Gerstein, Kurt

Vooroorlogse jaren

Inleiding

Eén van de meest opmerkelijke Duitse verzetsmensen is de protestantse mijnbouwkundige Kurt Gerstein. Als SS-officier was hij medeverantwoordelijk voor de levering van Zyklon-B aan Auschwitz. In vernietigingskamp Belzec was hij er getuige van hoe honderden Joden vergast werden. Geschokt door wat hij toen zag, zocht hij contact met vertegenwoordigers van neutrale landen, de katholieke en protestantse kerk en het Nederlandse verzet. Hij hoopte dat zijn getuigenis wereldwijd openbaar gemaakt zou worden en dat wereldleiders, waaronder de paus, zich zouden uitspreken tegen de genocide. Maar in plaats daarvan stuitte hij op ongeloof en onverschilligheid.

Dit artikel is een samenvatting van het boek 'De boodschapper uit de hel' van dezelfde auteur.

Jeugd- en studiejaren

Kurt Gerstein werd op 11 augustus 1905 in Münster in Westfalen geboren. Zijn vader, Ludwig Gerstein, was rechter en kwam uit een gerespecteerde Lutherse familie van artsen, juristen en ondernemers. Samen met zijn vrouw, Clara Gerstein Schmemann, kreeg hij zeven kinderen, waarvan Kurt de zesde was. Kurt was geen makkelijke leerling; hij haalde slechte cijfers, spijbelde en was een grappenmaker in de klas. Ook thuis was hij niet makkelijk en gold hij als het zwarte schaap. Opvallend genoeg zocht juist deze opstandige jongeman toenadering tot het christendom en groeide hij uit tot inspirerend jeugdleider in de protestantse jeugdbeweging.

De opmars van de NSDAP ging niet aan de Gersteins voorbij. Ludwig Gerstein liet zijn zoons op 1 mei 1933 lid worden van de partij. Kurt werd vijf maanden later ook lid van de Sturmabteilung (SA). Kort na de machtsovername leek hij ervan overtuigd te zijn dat hij zijn geloof kon verenigen met loyaliteit aan de partij. Daar kwam verandering in toen de nazi’s een steeds meer antikerkelijk beleid gingen voeren. Hij protesteerde tevergeefs tegen de opname van protestantse jeugdorganisaties in de Hitlerjugend. Tot een openlijke confrontatie tussen Gerstein en nationaalsocialisten kwam het op 30 januari 1935 in het stadtheater van Hagen waar het antichristelijke theaterstuk Wittekind opgevoerd werd. Toen één van de toneelspelers zich in negatieve woorden uitsprak over Christus uitte hij luidkeels zijn protest, waarna partijleden hem een "behoorlijk pak slaag" gaven.

Conflicten met het regime

Intussen was Gerstein in juni 1931 afgestudeerd als ingenieur. Hij studeerde verder om in november 1935 een nog hogere graad in de mijnbouwkunde (Bergassessor) te behalen. Diezelfde maand verloofde hij zich in Berlijn met domineesdochter Elfriede Bensch met wie hij in 1937 zou trouwen. In 1936 trad hij in dienst als rijksambtenaar bij de Saarmijnen. Daar zou hij slechts enkele maanden werken, want op 24 september 1936 werd hij in Saarbrücken gearresteerd door de Gestapo. Hij was aangegeven bij de beruchte geheime politiedienst nadat hij een grap op zijn werk had uitgehaald met de uitnodigingen voor een bijeenkomst van de Vereniging van Duitse Mijnwerkers. De tekst bevatte enkele satirische opmerkingen die beledigend opgevat konden worden door partijleden. Bij een huiszoeking in zijn woning werden brieven en christelijke regime-kritische pamfletten aangetroffen die Gerstein had willen verspreiden onder medewerkers van justitie en ministeries. Hij zat zes maanden gevangen, verloor zijn baan bij de Saarmijnen en werd oneervol uit de NSDAP gezet.

Al vlot na zijn vrijlating probeerde Gerstein gerehabiliteerd te worden in de partij. Zijn eerste poging was tevergeefs en nu hij werkloos was, begon hij in december 1936 een studie medicijnen aan het Deutsches Institut für Ärtzliche Mission in Tübingen. Daar kwam hij in aanraking met een groep Duits-nationalistische Hitler-opponenten, wat hem opnieuw problemen opleverde met de autoriteiten. In mei 1937 kreeg hij een spreekverbod voor het hele rijksgebied en ongeveer een jaar later werden hij en andere leden van de groep gearresteerd. Op 14 juli 1938 werd Gerstein gevangen gezet in kamp Welzheim, waar hij zes en een halve week vastzat. Dankzij hulp van een protestantse Gestapo-medewerker werd Gerstein op 28 augustus 1938 vrijgelaten uit het kamp. Murw geslagen gedurende zijn gevangenschap onthield hij zich voorlopig van oppositionele activiteiten.

Geholpen door zijn vader probeerde Gerstein zich opnieuw te rehabiliteren in de partij. In augustus 1940 bezocht hij het Braune Haus, het partijhoofdkwartier van de nazi’s in München, waar hij te horen kreeg dat enkel Hitler zelf over volledige rehabilitatie besluiten kon, maar dat die op dat moment geen verzoeken in behandeling nam. Een ambtenaar van het hoogste partijgerechtshof gaf aan dat Gerstein om zijn zaak geloofwaardiger te maken zich moest bewijzen als een ware nationaalsocialist. Een mogelijkheid daartoe was om toe te treden tot de Schutzstaffel (SS). Lidmaatschap van de NSDAP was geen vereiste om lid te worden. Waarschijnlijk datzelfde jaar nog (1940) meldde hij zich als vrijwilliger.


Nazi en verzetsman

Aansluiting bij de SS

In het voorjaar van 1941 trad Kurt Gerstein in dienst van de Waffen-SS. Zelf beweerde hij dat zijn lidmaatschap een weloverwogen daad van verzet was. Hij wilde van binnenuit meer te weten komen over de activiteiten van de SS. Mede bepalend voor zijn indiensttreding was volgens hem de dood van zijn geesteszieke schoonzus Bertha Ebeling in de psychiatrische inrichting in Hadamar. Ze was het slachtoffer geworden van het geheime nazi-euthanasieprogramma dat in het Rijk tussen oktober 1939 en augustus 1941 het leven kostte van 80.000 of meer geestelijk gehandicapten. Zijn aanmelding bij de SS vond in werkelijkheid echter al plaats voordat hij wist van haar dood in het begin van 1941.

Van maart tot juni 1941 volgde Gerstein een militaire basisopleiding in Hamburg-Langenhorn, Arnhem en Oranienburg. In de tijd dat hij in Arnhem verbleef, bezocht hij regelmatig een oude vriend, de Nederlandse ingenieur Herman Ubbink met wie hij eind jaren ’20 in de christelijke studentenvereniging in Aken had gezeten. Hij bleek zijn kritiek op de nazi’s niet volledig ingeslikt te hebben. “Onze gesprekken hadden als onderwerp de oorlog en het nationaalsocialisme”, aldus Ubbink. “Daarbij toonde hij zich als een zeer grote tegenstander van het nationaalsocialisme.”

Gerstein sloot zijn trainingsperiode met succes af. Vanwege zijn gecombineerde technische en medische kennis werd hij in juni 1941 overgeplaatst naar het Hygiene-Institut der Waffen-SS. Het instituut hield zich onder meer bezig met onderzoek op het gebied van chemie, parasitologie, bacteriologie en waterhygiëne. Binnen het instituut werkte hij persoonlijk aan twee succesvolle projecten ter verbetering van de hygiëne aan het front: een mobiele ontluizingsinstallatie voor uniformen en ander wasgoed en een mobiele installatie voor het filteren en desinfecteren van water. Zijn superieuren waren tevreden met Gerstein en in november 1941 werd hij bevorderd tot SS-Untersturmführer.

