Japanse Torpedobootjagers van de Hatsuharu Klasse

Inleiding

De Hatsuharu-klasse torpedobootjagers werden ontworpen volgens de regels zoals deze afgesproken waren bij het London Naval Treaty in 1930. Hierdoor waren ze qua omvang en waterverplaatsing kleiner dan andere torpedobootjagers.

 

De Hatsuharu Klasse

De Hatsuharu-klasse torpedobootjagers werden ontworpen volgens de regels zoals deze afgesproken waren bij het London Naval Treaty in 1930. Hierdoor waren ze qua omvang en waterverplaatsing kleiner dan andere torpedobootjagers.

Technische gegevens bij de bouw:
Klasse: Hatsuharu
Aantal in klasse: 6
Land: Japan
Waterverplaatsing: standaard 1530 BRT
volledig beladen 1802 BRT
Afmetingen: Lengte over alles: 109,50 meter
Breedte: 10 meter
Diepgang (volledig beladen): 3,35 meter
Aandrijving: Twee Kampon turbines, 3 boilers, 42.000pk
Bewapening: Vijf 12,7cm/50 Type 3 kanonnen (2x2, 1x1), later 4 (na 1942)
Negen 61 cm torpedobuizen (3x3)
Twee Vickers 40 mm luchtafweerkanonnen, later vervangen door meerdere Hotschkiss 25 mm Type 96 kanonnen
18 dieptebommen
Bemanning: 200

Ontwerp

Bij het ontwerp van deze klasse werd rekening gehouden met een taak waarbij de schepen vooral als escortevaartuig voor een grotere aanvalsvloot dienden te fungeren. Hoewel de bewapening nagenoeg gelijkwaardig was als die van de Fubuki-klasse, werd het bruto tonnage op 1400 ton gehouden. De vuurleidingstechnieken waren zodanig ontwikkeld dat bij het ontwerp rekening werd gehouden met militaire ontwikkelingen. Hierdoor werd het vuurleidingssysteem geschikt gemaakt voor luchtafweer. Ook het hoofdgeschut kreeg hierdoor een grotere vuurhoogte. Zowel de torpedobuis lanceer-installaties als de commando locaties werden voorzien van bepantsering, ook tegen luchtaanvallen. Het gevolg hiervan was dat de schepen veel extra gewicht kregen boven de waterlijn, wat hen topzwaar maakte.

Voor de schepen werd hetzelfde soort staal gebruikt als eerdere ontwerpen, waardoor men het extra gewicht boven de waterlijn op andere manieren moest zien te reduceren. Er werd gekozen voor motoren die niet voor extra snelheid konden zorgen. Door een herontwerp van de romp trachtte men het extra gewicht boven water op te vangen, wat echter weer meer weerstand veroorzaakte. Hoewel zo veel mogelijk de nieuwe techniek van elektronisch lassen werd toegepast, wat wederom voor minder gewicht kon zorgen, stond deze techniek in Japan nog in de kinderschoenen. Gedurende het gehele ontwerp werd getracht zoveel mogelijk gewicht te besparen, wat vaak weer zorgde voor verzwakking van de constructie.

De schepen werden ontworpen onder het zogenaamde eerste Marine Bewapeningsprogramma van 1931, de Maru Ichi Keikaku. De Hatsuharu, Nenohi en Wakaba volgens JFY 1931 en de Hatsushimo, Ariake en Yugure volgens JFY 1933. Volgens hetzelfde plan werden nog zes torpedobootjagers ontworpen en gebouwd als Shiratsuyu-klasse.

Vormgeving

Globaal behielden de schepen eenzelfde opbouw als de Fubuki-klasse met haar karakteristieke lange, vooruitstekende boeg. De brug kreeg vier vuurleidingstations elk beschermd met 10 mm bepantsering. De opbouw kreeg twee schoorstenen. De grotere voorste schoorsteen zorgde voor de afvoer vanuit de twee voorste ketelruimen, terwijl de achterste, kleinere schoorsteen de achterste boiler kamer bediende. Tussen de voorste schoorsteen en de brug werd een driepoot mast geplaatst. Op het achterschip bevond zich het achterste dekhuis. Hierop bevonden zich de achterste torpedobuizen en een klein platform met een afstandsmeter. Een 90 cm zoeklicht was aangebracht op een toren achter de achterste schoorsteen.

