Hall, Walraven van

Inleiding

"Ondersteuning is geen persoonlijke liefhebberij, doch een plicht"

(Walraven van Hall).

Walraven van Hall was een van de grootste Nederlandse verzetsstrijders tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij wist door inventiviteit, spitsvondigheid en hulp van anderen een financiële constructie in het leven te roepen, waarmee hij een grote bijdrage heeft geleverd aan de Nederlandse illegaliteit. Het door hem opgerichte Nationaal Steunfonds (NSF) hield zich tijdens de oorlog bezig met de financiële verzorging van duizenden personen die werden getroffen door de Duitse bezetting, ook ondersteunde het fonds talrijke andere verzetsactiviteiten.

Behalve "bankier van het verzet" was Walraven van Hall ook een goede onderhandelaar. Hij slaagde erin om een aantal verzetsorganisaties nauwer te laten samenwerken. In dit artikel zal worden ingegaan op het veelbewogen leven van deze persoon, die zeer veel heeft betekend voor het Nederlandse verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog en die zijn illegale activiteiten met de dood moest bekopen.


Vooroorlogse jaren

Jeugdjaren, opleiding en zeemanschap

Walraven (Wally) van Hall werd op 10 februari 1906 geboren in Amsterdam. Hij was het zesde kind van de in totaal tien kinderen van het echtpaar Adriaan Floris van Hall en Petronella Johanna Boissevain. Zijn ouders waren allebei van welgestelde afkomst. Een groot deel van de patriciërsfamilie Van Hall was werkzaam in het beurs- en bankierswezen, ook telde de familie leden van de Eerste Kamer en burgemeesters. De Boissevain's waren tevens een rijke Amsterdamse regentenfamilie. Walraven groeide op in een liberaal en gefortuneerd milieu. Zijn ouders waren hervormd, maar het geloof zou geen grote rol spelen in zijn leven.

Nadat hij de eerste schooljaren privéonderwijs had genoten, bezocht hij later de basisschool aan de Keizersgracht. Mede door een langdurige ziekte liep hij een leerachterstand op. Ondanks dit was hij toch in staat om de basisschool met succes af te ronden. In 1919 vervolgde hij zijn schoolcarrière op het Amsterdams Lyceum. In 1920 verhuisde het gezin Van Hall naar Bentveld, in de buurt van Zandvoort. Walraven moest hierdoor overstappen naar het Kennemer Lyceum in Overveen. In juli 1922 behaalde hij hier zijn diploma.

Walraven was toen al een fanatiek zeiler en de zee trok hem erg. Hij besloot om de koopvaardij in te gaan. Hij volgde een opleiding aan de Zeevaartschool Willem Barentsz op Terschelling en studeerde hier in 1925 met succes af. Hij ging werken bij de NV Koninklijke Hollandsche Lloyd als stuurmansleerling. In 1928 werd hij na het behalen van het diploma voor derde stuurman en het certificaat radiotelegrafie benoemd tot officier ter koopvaardij.

Van Hall maakte tijdens zijn zeemanschap ondermeer reizen naar Duitsland en Zuid-Amerika. Nadat hij in 1929 nog het diploma voor tweede stuurman had behaald, werd hij in juni van dat jaar, tot zijn grote teleurstelling, echter lichamelijk afgekeurd. Zijn ogen werden te slecht bevonden om nog verder te kunnen werken bij de grote vaart.

Maanden in New York

Na zijn afkeuring voor verdere dienst bij de Hollandsche Lloyd, verhuisde Wally van Hall naar de Verenigde Staten. Hij hoopte hier te gaan werken bij een aldaar gevestigde scheepvaartmaatschappij. Juist in die tijd (eind 1929) stortte de Amerikaanse beurs echter in en brak er een economische crisis uit. Hierdoor kon Walraven geen werk krijgen in de scheepvaart. De oudere broer van Walraven, de naoorlogse burgemeester van Amsterdam Gijsbert (Gijs) van Hall (1904-1977), verbleef op dat moment ook in New York. Hij was werkzaam in Wall Street bij de effecten- en beleggingsfirma Kean, Taylor & Co. Gijs slaagde erin om zijn jongere broer Walraven een functie te bezorgen bij een bank, die eveneens was gevestigd in Wall Street.

