweedeling binnen de gereformeerde gezindte viel waar te nemen. Enerzijds waren daar in de ‘Bible belt’, de ‘bijbelgordel’ van Walcheren naar de kop van Overijssel, de zogenoemde bevindelijk-gereformeerden; anderzijds kende Nederland gereformeerden van Kuyperiaanse snit. De op de Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP) georiënteerde ’bevindelijken’ zijn van mening dat de onderdrukkende maatregelen moeten worden gezien als “de slaande hand des He(e)ren” waartegen verzet ongepast is. Daarentegen verkondigen de neo-calvinistische gereformeerden, verenigd in de Anti-Revolutionaire Partij (ARP), het recht van opstand tegen een op onrecht gebaseerde overheid. De tweedeling zou verklaren dat in Zeeland slechts heel weinig gestaakt is en des te meer in door activistische gereformeerden gestempelde streken.

Rauter besluit de terreur met ingang van maandag 3 mei te verscherpen; nu komt het erop aan ook de laatst overgebleven verzetshaarden op te ruimen. Voor zondag 2 mei heeft de SD medewerkers en handlangers gerekwireerd om de stemming in een aantal kerkdiensten te peilen. De kerken zijn beter bezocht dan op andere zondagen, maar de stemming is gedrukt. Als bij onderlinge afspraak vermijden de predikanten het om olie op het vuur te gieten; zij waarschuwen eerder voor roekeloosheid omdat die de vreselijkste gevolgen kan hebben. Een dominee in een Fries dorp wordt daarop voor ‘verrader’ en “NSB-er’ uitgemaakt. Zo hoog lopen de emoties op. In Limburg en in Noord-Brabant, maar in de laatste provincie toch wat minder, geven rooms-katholieke geestelijken hun parochianen zo goed mogelijk leiding.

Melkstaking

In het noorden des lands maar ook in Twente en andere zuivelstreken, staan de stakingen algemeen te boek als de “Melkstaking”. Voor melkveehouders is melk hartenbloed. Toch laten zij honderdduizenden liters in sloten en over het land wegvloeien, hun arbeiders blokkeren wegen voor werkwillige boeren en gooien langs de weg voor vervoer gereedstaande melkbussen omver. NSB-boeren worden gedwongen aan de staking deel te nemen. Op veel plaatsen leveren boeren melk aan burgers tegen gebruikelijke prijzen, soms doen zij dat gratis en een enkeling probeert melk tegen zwarte prijzen aan de man te brengen. Opgeschoten jongens in Friesland gieten melk in de benzinetank van een Duitse auto en gooien vervolgens het autosleuteltje weg.


Noordelijke provincies, Overijssel, Gelderland en Utrecht

Friesland

Bekijken we een aantal regio’s wat nader. Het meeste verzet is, zoals opgemerkt, geboden in Friesland: het heftigst in de westelijke en noordwestelijke bouwstreek, minder in het zuidwesten van de provincie. Groot is de teleurstelling van Beauftragte Werner Ross, een Oostfries, die zijn “liebe Friesen” zo van harte een eervolle plaats in de Germaanse volkererengemeenschap gunde. Friesland is bij ons weten de enige provincie waarin de illegaliteit (LO-LKP – Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers-de Landelijke Knok Ploegen) heeft getracht op provinciaal niveau leiding aan de acties te geven. Elders heeft het georganiseerde verzet geen rol van betekenis gespeeld, al zijn plaatselijk wel illegale groepen actief geweest. Op zondag 2 mei oordeelt het Friese verzet dat de stakingen uiterlijk op dinsdag 4 mei moeten zijn beëindigd. Voortzetting zou zelfmoord betekenen. Dat consigne wordt niet overal opgevolgd; in Friesland wordt plaatselijk nog tot vrijdag 7 mei doorgestaakt, in westelijk Noord-Brabant hier en daar zelfs tot zaterdag 8 mei. In vrijwel alle provincies komen trouwens gedurende de tweede week nog stakingen voor.