Bewapening

Voor het eerst in de geschiedenis van de Japanse torpedobootjagerbouw werd geschut direct voor de brug geplaatst. Deze geschutskoepel, van het zogenaamde Model A, kreeg een 12,7 cm Type 3 kanon en werd aangebracht op een dekhuis zodat het kon draaien en vuren over het dubbelloops geschut op het voordek. Dit bestond uit een Model B Mod 2 (B-gata kai-2) geschutskoepel met twee 12,7 cm Type 3 kanonnen. Een tweede dubbelloops geschutskoepel was achter op het hoofddek geplaatst en droeg eveneens twee 12,7 cm Type 3 kanonnen. Het geschut had een elevatie van 75 graden. Na 1942 werd bij alle overgebleven schepen de enkelloops geschutskoepel verwijderd.

Tussen de twee schoorstenen, op een platform, werd de voorste torpedobuis opstelling geplaatst, voorzien van drie 61 cm Type 90 torpedobuizen in een Type 90 Model 2 lanceerinstallatie. Ten opzichte van elkaar stonden de torpedobuizen en de achterste schoorsteen iets uit het midden van het schip, waardoor het gewicht beter over het schip werd verdeeld. De middelste torpedo opstelling, eveneens met drie torpedobuizen was aangebracht achter de achterste schoorsteen. De achterste torpedo opstelling bevond zich op het achterste dekhuis en had tevens drie torpedolanceerbuizen.

Op een verhoogd platform, direct voor de achterste schoorsteen waren twee in licentie gebouwde Vickers 40 mm luchtafweer kanonnen aangebracht. Vanaf 1943 werden deze vervangen door in licentie gebouwde Hotschkiss 25 mm Type 96 kanonnen aangebracht in enkel, dubbel of triple opstellingen. Dit kon per schip verschillen, zo is bekend dat de Hatsuharu vanaf juni 1944 drie stuks triple-luchtafweergeschut droeg, waarvan één in plaats van de enkelgeschuts koepel, een dubbele op een platform voor de brug en twee enkele. De Hatsushimo droeg tien enkelvoudige luchtafweer kanonnen toen het in juli 1945 tot zinken werd gebracht. Enige tijd zou de Hatsushimo ook vier in licentie gebouwde 13,2 mm Type 93 kanonnen hebben gekregen, maar deze waren van weinig nut tegen moderne vliegtuigen.

Aanvankelijk droegen de schepen tevens 18 dieptebommen met zich mee in een rek op het achterdek. Deze werden in 1942 uitgebreid tot 36. Pas na aanvang van de Tweede Wereldoorlog werden Type 93 sonar en Type 93 hydrofoons geïnstalleerd. Pas aan het einde van de oorlog, rond 1944, werden de overgebleven schepen met een Type 22 radar op de voorste mast, Type 13 op de hoofdmast en een Type E-17 Anti-radar installatie uitgerust.

Aandrijving

De klasse werd aangedreven door twee sets Kampon turbines, elk bestaande uit een lagedruk en een hogedruk turbine. Beide turbines dreven een 3,05 meter in doorsnede propeller aan. Totaal kon de klasse hiermee 42.000 pk produceren. Als boilers werden drie Kampon Ro-Go boilers geplaatst die elk 14.000 pk produceerden. De schepen konden hiermee 7400 km varen zonder te bunkeren, met een snelheid van 18 knopen (33 km/u). Bij proefvaarten zijn snelheden gemeten tot 37,64 knopen (69,71 km/u).

Aanpassingen

Al bij de proefvaarten met de Hatsuharu bleek het schip hevig te reageren op zeegang. In september 1933 werd daarom besloten om twee 300 mm uitstulpingen aan de romp aan te brengen om de romp te verbreden. Hatsuharu en Nenohi werden na de afbouw aangepast, de Wakaba en Hatsushimo werden tijdens de bouw aangepast en de Ariake en Yugure kregen een 1 meter bredere romp.