In New York beleefde Walraven mooie maanden. Hij genoot van het leven in de metropool. Hij had veel vrienden en hij ging vaak uit. Maar over bepaalde zaken was hij niet tevreden, vooral over zijn werk. De baan die hij in New York vervulde was onder zijn kunnen. Hij zocht naar ander werk, maar mede door de economische crisis lukte het hem niet om een betere betrekking te vinden.

In 1931 keerde hij terug naar Nederland. Het doel was om zijn visum te verlengen (een Amerikaanse regel schreef namelijk voor dat dit in het land van herkomst moest gebeuren). Zover zou het echter niet komen.

Bankier te Zutphen en Zaandam

De vader van Walraven was in 1931 directeur van de Amsterdamse Bank H. Oyens & Zonen. Hij bood zijn zoon de functie aan van mededirecteur van een vestiging van deze bank In Zutphen. Walraven accepteerde deze functie en op 10 februari 1931 ging hij hier aan de slag .

Het werk bij H. Oyens en Zonen en het leven in Zutphen bevielen hem goed. Al snel had hij bestuursfuncties in verschillende verenigingen. Later zou hij ook betrokken zijn bij de oprichting van de Zutphense afdeling van de Luchtbeschermingsdienst (LBD). Personen beschreven hem als een charismatisch figuur, die op feesten vaak de gangmaker was.

In 1931 ontmoette hij ook zijn toekomstige vrouw, Anna Mathilde (Tilly) den Tex (1907-1989), die, net als Walraven, afkomstig was uit een welgestelde patriciersfamilie. Zij trouwden op 1 maart 1932 en zouden drie kinderen krijgen: Adrienne (Attie) (5 april 1933), Adriaan Floris (28 juli 1936) en Mary-Ann (26 april 1940).

Op 1 maart 1940 werd Walraven van Hall benoemd tot firmant in het bankiers- en effectenkantoor Wed. J. te Veltrup & Zoon in Zaandam. Het gezin verhuisde naar de Zaandamse Westzijde 42. Door deze nieuwe functie kreeg Walraven ook toegang tot de Amsterdamse Vereniging voor de Effectenhandel (VvdE) en tot de Amsterdamse effectenbeurs.


Begin van de oorlog

Duitse inval en lidmaatschap Nederlandse Unie

Op 10 mei 1940 werd Nederland binnengevallen door nazi-Duitsland. De Zaandammers werden om vijf uur 's ochtends gewekt door het geluid van passerende vliegtuigen en afweergeschut. Het verouderde Nederlandse leger was geen partij voor de getrainde en goed uitgeruste Wehrmacht. Na het bombardement op Rotterdam van 14 mei 1940 gaf Nederland zich over en werd het bezet door de Duitsers.

In de maanden daarop probeerden de Nederlanders zo goed mogelijk door te gaan met het leven dat zij leidden voor de oorlog. Veel mensen wisten niet welke houding zij moesten aannemen tegenover de Duitse bezetting. Er waren personen die zich verzetten, maar dit betrof slechts enkelingen.

Ondertussen zag de Nationaalsocialistische Beweging (NSB) van Anton Mussert haar kans schoon. Voor mei 1940 had deze partij weinig aanzien en macht (tenminste minder dan dat zij had gehoopt). Nu de Duitse overheersing een feit was, hoopte zij door een actieve collaboratie met de nazi's meer macht te verkrijgen. Veel mensen (waaronder ook Walraven) hadden echter een hartgrondige hekel aan de NSB.