In januari 1942 werd Gerstein benoemd tot chef van de door hemzelf ontwikkelde afdeling Gesundheitstechnik, waar hij onder meer verantwoordelijk was voor het desinfecteren met hooggiftige gassen. Het was die verantwoordelijkheid die hem in aanraking bracht met de uitroeiing van de Joden in de vernietigingskampen in Polen. Volgens Gerstein begon het met een bezoek van SS-Sturmbannführer Rolf Günther op 8 juni 1942. Deze was de plaatsvervanger van Adolf Eichmann, de leider van de afdeling binnen het Reichssicherheitshauptamt die zich bezighield met de coördinatie van de deportaties van de Europese Joden naar de vernietigingskampen. “Hij [Günther] gaf mij de opdracht om meteen een uiterst geheime rijksbestelling van 100 kg blauwzuur te leveren”, zo beweerde Gerstein, “en deze met een auto te brengen naar een onbekende locatie, die alleen bekend was bij de bestuurder van de auto.” Enkele weken na het bezoek van Günther, in augustus 1942, vertrok Gerstein op zijn speciale missie. Gersteins reisgenoot was SS-Obersturmbannführer Wilhelm Pfannenstiel, een professor in hygiënekunde en bacteriologie.

Belzec

Voordat het tweetal het geheime reisdoel Belzec bezocht, werden twee andere locaties aangedaan. Eerst moest er een voorraad Zyklon-B, dat geleverd werd in verzegelde blikken, opgehaald worden in Kolin, vlakbij Praag. Kaliwerke Kolin A.G. was één van de producenten van dit gifgas dat in Auschwitz en Majdanek gebruikt werd om Joden te vergassen. Dat Zyklon-B gebruikt werd voor het doden van mensen was al bij Gerstein bekend, want hij schreef aan het eind van de oorlog in een rapport dat hij “in de fabriek opzettelijk [had] laten doorschemeren dat het zuur voor het doden van mensen bedoeld was.”

Na het bezoek aan de fabriek was Lublin in het oosten van het Generalgouvernement het volgende reisdoel. Daar ontmoetten ze SS-Brigadeführer Odilo Globocnik, wiens hoofdkwartier als SS- und Polizeiführer van het Lublin-district in de stad gevestigd was. Hij voerde de leiding over Aktion Reinhard, de uitroeiing van de Joden in het Generalgouvernement. Globocnik vertelde Gerstein over de gaskamers van de vernietigingskampen Belzec, Sobibor en Treblinka waar de Joden in gaskamers werden gedood door middel van koolmonoxide uit het uitlaatgas van motoren. Door Gerstein moest onderzocht worden of daarvoor in de plaats Zyklon-B gebruikt kon worden. Na het bezoek aan Globocnik reisden Gerstein en Pfannenstiel naar Belzec, waar ze het vernietigingsproces in de praktijk zouden zien.

Nadat in februari 1942 enkele kleine transporten met Joden waren gebruikt om te experimenteren met de efficiency en de capaciteit van de gaskamers, was Belzec sinds 17 maart officieel operationeel. Van midden maart tot midden juni 1942 werden er al circa 93.000 Joden omgebracht. De eerste commandant van het kamp was SS-Hauptsturmführer Christian Wirth. Op de tweede dag van hun bezoek aan Belzec maakten Gerstein en Pfannenstiel kennis met hem. Wirth toonde hen hoe die ochtend een transport met Joden in het kamp “verwerkt” werd. Volgens Gerstein betrof het een trein vanuit Lemberg, bestaande uit 45 wagons met 6.700 mensen, waarvan er 1.450 bij aankomst al dood waren. De vergassing duurde langer dan gebruikelijk, omdat de motor die de uitlaatgassen produceerde weigerde. Volgens Gerstein duurde het bijna 3 uur voordat die werkte en daarna was nog ongeveer een half uur nodig voordat alle mensen gedood waren.

Ondanks dat Gerstein er toevallig getuige van was dat de vergassing vanwege het tijdelijke disfunctioneren van de motor niet probleemloos verliep, werden er geen veranderingen doorgevoerd in het vernietigingskamp. Wirth weigerde over te gaan op het gebruik van Zyklon-B.

Gersteins missie

Gerstein was geschokt door de massamoord waar hij in Belzec getuige van was geweest. Op de terugweg van Polen naar Duitsland ontmoette hij in de sneltrein van Warschau naar Berlijn baron Göran von Otter, de secretaris van het Zweedse gezantschap in Berlijn. Gerstein klampte de diplomaat aan en vertelde hem over datgene wat hij gezien had. Hij hoopte dat Von Otter ervoor kon zorgen dat zijn informatie over de vernietigingskampen, via Zweden, de westelijke geallieerden zou bereiken. De geallieerden konden dan pamfletten boven Duitsland uitstrooien, zodat de hele moordoperatie bekend zou worden onder het Duitse volk, dat vervolgens ertegen in verweer kon komen. Gerstein hoopte dat de nazi-regering dan gedwongen was de uitroeiing te stoppen.

De Zweedse diplomaat stelde een uitvoerig verslag op van zijn gesprek met Gerstein in de trein, dat hij doorgaf aan het gezantschap. Zweden deed echter niets met het rapport en gaf het niet door aan de geallieerden; men was bang om de verhoudingen met Duitsland te schaden. Het land was officieel neutraal, maar als gevolg van de Britse zeeblokkade was het voor de toelevering van noodzakelijke goederen afhankelijk van Duitsland. Behalve via de Zweedse ambassade, zocht Gerstein tal van ingangen om zijn bericht naar de westelijke geallieerden over te brengen. Zo kwam hij in juni 1944 in contact met de persattaché van de Zwitserse ambassade in Berlijn, Paul Hochstrasser, maar ook Zwitserland wilde Duitsland niet provoceren. De Zwitserse neutraliteit werd belangrijker gevonden dan het lot van de Joden.

Kurt Gerstein zocht ook toenadering tot de rooms-katholieke kerk om de paus aan te zetten tot een publieke veroordeling van de uitroeiing van de Joden. Al snel na zijn bezoek aan de vernietigingskampen probeerde hij in contact te komen met de apostolische nuntius, de vertegenwoordiger van het Vaticaan in Duitsland. Toen hij langsging bij de nuntiatuur in Berlijn werd elk onderhoud met hem afgewezen en werd hem dringend verzocht om de pauselijke ambassade te verlaten. Ook de leiding van de katholieke kerk in Duitsland en het Vaticaan wilden hun verhouding met nazi-Duitsland niet op het spel zetten.

Nederlandse verzet

Toen Gerstein in februari 1943 in Duitsland bezoek kreeg van de Nederlander Herman Ubbink zag hij een nieuwe kans om zijn boodschap te verspreiden. Ubbink was de vriend uit de christelijke jeugdbeweging in Aken met wie Gerstein gedurende zijn opleiding voor de SS in Arnhem meerdere keren gesproken had over hun gedeelde afkeer van het naziregime. Gerstein vroeg hem of hij zijn getuigenis door kon geven aan Engeland. Ubbink stemde toe. Hij lichtte een verzetsman in die hij enkel kende onder de schuilnaam Cor. Diens echte naam was Cornelis van der Hooft. Hij was medewerker van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers en was actief voor de verzetskranten Vrij Nederland en Trouw. De verzetsman stelde op 25 maart 1943 aan de hand van Gersteins getuigenis een rapport samen, dat hij voorzag van de titel Tötungsanstalten in Polen. Het bericht werd in Nederland nimmer gepubliceerd door de illegale pers, vermoedelijk omdat het niet geloofd werd.