Nadat in 1934 de torpedoboot Tomozure was gekapseisd, werd de gehele opbouw van de klasse herzien. De achterste dekhuizen en afstandsmeter werden verwijderd en de enkelvoudige geschutskoepel werd verder naar voren geplaatst. Het magazijn van dit geschut werd omgebouwd tot brandstoftank. No. 3 torpedolanceerinrichting werd verwijderd. De kompasbrug werd een verdieping lager geplaatst en bij de gehele brugopbouw werd de bepantsering verwijderd. Beide schoorstenen en masten werden met 1 tot 1,5 meter verlaagd. De voorste torpedolanceerinrichting werd 30 cm, het luchtafweerplatform 1,5 meter en het zoeklichtplatform 2 meter lager aangebracht. De uitstulpingen aan de romp werden weer verwijderd en de berging voor de ankerketting werd een dek lager ingericht. De bodembeplating werd aan de buitenzijde versterkt en totaal werd 70 ton aan extra ballast in de schepen aangebracht. Via een automatisch systeem kon zeewater in brandstoftanks worden gepompt om het gewichtsverlies bij brandstofverbruik te compenseren.

Omdat de Hatsuharu en de Nenohi ten tijde van het incident met de Tomozure al in dienst waren, werden deze uit de vaart genomen en in de reservevloot te Kure geplaatst. De overige vier schepen werden tijdens de afbouw aangepast.

Hoewel de Ariake en de Yugure tijdens hun afbouw twee anders gevormde en geplaatste roeren hadden gekregen, werden deze na het incident met de Tomozuru weer vervangen.

Toen tijdens een tyfoon op 26 september 1935 twee schepen uit de Fubuki-klasse zwaar werden beschadigd, kregen de Hatsuhuru-klasse schepen een versterkte romp en extra ballast.

Al deze aanpassingen hadden er intussen toe geleid dat de schepen in deze klasse 23% zwaarder waren geworden, één derde van hun torpedobuizen moesten inleveren en 3 knopen in snelheid verloren ten opzichte van de ontwerpen.


Hatsuharu

Hatsuharu

Gebouwd door Kiel gelegd Te water Afgebouwd Einde
Sasebo Scheepswerf 14-05-1931 27-02-1932 30-09-1933 13-11-1944

De Hatsuharu was de naamgever en het eerste schip in de klasse. Ten tijde van de aanval op Pearl Harbor was de Hatsuharu ingedeeld bij de 21e Torpedobootjager Divisie van Torpedobootjager Eskader 1 binnen de Japanse Eerste Vloot. Het schip was hier ingedeeld samen met haar zusterschepen Nenohi, Wakaba en Hatsushimo. Deze divisie bleef in die periode in thuiswateren en voer anti onderzeeboot patrouilles. Eind 1942 werd het schip ingezet bij de invasie van Nederlands-Indië en dekte de landingen op Kendari en Sulawesi tijdens Operatie H op 24 januari 1942. Op 25 januari kwam de Hatsuharu in aanvaring met de Nagara en moest binnenlopen in Davao voor reparaties. Op 11 februari kon het weer op pad als escorte voor tankschepen naar Balikpapan, Tarakan en Makassar. Op 26 februari werd ze weer toegevoegd aan haar eskader, waarmee het eind maart in Sasebo binnenliep voor onderhoud.

Vanaf mei 1942 werd de Hatsuharu ingedeeld in de Noordelijke wateren om samen met de Abukuma vanuit het Ominata Bewakings District deel te nemen aan Operatie AL ten tijde van de campagne op de Aleoeten. Tot het midden van juli 1942 patrouilleerde het schip in de wateren rond Attu, Kiska en Amchitka. Na een kort onderhoud in Yokosuka, voer het schip naar Chishima, Paramushiro en Kiska waar het transporten voer voor bevoorrading. Op 17 oktober 1942 werd het schip tijdens een tocht samen met de Oboro bij Kiska aangevallen door B-26 bommenwerpers van het Amerikaanse leger. Een treffer maakte haar roer onbruikbaar en doodde vier bemanningsleden. De Oboro werd tijden deze aanval tot zinken gebracht. Met overlevenden van de Oboro, wist het schip op 25 oktober de haven van Paramushiro te bereiken.

