Slag bij Midway

Voorwoord

De Slag bij Midway, die tussen 3 en 7 juni 1942 uitgevochten werd door Amerikaanse en Japanse gevechtsvliegtuigen vanaf vliegdekschepen, was één van de belangrijkste zeeslagen van de Tweede Wereldoorlog. Dit was slechts zes maanden na de Japanse aanval op Pearl Harbor waarbij de Amerikaanse slagschepen van de US Pacific Fleet voor onbepaalde tijd werden uitgeschakeld. Na de nederlaag was het Amerikaanse moreel bijzonder laag. De Amerikanen waren aangeslagen en werden door de verrassende Japanse aanval op Hawaï meegezogen in de Tweede Wereldoorlog. Zij hadden een snelle overwinning nodig, maar zouden daar tot april 1942 op moeten wachten. Op 18 april van dat jaar voerde Lieutenant Colonel Doolittle, met 16 North American B-25 Mitchell bommenwerpers die opgestegen waren van het vliegdekschip USS Hornet (CV-8), succesvolle bombardementen uit op Tokyo en andere belangrijke Japanse steden. Hoewel de schade aan de steden in Japan bijzonder klein was, was de Doolittle Raid een enorme morele opsteker voor de Amerikanen.

De tweede morele boost voor de Amerikanen kwam na de Slag in de Koraalzee, die nauwelijks een maand voor de Slag bij Midway plaats vond. Deze slag was nog een tactische overwinning voor de Japanners omdat zij belangrijkere vijandelijke schepen tot zinken wisten te brengen dan hun Amerikaanse tegenstanders. Het werd echter een strategische overwinning voor de Amerikanen omdat zij de Japanse invasies van Port Moresby, in Zuid-Nieuw Guinea, en Nauru konden tegenhouden. Hierdoor werd Australië niet geïsoleerd en bovendien konden de Japanners de twee belangrijke vliegdekschepen Shokaku en Zuikaku niet inzetten bij Midway. Tijdens de Slag bij Midway verloren de Japanners vier grote vliegdekschepen en meer dan 100 ervaren piloten, buiten even zovele minder ervaren piloten, die niet meer vervangen konden worden. Hierdoor herstelde het evenwicht in sterkte van de Japanse en Amerikaanse oorlogsvloten en niet lang daarna namen de Amerikanen, samen met hun bondgenoten, het strategische initiatief in de oorlog in de Pacific.

De Japanse strijdkrachten waren vanaf begin december 1941 tot april 1942 zeer succesvol geweest en hadden vele van hun tactische oorlogsdoelen bereikt. Om aan grondstoffen te komen voor een onafhankelijk en zelfvoorzienend Japans keizerrijk hadden zij in een hoog tempo Brits Maleisië, Singapore, Nederlands Oost-Indië, de Filippijnen, het noorden van Nieuw-Guinea en een aantal Amerikaanse eilanden in de Pacific bezet. Om de veroveringen veilig te kunnen stellen en doelmatig te kunnen verdedigen was het nodig om nog een aantal strategisch gelegen eilanden in de Pacific te veroveren. Om Australië en Nieuw-Zeeland te isoleren zouden geheel Nieuw-Guinea, Samoa, Nieuw-Caledonië en Fiji eveneens veroverd moeten worden. Doordat de Amerikanen een strategische en morele overwinning behaalden in de Slag in de Koraalzee moesten de invasies van Zuid-Nieuw-Guinea en Nauru opgeschort worden.

De opperbevelhebber van de Japanse Keizerlijke Marine, Admiral Isoroku Yamamoto was groot voorstander van het onmiddellijk uitbreiden van de verdedigingsgordel rond de veroverde gebieden in de Pacific door de Midway Islands en de Aleoeten in het zuidwesten van Alaska te veroveren. Hij had hier al operationele plannen voor klaar liggen onder de codenamen MI en AL. Hij hoopte hierbij een dubbelslag te maken door de US Pacific Fleet tot een slag te dwingen waarbij de Amerikaanse oorlogsvloot vernietigd moest worden. De generale staf van de Japanse marine, onder leiding van Admiral Osami Nagano, wilde liever eerst Australië en Nieuw Zeeland isoleren door de eerder genoemde eilanden te veroveren. Het Keizerlijke Japanse Leger wilde liever zoveel mogelijk gebieden in China veroveren. De Doolittle Raid maakte aan alle Japanse militaire en politieke leiders duidelijk dat Yamamoto gelijk moest hebben. Bovendien had de strategisch verloren Slag in de Koraalzee de veroveringen in de South-Pacific, althans voorlopig, opgehouden. Yamamoto kreeg het groene licht om zijn plannen uit te voeren.


Japanse aanvalsplannen

Typerend voor alle Japanse marineplannen tijdens de Tweede Wereldoorlog was dat zij bijzonder complex waren. Yamamoto`s plan om Midway (MI) en de Aleoeten (AL) te veroveren en hierbij de resterende Amerikaanse Pacifische vloot te vernietigen was hier geen uitzondering op. De plannen gingen echter uit van verkeerde inlichtingen. Volgens Japanse marinebronnen waren tijdens de Slag in de Koraalzee zowel de Amerikaanse vliegdekschepen USS Lexington (CV-2) als USS Yorktown (CV-5) tot zinken gebracht. In werkelijkheid was de Yorktown op 27 mei 1942 zwaar beschadigd aangekomen in Pearl Harbor, maar drie dagen later al weer zover opgelapt dat het schip operationeel was. De Japanners gingen er wel terecht vanuit dat het zusterschip van de Lexington, USS Saratoga, in reparatie lag aan de Amerikaanse westkust. Bovendien konden zij de slagschepen die in Pearl Harbor buiten gevecht gesteld waren buiten beschouwing laten. Ze rekenden dus alleen op tegenstand van de vliegdekschepen USS Hornet (CV-8) en USS Enterprise.

Om de Amerikaanse oorlogsvloot te lokken werd een aanvalsvloot samengesteld rond de vier vliegdekschepen Kaga van 38.900 ton, Akagi van 37.150 ton en de zusterschepen Hiryu en Soryu van 17.600 ton. Aan boord van de vliegdekschepen bevonden zich 97 Type 99 Aichi D3A 1 duikbommenwerpers (geallieerde codenaam Val), 101 Type 97 Nakajima B5N 2 torpedobommenwerpers (geallieerde codenaam Kate) en 50 Mitsubishi A6M Zero jachtvliegtuigen (geallieerde codenaam Zeke). De First Carrier Strike Force, die onder commando stond van Vice Admiral Chuichi Nagumo, werd beschermd door de slagschepen Haruna en Kirishima, twee zware en een lichte kruiser en elf torpedobootjagers. Om de schepen op zee van brandstof te voorzien werd de vloot begeleid door vijf vloottankers die op hun beurt weer geëscorteerd werden door een twaalfde destroyer. Nagumo`s vloot kreeg verschillende taken toegewezen: het bombarderen van Midway om de plaatselijke verdediging te verzwakken ter voorbereiding van de invasie en om de eerste aanvallen van de beide Amerikaanse vliegdekschepen af te slaan. Bovendien moest Nagumo een eventuele kans om de vijandelijke vliegdekschepen aan te vallen, meteen aangrijpen.