Een kopie van Gersteins bericht werd door het Nederlandse verzet overgebracht naar Londen. Op 24 april 1943 werd het door de Nederlandse regering in Londen ontvangen. Het duurde tot 16 augustus 1943 voordat minister-president Pieter Gerbrandy de Rijksvoorlichtingsdienst (RVD) de opdracht gaf het door te spelen aan het Inter-Allied Information Committee, het officiële publiciteitsorgaan van de ministeries van Informatie van de geallieerde regeringen in Londen. Ondanks herhaaldelijke aanmaningen van Gerbrandy heeft het comité het verslag waarschijnlijk nooit ontvangen. Gersteins verslag bleef in de Londense archieven liggen, waar het pas in 1992 werd teruggevonden.

Zyklon-B

In dezelfde periode dat Gerstein de wereld tevergeefs probeerde aan te zetten om in verzet te komen tegen de uitroeiing van de Joden, werkte hij paradoxaal genoeg zelf mee aan dit vernietigingsprogramma. Hij voerde technische onderhandelingen met de distributeur van Zyklon-B en bestelde persoonlijk een grote hoeveelheid van dit gifgas. Op 20 april in datzelfde jaar werd hij benoemd tot SS-Obersturmführer. Intussen was hij ook onderscheiden met het Kriegsverdienstkreuz 2.Klasse mit Schwertern.

Over Gersteins precieze activiteiten van 1942 tot 1945 is weinig bekend. Zelf gaf hij later aan dat hij in die periode meerdere concentratiekampen bezocht, waaronder Mauthausen en Auschwitz-Birkenau. Ook zou hij getuige zijn geweest van experimenten op menselijke proefpersonen in vrouwenconcentratiekamp Ravensbrück en was hij ervan op de hoogte dat ook in Buchenwald zulke experimenten plaatsvonden. Meest omstreden is echter zijn betrokkenheid bij de levering van Zyklon-B aan concentratiekampen. Ondanks dat in naoorlogse rechtszaken uitvoerig werd onderzocht of de door Gerstein bestelde hoeveelheid Zyklon-B gebruikt is om mensen te doden, kon daarop geen concreet antwoord gegeven worden.


Overlijden en postume erkenning

In geallieerde handen

Het besef van de misdaden die werden gepleegd door de organisatie waarin hij zelf actief was en het mislukken van zijn pogingen de wereld hierover te waarschuwen, hadden een grote invloed op de gemoedstoestand van Gerstein. Zowel in het voorjaar als in de herfst van 1944 werd hij opgenomen in een ziekenhuis, vermoedelijk vanwege gezondheidsklachten in relatie tot zijn suikerziekte. Terwijl hij gekweld werd door het schuldgevoel waren het vermoedelijk zijn geloof en de wil om na de oorlog getuigenis af te leggen die hem op de been hielden.

In de tweede helft van maart 1945 verliet Gerstein Berlijn. Na kortstondig bij zijn gezin in Tübingen verbleven te hebben, meldde hij zich op 22 april 1945 bij het Franse leger in Reutlingen. Gerstein werd kort daarna door de Franse commandant in Reutlingen naar het zuidelijker gelegen Rottweil am Neckar gestuurd. Hij kreeg een verklaring mee met daarop de volgende tekst: "De bezitter van deze verklaring is geen echte SS’er en mag niet als zodanig behandeld worden, maar met alle tegemoetkomingen." In Rottweil werd hij ondergebracht in hotel Mohren. Hier schreef hij in het Frans een rapport over de massamoord in Belzec, dat hij later vertaalde.

Gevangenschap

In mei verzocht Gerstein de geallieerde autoriteiten om terug te mogen keren naar zijn familie in Tübingen. Zover zou het niet komen, want op 26 mei 1945 werd hij in Rottweil door twee officieren van de Franse inlichtingendienst opgehaald. Zij brachten hem naar Konstanz, gelegen aan de Zwitserse grens. Daarvandaan werd hij begin juni overgebracht naar Parijs, dat al sinds augustus 1944 bevrijd was. Ongeveer een maand lang werd hij in de Franse hoofdstad vastgehouden in een gebouw aan de Rue de Villejust, dat de Franse inlichtingendienst toebehoorde. Hij werd meerdere keren verhoord. Gerstein werd niet langer beschouwd als een belangrijke getuige; er werd integendeel overwogen hem als verdachte van oorlogsmisdaden te vervolgen. Gerstein werd op 5 juli overgebracht naar de Parijse militaire gevangenis Cherche-Midi. Er werd een onderzoek naar hem geopend "wegens moord en medeplichtigheid aan moord".

In de namiddag van 25 juli 1945 werd Gerstein dood in zijn cel aangetroffen. Volgens de officiële versie kwam Kurt Gerstein om door zelfmoord. Er zijn echter ook mensen, waaronder zijn eigen vrouw, die niet geloofden dat hij zelfmoord gepleegd heeft. Ze zijn ervan overtuigd dat hij vermoord is door zijn bewakers of door Duitse medegevangenen die wilden voorkomen dat hij zou spreken over de nazimisdaden. Concreet bewijs hiervoor ontbreekt evenwel. Waarschijnlijk had hij in de eenzaamheid van zijn cel alle hoop verloren, al zijn inspanningen waren voor niets geweest; zelfmoord leek de enige uitweg.

Oorlogsmisdadiger

Na zijn dood werd het lichaam van Kurt Gerstein op 3 augustus 1945 begraven op de begraafplaats van de gemeente Thiais vlakbij Parijs. Tot aan de jaren zestig was in het naoorlogse Duitsland vrijwel niemand geïnteresseerd in het lot en de verzetsactiviteiten van Gerstein. Ook de Duitse overheid betoonde weinig waardering voor Gersteins verzetsactiviteiten. Toen zijn vrouw in oktober 1949 haar pensioen aanvroeg, rees de vraag of de weduwe van een voormalig partijlid en SS-officier daar wel voor in aanmerking mocht komen. De rol van haar man werd daarom in 1950 onderzocht door het denazificatietribunaal in Tübingen. Kurt Gerstein werd op 16 november 1950 postuum veroordeeld tot Belastete, de op één na zwaarste categorie waarin Duitsers ingedeeld konden worden door een denazificatietribunaal. De rechtbank kende groot gewicht toe aan Gersteins betrokkenheid bij de levering van Zyklon-B aan Auschwitz.

Elfriede Gerstein had als gevolg van deze uitspraak geen recht op een pensioen, maar veel erger vond ze het dat haar man beschouwd werd als een oorlogsmisdadiger. Ze tekende beroep aan, maar de hogere rechtbank kwam tot hetzelfde vonnis: het bestellen van Zyklon-B bij Degesch maakte Gerstein medeschuldig aan moord, omdat hij wist waarvoor het gas gebruikt werd. Elfriede liet de zaak enkele jaren rusten, maar in de zomer van 1954 diende ze een verzoek tot gratie voor haar man in bij de minister-president van Baden-Württemberg. Dat werd afgewezen, maar wel werd besloten dat de familie Gerstein niet langer hoefde op te draaien voor de proceskosten.

Rehabilitatie

Intussen was in 1953 Gersteins getuigenis van de vergassing in Belzec voor het eerst in Duitsland gepubliceerd door de historicus Hans Rothfels. Hij beschreef Gerstein als een consequente verzetsstrijder die "ondanks zijn vroegere partijlidmaatschap een hartstochtelijke, ethisch-religieuze en uitdrukkelijke tegenstander van de nationaalsocialistische kerken- en rassenpolitiek" geweest was. Van grote invloed op Gersteins bekendheid was het toneelstuk Der Stellvertreter uit 1963 van Rolf Hochhuth. Het was uitgesproken kritisch over het handelen van paus Pius XII tijdens de oorlog en riep de vraag op waarom hij niets gedaan heeft om de deportaties naar de vernietigingskampen te doen stoppen. In het sterk geromantiseerde stuk werd Gerstein opgevoerd als het tegenovergestelde van de paus; zijn moedige handelen werd afgezet tegenover de misdaden en lafheid van anderen. Het toneelstuk droeg er sterk aan bij dat de publieke opinie in Duitsland in het voordeel van Kurt Gerstein keerde.