Nederlandse Unie

Op 24 juli 1940 richtte het driemanschap Louis Einthoven (politiecommissaris in Rotterdam), Johannes Linthorst Homan (Commissaris van de Koningin in Groningen) en Jan de Quay (een Tilburgse hoogleraar en naoorlogs premier) de Nederlandse Unie op. De doelen van de beweging waren het doorbreken van de vooroorlogse verzuiling en het versterken van de nationale identiteit. De Nederlandse Unie accepteerde de bezetting van Nederland als een voldongen feit en werkte daarom samen met de Duitse bezetter. Veel mensen zagen deze beweging als een manier om hun onvrede over de NSB te laten blijken. De Nederlandse Unie nam namelijk sterk stelling tegen de NSB. De Unie zou uiteindelijk 600.000 leden tellen. Walraven van Hall behoorde tot een van de eerste personen in Zaandam die zich aanmeldde.

Toen in november 1940 in Zaandam een plaatselijke afdeling van de Unie werd opgericht, werd Van Hall aangesteld als voorzitter. Jacob (Jaap) Buijs, een Zaandamse houthandelaar, werd secretaris. De Zaandamse afdeling kreeg honderden aanmeldingen. Het maximum ledental zou uiteindelijk op 956 uitkomen.

De Nederlandse Unie bevond zich echter in een moeilijke situatie. In naam accepteerde zij de Duitse bezetting, maar vele leden waren het niet eens met dit standpunt. Het Uniebestuur moest schipperen tussen toegeven aan de Duitsers en het varen van een eigen koers. Dit leverde conflicten op, onder meer over hoe om te gaan het Unielidmaatschap van Joden en de verplichte deelname van Unieleden aan de collectes voor de Winterhulp. Op 14 december 1941 waren de Duitsers het gemanoeuvreer van de Nederlandse Unie zat en verboden zij de organisatie. Walraven van Hall besloot toen, samen met zijn Uniegenoot Buijs, om zich actief te gaan verzetten tegen de Duitsers.

Begin van het verzetswerk

Al tijdens zijn Unielidmaatschap was Walraven begonnen met zijn verzetswerk. Zijn eerste daden bestonden uit geldinzamelingen, die hij hield onder zijn vrienden en kennissen van de beursvloer. De collectes dienden ter ondersteuning van personen die waren getroffen door de Februaristaking. De gezinnen van degenen die waren doodgeschoten tijdens de staking, moesten ondersteund worden voor de verloren inkomens en ook waren er talrijke personen als gevolg van de staking ontslagen en daardoor beroofd van hun inkomen. Walraven, zijn broer Gijs en een aantal anderen besloten om deze getroffen gezinnen financieel te ondersteunen. De inzamelingen vonden plaats op kleine schaal: zij benaderden personen met de vraag of zij bijvoorbeeld ƒ10 wilden doneren.


Steun aan zeelieden en hun familie

Zeemanspot

Na de Duitse inval waren bijna alle Nederlandse schepen die zich buitengaats bevonden niet teruggekeerd naar het bezette Nederland. De Nederlandse bemanningsleden wilden niet voor de Duitsers werken, die het land hadden bezet. De opvarenden van de schepen, ongeveer 18.000 man, voeren voortaan in dienst van de geallieerden en de Nederlandse regering in ballingschap. Wanneer zeelieden buitengaats zijn, betalen de rederijen de achtergebleven gezinnen een vergoeding om hen in hun levensonderhoud te kunnen laten voorzien.

Op 11 april 1941 maakten de Duitsers bekend dat de rederijen moesten stoppen met het uitbetalen van de gages aan de gezinnen van zeelieden. De Nederlandse regering in Londen gaf later die maand aan dat zij garant zou staan voor leningen ten behoeve van financiële ondersteuning aan de families van zeelui. Tot september 1941 bleven de rederijen daardoor gewoon doorgaan met het uitkeren van de gages aan de gezinnen van zeevarende mannen. In die maand maakten de Duitsers echter bekend dat de vergoedingen per 1 oktober moesten worden gereduceerd. In eerste instantie werden alleen de gezinnen getroffen van zeelieden die werkzaam waren in hoge (officiers)functies. Per 1 februari 1942 kondigden de Duitsers echter een verdere verlaging aan. Nu werden ook de gezinnen van "gewone" opvarenden getroffen. Bovendien gold deze reductie, behalve voor de koopvaardij, ook voor de gezinnen van het marinepersoneel.