Groningen

In Groningen wordt op bijna even grote schaal gestaakt als in Friesland, met als concentratiegebieden de veenkoloniën en het Westerkwartier. In Hoogezand en op een industrieterrein in Slochteren worden ‘saboteurs’ gefusilleerd. Maar het grootste drama voltrekt zich op maandag 3 mei in de gemeente Marum aan de Fries-Groningse grens. In de onmiddellijke omgeving, in het gehucht Trimunt, bevindt zich het radarstation “Löwe”. Soldaten ontdekken daar enkele dwars over de weg liggende bomen, kennelijk omgehakt om met melkbussen geladen wagens de weg naar de zuivelfabriek te versperren. “Sabotage!”, concluderen zij opgewonden. De SD in Groningen wordt gewaarschuwd en spoedig arriveert een overvalwagen. Zestien mannen die zich toevallig in de buurt ophouden, worden gearresteerd en in een militaire barak bij het radarstation opgesloten. Dan geeft de commandant het moorddadige bevel: erschieβen. In groepjes van vier worden de mannen neergeknald – onder hen Andries Hartholt (63) en drie van z’n zoons: Dirk, Albert en Hendrik. De dertienjarige Steven van der Wier, die van z’n moeder even mocht gaan kijken wat er aan de hand is, zet het op een lopen, met z’n klompen in de hand. Tevergeefs, hem wordt een salvo achterna gejaagd en de jongen overlijdt ter plaatse. Een achttiende slachtoffer valt die dag bij een wilde schietpartij. Zelfs op de Aussenstelle (regionaal bureau) van de SD in Groningen kijkt men op van de hardheid waarmee is opgetreden. “Aan een gevaarlijke bende terroristen werd een einde gemaakt”, wordt in het rapport opgetekend. Met als toevoeging dat de SD-ers uit dankbaarheid bloemen van plaatselijke bewoners ontvingen. Joden noemen dat een gotspe. (De majoor die voor het barbaarse optreden verantwoordelijk was, is na de oorlog door een Nederlands gerechtshof veroordeeld. Hij kreeg een gevangenisstraf opgelegd waarvan hij slechts een deel heeft uitgezeten.)

Drente

In Drente, waar de NSB relatief sterk is, reageert de ‘oude’ bevolking, vooral woonachtig ‘op het zand’ in het centrale gedeelte van de provincie, aarzelend en terughoudend. De bewoners van Assen, Hoogeveen en Emmen lopen niet voorop. Daarentegen neemt de ‘jongere’ bevolking van de veenkoloniën langs de Gronings-Drentse grens, maar ook de (arbeiders)bevolking van Meppel volop aan de stakingen deel. Een zekere faam verwerft zich het dorp Eext (bij Gieten) dat de bijnaam “Oranjedorp” krijgt. NSB-ers komen er niet graag. Bij het dorp breken dorpelingen een brugdek op om melktransporten te belemmeren. Arrestaties blijven dan ook niet uit. Een bekend voorman van het Drentse verzet is de KP(knokploeg)-leider Johannes Post uit Hollandscheveld, exponent van het verzet in calvinistische kring. Hij sterft in 1944 voor het vuurpeloton, nadat hij aanvankelijk was ontkomen na de eerder vermelde mislukte aanslag op het bevolkingsregister te Amsterdam.

Overijssel

Twente in Overijssel vormt, zoals we gezien hebben, de bakermat van het volksverzet. De textielarbeiders in Hengelo nemen het voortouw, spoedig gevolgd door hun ‘maten’ in de omliggende plaatsen: Enschede, Oldenzaal, Borne, Almelo, Nijverdal, Rijssen. Overheidsdiensten sluiten er zich bij aan. Fabrikanten en bedrijfsleiders worden onder zware druk gezet om lijsten met namen van stakers over te leggen. Een meerderheid voldoet uiteindelijk aan die eis, maar geeft veelal achter de namen van stakers die op 3 mei nog niet op het werk zijn verschenen, een ‘geldige reden’ voor hun afwezigheid op. Intussen hebben dan echter de meeste stakers met de grootst mogelijke tegenzin hun plaatsen achter de machines weer ingenomen.

Via het platteland hebben de stakingen zich vanuit Twente verspreid, naar het noordwesten, naar Zwolle en naar het “Mekka der gereformeerden”, Kampen. In Genemuiden wil men niet van ophouden weten; in de oude stad aan het Zwartemeer breidt de staking zich zelfs nog uit wanneer die elders al verloopt. Ordnungspolizei en Waffen-SS omsingelen op 3 mei het stadje en nemen 23 mannen gevangen. Gezien de bruutheid waarmee de Duitsers juist op deze maandag op verscheidene plaatsen tekeergaan, is de verrassing groot wanneer zij zonder enige nadere verklaring spoedig weer naar huis worden gestuurd. In de in 1942 drooggevallen Noordoostpolder keren de bijna 4000 polderwerkers die de schop erbij hebben neergegooid en naar huis zijn gegaan, langzaam terug.

