Nebe, Arthur

Inleiding


Jeugd en vroege carrière

Inleiding

Arthur Nebe (1894-1945) was politierechercheur in Berlijn en begon in 1933 zijn nazi-carrière als medewerker van de Gestapo. Uiteindelijk klom hij op tot chef van het Reichskriminalpolizeiamt, het centrale bureau van de Duitse recherche, de Kriminalpolizei (of Kripo). Gedurende de eerste maanden van de Duitse invasie van de Sovjet-Unie voerde Nebe het commando over Einsatzgruppe B. De massamoord aan het Oostfront waarbij hij aldus betrokken was, vormde de voorbode van de uitroeiing van de Europese Joden in de vernietigingskampen. Behalve deze rol bij de uitroeiing van de Joden had Nebe ook een aandeel in de vervolging en deportatie van zigeuners vanuit nazi-Duitsland. Toch fungeerde hij tegelijkertijd ook als informant van de Duitse militaire en conservatieve oppositie. Hem was een belangrijke rol toebedeeld tijdens de aanslag en staatsgreep van 20 juli 1944.

Dit artikel is een samenvatting van het boek 'Het masker van de massamoordenaar' van dezelfde auteur.

Jeugd, Eerste Wereldoorlog en Weimarperiode

Arthur Nebe werd op 13 november 1894 in Berlijn geboren als de zoon van de leraar Adolf Nebe en zijn echtgenote Berta Lüder. Op 7 augustus 1914 behaalde hij zijn gymnasiumdiploma. Ondertussen was de Eerste Wereldoorlog uitgebroken en had hij zich aangemeld als vrijwilliger in het keizerlijke leger. Hij werd op 20 februari 1915 bevorderd tot luitenant. Van 23 februari 1915 tot het einde van de oorlog vocht hij aan het front, waar hij twee keer gewond raakte door gasaanvallen. Teruggekeerd uit de oorlog was hij een hoog onderscheiden veteraan, met het IJzeren Kruis eerste en tweede klasse, het Ehrenkreuz der Frontkämpfer en het Verwundetenabzeichen in Schwarz. Na de oorlog bleef hij nog korte tijd actief in het leger als adjudant.

Na de Duitse nederlaag in 1918 werd Nebe op 30 maart 1920 eervol ontslagen uit het leger en bevorderd tot Oberleutnant buiten dienst. Het was moeilijk voor hem een nieuw bestaan te vinden in het door economische en politieke problemen geteisterde Duitsland. Net als vele andere werkloze veteranen sloot hij zich aan bij een Freikorps, een paramilitaire eenheid die zich wapende tegen een linkse revolutie. Het was vanwege het feit dat hij geen universitaire scholing had genoten en nergens anders werk vond, en niet vanuit een roeping, dat hij bij de Berlijnse politie ging. Op 1april 1920 trad hij in dienst als Kriminalkommissar-Anwärter, oftewel cadet bij de recherche. Zijn benoeming tot Kriminalkommissar volgde op 1 juli 1923. Het jaar daarop trouwde hij op 15 augustus met Elise Schäffer. Hun dochter Gisela werd op 26 januari 1926 geboren.

Ten gunste van zijn carrière volgde Nebe enkele semesters van de studies medicijnen en economie aan de universiteit van Berlijn. Hij maakte daarna vlot carrière op verschillende afdelingen van de recherche. Op de narcotica-afdeling klom hij op tot leider. Als narcoticacommissaris schreef hij in 1929 een publicatie over de oorzaken van drugsgebruik. Daarnaast leverde hij een bijdrage aan het periodiek van de recherche, de Kriminalistischen Monatsheften. Op 1 april 1931 werd Nebe benoemd tot leider van de afdeling diefstal. Gedurende de jaren ’20 hield hij zich ideologisch gezien op de vlakte en was hij nauwelijks actief op politiek gebied, hoewel zijn sympathie lag bij het rechtse nationalisme en niet bij zijn werkgever, de democratische regering van Pruisen waarin de sociaaldemocratische partij een invloedrijke rol had.