Enkele honderden mijlen achter Nagumo`s aanvalsvloot zou zich de First Fleet Main Force bevinden. Deze slagvloot zou de Amerikaanse Pacific Fleet moeten vernietigen als deze eenmaal in Nagumo`s val gelopen was. De vloot bestond onder andere uit het nieuwe slagschip Yamato dat tevens fungeerde als vlaggeschip van de commandant van de vloot, Rear Admiral Gihachi Takayanagi en de commandant van de gehele gecombineerde vloot, Admiral Yamamoto zelf. De Yamato was het grootse slagschip ter wereld met een standaard waterverplaatsing van 65.000 ton en met een primaire bewapening van negen 46cm kanonnen. Verder bestond de slagvloot uit de slagschepen Mutsu en Nagato, het lichte vliegdekschip Hosho, een lichte kruiser, negen torpedobootjagers en twee moederschepen voor watervliegtuigen.

Als invasiemacht voor Midway werd de Second Fleet (Midway Striking Force) samengesteld onder commando van Vice Admiral Nobutake Kondo. De 5.000 man sterke landingstroepen bevonden zich aan boord van zestien transportschepen die beschermd werden door een lichte kruiser, twee moederschepen voor watervliegtuigen en tien torpedobootjagers. De invasie zou ondersteund worden door de slagschepen Kongo en Hiei, vier zware en een lichte kruiser, het lichte vliegdekschip Zuiho, acht torpedobootjagers vier mijnenvegers, drie onderzeebootjagers en drie voorraadschepen.

De invasie van de Aleoeten zou uitgevoerd worden door de Northern Force onder bevel van Vice Admiral Moshiro Hosogaya. Deze werd samengesteld rond de Second Carrier Striking Force die bestond uit de lichte vliegdekschepen Ryujo en Junyo onder escorte van drie zware kruisers en vijf torpedobootjagers. De invasiemacht voor het eiland Attu, 1.200 troepen van het Keizerlijke Japanse Leger, die zich aan boord van een transportschip bevonden, werd ondersteund door vier torpedobootjagers en een mijnenlegger. Voor de invasie van het eiland Kiska werden 550 mariniers en 700 geniesoldaten ingescheept op twee transportschepen die begeleid werden door twee lichte kruisers, een hulpkruiser, drie torpedobootjagers en drie mijnenvegers. Als de Amerikaanse vloot koers zou zetten naar het noorden, om de invasie van Attu en Kiska te verhinderen, moest deze opgehouden of zelfs vernietigd kunnen worden door een vijfde vloot. Deze Aleutian Support Force, of Fifth Fleet, bestond uit de slagschepen Fuso, Hyuga, Ise en Yamashiro, twee lichte kruisers, twaalf torpedobootjagers en twee hulpschepen en maakte deel uit van de Northern Force. Het geheel was geplaatst onder bevel van Vice Admiral Shiro Takasu. Mocht de Amerikaanse vloot in de val lopen en onder vuur komen te liggen van de Main Force, zou de Fifth Fleet de schepen van Takayanagi moeten komen versterken en vice versa.

Om niet door Amerikaanse oorlogsschepen verrast te worden, werden vijftien onderzeeboten uitgestuurd die op 2 juni positie in moesten nemen op alle mogelijke routes die de vijand zou kunnen kiezen. De operaties van de onderzeeboten, die opgedeeld waren in drie divisies en Advanced Force genoemd werden, werden gecoördineerd door Vice Admiral Teruhisu Komatsu vanaf de lichte kruiser Katori, die zich op Kwajalein, één van de Marshalleilanden, bevond. De operaties MI en AL konden in geval van nood ondersteund worden door landgestationeerde gevechtsvliegtuigen. Deze Shore Based Air Forces bevonden zich op de Marshalleilanden Wotje, Kwajalein, Aur en Jaluit en het eiland Wake.

Op 3 of 4 juni moest Nagumo`s First Carrier Strike Force Midway aanvallen en tegelijkertijd zou Hosogaya`s Northern Force de Aleoeten aanvallen. Al met al was dit een bijzonder ingewikkeld plan wat alleen zou kunnen slagen als de verschillende vlootonderdelen heel goed samenwerkten wat weer afhankelijk was van een goede communicatie. Bovendien zou het plan alleen een kans van slagen hebben als de Amerikanen zouden reageren zoals Yamamoto voorspeld had en als het verrassingselement aanwezig bleef. De radiostiltes, die Yamamoto afgekondigd had tussen Nagumo`s carriervloot en de overige vlootonderdelen, om de val onverwacht te kunnen sluiten, waren echter geheel in tegenstrijd met het benodigde contact tussen de verschillende eskaders. De Japanse schepen verlieten op 27 mei hun bases in Japan en op de Marianen.


Midway en de Amerikaanse tegenmaatregelen

Midway is een eilandengroepje, dat geologisch behoort tot de Hawaï-archipel. Het atol ligt ongeveer 1.300 zeemijlen van Honolulu en ongeveer 2.250 zeemijlen van Tokyo af. De drie eilandjes, die zich in een lagune bevinden die omringd is door koraalriffen, heten Eastern Island, Sand Island en Spit Island en hebben een gezamenlijk landoppervlak van 6,2 vierkante kilometers. Midway heeft een subtropisch klimaat en de eilandjes liggen nergens meer dan drie meter boven de zeespiegel. Op 5 juli 1859 werden de onbewoonde eilandjes ontdekt door de Amerikaanse kapitein N.C. Brooks en door hem Middlebrook Islands genoemd. Op 28 juli 1867 werd de eilandengroep geannexeerd door Captain William Reynold van de US Navy. Twee jaar later werd een vaargeul uitgegraven waardoor schepen aan steigers op Eastern Island en Sand Island konden afmeren. Vanaf 1899 werden de eilandjes, samen met Guam en Wake, belangrijke tussenstops op de vaarroute van de Verenigde Staten naar de Filippijnen. Vanaf die tijd werd de bijnaam Midway de officiële naam voor het atol. Op 20 januari 1903 plaatste de toenmalige president, Theodore Roosevelt, Midway onder het beheer van de Amerikaanse marine en in datzelfde jaar werd op Sand Island een station van de Trans Pacific Telegraph Cable aangelegd en verschenen de eerste vaste bewoners. In 1935 vestigde Pan American Airways een basis voor watervliegtuigen op Sand Island en bouwde er een hotel.