In Haaksbergen ten zuidwesten van Enschede heerst daarentegen de volgende dagen diepe rouw. Wanneer op maandag 3 mei het personeel van de NV D. Jordaan en Zns. Textielfabrieken doorstaakt, brengt de Ordnungpolizei een groot aantal stakers in een oude garenloods bijeen. Vierentwintig stakers, onder wie negen meisjes, worden apart gezet om naar Enschede te worden overgebracht. Men maakt zich grote zorgen maar vijftien van hen worden vrijgelaten. De negen overblijvende arrestanten wacht echter een gruwelijk lot. Tussen Enschede en Hengelo moeten zij uit een overvalwagen stappen, waarop zeven van hen zonder pardon terzijde van de weg worden ‘omgelegd’: auf der Flucht erschossen, zoals dat in nazi-jargon heet, als honden neergeknald. Twee man slaan op de vlucht en weten aan de kogelregen te ontkomen. Maar een van hen wordt de volgende dag gepakt en alsnog genadeloos voor een vuurpeloton gezet. De ander is onmiddellijk ondergedoken en kan het navertellen. Hoe hij heette? Herman Göring!

Gelderland

Gelderland met z’n heterogene bevolking laat een zeer gevarieerd beeld zien. In Eibergen ten zuidwesten van Haaksbergen is de staking nog algemeen, maar zuidelijker, in de Achterhoek – waar de bevolking de naam heeft lijdzaam en meegaand van karakter te zijn – beperkt zij zich tot industriële bedrijven in plaatsen als Ulft, Neede en Lichtenvoorde. Stakinggsacties worden ook gemeld langs de zuidelijke Veluwezoom, in Renkum en Heveadorp, een brede strook langs de IJssel en het Apeldoorns kanaal met plaatsen als Vaassen, Epe en Heerde, waar de stakingen ook op maandag 3 mei nog worden voortgezet. In het oude Hanzestadje Hattum op de linkeroever van de IJssel ten zuiden van Zwolle doet een twaalftal inwoners een inval in een gebouw van het Centraal Distributiebureau, waar niet minder dan circa 500 ambtenaren werkzaam zijn. De overvallers dwingen hen het werk neer te leggen. Als de directeur de ambtenaren in een voormalig schoolgebouw bijeenroept, verzamelt zich voor het gebouw een menigte van enkele honderden kleinstedelingen, gewapend met stenen. De ruiten worden ingegooid en de voordeur geforceerd waarna zich een heftig handgemeen ontwikkelt. De hulp van de politie wordt ingeroepen, maar er verschijnen slechts twee marechaussees, die ook nog eens weigeren op de demonstranten te schieten. De indringers worden overigens wel de deur uitgewerkt. Maar van hervatting van de werkzaamheden is geen sprake. Op de Veluwe met haar grotendeels ‘bevindelijke’ bevolking blijft het opmerkelijk rustig.

Utrecht

In de provincie Utrecht komt het tot stakingen in tal van industriële bedrijven, maar op het platteland houdt men zich afzijdig. De in de stad zetelende hoofddirectie van de Nederlandse Spoorwegen slaagt erin de ‘spoormannen’ aan het werk te houden dan wel hen te bewegen na een korte onderbreking hun dienst te hervatten. De treinen blijven rijden, zoals we eerder hebben gezien.








Amsterdam, Noord-Holland en Zuid-Holland

Amsterdam

Hoe ging het eraan toe in Amsterdam?. Anders dan men wellicht zou vermoeden, werd er in de hoofdstad weinig gestaakt. Volgens de Aussenstelleleiter (districtshoofd) van de SD, Willy Lages, was het aantal stakers in de hoofdstad niet hoger dan drie procent. De stakers moeten worden gezocht bij Werkspoor, de Nederlandse Droogdokmaatschappij en de Amsterdamse Droogdokmaatschappij. Lang hebben zij het evenwel niet volgehouden. Hadden de Amsterdammers hun kruit verschoten bij de Februaristaking in 1941? De wijze waarop SD en SS de ‘opstand’ van twee jaar tevoren hadden neergeslagen, ligt nog vers in het geheugen. Sindsdien moeten de Amsterdammers machteloos toezien hoe hun Joodse landgenoten worden afgevoerd. Staken haalt kennelijk niets uit.