Gezien zijn eerdere lidmaatschap van een Freikorps en zijn afkeur van linkse politieke partijen voelde Nebe zich aangetrokken tot de nazipartij. Op 1 juli 1931 sloot hij zich aan bij de NSDAP. Op 5 november 1931 werd hij tevens lid van de SA, waar hij in 1936 zou opklimmen tot Sturmhauptführer. Gezien het verbod op lidmaatschap van nationaalsocialistische organisaties voor politiemensen moet Nebe in het geheim zijn toegetreden. Al voor 1933 werd er binnen het Berlijnse politiekorps door Nebe en sommige van zijn collega’s toegewerkt naar de nationaalsocialistische machtsovername. In 1932 richtten ze een vakbeweging op voor nationaalsocialistische politiemannen: de Nationalsozialistische Beamten-Arbeitsgemeinschaft (NSBAG). Nebe en andere leden van de NSBAG voorzagen NSDAP-politicus Kurt Daluege van inlichtingen over de Kriminalpolizei en haar leiders die bruikbaar konden zijn als de nazi’s aan de macht kwamen. Daluege hield zich als lid van de Rijksdag bezig met politiezaken en zou ten tijde van het Derde Rijk van 1936 tot 1945 de leiding voeren over de Ordnungspolizei, de geüniformeerde politie.


Chef van het Reichskriminalpolizeiamt

Carrière in de Gestapo en de Kriminalpolizei

Na Adolf Hitlers benoeming tot kanselier op 30 januari 1933 ging het Arthur Nebe voor de wind. Hij werd ontboden door Kurt Daluege, die zich intussen binnen het Pruisische ministerie van Buitenlandse Zaken bezighield met politiezaken, en op 1 april 1933 benoemd tot Kriminalrat (een politierang vergelijkbaar met die van een kapitein in het leger). Nebe werd van de recherche overgeplaatst naar het Geheime Staatspolizeiamt, de Pruisische politieke politie die de basis vormde voor de Gestapo. Binnen de Gestapo werd Nebe benoemd tot leider van de afdeling die verantwoordelijk was voor onderzoek naar politieke bewegingen, waaronder het communisme, het anarchisme en de sociaaldemocratische partij. Op 29 augustus 1933 volgde zijn promotie tot Regierungs- und Kriminalrat.

Binnen de Gestapo maakte Nebe kennis met Hans Bernd Gisevius. Tussen de mannen ontstond een vriendschap die zijn oorsprong vond in hun gedeelde aversie tegen Rudolf Diels, de toenmalige chef van de Gestapo. Na een kortstondig ontslag in 1933 werd Diels in april 1934 definitief ontslagen. Over de reden voor hun onvrede over Diels verklaarde Gisevius na de oorlog dat Nebe geschokt was door de moorden op politieke tegenstanders die Diels met instemming van Hermann Göring door de Gestapo liet uitvoeren. Doorslaggevend waren volgens Gisevius de politieke moorden van 30 juni tot 2 juli 1934, bekend als de Nacht van de Lange Messen. Nebes kritiek op de gebeurtenissen in 1933 en 1934 legde vermoedelijk de prille basis voor zijn latere betrokkenheid bij het Duitse verzet tegen Hitler, maar belemmerde hem niet om de daarop volgende jaren een toppositie in te nemen binnen het nazibestuur.

Na het ontslag van Diels en de overname van de Gestapo door SS-leider Heinrich Himmler en zijn discipel Reinhard Heydrich beleefde ook Nebe een belangrijke stap in zijn carrière. Hij werd opnieuw door Kurt Daluege ontboden op het Pruisische ministerie van Binnenlandse Zaken, waar hij te horen kreeg dat hem per 1 januari 1935 de leiding toevertrouwd werd over het Pruisische Landeskriminalamt, de centrale recherchedienst van Pruisen, waarvan het kantoor zich in Berlijn bevond. Formeel was Heydrich de chef van het Landeskriminalamt en was Nebe zijn plaatsvervanger, maar de dagelijkse leiding was in Nebe’s handen. Op 1 april 1935 werd hij gepromoveerd tot Oberregierungs- und Kriminalrat.