Om de zeemansgezinnen toch in hun levensbehoefte te kunnen laten voorzien, werden er in verschillende steden hulpcomités opgericht. Deze groepen zamelden geld in voor de financiële ondersteuning van de voornoemde gezinnen. Walraven van Hall en Jaap Buijs waren betrokken bij het Amsterdamse comité.

Begin 1942 kwamen de verschillende comités met elkaar in contact. Zij besloten toen hun werkzaamheden te verenigen en te coördineren. De hierdoor ontstane organisatie gaven zij de naam "Zeemanspot". Walraven van Hall werd, onder meer door zijn vele connecties in de financiële wereld, in het bestuur verkozen. Hij ging zich vooral bezighouden met het verkrijgen van geldelijke middelen voor de organisatie. In eerste instantie bleef het bij donaties. Walraven ging bij bevriende personen langs en vroeg of zij geld wilden geven voor de ondersteuning van zeemansgezinnen.

Van Hall besefte dat wanneer hij zou worden gepakt door de Duitsers, hem een zware straf te wachten stond. Daarom gebruikte hij de schuilnaam "Van Tuyl", dit om zijn opsporing te bemoeilijken en om zijn familieleden te beschermen.

Disconto Instituut Zeelieden

De Zeemanspot ondersteunde gedurende de oorlog 4.700 gezinnen van koopvaardijpersoneel, 1400 families van marinepersoneel en 300 gezinnen van landmachtpersoneel. Hiervoor waren honderdduizenden guldens nodig en deze konden op ten duur niet langer verkregen worden door giften van "goede" Nederlanders. Walraven van Hall besloot over te gaan op een nieuwe financieringsconstructie, het lenen van geld.

Van Hall benaderde wederom (meest gefortuneerde) personen met de vraag of zij geld wilden lenen aan het zogenaamde Disconto Instituut, de administratieafdeling van de Zeemanspot. Hierbij kreeg hij ondermeer hulp van bevriende belastinginspecteurs als gevolg waarvan hij kon achterhalen hoe vermogend iemand was en hoeveel geld hij of zij dus aan het Disconto Instituut kon uitlenen.

Walraven was van mening dat er een duidelijke administratie moest worden gevoerd om bij te houden hoeveel een persoon had geleend aan het Disconto Instituut. De namen mochten echter niet worden genoteerd. Als de Duitsers de administratie zouden vinden, liepen de leninggevers immers groot gevaar. Van Hall bedacht hierop de volgende oplossing. Elke persoon die een bedrag leende aan het Disconto Instituut kreeg hiervoor een waardeloos effect (een vervallen obligatie, een oude zilverbon of een aandeel van een failliet bedrijf), waarin in code stond aangegeven hoeveel de persoon had uitgeleend. Een voorbeeld (bron: Erik Schaap): "Java Petroleum Maatschappij nr. 492 100x", het getal moest met 1000 vermenigvuldigd worden. Deze persoon had na de oorlog dus recht op ƒ100.000.

Al deze effecten werden bijgehouden op een lijst. Dit gebeurde op het kantoor van Gijs van Hall. Mochten de Duitsers deze lijst vinden, dan hadden zij er niets aan, want zij konden niet achterhalen wie de eigenaars waren van deze waardeloze effecten. De Nederlandse regering in ballingschap had zich garant gesteld voor het terugbetalen van de leningen na de oorlog.

De andere bestuurders van de Zeemanspot, onder meer Iman Jacob van den Bosch (1891-1944) en Abraham Filippo, waren het in eerste instantie niet eens met dit systeem. Zij vonden het een te groot risico om zaken op papier te zetten. Maar onder meer doordat bleek dat het systeem een succes was – alleen al in 1942 slaagden Gijs en Walraven er in om ƒ500.000 te verkrijgen – gingen de anderen het ook toepassen.