Het strategisch liggende Midway werd al snel een steeds belangrijkere tussenstop en bunkerplaats voor Amerikaanse marineschepen. Begin 1940, toen de spanning tussen Japan en de Verenigde Staten steeds groter werd, werd Midway, na Pearl Harbor, de belangrijkste westelijke voorpost in de verdediging van de Amerikaanse westkust. Airstrips werden aangelegd en bunkers werden gebouwd op zowel Sand Island als Eastern Island. Verder verscheen op Sand Island een basis voor vliegboten en de vaargeul werd breder en dieper gemaakt. Later in 1940 werd een complete basis, Naval Air Station Midway, ingericht met kazernes, hangaars, werkplaatsen en een hospitaal. Kort na de Japanse aanval op Pearl Harbor had de basis 7 Grumman F4F Wildcat en 21 Brewster F2A Buffalo jachtvliegtuigen, 18 Douglas SBD Dauntless en 16 SB2U Vought Vindicator duikbommenwerpers en enkele Consolidated PBY Catalina vliegboten tot haar beschikking.

Vanaf april 1942 waren Amerikaanse cryptologen van het Office of Naval Communication, onder leiding van Lieutenant Commander Joseph John Rochefort, er in geslaagd een Japanse operationele marinecode te kraken. Met behulp van Britse en Nederlandse cryptoanalisten konden de Amerikanen ongeveer 85 procent van de Japanse Naval Codebook D-code ontcijferen. De code, die door de Amerikanen JN-25B-code werd genoemd, werd door de Japanse marine bij ongeveer de helft van hun radioberichten gebruikt. Hierdoor was de bevelhebber van de US Pacific Fleet, Admiral Chester W. Nimitz, eind mei op de hoogte van de plannen van Yamamoto. Om enige tegenstand te kunnen bieden tegenover de Japanse overmacht had Nimitz alle beschikbare vliegdekschepen nodig. Hij kon per direct beschikken over Task Force 16 (TF16), die bestond uit de Yorktown-klasse vliegdekschepen USS Enterprise en USS Hornet (CV-8), vijf zware en een lichte kruiser en negen torpedojagers. TF16 stond normaal gesproken onder bevel van Vice Admiral William Halsey, maar deze was met een ernstige huidziekte opgenomen in het militaire hospitaal in Pearl Harbor. Hij wees zijn bevelhebber van zijn begeleidende kruisers en torpedobootjagers, Rear Admiral Raymond Ames Spruance, aan als zijn vervanger. De beide vliegdekschepen van TF16 beschikten gezamenlijk over 70 Douglas SBD Dauntless duikbommenwerpers, 28 Douglas TBD-1 Devastator torpedobommenwerpers en 54 Grumman F4F Wildcat jachtvliegtuigen.

Task Force 17 (TF17) was opgebouwd rond de, tijdens de Slag in de Koraalzee beschadigde, Yorktown-klasse carrier USS Yorktown (CV-5). Op 27 mei 1942 liep het beschadigde vliegdekschip Pearl Harbor binnen en Nimitz gaf de bevelhebber van TF17, Rear Admiral Frank Jack Fletcher, maximaal drie dagen om de Yorktown weer operationeel te maken. Nimitz had van te voren alle beschikbaar werfpersoneel in Pearl Harbor opgeroepen en nadat de Yorktown op 27 mei in een droogdok was opgenomen stortten 1.400 man militaire en burgerreparatieploegen zich op het schip. Het beschadigde vliegdek werd hersteld en verschillende verbogen spanten en waterdichte schotten werden vervangen. Door tijdgebrek konden drie Babcock & Wilcox ketels niet gerepareerd worden waardoor de carrier, met de overgebleven zes ketels, slechts een maximale snelheid van 27 knopen kon halen in plaats van de normale 32,5 knopen. Toen USS Yorktown (CV-5) op 30 mei uit Pearl Harbor vertrok, waren er nog steeds ploegen van het reparatieschip USS Vestal aan boord die doorgingen met de herstelwerkzaamheden. De vliegtuigen, die USS Yorktown (CV-5) tijdens de Slag in de Koraalzee verloren had, werden aangevuld met vliegtuiggroepen van het in reparatie liggende vliegdekschip USS Saratoga. De Yorktown beschikte op 30 mei weer over 36 duikbommenwerpers, 12 torpedobommenwerpers en 25 Wildcats. TF17 bestond verder uit twee zware kruisers en vijf torpedobootjagers.

Nimitz had nog een vierde vliegdekschip nodig om Nagumo`s strijdmacht aan te kunnen en besliste dat Midway zelf een onzinkbaar vliegdek moest worden. Hij liet de luchtvloot op het atol uitbreiden met 30 PBY Catalina vliegboten en 6 Grumman TBF Avenger torpedobommenwerpers. De US Army Air Force leverde bovendien 17 Boeing B-17 "Flying Fortress" langeafstandsbommenwerpers en vier Martin B-26 Marauder bommenwerpers, die gestationeerd werden op Eastern Island.

De Amerikaanse vloot in de Aleoeten, die gestationeerd was in Dutch Harbor, het tegenwoordige Unalaska op het gelijknamige eiland, bestond uit slechts vijf Coast Guard cutters en zes hulpschepen. De belangrijkste verdediging van de Aleoeten bestond uit de 11th Army Air Force die uitgerust was met 10 B-17 en 34 B18 Bolo bommenwerpers en 95 Curtiss P-40 Warhawk jachtvliegtuigen. Nimitz stuurde als versterking Task Force 8 (TF8) onder bevel van Rear Admiral Robert Alfred Theobald en zes onderzeeboten. TF8 bestond uit vijf kruisers, dertien torpedobootjagers en enkele vloottankers. Omdat Theobald een Japanse aanval verwachtte dichterbij het vaste land van Alaska positioneerde hij zijn vloot te ver naar het oosten.

Op 28 mei had TF16 Pearl Harbor verlaten en koers gezet naar een positie 350 zeemijlen ten noordoosten van Midway. Twee dagen later vertrok TF17 naar dezelfde positie, die door de Amerikanen "Point Luck" genoemd werd, waar de twee taakgroepen rendez-vous maakten op 2 juni 1942. Bij aankomst van TF17 nam Rear Admiral Fletcher het tactische commando van de beide Task Forces op zich. Hij had strikte orders gekregen zich niet te bemoeien met de Japanse aanval op de Aleoeten en zich te concentreren op de vier Japanse vliegdekschepen van Nagumo. De Japanse onderzeeboten van Vice Admiral Komatsu kozen pas positie nadat TF16 en TF17 dat gedaan hadden waardoor de Japanners de Amerikaanse oorlogsvloot misten. Tegelijk met de Amerikaanse carriers namen 16 Amerikaanse onderzeeboten, als verdedigingslinie, posities in rond Midway.

De sterke radioantennes van de Yamato onderschepten vanaf 2 juni vele Amerikaanse berichten die duidden op een verhoogde activiteit van zowel Amerikaanse onderzeeboten als carriers. Yamamoto gaf deze kennis echter niet door aan Nagumo omdat hij door radiostilte in acht te nemen wilde voorkomen dat de aanwezigheid van zijn slagvloot verraden werd. Nagumo kon de Amerikaanse radioberichten op de lange golf echter niet ontvangen en was daarom niet op de hoogte van de bewegingen van de Amerikaanse oorlogsschepen.