In augustus 1936 volgde Nebe’s benoeming tot chef van het Amt Kriminalpolizei, de afdeling binnen Heydrichs Sicherheitshauptamt die verantwoordelijk was voor de recherche. Daarnaast kreeg het door hem geleidde Pruisische Landeskriminalamt op 20 september 1936 de vakkundige leiding over alle recherchediensten in de overige deelstaten. Zo was hij meteen de meest gezaghebbende criminaliteitsbestrijder van Duitsland. Het kon niet langer uitblijven dat iemand van zijn statuur opgenomen werd in de Schutzstaffel (SS). Op 2 december 1936 trad hij in dienst met de rang van SS-Sturmbannführer. In juli 1937 werd zijn positie verder versterkt, toen het Pruisische Landeskriminalamt getransformeerd werd tot een staatsorganisatie. De organisatie stond voortaan bekend als het Reichskriminalpolizeiamt. Nebe mocht zich vanaf dat jaar Reichskriminaldirektor noemen.

Onder aanvoering van Nebe werd de Kriminalpolizei verder uitgebreid en geprofessionaliseerd. De Kripo was niet langer een conventionele recherchedienst, maar net als de Gestapo een ideologisch geschoeide organisatie, die genesteld was binnen het nazi-terreurapparaat. Tienduizenden werden het slachtoffer van de gezamenlijke werkzaamheden van de Gestapo en de Kripo. Niet alleen mensen die eens veroordeeld waren voor een misdaad, maar ook bijvoorbeeld daklozen, zigeuners, alcoholisten en homoseksuelen, werden preventief opgepakt, omdat ze volgens de theorie van de nazi’s aanleg voor criminaliteit zouden hebben. Zonder dat er een rechter aan te pas kwam, zaten ze vaak jarenlang voor "heropvoeding" gevangen in een concentratiekamp, waar velen van hen stierven.

Blomberg-Fritsch-affaire en vroege verzetscontacten

Ondanks dat Arthur Nebe was opgeklommen tot een hoge positie in nazi-Duitsland, bleef hij kritisch over het nationaalsocialistische regime. Volgens Gisevius stelde de Blomberg-Fritsch-affaire in 1938 Nebes geloof in het nationaalsocialisme verder op de proef. Zowel Generalfeldmarschall Werner von Blomberg, de rijksminister van Oorlog, als Generaloberst Werner von Fritsch, werden ten val gebracht, de eerste vanwege een huwelijk met een prostitué en de tweede vanwege een onterechte beschuldiging van seksuele omgang met een Berlijnse schandknaap. Na het ontslag van beide mannen verving Hitler het ministerie van Oorlog door het Oberkommando der Wehrmacht (OKW), waarover hij zelf het opperbevel zou voeren. Dat kon hij doen zonder weerstand van de legerleiding. Nebe was volgens Gisevius woedend over de inschikkelijkheid van de legertop. Zijn eigen rol in de affaire is dubbelzinnig: enerzijds bekritiseerde hij de groeiende invloed van Hitler op het leger, maar anderzijds was het zijn Kriminalpolizei die pornografische foto’s van de echtgenote van Blomberg leverde als bewijslast tegen de generaal.

Nadat Adolf Hitler de Wehrmacht naar zijn hand had gezet, kon hij zijn territoriale doelen tot verwezenlijking brengen. Na de herbezetting van het Rijnland op 7 maart 1936 en de annexatie van Oostenrijk op 12 maart 1938 stond Tsjecho-Slowakije als volgende op Hitlers agenda. Binnen de Wehrmacht waren er hoge militairen die vreesden dat een invasie van Tsjecho-Slowakije zou uitlopen op een oorlog met Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Ze waren van mening dat Duitsland nog niet klaar was voor een nieuwe oorlog en maakten, samen met enkele conservatieve politici en burgers, plannen voor een staatsgreep tegen Hitler.