Van 6 november 1942 tot 30 september 1943 lag het in droogdok op de marinewerf van Maizuru. Tijdens de reparaties werd aanvullend 25 mm Type 96 luchtafweer geplaatst en werd de Type 22 radar aangebracht. Op 11 oktober 1943 vertrok het schip met de Hatsushimo als escorte voor de vliegdekschepen Ryuho en Chitose naar Singapore. Op 24 november voer het met de Hatsushimo en Wakaba als escorte voor de Hiyo van Kure naar Truk en aan het einde van het jaar met de Unyo en Zuiho naar Yokosuka.

In 1944 werd de Hatuharu toegewezen aan het hoofdkwartier van de Gecombineerde Vloot waarbij het escortes voer tussen Yokosuka en Truk. Vanaf eind februari tot eind juni was het schip weer in Noordelijke wateren te vinden. Ondertussen had het bij onderhoud in mei in Ominato en in juni in Yokosuka aanvullend luchtafweergeschut gekregen. Eind juli ontving het schip de Type 13 radar en tussen augustus en oktober voer het escortes voor troepenkonvooien van Kure naar Taiwan en Luzon. Tijdens de Slag bij Leyte redde de Hatsuharu 78 overlevenden van de door vliegtuigen bij Panay tot zinken gebrachte Wakaba. Vanaf november voer het vanuit de haven van Manila als escorte voor konvooien naar Ormoc. In de nacht van 13 november 1944 kwam het tijdens de terugvaart, terecht in een luchtaanval in de baai van Manila. Diverse bommen vielen zo dicht bij het schip dat de scheepshuid verboog en diverse branden uitbraken. Het schip zonk in ondiep water op 14°35′N 120°50′E. Bij de aanval kwamen twaalf bemanningsleden om het leven en raakten 60 gewond. De Hatsuharu werd op 10 januari 1945 officieel afgeschreven.

Bevelhebbers:
Sho-sa (Luitenant-ter-Zee 1e Klasse) Makino Hiroshi;
15 november 1941: Sho-sa (Luitenant-ter-Zee 1e Klasse) Yamana Hiroo;
20 mei 1943: Chu-sa (Kapitein-luitenant-ter-Zee) Hitomi Toyoji;
10 september 1943: Sho-sa (Luitenant-ter-Zee 1e Klasse) Tobita Kiyoshi;
1 april 1944: Sho-sa (Luitenant-ter-Zee 1e Klasse) Nagakura Yoshiharu;
1 oktober 1944: Sho-sa (Luitenant-ter-Zee 1e Klasse) Okuma Yasunosuke.


Nenohi

Nenohi

Gebouwd door Kiel gelegd Te water Afgebouwd Einde
Uraga Droogdok 15-12-1931 22-12-1932 30-09-1933 05-07-1942

Na haar indienststelling, werd de Nenohi toegevoegd aan de 2e Expeditionele Vloot. Vanaf 1940 voerde het schip patrouilles uit en ondersteunde het de landingen tijdens de invasie van Frans Indochina. Tijdens de aanvangsfase van de operatie lag het in Hanoi om als radio station te fungeren en deed het later dienst als wachtschip in Haiphong.

In december 1941 voer de Nenohi, samen met haar zusterschepen Hatsuharu, Wakaba en Hatsushimo als vlaggeschip bij de 21eTorpedobootjager Divisie, torpedobootjager Eskader 1 van de Eerste Vloot. Het voerde in thuiswateren anti-onderzeeboot patrouilles uit.

Vanaf het einde van 1942 was het schip betrokken bij de invasie van Nederlands-Indië en ondersteunde het de landingen op Kendari en Sulawesi ten tijde van Operatie H op 24 januari. Op 8 februari was de Nenohi betrokken bij de landing op Makassar en op 18 februari op Bali en Lombok. Eind maart voer het schip binnen in Sasebo voor onderhoud.

Vanaf mei 1942 was de Nenohi ingedeeld in Noordelijke Wateren vanuit het Ominata Wacht District en nam het deel aan Operatie AL bij de Aleoeten. Hierbij patrouilleerde het in de wateren rond Attu, Kiska en Amchitka.