Voor de slag

Op 3 juni 1942 lanceerde Vice Admiral Hosogaya de eerste aanvalsgolf op Dutch Harbor met Kate`s en Vals van de lichte vliegdekschepen Junyo en Ryujo. Doordat Nagumo`s First Carrier Strike Force bijna een dag verloren had met het in de juiste positie brengen van de schepen, liepen operaties MI en AL niet meer synchroon. Lange tijd werd door historici onterecht aangenomen dat de Japanse aanval op de Aleoeten daarom een afleidingsmanoeuvre was, maar Hosogaya voerde gewoon zijn orders uit. De helft van de Japanse gevechtsvliegtuigen kon door mist en duisternis het doel niet vinden en keerde noodgedwongen terug naar de vliegdekschepen. Slechts 17 Japanse toestellen bereikten om 05:45 uur Dutch Harbor, maar zij werden meteen onder vuur genomen door luchtafweerkanonnen en aangevallen door jachtvliegtuigen van de 11th Army Air Force. De Japanners dumpten hun bommen en konden slechts een enkele aanval met de boordmitrailleurs ondernemen. Hierdoor werd bijzonder weinig schade toegebracht aan de Amerikaanse basis.

De volgende dag bereikten meer Japanse gevechtsvliegtuigen Dutch Harbor en voordat zij zich die middag terugtrokken hadden zij grote schade toegebracht. De olieopslagtanks van de basis stonden in brand en het hospitaal was gedeeltelijk verwoest. Verder waren een logementschip, vele barakken en andere faciliteiten beschadigd. Amerikaanse vliegtuigen, die de Japanse vliegdekschepen opgespoord hadden, werden verrast door slecht weer en konden geen treffers plaatsen. Omdat het weer nog slechter werd, moesten de Japanners afzien van de invasie van het eiland Adak. Op 6 en 7 juni konden zij echter zonder veel problemen de zwak verdedigde eilanden Kiska en Attu bezetten.

Op 3 juni om 12:30 uur stegen vanaf Midway negen Amerikaanse B-17 langeafstandsbommenwerpers op, die drie uur later de Japanse transportschepen van de Midway Striking Force van Vice Admiral Kondo bombardeerden. De “Flying Fortresses” konden, ondanks het feit dat ze hevig beschoten werden door luchtafweerkanonnen van de begeleidende Japanse oorlogsschepen, hun bommen afwerpen. De Amerikaanse piloten claimden enkele treffers, maar in werkelijkheid hadden de bommen geen schade aangericht.

De eerste schade aan Japanse schepen werd toegebracht door vier PBY Catalina Flyingboats van Patrol Squadron 4 van Midway. In de nacht van 3 op 4 juni, om 01:00 uur, wierp één van de Amerikaanse vliegboten een verouderd model 1 Mk XIII torpedo af die gericht was op het bevoorradingsschip Akebono Maru. De torpedo trof het 10.182 ton grote schip in de boeg ter hoogte van het luchtafweer munitiemagazijn waardoor een gat van tien meter lang ontstond in de scheepshuid van het Japanse schip. Door het getroffen compartiment met waterdichte schotten af te sluiten kon de Akebono Maru gered worden waarna het schip op eigen kracht terugkeerde naar Japan.

De eerste luchtaanval op Midway werd op 4 juni ingezet door Vice Admiral Nagumo vanaf de Kaga, Akagi, Hiryu en Soryu. Om 04:30 uur stegen 36 Val duikbommenwerpers, 36 Kate torpedobommenwerpers, uitgerust met bommen, en even zovele Zero jachtvliegtuigen op en zette koers naar Midway. Op dezelfde tijd liet Nagumo een aantal verkenningsvliegtuigen vanaf zijn vliegdekschepen en acht watervliegtuigen lanceren vanaf zijn kruisers om uit te kijken naar de Amerikaanse vliegdekschepen. Omdat de zware kruiser Tone problemen had met de katapult werd het verkenningsvliegtuig vanaf dit schip dertig minuten te laat in de lucht gebracht.

Voordat de Japanse vliegtuigen Midway bereikten, werden zij gesignaleerd door de Amerikaanse radarinstallaties. Vier B-26 Marauder bommenwerpers en zes Avenger torpedobommenwerpers werden er op uitgestuurd om de Japanse carriers aan te vallen met torpedo`s. De Japanse vliegtuigen bombardeerden vanaf 06:20 uur de militaire installaties op Midway en brachten grote schade toe. De verouderde Brewster Buffalo en de zeven Wildcat jachtvliegtuigen, die Midway moesten verdedigen, waren geen partij voor de Zero`s en drie Wildcats en dertien Buffalo`s werden neergeschoten ten koste van drie Zero`s. Van de overige Buffalo`s werden er vijf zo zwaar beschadigd dat zij niet meer ingezet konden worden. Verder werd grote schade aangericht aan het hospitaal, olieopslagtanks, werkplaatsen, hangaars en de krachtcentrale, maar de landingsstrips bleven vrijwel onbeschadigd. Het luchtafweergeschut op Midway had drie Japanse bommenwerpers neer kunnen halen. Van de Amerikaanse vliegtuigen die de Japanse vliegdekschepen aanvielen werden zes Avenger torpedobommenwerpers en twee B-26 bommenwerpers neergehaald waarbij slechts twee Japanse Zero`s verloren gingen. De eerste Japanse aanvalsgolf tegen Midway keerde vanaf ongeveer 06:50 terug naar de Japanse vliegdekschepen en meldden aan Nagumo dat er nog een tweede aanvalsgolf nodig zou zijn omdat de landingsbanen op Midway nog te gebruiken waren.


Vliegdekschepenslag bij Midway

Vice Admiral Nagumo had volgens de Japanse vliegdekschipdoctrine ruim de helft van zijn beschikbare vliegtuigen in reserve gehouden. De torpedobommenwerpers aan boord van zijn carriers waren uitgerust met torpedo`s tegen vijandelijke schepen en de duikbommenwerpers waren nog niet bewapend, in afwachting van de komende gebeurtenissen. Om 07:15 uur kreeg de commandant van de Japanse carriervloot van zijn piloten te horen dat er een tweede luchtaanval nodig zou zijn op Midway. Nagumo liet daarom zijn torpedobommenwerpers en duikbommenwerpers uitrusten met brisantbommen tegen landdoelen. Even later werden de Japanse schepen wederom aangevallen door Amerikaanse vliegtuigen vanaf Midway. Terwijl Japanse jachtvliegtuigen de SB2U Vindicator verkenningsbommenwerpers van de US Marines en de Avenger torpedobommenwerpers van de US Navy weerhielden van treffers, werd Nagumo`s beslissing om Midway nogmaals aan te vallen bevestigd. Tegen 08:00 uur meldde het vertraagde verkenningsvliegtuig van de Tone echter dat het een grote Amerikaanse oorlogsvloot had waargenomen in oostelijke richting. Onmiddellijk gaf Nagumo bevel zijn vliegtuigen uit te rusten met torpedo`s en pantserdoorborende bommen tegen oppervlakteschepen.