Tegelijk met alle aandacht begon er een campagne voor de rehabilitatie van Kurt Gerstein. Die werd niet alleen gesteund door vrienden van Gerstein en protestantse geestelijken, maar ook door de secretaris-generaal van de Centrale Raad van Joden in Duitsland. In 1965 volgde uiteindelijk de rehabilitatie van Gerstein. Op 20 januari 1965 werd hij door Kurt Georg Kiesinger, de minister-president van Baden-Württemberg, die later van 1966 tot 1969 bondskanselier was, ingedeeld in de groep Nichtbelastete (onschuldigen). Gerstein was, zo verklaarde Kiesinger, een man geweest "die probeerde de opdracht van zijn geweten te vervullen".


Aansluiting bij de SS

Vermoedelijk op 20 maart 1941 trad Kurt Gerstein in dienst van de SS met lidnummer 417460. Om precies te zijn werd hij lid van de Waffen-SS. Zelf beweerde hij dat zijn lidmaatschap een weloverwogen daad van verzet was. Mede bepalend voor zijn indiensttreding was volgens hem de dood van zijn geesteszieke schoonzus Bertha Ebeling in de psychiatrische inrichting in Hadamar. Haar moeder had begin 1941 vernomen dat Bertha vanuit een sanatorium naar Hadamar gebracht was en dat ze daar het slachtoffer was geworden van een epidemie. Vanwege besmettingsgevaar had men haar lichaam moeten verbranden. De as werd aan het stadsbestuur van Saarbrücken overgedragen en op 20 februari 1941 werd de urn door de familie bijgezet.

In werkelijkheid was Gersteins schoonzus het slachtoffer geworden van het geheime nazi-euthanasieprogramma dat in het Rijk tussen oktober 1939 en augustus 1941 het leven kostte van 80.000 of meer geestelijk gehandicapten. Omdat zij als een belasting voor de samenleving werden gezien, werden ze vergast in speciaal daarvoor opgerichte instellingen. Hun dood bespaarde de samenleving 885.439.980 Rijksmark over een periode van tien jaar, zo werd geschat in een nazi-rapport. Op 24 augustus 1941 beval Hitler mondeling tot het stopzetten van het programma, nadat er een serieus protest tegen op gang was gekomen. De grote aantallen sterfgevallen hadden achterdocht onder de bevolking gewekt en het programma kon niet langer geheim gehouden worden. Eén van de belangrijkste aanvoerders van het protest tegen het euthanasieprogramma was de katholieke bisschop van Münster Clemens von Galen die op 3 augustus 1941 zijn befaamde anti-euthanasiepreek hield.

Kurt Gerstein verklaarde na de oorlog dat hij in 1940 door de bisschop van Stuttgart op de hoogte gebracht was van het vermoorden van geestelijk gehandicapten. “Toen ik over de start van de euthanasie op geestelijk gehandicapten in Grafeneck en Hadamar en elders hoorde,” zo schreef hij aan het eind van de oorlog, “besloot ik in elk geval te proberen om deze ovens en kamers van binnen te zien, om te weten te komen wat daar gebeurde.” Volgens hem was zijn indiensttreding van de SS een doelbewuste daad van verzet. Er zijn echter argumenten die enige twijfel doen ontstaan over deze bewering. De dood van zijn schoonzus kan in elk niet zijn motief zijn geweest, want zijn aanmelding bij de SS vond al plaats voordat hij wist van haar dood begin 1941. Gersteins aanmelding vond vermoedelijk plaats in 1940, maar pastoor Heinz Schmidt, een vriend van Gerstein uit de evangelische jeugd, beweerde dat Gerstein en hij al eind 1939, na de Duitse veldtocht in Polen, de gedachte hadden om tot de Waffen-SS toe te treden omdat “men toch enkel van binnenuit de dingen bijstellen kon.” Ze hadden ervan afgezien, omdat hun ideeën als “irreëel overkwamen”. Dat was dus op het moment dat het euthanasieprogramma nog maar net gestart was en Gerstein er nog niet van op de hoogte was.

Het is aannemelijk dat Gerstein al sinds 1939 overwogen had om lid te worden van de SS en dat hij het definitieve besluit nam vóór de bijzetting van het stoffelijk overschot van zijn schoonzus. Haar plotselinge overlijden onder verdachte omstandigheden vormde voor hem waarschijnlijk een extra aanmoediging om in dienst te treden van de SS. Enige terughoudendheid moeten we hier echter wel in acht nemen, want zijn wens om binnen de NSDAP gerehabiliteerd te worden geeft tegelijkertijd de indruk dat hij nog steeds het verlangen koesterde om zijn geloof te kunnen combineren met steun aan het nationaalsocialisme. Ook is het niet goed verklaarbaar waarom hij dacht in de Waffen-SS de kans te hebben om meer te weten te komen van het euthanasieprogramma. Weliswaar was de SS hierbij actief betrokken, maar in de Waffen-SS was de kans groter dat hij aan het front was beland, waar hij niets te weten had kunnen komen en geen enkele verzetsactiviteit had kunnen uitvoeren. Daarom lijkt Gersteins indiensttreding van de SS niet eenduidig voortgekomen te zijn uit de wil om verzet te bieden. Veel meer lijkt het een samenloop van meerdere redenen: enerzijds was het gunstig voor zijn rehabilitatie in de partij en bood het hem de kans om zich voor zijn vaderland te kunnen inzetten. Anderzijds was zijn kritiek op de partij niet verdwenen en wilde hij van binnenuit meer te weten komen over de activiteiten van de SS.


Carrière binnen het Hygiene-Institut

Wat zijn exacte motief voor zijn indiensttreding in de SS ook geweest was, voor iemand met zijn verzetsachtergrond lijkt Gerstein zich binnen de organisatie opvallend snel thuis gevoeld hebben. Van maart tot juni 1941 volgde hij een militaire basisopleiding in Hamburg-Langenhorn, Arnhem en Oranienburg. Tegen zijn vader en broers sprak hij over de warmte en kameraadschappelijke mentaliteit die er heerste en de uitstekende betrekkingen tussen officieren en rekruten. Zijn kritiek op het nazi-regime was echter niet helemaal verdwenen. In de tijd dat hij in Arnhem verbleef, bezocht hij namelijk ook regelmatig een oude vriend, de Nederlandse ingenieur Hermann Ubbink met wie hij eind jaren ’20 in de christelijke studentenvereniging in Aken had gezeten. “Onze gesprekken hadden als onderwerp de oorlog en het nationaalsocialisme”, aldus Ubbink. “Daarbij toonde hij zich als een zeer grote tegenstander van het nationaalsocialisme.” De Nederlander herinnerde zich in het bijzonder één opmerkelijke uitspraak van Gerstein. Hij zou gezegd hebben: “We moeten deze oorlog verliezen: beter een honderdvoudig Versailles dan dat deze misdadigersbende blijft. Wat helpt het een volk als het de hele wereld overwint, maar zijn ziel schade lijdt?”

Gerstein sloot zijn trainingsperiode met succes af. “G. is bijzonder goed geschikt voor alle taken, opleidingsbekwaam en zelfverzekerd […] Hij is gedisciplineerd en heeft autoriteit”, aldus een rapport van 5 mei 1941, opgesteld aan het einde van zijn opleiding. Vanwege zijn gecombineerde technische en medische kennis werd Gerstein in juni 1941 overgeplaatst naar het Hygiene-Institut der Waffen-SS. Het instituut hield zich onder meer bezig met onderzoek op het gebied van chemie, parasitologie, bacteriologie, klimatologie, zoölogie en waterhygiëne. Gerstein werd toegewezen aan de laatstgenoemde afdeling. Binnen het instituut werkte hij persoonlijk aan twee succesvolle projecten ter verbetering van de hygiëne aan het front: een mobiele ontluizingsinstallatie voor uniformen en ander wasgoed en een mobiele installatie voor het filteren en desinfecteren van water. Zijn superieuren waren tevreden met Gerstein en in november 1941 werd hij bevorderd tot SS-Untersturmführer.