Op 13 maart 1943 verklaarden de Duitsers alle biljetten van 500 en 1000 gulden ongeldig. Tot 31 maart kreeg men de tijd om deze biljetten om te wisselen voor kleinere coupures bij de belastingdienst. De belastingdienst mocht alleen kleinere coupures uitbetalen als werd aangetoond dat het geld op legale wijze verkregen was. Het Disconto Instituut werkte op grote schaal met biljetten van ƒ500 en ƒ1000. Zij kon deze niet inwisselen, omdat zij dan moest verantwoorden waar ze vandaan kwamen. Dit zou voor het Disconto Instituut natuurlijk zeer moeilijk worden. Er moest gezocht worden naar een andere oplossing.

Gijs en Walraven gingen met ieder 100 briefjes van 1000 langs bij instellingen en particulieren. Zij vroegen aan dezen of zij in staat waren dat geld in te wisselen voor het instituut, zodat zij deze bedragen konden verantwoorden.

De wisseltruc verliep buitengewoon goed en al snel was het Disconto Instituut van haar "overtollige" papieren geld af. De Van Hall's besloten samen met Filippo meer te ondernemen. Zij vroegen aan bevriende instellingen en particulieren of zij nog briefjes van ƒ500 en/of ƒ1000 in bezit hadden en zo ja of zij deze dan mochten lenen voor de Zeemanspot. Met de hulp van andere personen en instellingen en van een aantal "goede" belastinginspecteurs, slaagden zij erin om deze biljetten weer om te wisselen voor kleinere coupures. Deze actie was zeer succesvol en leverde in de eerste twee weken al ƒ784.000 op. Uiteindelijk zou op deze wijze gedurende de oorlog 5,4 miljoen gulden verkregen worden.


Nationaal Steunfonds

Oprichting Nationaal Steunfonds

Walraven en Gijs van Hall vonden dat behalve zeemansgezinnen ook andere mensen en organisaties die werden getroffen door de Duitse maatregelen recht hadden op steun. De Zeemanspot en het Disconto Instituut functioneerden goed. Er was zelfs meer geld in kas dan dat er werd uitgekeerd. Ondertussen zagen de gebroeders Van Hall dat er behalve de gezinnen van zeelieden meer personen waren die hulp nodig hadden. De antisemitische maatregelen van de Duitsers werden steeds strenger en duizenden Joden besloten om onder te duiken. Ook waren er Nederlandse militairen die moesten onderduiken om te ontsnappen aan Duitse krijgsgevangenschap. Walraven en Gijs van Hall vonden dat het mogelijk moest zijn om ook deze mensen financieel te ondersteunen. In juni 1943 richtten de Van Hall's daarom het Landrottenfonds op. Deze naam werd later veranderd in het wat netter klinkende Nationaal Steunfonds (NSF).

Voor de verzorging van de duizenden (familieleden van) onderduikers waren extra financiële middelen nodig. Walraven en Gijs van Hall besloten om een aantal bankdirecteuren te benaderen en te vragen of hun instelling geld kon lenen aan het NSF. Van de twaalf banken die werden gepolst, werkten er tien mee. Zij verstrekten allen, in ruil voor waardeloze aandelen, een lening van ƒ200.000 ten behoeve van het NSF. De Nederlandse regering gaf ook voor de leningen die werden aangegaan ten behoeve van het NSF een garantie dat deze na de oorlog zouden worden terugbetaald.

Organisatie

Walraven van Hall en Iman Jacob van den Bosch zetten het NSF op poten. Zij reisden door het hele land en formeerden plaatselijke comités. Zij zorgden er ook voor dat de lokale (verzets)organisaties zich bij het fonds aansloten.

Het NSF kende vijf afdelingen, namelijk: inzamelingsafdeling, opsporingsafdeling, uitbetalingsafdeling, onderzoeksafdeling en administratie. Een aanvraag voor steun werd gedaan door het invullen van een "Schadeformulier ongevallenverzekering". Deze formulieren werden verzameld door het districtshoofd (het NSF had het land verdeeld in 23 districten) en vervolgens naar Amsterdam gebracht, waar de aanvragen beoordeeld werden.