Het duurde tot 08:40 uur voordat het verkenningsvliegtuig van de Tone de eerste waarneming bevestigde en tevens meedeelde dat er zich minstens één Amerikaans vliegdekschip in de waargenomen vloot bevond. Nagumo verkeerde nu in een hevige tweestrijd. Moest hij meteen zoveel mogelijk van de herbewapende vliegtuigen op laten stijgen of eerst de terugkerende vliegtuigen van de eerste aanvalsgolf op Midway opnemen. Hij overlegde met zijn operatiespecialist Lieutenant Commander Genda die hem het kalme advies gaf: "haal eerst de aanvallers van Midway en hun Zero-escorte binnen voordat zij op zee moeten landen. Hergroepeer daarna de verspreide schepen en open dan, volgens plan, de totale luchtaanval die de US Pacific Fleet zal vernietigen".

Kort na zonsopgang van die 4e juni had een Amerikaanse Catalina verkenningsvliegboot de Japanse vliegdekschepen en de Japanse vliegtuigen ontdekt die op weg waren naar Midway. Spruance liet TF16 koers zetten in de richting van de Japanse vliegdekschepen. Rond 06:00 liet Fletcher, met medeweten van Nimitz, Spruance zoveel mogelijk vliegtuigen de lucht in sturen vanaf USS Hornet (CV-8) en USS Enterprise. Een uur later waren 70 Dauntless duikbommenwerpers, 28 Devastator torpedobommenwerpers en 20 F4F Wildcat jachtvliegtuigen in westelijke richting onderweg naar de Japanse carriers. Fletcher zelf liet de vliegtuigen van USS Yorktown (CV-5) nog een uur wachten omdat hij nog enkele berichten van verkenningsvliegtuigen afwachtte. Toen hij van hen bevestigende berichten ontving, lanceerde de Yorktown 17 duikbommenwerpers, 12 torpedobommenwerpers en 6 jachtvliegtuigen. De vlieggroepen van de Hornet en de Enterprise hadden echter nog geen ervaring met gevechten tegen vijandelijke vliegdekschepen en splitsen zich snel op in kleine groepjes in plaats van in georganiseerde formaties. De verschillende groepjes hadden problemen met het lokaliseren van de Japanse schepen omdat Nagumo tijdelijk van koers was veranderd. De meeste duikbommenwerpers misten de Japanse schepen en een deel vloog daarna richting Midway en een deel richting open zee. De Wildcats volgden allemaal de duikbommenwerpers.

De torpedobommenwerpers van de Hornet vonden om 09:20 uur de Japanse schepen en openden de aanval. Ze werden echter allemaal door Zero`s neergeschoten. De Devastator torpedobommenwerpers van USS Enterprise ondervonden 20 minuten later bijna allemaal hetzelfde lot. De toestellen die er wel doorkwamen konden geen treffers plaatsen doordat ze misten of doordat de Mk XIII luchttorpedo`s niet explodeerden. Om 10:00 vonden de 12 torpedobommenwerpers van de Yorktown de vijandelijke schepen, maar de Zero`s vlogen bijna allemaal op deze nieuwe doelen af en schoten de meeste neer. Slechts enkele Amerikaanse Devastators konden er door komen, maar wisten wederom geen treffers te plaatsen.

Het offer van de Amerikaanse torpedovliegtuigen was echter niet voor niets geweest. Op het moment dat enkele formaties Dauntless duikbommenwerpers van de USS Enterprise en de USS Yorktown (CV-5), om 10:20 uur, eindelijk de Japanse vliegdekschepen ontdekten waren deze uit elkaar gedreven om de Amerikaanse torpedo`s te ontwijken. Verder waren de Zero jachtvliegtuigen bijna tot op golftophoogte gedaald om de Amerikaanse Devastators te onderscheppen en waren alle lopen van het Japanse luchtafweer om dezelfde reden omlaag gericht. Bovendien had Nagumo al die tijd geen enkele gelegenheid gehad om vliegtuigen te lanceren voor een tegenaanval. De vliegtuigen die teruggekomen waren van de aanval op Midway werden nog van brandstof en munitie voorzien en de andere vliegtuigen stonden volgetankt gereed in de hangaars onder de vliegdekken.

Enkele groepen Dauntless duikbommenwerpers, die ondanks hun dreigende brandstoftekorten hadden doorgezocht naar de Japanse vliegdekschepen naderden nu vanuit verschillende richtingen en vielen in vier groepjes aan. De Kaga kreeg vier voltreffers op het vliegdek en was binnen enkele minuten veranderd in een oncontroleerbare vuurzee. De Soryu kreeg drie voltreffers te verwerken waarvan er één doordrong tot in de hangaar onder het vliegdek en explodeerde. De twee andere treffers ontploften op het volgepakte vliegdek. Ook aan boord van deze carrier ontstonden branden die niet meer te blussen waren. Het vlaggeschip van Vice Admiral Nagumo, de Akagi, kreeg een voltreffer op het vliegdek in de midscheeps waarna de bom doordrong tot in de hangaar en explodeerde. Door de explosie werden een groot aantal torpedo`s gedetoneerd waardoor nog meer explosies en een groot aantal branden ontstonden.

Captain Mitsuo Fuchida, een veteraanvlieger van de Japanse aanval op Pearl Harbor was aan boord van de Akagi. Hij schreef later, samen met officier Masatake Okumiya, het boek "De Slag bij Midway". Hierin doet hij verslag van de aanval: "Ik keek op en zag drie vijandelijke vliegtuigen loodrecht op ons schip afkomen. De plompe silhouetten van de Amerikaanse Dauntless duikbommenwerpers werden snel groter en toen dreven er plotseling heel luguber een aantal zwarte dingen van hun vleugels. Bommen! Zij kwamen recht op mij af! Om mij heen ziende, was ik ontzet over de vernietiging die in een paar seconden was aangericht. Er gaapte een groot gat in het vliegdek vlak achter de midscheepslift. De lift zelf, verwrongen als gesmolten glas, hing naar beneden in de hangaar. Dekplaten wezen grotesk verwrongen omhoog. Vliegtuigen, met hun staart naar boven, braakten loodkleurige vlammen en gitzwarte rook uit". Fuchida brak beide enkels toen hij, in de chaos na het treffen van de Amerikaanse bommen, trachtte te ontkomen aan de vlammen en de explosies.

Nagumo moest zijn gedoemde schip verlaten en bracht zijn vlag over naar de kruiser Nagara. De aanval door een aantal andere Dauntless duikbommenwerpers op de Hiryu leverde geen treffers op en dit vliegdekschip kon als enige voorlopig ontkomen. Binnen vijf minuten waren drie van de vier Japanse vliegdekschepen buiten gevecht gesteld. Doordat de hangaars en de vliegdekken vol stonden met volgetankte vliegtuigen en er overal bommen verspreid lagen na het haastige wisselen van de bewapening van de vliegtuigen was het lot van de Japanse carriers snel bezegeld.