In januari 1942 werd Gerstein benoemd tot chef van de door hemzelf ontwikkelde afdeling Gesundheitstechnik, waar hij onder meer verantwoordelijk was voor het desinfecteren met hooggiftige gassen. Het was die verantwoordelijkheid die hem in aanraking bracht met de uitroeiing van de Joden in de vernietigingskampen in Polen. Volgens Gerstein begon het met een bezoek van SS-Sturmbannführer Rolf Günther op 8 juni 1942. Deze was de plaatsvervanger van Adolf Eichmann, de leider van de afdeling binnen het Reichssicherheitshauptamt die zich bezighield met de coördinatie van de deportaties van de Europese Joden naar de vernietigingskampen. “Hij [Günther] gaf mij de opdracht om meteen een uiterst geheime rijksbestelling van 100 kg blauwzuur te leveren”, zo beweerde Gerstein, “en deze met een auto te brengen naar een onbekende locatie, die alleen bekend was bij de bestuurder van de auto.” Enkele weken na het bezoek van Günther, in augustus 1942, vertrok Gerstein op zijn speciale missie. Gersteins reisgenoot was SS-Obersturmbannführer Wilhelm Pfannenstiel, een professor in hygiënekunde en bacteriologie.

Voordat het tweetal het geheime reisdoel Belzec bezocht, werden eerst twee andere locaties aangedaan. Eerst moest er een voorraad Zyklon-B, dat geleverd werd in verzegelde blikken, opgehaald worden in Kolin, vlakbij Praag. Kaliwerke Kolin A.G. was één van de producenten van dit gifgas dat in Auschwitz en Majdanek gebruikt werd om Joden te vergassen. Dat Zyklon-B gebruikt werd voor het doden van mensen was al bij Gerstein bekend, want hij schreef aan het eind van de oorlog in een rapport dat hij “in de fabriek opzettelijk [had] laten doorschemeren dat het zuur voor het doden van mensen bedoeld was.”

Na het bezoek aan de fabriek was Lublin in het oosten van het Generalgouvernement het volgende reisdoel. Daar ontmoetten ze SS-Brigadeführer Odilo Globocnik, wiens hoofdkwartier als SS- und Polizeiführer van het Lublin-district in de stad gevestigd was. Hij voerde de leiding over Aktion Reinhard, de uitroeiing van de Joden in het Generalgouvernement. Globocnik informeerde Gerstein over het vernietigingsprogramma en legde hem uit waarom hij zijn hulp ingeroepen had. Ten eerste was zijn hulp nodig bij het desinfecteren van de kleding van de slachtoffers, zodat die hergebruikt kon worden. Zijn tweede opdracht was echter nog belangrijker. “Uw andere nog belangrijkere opdracht”, zo zou Globocnik gezegd hebben, “is de omzetting van onze gaskamers, die nu nog met dieseluitlaatgassen werken, naar een beter en sneller middel, ik denk daarbij in het bijzonder aan blauwzuur.” Hij doelde op de gaskamers van de vernietigingskampen Belzec, Sobibor en Treblinka waar de Joden in gaskamers werden gedood door middel van koolmonoxide uit het uitlaatgas van motoren. Onderzocht moest worden of daarvoor in de plaats Zyklon-B gebruikt kon worden. Na het bezoek aan Globocnik reisden Gerstein en Pfannenstiel naar Belzec, waar ze het vernietigingsproces in de praktijk zouden zien.

Nadat in februari 1942 enkele kleine transporten met Joden waren gebruikt om te experimenteren met de efficiency en de capaciteit van de gaskamers, was Belzec sinds 17 maart officieel operationeel. Van midden maart tot midden juni 1942 werden er al circa 93.000 Joden omgebracht. De eerste commandant van het kamp was SS-Hauptsturmführer Christian Wirth. Op de tweede dag van hun bezoek aan Belzec maakten Gerstein en Pfannenstiel kennis met hem. Wirth toonde hen hoe die ochtend een transport met Joden in het kamp “verwerkt” werd. Volgens Gerstein betrof het een trein vanuit Lemberg, bestaande uit 45 wagons met 6.700 mensen, waarvan er 1.450 bij aankomst al dood waren. Met de smoes dat ze gedesinfecteerd moesten worden, werden de mannen, vrouwen en kinderen naar de gaskamers geleid onder toeziend oog van Gerstein en Pfannenstiel. De vergassing duurde langer dan gebruikelijk, omdat de motor die de uitlaatgassen produceerde weigerde. Volgens Gerstein duurde het bijna 3 uur voordat die werkte en daarna was nog ongeveer een half uur nodig voordat alle mensen gedood waren. Nadat hij zich in april 1945 had gemeld bij de geallieerde autoriteiten schreef Gerstein een gedetailleerd verslag van het vernietigingsproces, dat bekend is komen te staan als het Gerstein rapport.

Ondanks dat Gerstein er toevallig getuige van was dat de vergassing vanwege het tijdelijke disfunctioneren van de motor niet probleemloos verliep, werden er geen veranderingen doorgevoerd in het vernietigingskamp. Wirth weigerde over te gaan op het gebruik van Zyklon-B en vroeg Gerstein “om in Berlijn geen veranderingen aan zijn installaties voor te stellen en alles te laten zoals het was.” Gerstein beweerde dat hij de blikken met het gif vervolgens begroef, “aangezien het zogenaamd bedorven was.” Na het bezoek van Gerstein aan Belzec bezocht hij een dag later, opnieuw onder begeleiding van Christian Wirth, Treblinka. Daar nam hij deel aan een feestmaal dat voor de kampstaf georganiseerd was.


Gersteins missie

Gerstein was geschokt door de massamoord waar hij in Belzec getuige van was geweest. Op de terugweg van Polen naar Duitsland ontmoette hij in de sneltrein van Warschau naar Berlijn baron Göran von Otter, de secretaris van het Zweedse gezantschap in Berlijn. Omdat alle slaapcompartimenten bezet waren, brachten de twee mannen de nacht noodgedwongen door op het gangpad. Gerstein klampte de diplomaat aan en vroeg hem of hij hem “een heftig verhaal mocht vertellen.” “Gaat het om de Joden?” zo zou de baron gevraagd hebben, waarna Gerstein begon aan zijn verslag van wat hij in Belzec gezien had. “Gerstein was slechts met moeite te bewegen om zacht te praten”, zo herinnerde de diplomaat zich. “We stonden de hele nacht samen, zes uur, misschien ook acht uur. En steeds weer sprak Gerstein over datgene wat hij ervaren had. Hij snikte en sloeg zijn handen voor zijn gezicht.” Gerstein hoopte dat Von Otter ervoor kon zorgen dat zijn informatie over de vernietigingskampen, via Zweden, de westelijke geallieerden zou bereiken. De geallieerden konden dan pamfletten boven Duitsland uitstrooien, zodat de hele moordoperatie bekend zou worden onder het Duitse volk dat vervolgens ertegen in verweer kon komen. Gerstein hoopte dat de nazi-regering dan gedwongen was de uitroeiing te stoppen, zoals ook was gebeurd met het euthanasieprogramma.

De Zweedse diplomaat stelde een uitvoerig verslag op van zijn gesprek met Gerstein in de trein, dat hij doorgaf aan het gezantschap. Uit veiligheidsoverwegingen droeg zijn baas, de Zweedse gezant in Duitsland Arvid Richert, hem op om zijn verslag persoonlijk over te brengen naar Zweden. Zo kon het bericht niet opgepikt worden door spionnen die mogelijk op het gezantschap actief waren. Zweden deed echter niets met het rapport en gaf het niet door aan de geallieerden; men was bang om de verhoudingen met Duitsland te schaden. Het land was officieel neutraal, maar als gevolg van de Britse zeeblokkade was het voor de toelevering van noodzakelijke goederen afhankelijk van Duitsland.