Noord-Holland

In de Zaanstreek en elders in Noord-Holland dacht men daar anders over. Met uitzondering van Koog aan de Zaan breken er in diverse plaatsen stakingen uit: in Krommenie en Wormerveer, maar ook in Velsen, IJmuiden en Beverwijk. De Duitsers vrezen met name voor communistische agitatie en verrichten een groot aantal arrestaties. Ook worden er tien doodvonnissen uitgesproken.

Even fel als in Friesland wordt gestaakt in het tuinbouwgebied ten noorden van Alkmaar en het grootste deel van West-Friesland. Een haard van verzet vormt het grotendeels gereformeerde Andijk aan het IJsselmeer. In dit dorp komen velen bijeen voor een bidstond voor “de nood der tijden”. Van Andijk slaat de verzetsgeest over naar onder andere Enkhuizen. Meer naar het zuiden, in plaatsen als Edam, Monnikendam en Graft, wordt geen noemenswaardig verzet gepleegd. “Nergens was men zo passief als in het midden van Noord-Holland, met uitzondering misschien van het Utrechtse platteland.”

Zuid-Holland

In Zuid-Holland trekken uiteraard vooral Den Haag en Rotterdam de aandacht. In beide steden is weinig stakingsactiviteit ontplooid. Waren de Hagenaars te veel onder de indruk van het machtsvertoon van de Duitsers? Het stadsbeeld wordt mede bepaald door hakenkruisvlaggen op tal van gebouwen en door af en aan rijdende militaire en burgerlijke autoriteiten. De Haagse bevolking wordt door andere zaken dan staking in beslag genomen. Rond 60.000 inwoners van Den Haag en Scheveningen moeten een evacuatieadres vinden omdat hun woningen worden afgebroken om plaats te maken voor bunkers en de aanleg van een enorme tankgracht in het kader van de Atlantikwall. Deze omstandigheid zal (mede) verklaren dat slechts enkele fabrieken in het Haagse de poort sluiten. Wel leggen in Den Haag – en dat is opmerkelijk – de werknemers van Gemeentewerken en een deel van het personeel van de PTT en de Postcheque- en Girodienst het werk neer. Ook het departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart, waar dr.H.M. Hirschfelt als secretaris-generaal de scepter zwaait, stroomt leeg. De plaatsvervangend secretaris-generaal van Financiën, de NSB-er F.L Rambonnet, weet z’n ambtenaren slechts binnenshuis te houden door wild met z’n revolver te zwaaien.

Ook in Rotterdam zijn de stakingsactiviteiten van beperkte omvang. De vooroorlogse transitohaven is getransformeerd tot oorlogshaven, tot Flottenstützpunkt. De scheepswerven draaien op volle toeren om aan de vraag naar (oorlogs)schepen te voldoen. In 1943 bedraagt de scheepsbouw 140% van die in 1938 om vervolgens “diep te gaan wegzakken”. (De directeuren van de Werf Gusto en van Wilton-Feyenoord zouden na de oorlog wegens collaboratie worden veroordeeld.) De werfarbeiders – zo stelde een Duitse rapporteur vast – lopen er de kantjes af, maar blijven in april/mei 1943 grotendeels aan het werk, waarschijnlijk uit angst om zoals velen vóór hen in Duitsland tewerk te worden gesteld.

Mogelijk moet de geringe stakingsbereidheid van de Rotterdammers ook worden verklaard uit het feit dat de bevolking te lijden had onder geallieerde bombardementen. Slechts een maand vóór landelijk de stakingen uitbreken, op 31 maart, komen ruim 400 stadgenoten bij een mislukt bombardement op de haven om. (zie eerder.) Op 14 mei 1940 waren al tussen de 800 en 900 dodelijke slachtoffers te betreuren geweest.(Het exacte aantal is nooit vastgesteld.) De stemming in de tweede stad des lands wordt als ‘mat’ omschreven.