Japanse tegenaanval

Om 11:00 uur lanceerde de Hiryu 18 Val duikbommenwerpers en enkele Zero`s tegen de Amerikaanse carriers. Tegelijkertijd stuurde USS Yorktown (CV-5) enkele verkenningsvliegtuigen de lucht in om de positie van de Hiryu te achterhalen. Vijftig minuten later stuurde de Hiryu de laatst overgebleven Kate torpedobommenwerpers de lucht in. Om precies 12:00 uur pikte de radar van de Yorktown de Japanse Vals op en meteen werden de overgebleven 19 Wildcats gelanceerd, die 10 Japanse duikbommenwerpers vernietigden. Nog twee Japanse toestellen vielen ten prooi aan het luchtafweergeschut van USS Yorktown (CV-5). De overige zes Vals konden echter drie voltreffers plaatsen op het Amerikaanse vliegdekschip. Eén raakte de Yorktown op het vliegdek, de volgende viel in de schoorsteen en de explosie schakelde de zes nog werkende ketels uit waardoor het schip stil kwam te liggen. De derde Japanse bom drong door vier dekken heen en ontplofte binnen in het schip waardoor wederom grote schade ontstond aan de spanten. De Japanse piloten van de succesvolle toestellen rapporteerden dat één van de Amerikaanse vliegdekschepen tot zinken was gebracht.

USS Yorktown (CV-5) was echter nog steeds drijvende en ondanks dat haar terugkerende vliegtuigen omgeleid moesten worden naar USS Enterprise werden de branden aan boord geblust en rond 13:30 uur werden enkele ketels weer onder stoom gebracht waardoor de carrier weer 20 knopen kon halen. Twintig minuten later was zelfs het vliegdek weer operationeel. Om 14:00 uur ontdekte men op de radar van de Yorktown wederom een formatie vijandelijke vliegtuigen en weer werden er F4F Wildcats op afgestuurd. Ondanks dat de Kate`s onder vuur werden genomen door de luchtafweerkanonnen en de Wildcats van USS Yorktown (CV-5), slaagden zij er in het Amerikaanse vliegdekschip met twee torpedo`s te raken. Hierdoor kwam de carrier weer stil te liggen terwijl alle stroom uitviel. Door de openingen in de scheepswand stroomde zeewater binnen en de Yorktown maakte snel een slagzij van 26 graden over bakboord. De Japanse piloten meldden een tweede gezonken Amerikaanse carrier, maar in werkelijkheid had USS Yorktown (CV-5) beide Japanse luchtaanvallen geïncasseerd. Captain Elliot Buckmaster gaf bevel het schip te verlaten en Fletcher bracht zijn vlag over naar de zware kruiser USS Astoria.

Intussen hadden de verkenningsvliegtuigen van USS Yorktown (CV-5) de Hiryu ontdekt waarop de Enterprise om 15:30 uur 24 en de Hornet om 16:05 uur 16 duikbommenwerpers lanceerden. Om 17:05 uur vielen de Dauntless duikbommenwerpers van de Enterprise (10 waren eigenlijk afkomstig van de Yorktown) de Hiryu aan en troffen het Japanse vliegdekschip met een onbekend aantal bommen. Net als de overige Japanse carriers stond de Hiryu binnen enkele minuten in lichterlaaie. Nog geen half uur later vielen de duikbommenwerpers van de Hornet de slagschepen en kruisers aan van Nagumo`s escorte, maar konden slechts enkele near misses (indirecte treffers) plaatsen.


Na de slag

Om 19:13 uur zonk de Soryu en nog geen twaalf minuten later rukten twee explosies het uitgebrande wrak van de Kaga uit elkaar waarna het binnen enkele minuten in de golven verdwenen was. Enkele Japanse historici, maar ook veteranen, beweren echter dat de beide vliegdekschepen door Japanse torpedobootjagers met torpedo`s tot zinken werden gebracht zodat de brandende en rokende wrakken een eventuele nachtoperatie niet konden hinderen. Om 05:20 uur, op 5 juni, zonk de Akagi, nadat het vliegdekschip door drie torpedo`s getroffen was, die op last van Yamamoto afgevuurd waren door Japanse torpedobootjagers. De Hiryu zonk diezelfde morgen om 09:12 uur. De overlevenden van de vliegdekschepen werden door torpedobootjagers opgepikt en overgebracht op de slagschepen Haruna en Kirishima. Met de vier vliegdekschepen waren 2.181 opvarenden en alle vliegtuigen die aan boord waren ten onder gegaan.

In diezelfde nacht, van 4 op 5 juni 1942, had Fletcher het operationele commando van TF16 en TF17 overgedragen aan Spruance. Spruance trok die nacht zijn schepen tijdelijk terug in oostelijke richting om een nachtelijk gevecht met Nagumo`s en Yamamoto`s vloten te ontwijken. Yamamoto was toen nog van plan om operatie MI door te laten gaan en gaf Nagumo en Takayanagi opdracht de Amerikaanse schepen die nacht op te sporen en te vernietigen. Hij zond verder vier zware kruisers en twee torpedobootjagers richting Midway om het atol te bombarderen. Omdat Spruance zijn schepen in oostelijke richting teruggetrokken had konden de Japanners ze niet vinden. Daarop besloot Yamamoto tot een algehele terugtocht in westelijke richting.

Rear Admiral Spruance zette overdag op 5 juni de achtervolging in om de Japanse terugtrekkende vloot zoveel mogelijk schade toe te brengen. Overdag konden zijn verkenningsvliegtuigen echter geen Japanse oorlogsschepen ontdekken. In de nacht van 5 op 6 juni lokaliseerde de Amerikaanse onderzeeboot USS Tambor een onbekende groep oorlogsschepen. Dit waren de terugtrekkende kruisers en torpedobootjagers die Yamamoto uitgezonden had richting Midway. Op het moment dat de Japanse kruisers de onderzeeboot ontdekten gingen zij, geheel volgens protocol, uiteen om eventuele torpedo`s te kunnen ontwijken. Hierbij kwamen de zware kruisers Mogami en Mikuma met elkaar in aanvaring. De Mogami liep hierbij zware schade op aan haar boeg omdat zij zusterschip Mikuma in de bakboordflank raakte waarbij olietanks openscheurde. De beide beschadigde kruisers moesten op lage snelheid verder en werden daarbij geëscorteerd door de beide torpedobootjagers Arashio en Asashio terwijl de twee overgebleven zware kruisers hun koers en snelheid aanhielden.

In de loop van de morgen van 6 juni werden de kreupele kruisers meerdere malen aangevallen door B-17`s en Dauntless en Vindicator duikbommenwerpers vanaf Midway, die door near misses nog meer schade toebrachten aan de Mikuma en de Mogami, maar ook aan de beide torpedobootjagers. Later in de ochtend werden de Japanse schepen aangevallen door Dauntless duikbommenwerpers van de Enterprise en de Hornet. De zware kruisers werden elk door vijf bommen getroffen en de torpedobootjagers kregen beide een enkele voltreffer. De Mikuma werd verlaten en zonk later. De overige drie schepen, hoewel beschadigd, konden 240 opvarenden van de Mikuma redden en ontkomen naar Wake. Aan boord van de Mikuma waren 700 doden gevallen en aan boord van de Mogami 92. De zwaar beschadigde Mogami zou ruim een jaar uit de vaart blijven.