Behalve via de Zweedse ambassade zocht Gerstein tal van ingangen om zijn bericht naar de westelijke geallieerden over te brengen. Zo kwam hij in juni 1944 in contact met de persattaché van de Zwitserse ambassade in Berlijn, Paul Hochstrasser, maar ook Zwitserland wilde Duitsland niet provoceren. De Zwitserse neutraliteit werd belangrijker gevonden dan het lot van de Joden. Ook maakte Gerstein meerdere vrienden en kennissen deelgenoot van zijn ervaringen. Zelf beweerde hij rapport uitgebracht te hebben aan “honderden prominente personen”. Dat overdreef hij waarschijnlijk, maar toch bevestigden tal van personen na de oorlog dat Gerstein hen had ingelicht over het vernietigingsprogramma, waaronder de familie van Martin Niemöller (Niemöller zat zelf sinds 1938 in een concentratiekamp). Alle persoonlijke kennissen van Gerstein konden echter weinig beginnen, aangezien velen van hen bij de Duitse autoriteiten bekend stonden vanwege hun kritiek op het nazi-regime en in de gaten gehouden werden door de Sicherheitsdienst of de Gestapo. Niemand van hen durfde de boodschap in Duitsland bekend te maken.

Kurt Gerstein zocht ook toenadering tot de rooms-katholieke kerk om de paus aan te zetten tot een publieke veroordeling van de uitroeiing van de Joden. Al snel na zijn bezoek aan de vernietigingskampen probeerde hij in de zomer van 1942 in contact te komen met de apostolische nuntius, de vertegenwoordiger van het Vaticaan in Duitsland. Toen hij langsging bij de nuntiatuur in Berlijn werd elk onderhoud met hem afgewezen en werd hem dringend verzocht om de pauselijke ambassade te verlaten. De leiding van de katholieke kerk in Duitsland en het Vaticaan wilden hun verhouding met nazi-Duitsland niet op het spel zetten door de uitroeiing van de Joden publiekelijk te veroordelen. Gerstein kon niet bevatten dat de rooms-katholieke kerk niet openstond voor zijn getuigenis. “Zelfs de nuntius in Duitsland weigerde zich te laten informeren over deze ongehoorde schending van de grondslag van het gebod van Jezus: Heb u naaste lief, zoals u uzelf lief hebt”, zo verklaarde hij.

Toen Gerstein in februari 1943 in Duitsland bezoek kreeg van de Nederlander Herman Ubbink zag hij een nieuwe kans om zijn boodschap te verspreiden. Ubbink was de vriend uit de christelijke jeugdbeweging in Aken met wie Gerstein gedurende zijn opleiding voor de SS in Arnhem meerdere keren gesproken had over hun gedeelde afkeer van het nazi-regime. Gerstein vroeg hem of hij zijn getuigenis door kon geven aan Engeland, zodat het bestaan van de vernietigingskampen wereldkundig gemaakt kon worden en ook het Duitse volk ingelicht kon worden over de uitroeiing van de Joden. Ubbink stemde toe. Hij lichtte een verzetsman in die hij enkel kende onder de schuilnaam Cor. Diens echte naam was Cornelis van der Hooft. Hij was medewerker van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers en was actief voor de verzetskranten Vrij Nederland en Trouw. De verzetsman stelde op 25 maart 1943 aan de hand van Gersteins getuigenis een rapport samen, dat hij voorzag van de titel Tötungsanstalten in Polen.

Het rapport kwam terecht onder een dakpan van een kippenhok in het dorpje Sinderen in de Achterhoek. Het kippenhok stond bij de boerderij waar verzetsman Jo Satter tijdens de oorlog woonde. Na de oorlog werd het rapport, op dezelfde plek waar hij het achtergelaten had, teruggevonden door Jo Satter. Na een aflevering van de televisieserie De Bezetting gezien te hebben, stuurde hij in 1966 een kopie van het document aan Loe de Jong, de presentator en samensteller van de serie. De tekst werd een jaar later voor het eerst gepubliceerd, want dat was tijdens de oorlog niet gebeurd. Een mogelijke reden daarvoor is dat er binnen het Nederlandse verzet getwijfeld werd over de geloofwaardigheid van het verslag. Dat was ook de verklaring van Ubbink: “Ik heb me aan mijn belofte gehouden, maar men geloofde toen een zodanig verschrikkelijk verhaal niet.”

Een kopie van Gersteins bericht werd door het Nederlandse verzet ook overgebracht naar Londen. Op 24 april 1943 werd het door de Nederlandse regering in Londen ontvangen. Het duurde tot 16 augustus 1943 voordat minister-president Pieter Gerbrandy de Rijksvoorlichtingsdienst (RVD) de opdracht gaf het door te spelen aan het Inter-Allied Information Committee, het officiële publiciteitsorgaan van de ministeries van Informatie van de geallieerde regeringen in Londen. Ondanks herhaaldelijke aanmaningen van Gerbrandy heeft het comité het verslag waarschijnlijk nooit ontvangen. Gersteins verslag bleef in de Londense archieven liggen, waar het pas in 1992 door een student werd teruggevonden. Waarom het niet gelukt is om het verslag door te geven, is tot op de dag van vandaag niet opgehelderd. Herman Ubbink zou indertijd vanuit Londen via zijn verzetscontacten de boodschap doorgekregen hebben “van de strekking dat hij dit soort gruwelverhalen vóór zich moest houden, want er kon geen geloof aan worden gehecht.” Het is onbekend van wie de reactie afkomstig zou zijn geweest: van de Nederlanders of de Britten.


Betrokkenheid bij de levering van Zyklon-B

In dezelfde periode dat Gerstein de wereld tevergeefs probeerde aan te zetten om in verzet te komen tegen de uitroeiing van de Joden, werkte hij paradoxaal genoeg zelf mee aan dit vernietigingsprogramma. Hij voerde technische onderhandelingen met de distributeur van Zyklon-B en bestelde persoonlijk een grote hoeveelheid van dit gifgas. Hij was tevens een door zijn superieuren gewaardeerde medewerker. Zijn chef Joachim Mrugowsky beoordeelde hem op 19 februari 1943 als volgt: “Gerstein heeft de afdeling gezondheidstechniek vanaf het prille begin opgebouwd en aan zijn kunde en persoonlijke inzet is de ontwikkeling van desinfectie- en drinkwatermachines voor de Waffen-SS te danken. Tijdens zijn werk heeft hij met bijzonder veel rijksautoriteiten en legerinstanties samengewerkt, alle moeilijkheden overwonnen en zich in zijn werk voortreffelijk bewezen.” Op 20 april in datzelfde jaar werd hij benoemd tot SS-Obersturmführer. Intussen was hij ook onderscheiden met het Kriegsverdienstkreuz 2.Klasse mit Schwertern. Gerstein ontving zijn onderscheiding vermoedelijk vanwege zijn bijdrage aan de verbetering van de hygiëne aan het front.