Op 4 juli 1942 werd de Nenohi door de U.S.S. Triton (SS-201) getorpedeerd tijdens het escorteren van het drijvervliegtuig moederschip Kamikawa Maru ten zuidoosten van Attu nabij Agattu. Binnen twee minuten na de inslag kapseisde de Nenohi en het zonk binnen vijf minuten op 52°15′N 173°51′E. Bij de ramp kwamen 188 opvarenden, waaronder Luitenant Commandeur Terauchi om het leven. De Inazuma wist 38 overlevenden op te pikken.

Op 31 juli 1942 werd de Nenohi van de sterkte afgevoerd.

Bevelhebbers:
Sho-sa (Luitenant-ter-Zee 1e Klasse) Chihagi Tomiji;
20 april 1942: Sho-sa (Luitenant-ter-Zee 1e Klasse) Terauchi Saburo.


Wakaba

Wakaba

Gebouwd door Kiel gelegd Te water   
Sasebo Scheepswerf 12-12-1931 18-03-1934 31-10-1934 24-10-1944

Na in diens stelling werd de Wakaba ingedeeld in de 2e Vloot. Vanaf 1937 nam het schip deel aan de Tweede Chinees-Japanse oorlog en ondersteunde het de landingen bij Shanghai en Hangzhou. Vanaf 1940 was de Wakaba betrokken bij de invasie van Zuid-China en Frans Indochina.

Ten tijde van de aanval op Pearl Harbor diende het schip bij Torpedobootjager Divisie 21, Torpedobootjager Eskader 1 binnen de 1e Vloot in de thuiswateren van Japan. Vanaf januari 1942 nam het deel aan de invasie van Nederlands-Indië en ondersteunde de landingen op Kendari en Sulawesi op 24 januari. Op 8 februari was de Wakaba betrokken bij de invasie van Makassar en op 18 februari Bali en Lombok. Eind maart 1942 lag het schip in onderhoud in Sasebo. Vanaf mei 1942 werd het schip ingedeeld bij het Ominato Wacht District en ondersteunde het Operatie AL rond de Aleoeten. Hierbij patrouilleerde de Wakaba rond Attu, Kiska en Amchitka. Na een kort onderhoud in Yokosuka keerde het schip terug naar Chishima, varend vanuit Paramushiro en Shumushu naar Kiska en Attu tot december. Eind 1942 onderging het schip groot onderhoud waarbij het 40mm luchtafweergeschut werd vervangen door een dubbelloops 25 mm Type 96.

In januari 1943 keerde het schip weer terug op patrouilles rond de Aleoeten. Op 26 maart nam het schip als onderdeel van de 5e Vloot deel aan de Slag om de Komandorski eilanden. De Wakaba kwam op 30 maart in aanvaring met de Ikazuchi, waarna het terugkeerde naar Yokosuka voor reparatie. Eind april keerde ze terug bij de vloot en patrouilleerde het tussen Paramushiro en Ominato. In juli werd de Wakaba ingezet bij de evacuatie van de Aleoeten in een ondersteuningseenheid met de Hatsushimo, Naganami, Shimakaze en Samidare. Bij deze operatie kwam het schip op 26 juli in aanvaring met de Hatsushimo en moest het naar Sasebo voor reparaties. Hierbij weren de Type 22 radar geplaatst en de enkelloops koepel verwijderd. Tevens werd aanvullende 25mm luchtafweer geplaatst. In het midden van oktober kon het schip weer terugkeren bij de vloot. Vanaf 24 november voer het schip escortes met Hiyo van Kure naar Truk en met Unyo en Zuiho naar Yokosuka.