Al snel bleek dat het onmogelijk was het gehele NSF door een persoon te laten leiden. Daarom werd besloten om de verantwoordelijkheid over de verschillende provincies te verdelen. Van den Bosch ging zich bezighouden met het noorden en oosten van het land, Walraven gaf leiding in Noord- en Zuid-Holland, Zeeland en Utrecht. De leiding over de provincies Noord-Brabant en Limburg was eerst in handen van A. Voorwinde. Toen deze in augustus 1943 werd gearresteerd, werd de leiding overgenomen door Andreas Gelderblom. De drie leiders van het NSF kwamen eens in de twee weken bij elkaar om overleg te voeren. Jaap Buijs was hier ook vaak bij aanwezig, hij was een vertrouweling van Walraven en hielp hem met zijn verzetswerk.

Het driemanschap (Van Hall, Van Den Bosch en Voorhoeve/Gelderblom) besliste over het wel of niet toekennen van een uitkering en distribueerde het geld. Het geld werd door koeriers naar de districtshoofden gebracht. Deze gaven het weer aan een aantal plaatselijke hoofden en deze personen gaven het geld op hun beurt aan de uitbetalers. Door deze constructie kende ieder lid van het NSF slechts enkele andere leden. Als een persoon werd gearresteerd, kon hij onmogelijk de gehele organisatie verraden.

Walraven hield dagelijks een bespreking met zijn persoonlijke assistent/koerier Van den Brink of Brinkie (schuilnaam voor luitenant-ter-zee Weeda) en Jaap Buijs. Tijdens deze bijeenkomsten werden steunverzoeken beoordeeld en werkzaamheden gecoördineerd van het NSF in de westelijke provincies van Nederland.

Medio 1943 werd de NSF-Vakgroep J opgericht. Dat was een afdeling van het NSF die zich ging bezighouden met het financieel ondersteunen van Joodse onderduikers. Aan het ondersteunen van Joden waren grote risico's verbonden, daarom werd de organisatie voor een deel losgekoppeld van het NSF en kreeg zij een eigen bestuur. Mocht de organisatie worden ontdekt, dan hoefde dit niet ten koste te gaan van de rest van het Nationaal Steunfonds.


Andere verzetsactiviteiten

De olieman

Walraven van Hall was in 1943 betrokken geweest bij de oprichting van het Nationaal Comité van Verzet (NC). Deze organisatie was voortgekomen uit het studentenverzet en had als doel om de Nederlandse illegaliteit te coördineren en samen te voegen. In deze doelstelling slaagde het NC niet en het werd een "normale" verzetsorganisatie, die zich ondermeer bezig zou houden met spionage. Walraven bleef de gehele oorlog nauw betrokken bij deze verzetsgroep.

Een grote wens van de Nederlandse regering in Londen en tevens van Walraven van Hall, was dat er meer coördinatie en samenwerking zou komen binnen het Nederlandse verzet. Midden 1943 was hiervan immers nog bijna geen sprake . De vooroorlogse verzuiling speelde hierin een grote rol , strenggelovigen wilden bijvoorbeeld niet samenwerken met communisten en omgekeerd. Bovendien wilden de organisaties niet overkoepeld worden, omdat dat ten kosten zou gaan van hun eigen handelingsvrijheid.

Walraven van Hall was echter een goede onderhandelaar. Hij had een grote overredingskracht, kon problemen relativeren en hij was hierdoor in staat om mensen nader tot elkaar te brengen. Dit leverde hem de bijnaam "de Olieman" op, iemand die in staat is om stroeve besprekingen soepel te laten verlopen. Walraven en een aantal andere personen slaagden erin om de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO) en het NSF beter te laten samenwerken. In de eerste jaren werkten deze twee organisaties nog weleens langs elkaar heen.