Over Gersteins precieze activiteiten van 1942 tot 1945 is weinig bekend; hij schreef in 1943 en 1944 weinig brieven en in zijn naoorlogse getuigenis schreef hij nauwelijks over deze periode. Wat hij slechts aangaf is dat hij meerdere concentratiekampen bezocht, waaronder Mauthausen en Auschwitz-Birkenau. De reden van zijn bezoeken noemde hij niet. Wel verklaarde hij dat hij het vermeden heeft “om al te vaak in concentratiekampen te verschijnen, omdat het weleens gebruikelijk was om ter ere van de bezoeker mensen op te hangen of executies uit te voeren.” Ook zou hij getuige zijn geweest van experimenten op menselijke proefpersonen in vrouwenconcentratiekamp Ravensbrück en was hij ervan op de hoogte dat ook in Buchenwald zulke experimenten plaatsvonden. Meest omstreden is echter zijn betrokkenheid bij de levering van Zyklon-B aan concentratiekampen, waar het mogelijk gebruikt werd om mensen te doden. Zijn rol daarin kwam na zijn dood uitvoerig aan bod gedurende de rechtszaken die na de oorlog in Duitsland tegen dr. Gerhard Peters gevoerd werden. Peters was de bedrijfsleider van de Deutsche Gesellschaft für Schädlingsbekämpfung (Duitse maatschappij voor ongediertebestrijding). De firma, die werd aangeduid als Degesch, was de distributeur van Zyklon-B, dat ze via de ondernemingen Tesch & Stabenow GmbH (Testa) en Heerdt-Linger (Heli) leverde aan de Wehrmacht en de SS.

Gedurende de rechtszaken werd vastgesteld dat dr. Peters in juni 1943 een ontmoeting had met Gerstein. Ze kwamen toen met elkaar overeen dat Degesch maandelijks 200 kilogram Zyklon-B voor gebruik in Auschwitz en Oranienburg zou leveren. Ondanks dat het gif in de concentratiekampen oorspronkelijk gebruik werd voor het desinfecteren van barakken en de kleding van gevangenen, wist dr. Peters dat de bestelling van Gerstein bedoeld was om mensen om te brengen. Om de vergassingen “humaner” te laten verlopen, kwamen Gerstein en Peters overeen om de irriterende waarschuwingsstof – wat betreft de toepassing vergelijkbaar met de geurstof die toegevoegd wordt aan het reukloze aardgas – voortaan weg te laten. Tijdens het proces tegen dr. Peters in 1955 in Frankfurt werd aan de hand van de administratie van het bedrijf berekend dat er op bestelling van Gerstein in totaal 3.790 kilogram Zyklon-B geleverd zou zijn aan Auschwitz en Oranienburg. Omdat de rechtbank het niet bewezen achtte dat het gas in Oranienburg gebruikt werd om mensen te doden, bleef er 1.775 kilogram (590 kilogram in 1943 en 1.185 in 1944) over die door Gerstein voor Auschwitz besteld werd. Vast stond dat in Auschwitz Joden massaal omgebracht werden door vergassing, maar de door Gerstein bestelde hoeveelheid was een fractie van de totale hoeveelheid voor het kamp bestelde Zyklon-B. Testa leverde in 1942 7.478 kilogram en in 1943 12.174 kilogram. Naar schatting werd minder dan 5% van de totale hoeveelheid aan Auschwitz geleverde hoeveelheid Zyklon-B gebruikt voor het vergassen van mensen.

Mogelijk werd het door Gerstein geleverde gifgas gebruikt voor het vermoorden van Joden in Auschwitz. Aangezien door de rechtbank in Frankfurt aangenomen werd dat gemiddeld zes kilo Zyklon-B nodig was voor het vergassen van 1.500 mensen werd vastgesteld dat de door Gerstein bestelde hoeveelheid genoeg was voor het ombrengen van 450.000 slachtoffers. Gerstein had echter zowel tijdens als na de oorlog beweerd dat het gas dat hij besteld had, nooit gebruikt was voor het doden van mensen. Hij zou voorraden hebben laten vernietigen onder het voorwendsel dat ze niet meer bruikbaar waren. Ook beweerde hij dat hij het gifgas heeft kunnen laten gebruiken voor desinfectie en ontluizing in plaats van voor het vermoorden van mensen. De rechtbank in Frankfurt erkende in 1955 dat Gerstein zich had “ingespannen Zyklon-B anders dan voor het doden [van mensen] te gebruiken” maar de mogelijkheid kon niet uitgesloten worden “dat dit hem niet helemaal gelukt is.” Daaruit volgde de conclusie van de rechtbank dat niet vastgesteld kon worden dat het door dr. Peters geleverde gifgas niet gebruikt was voor het ombrengen van mensen, maar evenmin kon bewezen worden dat dit wel gebeurd was. Aan deze conclusie had Peters zijn vrijspraak mede te danken, want in 1946 had de rechtbank nog geconcludeerd dat het Gerstein “niet [was ] gelukt de gifgasleveringen op doorslaggevende wijze te verhinderen.” Dr. Peters werd toen wel veroordeeld vanwege het leveren van Zyklon-B, wat beschouwd werd als “medewerking aan moord”.

Ondanks dat in rechtszaken uitvoerig werd onderzocht wat er gebeurd is met de door Gerstein bestelde hoeveelheid Zyklon-B, kon daarop geen antwoord gegeven worden. Evenmin is het opgehelderd waarom deze bestellingen via Gerstein verliepen, terwijl het gifgas geleverd werd door de firma’s Testa en Heli. Nog altijd is dit aspect van zijn levensverhaal onduidelijk en dat zal het vermoedelijk ook blijven. Omdat niet onomstotelijk vastgesteld kan worden dat er met het door hem geleverde gifgas geen mensen zijn omgebracht is hij altijd een controversieel persoon gebleven. Wat wel vaststaat is dat Gerstein niet de hoofdleverancier van Zyklon-B was en dat het vernietigingsprogramma niet van hem afhing. Zijn verzetsrol staat ook onomstotelijk vast. In het oordeel van de rechtbank werd Gerstein in 1955 getypeerd als een man “die het nazi-regime innerlijk vanuit zijn diepste overtuiging afwees, ja haatte, maar meewerkte om erger te voorkomen en van binnenuit daartegen te werken.”


In geallieerde handen

Het besef van de misdaden die werden gepleegd door de organisatie waar hij zelf actief was en het mislukken van zijn pogingen de wereld hierover te waarschuwen, hadden een grote invloed op de gemoedstoestand van Gerstein. Daar bovenop kwamen de angst om ontmaskerd te worden en het feit dat veel van zijn vrienden niet op de hoogte waren van zijn dubbelrol en hem door zijn functie in de SS wantrouwden. Zowel in het voorjaar als in de herfst van 1944 werd hij opgenomen in een ziekenhuis, vermoedelijk vanwege gezondheidsklachten in relatie tot zijn suikerziekte. Terwijl hij gekweld werd door het schuldgevoel waren het vermoedelijk zijn geloof en de wil om na de oorlog getuigenis af te leggen die hem op de been hielden.

In de tweede helft van maart 1945 verliet Gerstein Berlijn. Op 26 maart 1945 kwam hij aan bij zijn vrouw en hun drie kinderen in Tübingen. Na enkele dagen ging hij met een onbekende bestemming verder. Volgens zijn vrouw wilde hij op 19 april 1945 opnieuw terugkeren naar zijn gezin, maar kwam hij niet verder dan het niet ver van Tübingen gelegen Metzingen. Van bekenden hoorde hij echter dat Tübingen inmiddels door Franse troepen bezet was. Omdat er geruchten de ronde deden dat SS-troepen oprukten in de richting van de Franse linies, besloot Gerstein zich te melden bij de Fransen om uit handen van de SS te blijven. Op de fiets reed hij richting Reutlingen, dat bezet werd door troepen van de 5e Division Blindée. Hij meldde zich op 22 april 1945 bij luitenant-kolonel Gambiez, de plaatselijke commandant.