Spruance bleef op de Japanse schepen jagen tot hij het eiland Wake tot 700 zeemijlen genaderd was. Daarna liet hij zijn Task Force omkeren omdat hij wist dat er zich op Wake een groot aantal Japanse gevechtsvliegtuigen bevonden die vanaf die afstand zijn schepen konden aanvallen. Deze toestellen waren voorbestemd om gestationeerd te worden op Midway nadat het atol veroverd was. De Amerikaanse schepen vertrokken naar een positie waar Admiral Nimitz een vloottanker heen gestuurd had en vandaar terug naar Pearl Harbor.


Ondergang van USS Yorktown

Nadat Captain Buckmaster de order gegeven had USS Yorktown (CV-5) te verlaten, gingen de ruim 2.000 opvarenden van boord. Tegen 18.00 uur, op 4 juni 1942, waren de escorteschepen, die de bemanningsleden van de Yorktown van boord gehaald hadden op weg in oostelijke richting om de schipbreukelingen af te zetten op de kruisers. Alleen de torpedobootjager USS Hughes bleef achter met de opdracht het vliegdekschip tot zinken te brengen als er weer branden zouden uitbreken. Er gebeurde echter niets en ook de slagzij van de carrier werd niet erger. Buckmaster, die inmiddels op de zware kruiser USS Astoria was afgezet, stelde aan Fletcher voor om een poging te ondernemen het vliegdekschip te bergen. Fletcher stemde in en er werd een team vrijwilligers samengesteld onder leiding van Captain Buckmaster zelf.

De volgende morgen om 06:25 uur pikte de radar van USS Hughes een Japans verkenningsvliegtuig op. Het was afkomstig van de kruiser Chikuma en twintig minuten later seinde de piloot door dat hij een Yorktown-klasse vliegdekschip had gezien dat slagzij maakte maar er verder niet erg beschadigd uitzag. Admiral Yamamoto stuurde er de onderzeeboot I-168, die onder commando stond van Lieutenant Commander Yahatchi Tanabe, op uit om het vliegdekschip op te sporen en te vernietigen.

Diezelfde dag kreeg de mijnenvegersleepboot USS Vireo opdracht om zich van Pearl Hermes Reef naar USS Yorktown (CV-5) te begeven. Om 11:35 uur arriveerde het hulpschip en nam de Yorktown op sleep richting Pearl Harbor. De Vireo was eigenlijk niet sterk genoeg om de Yorktown te slepen en kon niet meer snelheid maken dan 2 knopen en bijna niet op koers blijven. Gedurende de middag arriveerden de torpedobootjagers USS Gwin en USS Monaghan, die de bescherming van USS Yorktown (CV-5), samen met de Hughes op zich namen. In de nacht van 5 op 6 juni verschenen de torpedobootjagers USS Hammann, USS Balch en USS Benham ten tonele. De Hammann had de 160 man sterke bergingsploeg van Captain Buckmaster aan boord, die om 04:15 uur, bij het eerste licht, aan boord van de Yorktown ging. De Hammann zelf werd aan stuurboordzijde van het vliegdekschip vastgemaakt om het op koers te houden en om stroom te leveren.

Door de geleverde stroom van de Hammann konden de trimpompen van USS Yorktown (CV-5) bijgezet worden zodat de slagzij zo goed als opgeheven kon worden. Om het evenwicht van de carrier in stand te houden werd zoveel mogelijk gewicht aan bakboord verwijderd waaronder de 12,5cm luchtafweerkanonnen, een anker en enkele reddingsboten. Daarna werden de lenspompen bijgezet om het overtollige zeewater uit het wrak te pompen. Tegen de middag waren alle nog resterende brandjes geblust, was de slagzij zo goed als opgeheven en was het geblokkeerde roer in de middenpositie gebracht. De ketelruimtes waren leeggepompt en de bergingsploeg wilde een eerste poging ondernemen om een aantal ketels onder stoom te brengen.

Rond 13:00 uur arriveerde de I-168 en Tanabe manoeuvreerde zijn onderzeeboot in de cirkel van de Amerikaanse torpedobootjagers. Een half uur later kwam hij op periscoopdiepte en zag USS Yorktown (CV-5) en USS Hammann langzaam voorbij komen. Hij lanceerde vier torpedo`s en dook meteen naar grotere diepte. De eerste torpedo ging onder de Hammann door en explodeerde tegen de stuurboordzijde van de Yorktown. De tweede torpedo trof de Hammann in de midscheeps waardoor de torpedobootjager in tweeën brak en snel zonk. De derde torpedo trof het vliegdekschip op de waterlijn ter hoogte van het brugeiland en de vierde torpedo ging achter USS Yorktown (CV-5) langs. Op het moment dat de Hammann onder water verdween deed er zich aan boord een hevige explosie voor door een nog steeds onbekende reden. De onderwaterexplosie zou veroorzaakt kunnen zijn door een torpedo van de torpedobootjager zelf of door exploderende dieptebommen. De dieptebommen waren echter nog veilig gesteld voordat USS Hammann langszij USS Yorktown (CV-5) ging en kort voor de inslagen van de Japanse torpedo`s nog gecontroleerd. De schokgolf doodde een groot aantal drenkelingen en bracht nog meer schade toe aan de Yorktown. Van de 192 bemanningsleden van USS Hammann kwamen er 80 om het leven.

USS Balch en USS Benham begonnen onmiddellijk drenkelingen op te pikken. Captain Elliot Buckmaster gaf de bergingspoging op en ging met zijn mannen aan boord van de Vireo, die de sleeptros gekapt had op het moment dat de eerste torpedo insloeg. De overige destroyers zetten de jacht op de I-168 in en bestookten de Japanse onderzeeër met dieptebommen. Uiteindelijk wist Tanabe te ontkomen ondanks het feit dat zijn onderzeeboot schade had opgelopen door de Amerikaanse aanvallen.

USS Yorktown (CV-5) bleef nog uren drijven met 17 graden slagzij over bakboord. In de nacht van 6 op 7 juni 1942 begon het zwaar beschadigde vliegdekschip echter steeds meer slagzij te maken en om 05:00 uur rolde de carrier om en begon te zinken. Een klein half uur later was de Yorktown verdwenen in de golven van de Stille Oceaan.


Nawoord

De overlevenden van USS Yorktown (CV-5) en USS Hammann werden overgebracht op het onderzeebootmoederschip USS Fulton. Het hulpschip kwam op 8 juni 1942 aan in Pearl Harbor om de drenkelingen te debarkeren. Op 9 juni redde de onderzeeboot USS Trout twee overlevenden van de zware Japanse kruiser Mikuma. Tien dagen later pikte de torpedobootjager USS Ballard 35 Japanse overlevenden op van het vliegdekschip Hiryu na een melding van een PBY Catalina vliegboot. Op 21 juni redde een andere PBY Catalina de twee bemanningsleden van een Devastator torpedobommenwerper van de Enterprise, 360 zeemijlen ten noorden van Midway. Dit waren de laatste overlevenden van de Slag bij Midway die gered werden.