Ook Gisevius nam deel aan het complot. Hij was belast met "de voorbereiding van alle maatregelen betreffende de politie, die voor een staatsgreep moesten worden genomen." Nebe leverde hem informatie over de locaties waar gewapende eenheden van de SS waren ondergebracht. De coup zou echter niet plaatsvinden, want het akkoord van München, dat voorzag in geweldloze oplossing van de crisis, ontnam de complotplegers van hun belangrijkste motief voor de staatsgreep. De contacten tussen het militaire en civiele verzet werden verminderd of beëindigd en de organisatie viel uiteen. Pas enkele jaren later werden er door merendeels diezelfde mensen opnieuw plannen voor een staatsgreep gesmeed.


Blomberg-Fritsch-affaire en vroege verzetscontacten


Inval in Polen en andere activiteiten in de herfst van '39

.

Tweede Wereldoorlog

Poolse veldtocht en andere activiteiten in de herfst van 1939

In plaats van zich te verzetten tegen de oorlogsplannen van Adolf Hitler leverde Arthur Nebe een bijdrage aan de invasie van Polen in september 1939. Om de inval in Polen te rechtvaardigen werden op 31 augustus 1939 door de SS en de Abwehr Poolse aanvallen op Duitse doelen gesimuleerd, onder andere de overval op de zender Gleiwitz. Om de wereld te overtuigen van de Poolse agressie legde een door Arthur Nebe en Gestapo-leider Heinrich Müller geleide onderzoekscommissie het verloop van de "Poolse" aanvallen vast. Ook leidde Nebe een onderzoek naar de massamoord van Bydgoszcz (Bromberg in het Duits), waar Poolse soldaten en burgers een bloedbad hadden aangericht onder de etnisch-Duitse bevolking. Hoewel Nebe concludeerde dat het totale aantal slachtoffers enkele duizenden bedroeg, werd het aantal in opdracht van Hitler vastgesteld op 58.000. In de herfst van 1939 was Nebe drie weken actief in de Poolse hoofdstad. Hij werd daarheen gezonden om de in diskrediet gevallen SS-Brigadeführer Lothar Beutel tijdelijk te vervangen als leider van Einsatzgruppe IV en Befehlhaber der Sipo und des SD in Warschau.

In het najaar van 1939 hield Nebe zich bezig met de voorgenomen verwijdering van de circa 30.000 zigeuners die in Duitsland verbleven en die door de nazi’s als raciaal inferieur en "asociaal" beschouwd werden. Vanwege logistieke problemen moest hun deportatie voorlopig uitgesteld worden, maar de zigeuners waren daarmee niet gered. Net als de Joden zouden ze vanaf 1941 het slachtoffer worden van een systematische vernietigingsoperatie. In totaal werden met medewerking van de Kriminalpolizei, die zorgde voor hun registratie en arrestatie, naar schatting 15.000 zigeuners uit Duitsland vermoord door de nazi’s, vooral in de vernietigingskampen.

Enkele weken na het uitbreken van de oorlog moest Nebe onverhoeds afreizen naar München. Daar was op 8 november 1939 in de Bürgerbraukeller een mislukte aanslag gepleegd op Hitler, (aanslag op Hitler op 8 november 1939). Nebe leidde in München het rechercheonderzoek op de plaats delict, terwijl de Gestapo zich bezighield met het opsporen van de dader. De 36-jarige Georg Elser werd diezelfde dag nog gearresteerd. Pas in de nacht van 13 op 14 november legde Elser, in aanwezigheid van Nebe, een bekentenis af op het bureau van de Münchense Gestapo. Elser vertelde hoe hij in zijn eentje de aanslag had voorbereid en uitgevoerd. Op 9 april 1945 zou hij na jarenlange opsluiting in opdracht van Hitler in concentratiekamp Dachau met een nekschot gedood worden.