In 1944 werd de Wakaba toegevoegd aan de Gecombineerde Vloot en voer het escorte tussen Yokosuka en Truk. Tussen februari en juni was ze weer te vinden in Noordelijke wateren, waarbij het in mei te Ominata en in juni te Yokosuka weer aanvullend 25mm luchtafweer kreeg. In juli nam het schip deel aan troepentransporten naar Iwo Jima en kreeg eind die maand haar Type 13 radar. Van augustus tot en met oktober nam het deel aan konvooi vaarten vanuit Kure naar Taiwan en Luzon. Tijdens de Slag om Leyte, werd de Wakaba op 24 oktober 1944 door vliegtuigen van de U.S.S. Franklin (CV-13) tot zinken gebracht bij Panay op 11°50′N 121°25′E. Door de Hatsuharu werden 78 overlevenden opgepikt, terwijl Hatsushimo 74 overlevenden oppikte. Op 10 december 1944 werd het schip van de sterkte afgevoerd.

Bevelhebbers:
Sho-sa (Luitenant-ter-Zee 1e Klasse) Kuroki Masakichi;
7 november 1942: Sho-sa (Luitenant-ter-Zee 1e Klasse) Suetsugu Noboyoshi;
1 oktober 1943: Sho-sa (Luitenant-ter-Zee 1e Klasse) Ninokata Kanehumi

 


Hatsushimo

Hatsushimo

Gebouwd door Kiel gelegd Te water Afgebouwd Einde
Uraga Droogdok 31-01-1933 04-11-1933 27-09-1934 30-07-1945

Na haar indienststelling kwam Hatsushimo terecht bij de 2e Vloot. Het nam in 1937 deel aan de Tweede Chinees-Japanse oorlog en ondersteunde de landingen bij Shanghai en Hangzhou. Vanaf 1940 ondersteunde het de landingen in Zuid-China en nam het deel aan de invasie van Frans Indochina.

In december 1941 was het schip ingedeeld bij Torpedobootjager Divisie 21, Torpedobootjager Eskader 1, 1e Vloot in de thuiswateren van Japan. In januari 1942 nam het deel aan de invasie van Nederlands-Indië en ondersteunde op 24 januari de landingen bij Kendari en Sulawesi. Na deelname aan de landingen bij Makassar op 8 februari en Bali en lombok op 18 februari keerde de Hatsushimo eind maart 1942 terug naar Sasebo voor onderhoud. Mei 1942 werd Torpedobootjager Divisie 21 vanuit het Ominato District ingezet voor operaties in het Noorden. Samen met Abukuma nam de Hatsushimo deel aan Operatie AL, de ondersteuningsoperatie voor de invasie van de Aleoeten. Halverwege juli opereerde het schip rond Attu, Kiska en Amchitka.

Na een korte onderhoudsperiode in Yokosuka keerde het terug naar de Noordelijke wateren. Eind 1942 ontving het schip bij onderhoud in Sasebo nieuw dubbelloops 25 mm Type 96 luchtafweergeschut. Al in januari 1943 keerde het schip terug naar de Noordelijke wateren.

Op 26 maart nam het met de 5e Vloot deel aan de gevechten bij de Komandorski Eilanden. Een paar dagen later werd het schip al naar Yokosuka teruggetrokken.

In mei 1943 nam Hatsushimo deel aan konvooidiensten in de Noordelijke wateren om in juli betrokken te zijn bij de evacuatie van de Aleoeten. Hierbij ramde het schip in zware mist de Wakaba en werd het zelf geramd door de Naganami. Hierna keerde het schip voor reparaties terug naar Yokosuka in september. Bij deze reparatie werd een Type 22 radar geïnstalleerd, werd de “X” koepel verwijderd en kreeg het aanvullend 25 mm luchtafweergeschut geïnstalleerd.

ingedeeld bij de gecombineerde Vloot en ging het escortediensten varen tussen Yokosuka en Truk. Een nieuwe onderhoudsperiode te Sasebo ving op 14 april 1944 aan waarbij aanvullend 25 mm luchtafweergeschut en Type 22 radar werden geplaatst. In juni was het schip gereed om deel te nemen aan de slag in de Filippijnse Zee. Na een onderhoudsperiode in Kure, waar het schip wederom aanvullend 25 mm luchtafweergeschut ontving en een Type 13 radar werd toegevoegd, keerde het terug naar escortediensten, dit keer rond de Filippijnen. Tijdens de Slag bij Leyte redde de Hatsushimo op 24 oktober overlevenden van de Wakabe. En op 13 november redde het overlevenden van de Hatsuharu. Vanaf 15 november werd het schip overgeheveld naar de 2e Vloot en voer het escortediensten tussen Singapore en toenmalig Frans-Indochina.