Hoe het ook zij, elders lag dat anders. Op werven en in fabrieken langs de Merwede en de Noord, in Dordrecht en Zwijndrecht, in Alblasserdam en Bolnes (aan de Lek), in het gehele Westland en in Delft breken op grote schaal stakingen uit. In Delft volgen massale arrestaties. In Kinderdijk en omstreken vertelt men naderhand over een 22-jarige ondergedoken student die pamfletten had verspreid, als over “een van de moedigsten uit de meidagen van 1943”. Toen hij vaststelde dat hij werd gezocht, had hij zichzelf aangegeven. “Als ze mij niet vinden, nemen ze een ander. En ik kan zwijgen”, had hij gezegd. Hij neemt zijn kennis over het verzet in de omgeving inderdaad mee het graf in.




Zeeland, Noord-Brabant en Limburg

Zeeland

In Zeeland beperken de stakingen zich tot Noord-Beveland en Kapelle, Hoedekenskerke en s’Heer-Abtskerke op Zuid-Beveland. Op Noord-Beveland worden de stakingen ook in de nieuwe werkweek voortgezet. (zie eerder)

Noord-Brabant

Noord-Brabant behoort met Friesland en Groningen tot de provincies waar het felst is gestaakt. Ook het langdurigst; men komt in Brabant wat langzamer op gang – dat zou met de volksaard samenhangen – maar vervolgens legt men een grote hardnekkigheid aan de dag, zij het dat de Brabanders voorzichtiger en minder openlijk tewerkgaan dan de Friezen. Geestelijken dringen aan op bedachtzaamheid.

Dat betekent niet dat in alle steden en streken van Noord-Brabant het werk wordt neergelegd. De bewoners van ’s-Hertogenbosch en Tilburg reageren lauwer dan die van Breda en Eindhoven en vooral die van Helmond en Valkenswaard. In Helmond wordt de algemene staking al op zaterdag 1 mei afgebroken, maar in de andere steden krijgen zij steeds meer een algemeen karakter.

In Eindhoven ligt het zwaartepunt uiteraard bij de Philipsfabrieken. Al op de eerste dag, 29 april, zijn de werknemers spontaan in sitdownstaking gegaan. De SD weet wat zij doet wanneer zij in het hoofdkantoor van Philips een bureau inricht. Arbeiders van de gloeilampenfabriek rijden in open vrachtwagens door de stad, zwaaiend met vlaggen. Ook met rode. De ‘vlaggenparade’ is tekenend voor het enthousiasme in Eindhoven. Op maandag 3 mei, wanneer in het gehele land de stakingen verlopen, weigert een deel van het Philipspersoneel aan het werk te gaan. Dat is trouwens ook het geval bij de Bata-schoenfabrieken in Best en ook elders. In Eindhoven slaat de SD nu hard toe; waar nog steeds wordt gestaakt, geldt geen enkel pardon meer. Op maandagmiddag worden op een binnenplaats van de Philipsfabrieken zeven willekeurig uitgekozen stakers gefusilleerd. Ir. Frits Philips en drie vooraanstaande medewerkers worden gearresteerd en in de gevangenis van Haaren opgesloten.

Krachtdadig (lijdelijk) verzet wordt ook geboden in het (protestantse) noordwesten van de provincie: in de Langstraat met plaatsen als Waalwijk en Drunen en Sprangkapelle. Ten noorden daarvan vormt het Land van Altena een brandhaard, in plaatsen als Woudrichen, Werkendam en niet te vergeten (het gereformeerde) Almkerk, waar een woedende menigte probeert een aantal arrestanten uit het gemeentehuis te bevrijden. In Werkendam, de geboorteplaats van Anton Mussert, wordt een straatweg opgebroken. De woede van de Duitsers is gewekt. Burgemeester J. de Bruyne wordt gedwongen een lijst met namen van tien gijzelaars op te stellen. Hij noteert zijn eigen naam als eerste, de drie plaatselijke predikanten volgen zijn voorbeeld. Maakt dit opofferende gebaar ook op de Duitsers indruk? Zij delen een waarschuwing uit, maar laten vervolgens de zaak lopen.