Commandant van Einsatzgruppe B

Met ingang van 1 januari 1941 werd Nebe benoemd tot SS-Brigadeführer und Generalmajor der Polizei. Vanaf 22 juni 1941 voerde hij tijdens de Duitse inval in de Sovjet-Unie (operatie Barbarossa) het bevel over Einsatzgruppe B. Gedurende de eerste zes tot acht weken van de invasie hielden de vier ingezette Einsatzgruppen zich hoofdzakelijk bezig met het executeren van communistische functionarissen, (vermeende) partizanen en volwassen Joodse mannen, maar vanaf omstreeks augustus werden ook Joodse vrouwen en kinderen het slachtoffer. Nebes eenheid opereerde in Wit-Rusland en de regio Smolensk en was ondergeschikt aan Heeresgruppe Mitte. Gedurende zijn verblijf stond hij in contact met Oberstleutnant Henning von Tresckow, de chef-staf van Heeresgruppe Mitte, en diens ordonnans, Leutnant Fabian von Schlabrendorff. Beide mannen maakten deel uit van de militaire oppositie en zouden betrokken zijn bij meerdere mislukte aanslagpogingen op Hitler.

Nebes Einsatzgruppe vertrok in Duitsland vanuit Pretzsch en bereikte op 23 juni Posen in Polen. Een dag later werd de opmars vervolgd naar Warschau. Op 5 juli 1941 bereikte Nebe met zijn staf Minsk, waar hij gedurende een maand zijn hoofdkwartier vestigde. Ondertussen werden op diverse locaties massa-executies uitgevoerd. Op 5 augustus werd Nebes hoofdkwartier verplaatst naar Smolensk in Rusland. Vanuit Smolensk gaf Nebe leiding aan het Vorkommando Moskau dat de opdracht had Moskou en omgeving te zuiveren van Joden. Tot in Moskou is het Vorkommando echter nooit gekomen, want het op 2 oktober 1941 door het Duitse leger gelanceerde offensief op de Russische hoofdstad, operatie Tyfoon, faalde.

Op 14 augustus 1941 bracht Heinrich Himmler een werkbezoek aan Minsk. De volgende dag was de SS-leider aanwezig bij een executie die op zijn verzoek door Nebes manschappen werd uitgevoerd. De executie vond plaats in een bos ten noorden van Minsk. De slachtoffers waren vermeende partizanen en Joden, waaronder ook twee vrouwen. Getuigen verklaarden na de oorlog dat Himmler tijdens de liquidatie nerveus was. Hij zou zelfs in paniek zijn geraakt toen de vrouwen bij de eerste schoten niet dood waren. Nu hij zelf getuige was geweest van een moordpartij was hij bezorgd over de gevolgen die deze executies hadden op zijn manschappen. Daarom beval hij Nebe te zoeken naar een moordmethode die voor de psyche van de uitvoerders minder belastend was.

Samen met dr. Albert Widmann, een chemicus van het Kriminaltechnische Institut, voerde Nebe in september 1941 experimenten uit met verschillende moordmethoden. Als proefpersonen werden psychiatrische patiënten gebruikt. Een eerste proef met explosieven in een bos in de omgeving van Minsk bleek geen succes, onder andere omdat het opruimen van de stoffelijke resten van de slachtoffers teveel tijd in beslag nam. Een tweede experiment in een instelling voor psychiatrisch patiënten in Mahiljow (of Mogilev) was naar mening van Nebe en Widmann wel geslaagd. De slachtoffers werden opgesloten in een kleine ruimte en daarna vergast door middel van het uitlaatgas van twee vrachtwagens dat via een slang naar binnen stroomde. Het gebruik van uitlaatgassen was psychisch minder belastend voor de daders en praktisch, omdat er overal vrachtauto’s en geschikte gasruimtes beschikbaar waren.

Op het moment dat de Wehrmacht tijdens de slag om Moskou zware verliezen incasseerde, was Nebe niet langer werkzaam in de Sovjet-Unie: eind oktober 1941 was hij teruggekeerd in Berlijn. Op 14 november 1941 werd aan Berlijn gerapporteerd dat op dat moment het totale aantal geregistreerde liquidaties door Einsatzgruppe B 45.467 bedroeg. Het merendeel van de executies was uitgevoerd gedurende de vier maanden dat Nebe het bevel had. Zijn verzetsvrienden probeerden na de oorlog echter Nebes activiteiten postuum in een positiever daglicht te plaatsen. Volgens Gisevius was het gerapporteerde aantal slachtoffers niet juist; Nebe zou de executieaantallen consequent verhoogd hebben door er een 0 aan toe te voegen. Het werkelijke aantal is niet te achterhalen, maar historici gaan er over het algemeen vanuit dat de aan Berlijn gerapporteerde cijfers wel degelijk correct waren.