Reeds op 6 juni was de US Navy begonnen met het opnieuw opbouwen van de militaire sterkte op en rond Midway. Op die dag arriveerde het vliegdekschip USS Saratoga met een volle lading vliegtuigen in Pearl Harbor. De volgende dag zette zij koers naar TF16 en konden de vliegtuiggroepen van USS Hornet (CV-8) en USS Enterprise aangevuld worden. Bovendien kon de uitgedunde verdediging van Midway zelf op peil gebracht worden door nieuwe Dauntless duikbommenwerpers en Wildcat jachtvliegtuigen. In de loop van de maand brachten verschillende schepen, waaronder de zware kruiser USS Pensacola en een aantal voorraadschepen, mariniers, wapens, munitie en een groot aantal hulpgoederen en voorraden naar het atol. Midway zou een belangrijke marine en luchtmachtbasis blijven voor de rest van de Tweede Wereldoorlog. Op 13 juni keerde TF16, samen met USS Saratoga, terug in Pearl Harbor. De volgende dag keerden de Japanse oorlogsschepen terug in Hashirajima in Japan en de Marianen.

De nederlaag die de Keizerlijke Japanse Marine had geleden bij Midway werd voor het Japanse volk en de Japanse strijdkrachten in de doofpot gestopt terwijl de bezetting van de minder belangrijke eilanden Attu en Kiska als een belangrijke overwinning werd gebracht. Slechts enkele vlagofficieren, de generale staven van het Japanse leger en de Japanse marine en de belangrijkste politieke leiders werden op de hoogte gebracht. Om de verloren slag geheim te houden werden alle gewonde overlevenden in quarantaine geplaatst en werden de meeste bemanningsleden van Nagumo`s schepen overgeplaatst op andere Japanse oorlogschepen die, nog voordat zij familie of vrienden konden spreken, uitgezonden werden. Captain Fuchida die op de Akagi twee gebroken enkels had opgelopen en naar een hospitaalschip was overgebracht schreef: "ik werd op de marinebasis in Yokosuka pas aan wal gebracht toen het donker geworden was. Op een overdekte brancard werd ik via de achteringang een ziekenhuis binnengebracht. Mijn kamer was volkomen geïsoleerd en ik was van de buitenwereld afgesloten. Het was alsof ik een krijgsgevangene was temidden van mijn eigen volk".

Ondanks dat Admiral Isoroku Yamamoto voor de operaties MI en AL de beschikking had over 162 oorlogsschepen had hij geen overwinning kunnen bewerkstelligen in de Slag bij Midway. Na de Slag bij Midway zijn er vele onderzoeken en analyses uitgevoerd over het verloop van de strijd. De meest algemene conclusies zijn dat Yamamoto drie belangrijke fouten had begaan:
• Hij had Nagumo opgezadeld met twee taken die moeilijk met elkaar te combineren waren: het bombarderen van Midway en het uitschakelen van de Amerikaanse vliegdekschepen. Had hij het bombardement op Midway uit laten voeren door zijn slagschepen en kruisers dan had Nagumo zijn handen vrij gehad.
• Zijn tweede belangrijke fout was het opsplitsen van zijn aanvalsmacht in meerdere groepen die bijna geen radiocontact met elkaar mochten hebben. De geslaagde aanvallen van de Amerikanen, die steeds met hun gehele vloot bij elkaar bleven, bewees dat een concentratie van schepen krachtiger was dan onafhankelijk van elkaar opererende eskaders.
• De derde fout was dat hij verzuimd had de werkelijke sterkte van de Amerikaanse carriervloot te achterhalen. Hij ging er van uit dat hij slechts USS Enterprise en USS Hornet (CV-8) als tegenstanders zou treffen omdat USS Yorktown (CV-5) tot zinken zou zijn gebracht in de Koraalzee. Bovendien had hij er geen rekening mee gehouden dat Nimitz Midway zelf als vierde carrier zou gebruiken. Hierdoor was zijn vermeende overmacht met de vier vliegdekschepen van Nagumo teniet gedaan.

De belangrijkste fout die Nagumo gemaakt had was het laten opstijgen van zijn 108 vliegtuigen, voor het bombardement op Midway, van alle vier zijn vliegdekschepen. Hierdoor waren ze alle vier even kwetsbaar op het moment dat de Amerikaanse vliegtuigen aanvielen. Nagumo had beter alle vliegtuigen van twee carriers in kunnen zetten zodat de overige twee vliegdekschepen gereed zouden blijven om een tweede aanvalsgolf te lanceren.

De Amerikanen waren onder leiding van Admiral Nimitz koel gebleven. Op basis van hun essentiële informatie, door het breken van de Japanse operationele marinecode, lieten zij zich niet verleiden door met hun vliegdekschepen in te grijpen bij de Japanse aanval in Alaska of de aanval op Midway. De drie Yorktown-klasse vliegdekschepen hadden zich geconcentreerd op de Japanse carriers en met het nodige geluk de eerste klap kunnen uitdelen. Rear Admiral Spruance schreef in het voorwoord van het boek van Fuchida en Okumiya: "Bij het lezen van het verslag van wat er op 4 juni gebeurde, werd ik meer dan ooit getroffen door de rol die geluk of tegenslag bij een tactisch treffen soms spelen. De schrijvers zwaaien ons onverdiende lof toe voor het feit dat wij voor onze aanval op de Japanse vliegdekschepen precies het ogenblik wisten te kiezen waarop zij het meest in het nadeel waren. Mijn persoonlijke verdienste is slechts geweest dat ik mij ten zeerste bewust was van de dringende noodzaak om verrassend op te treden en dat ik het sterke verlangen had de vijandelijke vliegdekschepen met onze volle kracht te treffen zodra wij ze konden bereiken".

De enorme betekenis van de Amerikaanse overwinning bij Midway kon pas jaren later volledig onderkend worden. De vier vliegdekschepen en de 248 verloren vliegtuigen konden maar moeilijk vervangen worden. Het verlies van de ruim 2.000 ervaren bemanningsleden van de carriers en de piloten kon de Japanse marine niet meer te boven komen. De Slag bij Midway werd één van de belangrijkste keerpunten tijdens de Tweede wereldoorlog en het belangrijkste keerpunt in de oorlog in de Pacific. Of zoals Captain Fuchida het verwoordde: "de catastrofe van Midway markeerde een definitief keerpunt in het getij van de oorlog in de Pacific. Vanaf die tijd sleepte dat getij Japan onverbiddelijk mee naar de uiteindelijke capitulatie".


Bronnen

Boeken


Versie: 17-3-2017 Artikel door: Peter Kimenai

Deze website is een initiatief van STIWOT (Stichting Informatie Wereldoorlog Twee) Alle rechten voorbehouden © 2002--2018
Directe link: http://www.go2war2.nl/artikel/2545/Slag-bij-Midway.htm