Limburg

Tenslotte Limburg. Op het - meer gemoedelijke en minder spontane – platteland wordt nauwelijks gestaakt. Maar des te meer, krachtig en zelfbewust, in stedelijke gebieden: in Weert en Roermond, in Sittard-Geleen, in de hele mijnstreek, en niet in de laatste plaats in Maastricht. In de provinciale hoofdstad heerst aanvankelijk een zekere uitgelatenheid, met cafébezoekers die elkaar op de schouder slaan en anti-Duitse moppen vertellen. Buren laten elkaar tijdens Sperrzeit, ‘s avonds na 8 uur, naar muziek luisteren, geproduceerd door voor open vensters geplaatste grammofoons. Maar als op zondag 2 mei de eerste doodvonnissen worden gepubliceerd, slaat de vrolijkheid om in gelatenheid.

In Roermond neemt een groepje illegalen bij de Centrale Controle Dienst (CCD) het voortouw, waarbij de oud-KNIL-officier Rob Bierman op de voorgrond treedt. Als hem ter ore komt dat enkele gegijzelde collega’s zullen worden geëxecuteerd wanneer hij zichzelf niet aangeeft, meldt hij zich bij de SD. Hij wordt op zondag 2 mei standrechtelijk doodgeschoten.

De mijnen vormen een opmerkelijke stakingshaard. Al op de eerste dag, donderdag 29 april, besluiten duizend man van de staatsmijn “Maurits” als nachtploeg niet aan het werk te gaan. De ‘kompels’ van andere (staats- en particuliere) mijnen sluiten zich bij hen aan. Onder mijnwerkers bestaat een grote mate van solidariteit. In de nacht van vrijdag 1 op zaterdag 2 mei worden veel leidinggevenden van hun bed gelicht. De (hoofd)directeuren worden onder sterke druk gezet om lijsten met namen van stakers in te leveren. Zij weigeren hardnekkig, ondanks ernstige bedreigingen, maar moeten uiteindelijk toegeven. Als zij op maandag niet aan de eis voldoen, zullen – zo luidt het dreigement – nog dezelfde dag alle arrestanten uit de mijnstreek worden geëxecuteerd. De hoofddirecteur van de Staatsmijnen, ir. D.P. Ross van Lennep, en mogelijk ook andere leidinggevenden vullen achter de naam van elke staker een gefingeerde reden voor zijn afwezigheid in Op aandrang van de directies gaan de mijnwerkers op dinsdag weer aan het werk. Rauter ziet er van af om de doodvonnissen tegen tien gearresteerden te bekrachtigen. Op het nippertje ontsnappen zij aan de kogel. (zie eerder)


Rol van de NSB

NSB-leiding

Voor de leiding van de NSB komt het bericht van de terugvoering van de krijgsgevangenen als een even grote verrassing als voor ieder ander. Hitler mocht Mussert, de leider van de NSB, dan wel tot “Leider van het Nederlandse volk” hebben gebombardeerd, bij Seyss-Inquart heeft hij als het er op aankomt niets in te brengen. Het ontbreken van enig overleg wordt op het NSB-hoofdkwartier aan de Utrechtse Maliebaan overigens als een geluk bij een ongeluk beschouwd. Nu kon Mussert met goed fatsoen stellen dat het een zuiver Duitse maatregel betrof waarmee de NSB niets uitstaande had. Het hoogste kader vraagt zich vertwijfeld af of de NSB nog wel toekomst heeft. De partij moet nu toch wel het laatste restje sympathie onder de bevolking hebben verspeeld. De als gematigd bekende staande vertrouweling van de ‘Leider’, de Rotterdamse burgemeester ir. F.E. Muller, staat op het standpunt dat de Duitsers “de laatste weg naar het hart van het goedwillende deel van de bevolking hebben versperd”. Maar slechts enkele dagen later informeert de ‘politiek leider van de burgemeesters’ per telex de SD in Berlijn hoe de kaarten er op dat ogenblik bij liggen. Hij zit weer op het oude spoor. Mussert hervindt zich eveneens en noemt de afkondiging van het standrecht in het eerste nummer van “Volk en Vaderland” na de stakingen “een politiemaatregel die helaas nodig was”. De stakingen zelf doet de man die zichzelf als de beschermer van de Nederlandse belangen beschouwt, af als “dwaasheden”. Voor zijn volgelingen is daarmee de discussie gesloten. In de volgende weken zullen verscheidene functionarissen, onder wie ook officials die aanvankelijk op matiging hebben aangedrongen, voor de Duitsers rapporten schrijven waarin personen en bedrijven worden genoemd die voor de onlusten verantwoordelijk moeten worden gesteld.