In februari 1945 nam de Hatsushimo deel aan Operatie Kita, voor escortediensten naar Kure. In Kure kreeg het wederom 25 mm luchtafweergeschut toegevoegd. Opnieuw in dienst nam ze in april 1945 deel aan Operatie Ten-Go waarbij het als escorte voor de Yamato diende. Hierbij nam het overlevenden aan boord van de Yamato, Yahagi en Hamakaze die bij deze operatie zonken.

Hierna werd de Hatsushimo ingedeeld te Maizuru als trainings- en wachtschip. Hierbij werd het schip op 30 juli 1945 aangevallen door Amerikaanse Marinevliegtuigen van Taskforce 38 in de Baai van Miyazu. Bij deze aanval werden 17 bemanningsleden gedood en liep het schip op een mijn en zonk op 35.33N-135.12O. De Hatsushimo was hiermee de laatste Japanse torpedobootjager die tijdens de Tweede Wereldoorlog tijdens gevechten zonk. Het schip werd formeel op 30 september 1945 afgevoerd van de operationele lijst.

Bevelhebbers: Sho-sa (Luitenant-ter-Zee 1e Klasse) Kohama Satoru;
27 november 1942: Sho-sa (Luitenant-ter-Zee 1e Klasse) Iritono Atsuo;
11 november 1943: Sho-sa (Luitenant-ter-Zee 1e Klasse) Takigawa Kouji;
24 augustus 1944: Sho-sa (Luitenant-ter-Zee 1e Klasse) Sakawa Masazo


Ariake

Ariake

Gebouwd door Kiel gelegd Te water Afgebouwd Einde
Kawasaki Kobe Scheepswerf 14-01-1933 23-09-1934 25-03-1935 28-07-1943

Ten tijde van de aanval op Pearl Harbor, maakte de Ariake deel uit van Torpedobootjager Divisie 27, Torpedobootjager Eskader 1, 1e Vloot. Hierbij was zij samen met de Shiratsuyu, de Shigure en Yugure gestationeerd in Hashirajima voor anti-onderzeeboot patrouilles. In januari 1942 voer het als escorteschip van de Hiryu en de Soryu naar Palau en later naar Ambon tijdens de invasie van Nederlands-Indië en de aanval op Darwin. Na de strijd werd het schip gestationeerd in de Staringbaai, Sulawesi voor escortedienst. Van 22 maart tot 15 april bevond het zich te Sasebo voor reparaties, waarna het werd overgeplaatst naar Truk. Van hieruit nam de Ariake deel aan de Slag in de Koraalzee. Hierna volgde escortedienst voor de Myoku en de Haguro naar Kure. Tijdens de Slag om Midway was de Ariake ingedeeld bij de aanvalsvloot voor de Aleoeten. In juli werd het schip tijdelijk ingedeeld bij de 4e Vloot. Op 26 augustus nam een landingseenheid van de Ariake het eiland Nauru in tijdens Operatie RY. Hierna werd het schip toegewezen voor operaties vanuit de Solomon eilanden voor troepentransport van de Ichiki en Aoba Eenheden naar Guadalcanal en nam het deel aan beschietingen van Henderson Field. Tussen september en december nam de Ariake deel aan de transporten, bekend geworden onder de benaming Tokio Exspres. Op 17 december 1942 viel ze een onbekende onderzeeboot aan, welke naar eigen zeggen tot zinken werd gebracht.

Aan het einde van diezelfde maand werd het schip zelf zwaar beschadigd toen Rabaul (Australian New Guinea) door Amerikaanse B-24 bommenwerpers werd aangevallen. Hierbij kwamen 28 opvarenden om het leven en werden torens 2 en 3 uitgeschakeld. Tot midden februari lag de Ariake voor reparaties in Sasebo. Hierna werd het ingedeeld te Truk voor escortediensten. Begin juni ging de Ariake in droogdok voor reparaties om eind die maand alweer escortediensten vanuit Truk te varen.