Terug in Berlijn en de Grote Ontsnapping

De vier maanden praktijkinzet in de Sovjet-Unie kwamen Nebes carrière ten goede. Op 9 november 1941 werd hij door Hitler bevorderd tot SS-Gruppenführer und Generalleutnant der Polizei. Uit verschillende bronnen blijkt dat Nebes werkzaamheden in de Sovjet-Unie zijn gemoedstoestand echter geen goed deden. Nebes zwakke geestelijke toestand kan veroorzaakt zijn door de ingewikkelde spagaat waarin hij zich bevond: enerzijds was hij de trouwe dienaar van de nazi-overheid, anderzijds een sympathisant van het Duitse verzet tegen diezelfde overheid. Nebes verzetsactiviteiten gedurende de periode tussen zijn terugkeer uit de Sovjet-Unie en de weken voor de aanslag op 20 juli 1944 bestonden vooral uit het doorgeven van informatie aan het verzet. Op werkdagen was hij met de andere afdelingschefs van het RSHA aanwezig op de dagelijkse lunchvergadering in het Gestapohoofdkwartier aan de Prinz-Albrecht-Strasse 8, eerst nog aangevoerd door Reinhard Heydrich en daarna door diens opvolger Ernst Kaltenbrunner. Aan tafel met de staf van het RSHA ving Nebe nuttige informatie op die hij doorgaf aan zijn contactpersonen van het verzet. Bewijs dat deze informatie van doorslaggevend was voor de staatsgreepplannen ontbreekt.

Op advies van Ernst Kaltenbrunner liet Nebe zich begin 1943 in Wenen opereren aan de ziekte van Basedow, een auto-immuunziekte die gekenmerkt wordt door een toegenomen werking van de schildklier. De operatie verliep goed en tijdens de revalidatie richtte Nebe in het Oostenrijkse luchtkuuroord Semmering zijn tijdelijke kantoor in. Na weer teruggekeerd te zijn in Berlijn hield Nebe er een ongezonde leefstijl op na. Volgens Bernd Wehner maakte hij lange dagen: terwijl vrijwel al zijn medewerkers het pand al verlaten hadden, zat hij nog achter zijn bureau en hield hij zich bezig met papierwerk, terwijl hij ondertussen een heleboel sigaretten rookte. Om op de been te kunnen blijven gebruikte hij pervitin, een amfetamine dat tegenwoordig bekend staat als methamfetamine of crystal meth.

De laatste grote politiezaak waarbij Nebe betrokken was, vond plaats in het voorjaar van 1944 en is bekend komen te staan als "de Grote Ontsnapping", (The Great Escape). In de nacht van 24 op 25 maart 1944 slaagden 76 RAF-officieren erin te ontsnappen uit het krijgsgevangenenkamp Stalag Luft III in Neder-Silezië. De krijgsgevangenen waren door een zelf gegraven ondergrondse tunnel gekropen die hen buiten de kampomheining had gebracht. Toen hun ontsnapping eenmaal ontdekt was, werd er door de Duitse autoriteiten groot alarm geslagen. Het duurde slechts enkele dagen voordat de Gestapo en Kripo alle officieren, op drie na, opgepakt hadden. Intussen had Hitler de opdracht gegeven dat de helft van deze officieren ter vergelding geëxecuteerd moesten worden door de Gestapo.

Op voorstel van Himmler werd Nebe belast met het selecteren van de mannen die geëxecuteerd moesten worden. Max Wielen, de chef van de Kripo in Breslau, verklaarde tijdens het proces van Neurenberg op 10 april 1946 dat hij de indruk had dat Nebe geschokt was door het bevel. Hij was van mening dat het bevel desondanks uitgevoerd moest worden, aangezien er niet geprotesteerd kon worden tegen een bevel van de Führer. Nadat Nebe hun namen had doorgegeven aan de Gestapo werden van 6 april tot 18 april vijftig van de gearresteerde krijgsgevangenen "op de vlucht neergeschoten". Nebes aandeel bleef niet onopgemerkt bij de geallieerden en in december 1945, acht maanden na zijn dood, werd hij officieel nog steeds gezocht door de Britse geheime dienst.