NSB-burgemeesters

In een moeilijk parket verkeren de burgemeesters. Zij dreigen tussen wal en schip bekneld te raken, ook de NSB-ers onder hen. De laatsten kunnen niet over één kam worden geschoren. Daar was, om een enkel voorbeeld te noemen, de burgemeester van Kollumerland, boer Gerben Feitsma, die rustig en gematigd optrad en alles in het werk stelde om escalatie te voorkomen. Tegelijkertijd was daar de burgemeester van Sneek, J.R.J. Schut, een voormalig predikant, die eigener beweging telefonisch contact met de SD in Leeuwarden opnam om door te geven wat een bezoeker hem had verteld, namelijk: “In Oudega (Wymbritseradeel) is een soort revolutie uitgebroken.” De snel gearriveerde Grüne Polizei neemt hem mee om in het dorp schuldigen aan te wijzen.

De burgemeester van Oost-Dongeradeel (Friesland), A. IJkema, algemeen bekend als “Domme Auke”, raakt in het nauw wanneer hij twee ‘raddraaiers’ in het gemeentehuis in Metslawier laat opsluiten. Als zich voor het gebouw een menigte van circa 300 dorpelingen verzamelt en hun vrijlating eist, laat hij door de deur op de demonstranten schieten.

De NSB-burgemeester van Nieuwe-Pekela (Groningen) krijgt het Spaans benauwd wanneer een menigte het gemeentehuis binnendringt en het gemeentepersoneel dwingt het werk neer te leggen. In zijn kamer rukken een paar mannen het portret van Mussert van de muur, slaan dat op zijn hoofd stuk en hangen hem de lijst om de hals. Vervolgens wordt hij op een ondiepe plaats het kanaal in geduwd. Hij wordt pas op de wal geholpen wanneer hij z’n NSB-speldje heeft afgedaan en “Oranje boven” heeft geroepen.

Na afloop van de stakingen worden 33 burgemeesters ontslagen en vervangen door heren die de nieuwe orde zijn toegedaan. De meeste hebben daarvoor wel eerst een burgemeesterscursus moeten volgen...

Gewone leden

Evenals tussen de NSB-burgemeesters bestonden ook tussen de ‘gewone’ leden grote verschillen. In Drente waar velen zich al vóór de oorlog achter het vaandel van de NSB hadden geschaard, werden zij soms ontzien en soms buitengesloten. Tijdens de stakingen hielden velen zich op de achtergrond, bang als zij waren het slachtoffer van volkswoede te worden. Maar de woede richtte zich eerder op de Duitse onderdrukker dan op zijn Nederlandse handlangers. De vertegenwoordiger van de rijkscommissaris in Drente is de enige onder de Beauftragten die er in z’n rapportage melding van maakt dat hij ook in NSB-gelederen anti-Duitse gevoelens heeft waargenomen. Naast degenen die het maar het verstandigst vonden zich gedeisd te houden, waren er die van harte de vijand actieve hulp boden door SD en Grüne Polizei op ‘oproerlingen’ opmerkzaam te maken en hun huizen aan te wijzen. In het algemeen was de Beauftragte in Drente het met zijn collega’s eens dat de NSB “goede diensten” had verleend.

De collaboratie had een overwegend individueel karakter; collectieve actie is er weinig gevoerd, al vermeldde de plaatsvervangend Bevollmächtigte voor Gelderland in zijn rapport dat de districtsleider van de NSB zich samen met zijn mannen ter beschikking had gesteld. “De WA verscheen zonder aansporing in uniform en verleende vooral in afgelegen streken goede diensten.” Ook in Eindhoven weerden NSB-ers zich geducht. De uit de Landwacht gerekruteerde Hulppolitie werd belast met de bescherming van partijbonzen en partijgebouwen. Van gewapend optreden tegen landgenoten is niets bekend.