Tijdens een troepentransport naar Tuluvu, New Britain, op 27 en 28 juli 1943, liep de Ariake samen met Mikazuki op een rif bij Cape Gloucester. De Ariake wist zich echter zelf weer los te krijgen. Op 28 juli zonk het schip echter tijdens een aanval door Amerikaanse B-25 bommenwerpers, waarbij zeven opvarenden, waaronder bevelhebber Akifumi Kawahashi, om het leven kwamen.

Bevelhebbers:
Sho-sa (Luitenant-ter-Zee 1e Klasse) Yoshida Shooichi;
1 november 1942: Chu-sa (Kapitein-luitenant-ter-Zee) Yoshida Shooichi (promotie);
15 juli 1943: Sho-sa (Luitenant-ter-Zee 1e Klasse) Kawahashi Akifumi.


Yugure

Yugure

 
Gebouwd door Kiel gelegd Te water Afgebouwd
Maizuru Marinewerf 09-04-1933 06-05-1934 30-03-1935 20-07-1943

Toen Japanse eenheden op 7 december 1941 Pearl Harbor aanvielen, was de Yugure met haar zusterschepen Shiratsuyu, Shigure en Ariake, ingedeeld bij Torpedobootjager Divisie 27, Torpedobootjager Eskader 1, 1e Vloot. Hierbij voer het anti-onderzeeboot patrouilles vanuit Hashirajima.

Vanaf januari 1942 nam de Yugure deel aan de invasie van Ambon, Nederlands-Indië en de aanval op Darwin op 19 februari. Hierna werd het gestationeerd in de Staringbaai, Sulawesi voor escortediensten. Eind maart keerde het schip terug naar Sasebo voor reparaties en voer in april naar Truk voor escortediensten. Later nam het deel aan de Slag in de Koraalzee. In mei nam ze weer deel aan escortediensten om tijdens de Slag om Midway ingedeeld te zijn bij de aanvalsvloot voor de Aleoeten. Vanaf 14 juli werd de Yugure ingedeeld bij de 2e Vloot. Op 23 augustus bezette een landingseenheid van de Yugure het eiland Ocean tijdens Operatie RY, waarna het werd gestationeerd bij de Solomon Eilanden. Hiervandaan nam de Yugure deel aan de Tokio Expres transporten tot januari 1943.

De Yugare nam deel aan de reddingsoperaties na de Slag om Guadalcanal, waarbij het de overlevenden van de Hiei ophaalde. Tot midden januari lag het in Sasebo voor reparaties waarna het escortediensten voer naar Tsingtao, Palau en Wewak. In maart voer het escortes van Truk naar Wewak en Yokosuka. Eind mei keerde het terug in Truk. Hierna volgde diverse escortediensten tot het schip begin juni werd ingedeeld voor troepentransporten naar Kolombangara.

Op 12 juli 1943 nam de Yugure deel aan de Slag bij Kolombangara, waarbij ze een aandeel had in het tot zinken brengen van de U.S.S. Gwin (DD-433) en het beschadigen van de U.S.S. Honolulu (CL-48) en de U.S.S. St. Louis (CL-49). Op 19 juli werd het schip tijdens een troepentransport naar Kolombangara aangevallen door Amerikaanse TBF Avenger bommenwerpers en tot zinken gebracht op 7.25S – 156.45O. Er waren hierbij geen overlevenden.

Bevelhebbers: Sho-sa (Luitenant-ter-Zee 1e Klasse) Kamo Kiyoshi;
1 november 1942: Chu-sa (Kapitein-luitenant-ter-Zee) Kamo Kiyoshi (promotie);


Bronnen

Boeken

- Morison, S. E., Aleutians, Gilberts and Marshalls, June 1942-April 1944, vol. 7 of History of United States Naval Operations in World War II, Little, Brown and Company, Boston, 1969, ASIN B0007FBB8I
Versie: 28-3-2014 Artikel door: Wilco Vermeer

Deze website is een initiatief van STIWOT (Stichting Informatie Wereldoorlog Twee) Alle rechten voorbehouden © 2002--2018
Directe link: http://www.go2war2.nl/artikel/2440/Japanse-Torpedobootjagers-van-de-Hatsuharu-Klasse.htm