Terug in Berlijn en de Grote Ontsnapping


Julicomplot en ondergang

Betrokkenheid bij de coup van 20 juli 1944

Op 20 juli 1944 ontplofte een door Oberst Claus Schenk Graf von Stauffenberg geplaatste bom in de kaartenruimte van Hitlers hoofdkwartier in Rastenburg, waar de dictator op dat moment een bespreking hield met zijn legertop. Stauffenberg spoedde zich vervolgens naar Berlijn waar hij met andere leden van de militaire oppositie in Berlijn trachtte de macht over te nemen. Adolf Hitler overleefde echter de bomaanslag en de coup liep uit op een mislukking.

De rol van Nebe bij de planning van de aanslag en staatsgreep van 20 juli 1944 was er één op de achtergrond. Hij was weliswaar op de hoogte van het plan, maar behoorde niet tot de groep van planmakers. Wel had hij sinds 1940 met medestanders gesproken over het plegen van een staatsgreep en aanslag op Hitler. Sinds dat jaar bezocht hij op sommige vrijdagen zijn vrienden Viktor Schulz en dr. Albrecht Olbertz in de woning van de laatstgenoemde aan de Kurfürstendamm in Berlijn. Beide mannen waren tegenstanders van het naziregime en spraken tijdens hun ontmoetingen met Nebe, waarbij later ook politiepresident Wolf Heinrich Graf von Helldorf zich aansloot, over de omverwerping van het regime. Volgens Schulz had Nebe eind 1941 al vastgesteld dat Hitler uit de weg geruimd moest worden.

De ontmoetingen in de woning van Olbertz waren eerder vriendschappelijk van aard, een samenzijn van gelijkgestemden, dan dat er een complot gesmeed werd. De werkelijke voorbereidingen voor de staatsgreep vonden elders plaats, onder andere in de woning van het echtpaar Strünck aan de Badensche Strasse in Berlijn. Nebe heeft de woning van de Strüncks een onbekend aantal keren bezocht, maar was sceptisch over de slaagkans van de staatsgreep die daar voorbereid werd.

Een actievere rol voor Nebe zou zijn weggelegd op de dag van de staatsgreep zelf. Nadat Hitler omgekomen was bij de bomaanslag, was het de bedoeling dat Nebe in de tussentijd met een groepje van circa vijftien betrouwbare medewerkers hoge functionarissen van de partij, waaronder Joseph Goebbels, en de SS zou arresteren. Nebe was van echter het begin af aan van mening dat de staatsgreep tot mislukken gedoemd was. Meerdere keren werd hem op 20 juli door de coupplegers gevraagd om in actie te komen, maar in plaats van bij te dragen aan de coup verschanste hij zich in zijn kantoor en later in de commandobunker van Von Helldorf waar hij slechts afwachtte. Toen hij eenmaal zeker wist dat Hitler nog in leven was, besefte Nebe dat het beter was om te doen alsof hij nergens van wist en terug te keren naar het hoofdkwartier van het RSHA.

Op de vlucht

Aanvankelijk bestond er binnen het RSHA, dat belast was met de opsporing van de betrokkenen bij de staatsgreep, nog geen verdenking tegen Nebe. Vier dagen lang wist hij de schijn op te houden en bezocht hij de dagelijkse lunchbesprekingen met Ernst Kaltenbrunner en de andere afdelingschefs. Op 24 juli was Nebe hierbij voor het laatst aanwezig. Die dag werd zijn verzetskameraad Wolf-Heinrich Graf von Helldorf gearresteerd (op 15 augustus 1944 zou hij terechtgesteld worden). Daarna werd het Nebe te heet onder de voeten. In de avond van 24 juli verenigde hij zich met Gisevius, die sinds 20 juli in Berlijn ondergedoken had gezeten bij een bevriend echtpaar, en het echtpaar Strünck. Ze besloten met zijn vieren Berlijn te ontvluchten met Nebes Mercedes. Omdat het hen niet lukte een vaste onderduikplaats te vinden, keerden ze na enkele dagen terug in Berlijn en gingen uit elkaar.