Afloop

Rauter tevreden

Hanns Rauter is in de weken na de stakingen een tevreden man. In luttele dagen heeft hij de klus geklaard, die Sache bereinigt, rust en orde (sic) hersteld. Op 15 mei kan hij de standgerechten opheffen. De hoogste baas van de SS in Nederland is weer Herr der Lage. Hij heeft dat bereikt, stelt hij met voldoening vast, zonder dat hij op de (concurrerende) Wehrmacht een beroep heeft behoeven te doen. Op 9 mei schrijft Reichsführer-SS Heinrich Himmler aan Rauter een brief waarin hij tegenover hem en zijn mannen z’n grote waardering (volle Anerkennung) uitspreekt voor hun “omzichtig en daadkrachtig optreden (durchgreifen) bij de door een misdadige emigrantenregering beraamde algemene staking en het snelle neerslaan daarvan”. (Quasi-)bescheiden antwoordt z’n ondergeschikte: “Wir haben unsere Pflicht getan.” Kort daarna wordt hij van SS-Gruppenführer (luitenant-generaal) tot SS-Obergruppenführer (generaal) bevorderd. Binnen de SS is hij nu in rang de gelijke van de rijkscommissaris.(Na de oorlog, op 4 mei 1948, staat Rauter terecht voor het Bijzonder Gerechtshof te Den Haag. Het tegen hem uitgesproken doodvonnis werd eerst op 12 januari 1949 bevestigd en vervolgens tenuitvoergelegd.)

Stakingen mislukt?

Zijn de April-/Meistakingen op een mislukking uitgelopen? Als “stoot tegen de vijand”, als “verijdeling van ’s vijands oogmerken”, waren ze dat volgens Henk van Randwijk, hoofdredacteur van het illegale “Vrij Nederland”, onmiskenbaar. Ze hadden volgens hem getuigd van een “heldhaftige onbezonnenheid”. Van Heuven Goedhart schreef echter in “Het Parool” dat kon worden teruggezien op dagen “waarin wij dieper ademhaalden dan we in jaren hebben gedaan; enkele momenten was de angstpsychose doorbroken en voelden wij ons geen onderdanen van een schrikbewind, maar moedige, bevrijde mensen, plotseling voortgestuwd door een onzichtbaar onderling verband.” Dat was kennelijk voor hem voldoende.

Nadat het verzet de kop in was gedrukt, heerste er onder de bevolking aanvankelijk grote neerslachtigheid. Die moest men te boven komen. Men sprak elkaar moed in met de vaststelling dat de stakingen in elk geval een indrukwekkende protestdemonstratie van de brede massa waren geweest, een protest dat móest klinken ongeacht de uitkomst. Dat protest had luid en duidelijk geklonken, nu kon men weer aan het werk gaan. Maanden later – en zeker na de oorlog - kwam men tot de conclusie dat de stakingen de geest van verzet hadden aangewakkerd en de illegaliteit in kracht en omvang was toegenomen. De Nederlanders lieten zich niet zonder verzet naar de slachtbank slepen. Veel meer mensen dan voorheen waren bereid om met gevaar voor eigen leven onderduikers in huis op te nemen en illegale bladen te distribueren. De meest driesten verrichtten sabotagedaden, overvielen distributiekantoren om bonkaarten voor onderduikers te bemachtigen of gevangenen te bevrijden of ontplooiden andere activiteiten, individueel dan wel collectief, om de gehate vijand afbreuk te doen. Chroniqueurs als L.de Jong spreken van een ommekeer in de oorlog, die vanaf dat ogenblik overigens alleen maar grimmiger zou worden.

Dat Rauter de situatie weer volledig onder controle had, betekende niet dat de rust in Nederland weerkeerde. Al op 7 mei werden alle mannen tussen de 18 en de 35 gelast om zich op een arbeidsbureau te laten registreren. Een week later meende de bezetter aan de ‘Engelse gifzender’ een rake klap uit te delen met de verordening dat alle radiotoestellen moesten worden ingeleverd. De meeste werden in de tuin begraven of in een hoekje op zolder zorgvuldig verborgen. Naar schatting werd niet meer dan één op de vijf radio’s ingeleverd, bij voorkeur een kaduke. Boter- en vleesrantsoenen werden verlaagd.

Maar dat is het vervolg van dit verhaal. In de volgende twee jaar moest – om een woord van de dichter Camphuysen over te nemen – nog heel wat leed geleden, nog heel wat strijd gestreden zijn alvorens de tirannie van Seys-Inquart, Rauter en hun trawanten was verdreven.


Stakingen mislukt?


Bronnen

Boeken


Versie: 20-11-2010 Artikel door: Henk van der Molen

Deze website is een initiatief van STIWOT (Stichting Informatie Wereldoorlog Twee) Alle rechten voorbehouden © 2002--2018
Directe link: http://www.go2war2.nl/artikel/2147/April-meistakingen-van-1943.htm