Gerstein werd kort daarna door de Franse commandant in Reutlingen naar het zuidelijker gelegen Rottweil am Neckar gestuurd. Hij kreeg een verklaring mee met daarop de volgende tekst: “De bezitter van deze verklaring is geen echte SS’er en mag niet als zodanig behandeld worden, maar met alle tegemoetkomingen.” In Rottweil werd hij ondergebracht in hotel Mohren. Hij mocht zich vrij bewegen, zolang hij zich maar één keer per dag meldde bij de Franse politie. Hier schreef hij eerst de Franse versie van zijn rapport. Hij raakte bevriend met plaatselijke dominee, Albert Hecklinger; op zijn schrijfmachine kopieerde hij eerst zijn Franstalige rapport en daarna vertaalde hij het in het Duits. Op 5 mei ontmoette Gerstein bij toeval twee officieren, de Amerikaan John W. Haught en de Brit Derek Curtis Evans, beiden van het Combined Intelligence Objectives Sub-Committee (CIOS), de wetenschappelijke inlichtingendienst van de geallieerden. Zij waren op zoek naar de locaties waar strijdgassen gefabriceerd zouden zijn door de Duitsers. Zij waren de eerste Amerikaanse en Britse functionarissen waar Gerstein mee in aanraking kwam en hij greep zijn kans. Hij informeerde hen over zijn ervaringen en gaf hen een korte handgeschreven verklaring in het Engels en enkele andere documenten, zoals een lijst met tegenstanders van het nationaalsocialisme.

In mei verzocht Gerstein de geallieerde autoriteiten om terug te mogen keren naar zijn familie in Tübingen. Zover zou het niet komen, want op 26 mei 1945 werd hij in Rottweil door twee officieren van de Franse inlichtingendienst opgehaald. Zij brachten hem naar Konstanz, gelegen aan de Zwitserse grens. Daarvandaan werd hij begin juni overgebracht naar Parijs, dat al sinds augustus 1944 bevrijd was. Ongeveer een maand lang werd hij in de Franse hoofdstad vastgehouden in een gebouw aan de Rue de Villejust, dat de Franse inlichtingendienst toebehoorde. Hij werd meerdere keren verhoord. Gerstein werd niet langer beschouwd als een belangrijke getuige; er werd integendeel overwogen hem als verdachte van oorlogsmisdaden te vervolgen. Door de Fransen werd Gerstein ervan beschuldigd dat hij “giftige mengsels van blauwzuur met het doel om miljoenen mensen te vergiftigen ter beschikking had gesteld aan het RSHA en daarmee de middelen voor de uitvoering van een ongehoorde misdadige operatie geleverd had; dat hij willens en wetens de grondleggers van de vernietiging in de gaskamers geholpen en bijgestaan had en zowel in Belzec, Sobibor als Treblinka strafbare handelingen begaan had.” Gerstein werd op 5 juli overgebracht naar de Parijse militaire gevangenis Cherche-Midi. Er werd een onderzoek naar hem geopend “wegens moord en medeplichtigheid aan moord”.

In de namiddag van 25 juli 1945 werd Gerstein dood in zijn cel aangetroffen. Volgens de officiële versie kwam Kurt Gerstein om door zelfmoord. Er zijn echter ook mensen, waaronder zijn eigen vrouw, die niet geloofden dat hij zelfmoord gepleegd heeft. Ze zijn ervan overtuigd dat hij vermoord is door zijn bewakers of door Duitse medegevangenen die wilden voorkomen dat hij zou spreken over de nazi-misdaden. Concreet bewijs hiervoor ontbreekt evenwel. Waarschijnlijk had hij in de eenzaamheid van zijn cel alle hoop verloren, al zijn inspanningen waren voor niets geweest; zelfmoord leek de enige uitweg.


Rehabilitatie

Na zijn dood werd het lichaam van Kurt Gerstein op 3 augustus 1945 begraven op de begraafplaats van de gemeente Thiais vlakbij Parijs. Dat gebeurde onder de verkeerde naam, namelijk “Gastein”. Drie jaar lang verkeerde zijn familie in ongewisheid over zijn lot. Pas in 1948 werden zij officieel van zijn zelfmoord op de hoogte gebracht. Tot aan de jaren zestig was in het naoorlogse Duitsland vrijwel niemand geïnteresseerd in het lot en de verzetsactiviteiten van Gerstein. Ook de Duitse overheid betoonde weinig waardering voor Gersteins verzetsactiviteiten. Toen zijn vrouw in oktober 1949 haar pensioen aanvroeg, rees de vraag of de weduwe van een voormalig partijlid en SS-officier daar wel voor in aanmerking mocht komen. De rol van haar man werd daarom in 1950 onderzocht door het denazificatietribunaal in Tübingen. Kurt Gerstein werd op 16 november 1950 postuum veroordeeld tot Belastete, de op één na zwaarste categorie waarin Duitsers ingedeeld konden worden door een denazificatietribunaal. De rechtbank kende groot gewicht toe aan Gersteins betrokkenheid bij de levering van Zyklon-B aan Auschwitz.

Elfriede Gerstein had als gevolg van deze uitspraak geen recht op een pensioen, maar veel erger vond ze het dat haar man beschouwd werd als een oorlogsmisdadiger. Ze tekende beroep aan, maar de hogere rechtbank kwam tot hetzelfde vonnis: het bestellen van Zyklon-B bij Degesch maakte Gerstein medeschuldig aan moord, omdat hij wist waarvoor het gas gebruikt werd. Omdat ze de kosten van het proces, in totaal 24.000 Duitse mark, zelf moest betalen, raakte het gezin in financiële problemen. Elfriede liet de zaak enkele jaren rusten, maar in de zomer van 1954 diende ze een verzoek tot gratie voor haar man in bij de minister-president van Baden-Württemberg. Dat werd afgewezen, maar wel werd besloten dat de familie Gerstein niet langer hoefde op te draaien voor de proceskosten.

Intussen was in 1953 Gersteins getuigenis van de vergassing in Belzec voor het eerst in Duitsland gepubliceerd door de historicus Hans Rothfels. Hij beschreef Gerstein als een consequente verzetsstrijder die “ondanks zijn vroegere partijlidmaatschap een hartstochtelijke, ethisch-religieuze en uitdrukkelijke tegenstander van de nationaalsocialistische kerken- en rassenpolitiek” geweest was. In de daarop volgende jaren zou Kurt Gersteins levensverhaal in Duitsland steeds meer bekendheid krijgen. Van grote invloed op Gersteins bekendheid was het toneelstuk Der Stellvertreter uit 1963 van Rolf Hochhuth. Het was uitgesproken kritisch over het handelen van paus Pius XII tijdens de oorlog en riep de vraag op waarom hij niets gedaan heeft om de deportaties naar de vernietigingskampen te doen stoppen. In het sterk geromantiseerde stuk werd Gerstein opgevoerd als het tegenovergestelde van de paus; zijn moedige handelen werd afgezet tegenover de misdaden en lafheid van anderen. Het toneelstuk droeg er sterk aan bij dat de publieke opinie in Duitsland in het voordeel van Kurt Gerstein keerde.

Tegelijk met alle aandacht begon er een campagne voor de rehabilitatie van Kurt Gerstein. Die werd niet alleen gesteund door vrienden van Gerstein en protestantse geestelijken, maar ook door de secretaris-generaal van de Centrale Raad van Joden in Duitsland. Een belangrijke rol was tevens weggelegd voor de Joodse zakenman en voormalige concentratiekampgevangene Issy Wygoda, die zich opwierp als de vertegenwoordiger van Elfriede Gerstein. In 1965 volgde uiteindelijk de rehabilitatie van Gerstein. Op 20 januari 1965 werd hij door Kurt Georg Kiesinger, de minister-president van Baden-Württemberg, die later van 1966 tot 1969 bondskanselier was, ingedeeld in de groep Nichtbelastete (onschuldigen). Gerstein was, zo verklaarde Kiesinger, een man geweest “die probeerde de opdracht van zijn geweten te vervullen”.


Bronnen

Boeken


Versie: 11-4-2017 Artikel door: Kevin Prenger

Deze website is een initiatief van STIWOT (Stichting Informatie Wereldoorlog Twee) Alle rechten voorbehouden © 2002--2017
Directe link: http://www.go2war2.nl/artikel/2150/Gerstein-Kurt.htm