Nebe vond in Berlijn een aantal nachten onderdak bij een bevriende vrouwelijke collega, Adelheid Gobbin. Eind juli of begin augustus werd hij door haar overgebracht naar een landhuis aan de Töpchiner Strasse 18 in Motzen, een dorpje aan de Motzener See in een bosrijke omgeving ten zuidoosten van Berlijn. Het landhuis, waar ook andere onderduikers waren ondergebracht, was eigendom van de zakenman Walter Frick, wiens echtgenote een jeugdvriendin was van de vrouw van Nebe. Nebe zou tot zijn arrestatie op dit adres ondergedoken zitten.

Toen Nebe op 25 juli 1944 niet op zijn werk verscheen, werd er door de Kriminalpolizei een zoekactie opgestart. Aanvankelijk ging men ervan uit dat hij zelfmoord had gepleegd omdat hij de voorgaande maanden een gedeprimeerde indruk had gemaakt. Toen hij begin augustus nog niet gevonden was, rees de verdenking dat hij iets te maken had gehad met de staatsgreep. Heinrich Himmler beval dat hij, dood of levend, gevonden moest worden en er werd een opsporingsbevel uitgevaardigd. Om het nazibewind in binnen- en buitenland niet in diskrediet te brengen vanwege de vermissing van een topambtenaar werden Nebe’s functie en SS-rang verzwegen. Omdat een hoge premie teveel aandacht zou oproepen, werd deze beperkt tot 50.000 Rijksmark. In november 1944 was Himmler ervan overtuigd dat Nebe een verrader was; op 30 november 1944 werd hij gedegradeerd tot SS-Mann, de laagste rang binnen de SS, en uit de SS gezet.

Arrestatie en terechtstelling

Op 16 januari 1945 biechtte Gobbin onder zware druk de verblijfplaats van Nebe op aan Gestapo-agent Willy Litzenberg. Nog diezelfde avond werd Nebe in het landhuis van Frick ingerekend door een arrestatieteam van de Gestapo en overgebracht naar Berlijn. Tegen middernacht werd hij gedurende een half uur ondervraagd door Gestapo-chef Heinrich Müller en Kaltenbrunner in Müllers kamer in het Gestapohoofdkwartier aan de Prinz-Albrecht-Strasse. Na afloop van het korte verhoor werd hij afgevoerd naar een cel in het gebouw. Een dag later werd hij uit zijn cel gehaald om opnieuw verhoord te worden. Tot aan 3 februari zou dat nog vaker gebeuren.

Op 7 februari 1945 werd Nebe door de SS overgebracht naar een cel in de SS-kazerne in concentratiekamp Buchenwald. Daar zat hij gevangen totdat zijn proces op 2 maart in het Volksgerichtshof in Berlijn plaatsvond. De rechtbank achtte het bewezen dat Nebe op de hoogte was geweest van de plannen voor de staatsgreep en dat hij wist dat een aanslag op Hitler onderdeel uitmaakte van de coup. De rechtbank beschuldigde Nebe ervan dat hij medewerkers van de Kripo beschikbaar had gesteld aan de coupplegers. Hij werd bestraft met de dood door verhanging. Volgens een formulier van de Plötzensee-gevangenis werd Nebe op 2 maart overgedragen door de Gestapo. Vermoedelijk werd hij hier meteen al de volgende dag terechtgesteld. Anders dan Von Stauffenberg en andere leden van het verzet wordt Nebe tegenwoordig niet geroemd vanwege zijn aandeel aan de staatsgreep. Daarvoor was zijn rol bij de Holocaust en andere nazimisdaden te groot.


Betrokkenheid bij de coup van 20 juli 1944


Bronnen

Boeken


Versie: 13-4-2018 Artikel door: Kevin Prenger

Deze website is een initiatief van STIWOT (Stichting Informatie Wereldoorlog Twee) Alle rechten voorbehouden © 2002--2018
Directe link: http://www.go2war2.nl/artikel/2151/Nebe-Arthur.htm