Samen met Lambertus Neher (de door de Duitsers afgezette directeur van de PTT en vertegenwoordiger van het Nationaal Comité van Verzet) en Hendrik Dienske (LO) richtte Walraven de Kern op: een periodiek overleg tussen de leidinggevenden van de belangrijkste Nederlandse verzetsorganisaties, onder meer de LO, het NSF, de Persoonsbewijzencentrale (PBC), de landelijke Knokploegen (LKP). Er ontstond hierdoor wat meer coördinatie in en samenwerking binnen het verzet.

In oktober 1944 was Walraven van Hall in Amsterdam ook betrokken bij de oprichting van de Stichting 1940-1945, die overigens aanvankelijk Stichting 40-44 heette omdat men verwachtte dat de oorlog snel voorbij zou zijn. Dit was een samenwerkingsverband tussen twintig verzetsorganisaties, dat als doel had het (financieel) ondersteunen van (familie van) personen die hadden deelgenomen aan de illegaliteit. Jaap Buijs werd een van de leidende figuren binnen de stichting, Van Hall speelde op de achtergrond een belangrijke, ondersteunende rol.

"Gewoon" verzetswerk van Walraven

Walraven van Hall had er geen moeite mee om zich, buiten zijn drukke werkzaamheden voor het NSF, bezig te houden met "gewoon" verzetswerk. Zo leverde hij onder meer springstof aan het gewapende verzet. De springstof verkreeg hij via een kennis die bewakingschef was bij de Zaandamse Artillerie Inrichtingen.

Ook hield hij zich bezig met het laten onderduiken van neergeschoten geallieerde piloten. Weeda verklaarde na de oorlog over Van Hall: "Z’n eigen persoon geheel terzijde schuivend, was hij altijd bereid om zeer gevaarlijke werkjes zelf te doen. Het was dan altijd: ‘Brinkie, ik heb morgen weer gevaarlijk vuurwerk, vind je het niet beter dat ik het zelf doe?’"

Oprichting van de Binnenlandse Strijdkrachten

Het gewapende Nederlandse verzet was in 1944 verdeeld in drie groepen. De progressieve Raad van Verzet (RVV), de confessionele Landelijke Knokploegen (LKP) en de vooral uit oud-militairen bestaande Ordedienst (OD). Deze organisaties hadden uiteenlopende standpunten en beweegredenen. Er waren veel onderlinge spanningen tussen deze groepen.

De Nederlandse regering in Londen streefde naar een verenigd gewapend verzet en richtte daarom op 5 september 1944 de Binnenlandse Strijdkrachten (BS) op met als doel om de drie verzetsgroepen te verenigen. Walraven van Hall slaagde er door zijn kwaliteiten als "Olieman" in om de verzetsgroepen te laten integreren en hen ertoe te bewegen een deel van hun macht af te staan aan Delta-Centrum (Delta C), de benaming voor de leiding van de BS. Ook stond hij mensen en kantoorruimte van het NSF af aan de BS.

Door de hulp van Walraven kon de BS uitgroeien tot een tamelijk succesvolle organisatie. Ondanks dat hij geen militaire achtergrond had, bleef Van Hall betrokken bij de leiding van de Binnenlandse Strijdkrachten. Zo gaf hij regelmatig advies aan Henri Koot (de opperbevelhebber van de BS), onder meer over de verbetering van de logistiek en de beveiliging van de organisatie.

Ondersteuning van de Spoorwegstaking

Op 17 september 1944 begon operatie Market Garden. Middels grootschalige luchtlandingen bij Arnhem, Nijmegen en Eindhoven hoopten de geallieerden een bruggenhoofd te vestigen, van waaruit het Duitse Ruhrgebied kon worden veroverd. Als deze operatie succesvol verliep, zou de oorlog volgens de geallieerden snel afgelopen zijn. Om het vervoer van Duitse troepen en materieel te beletten, kondigde de Nederlandse regering op dezelfde dag (17 september 1944) een algemene staking van het spoorwegpersoneel af. De meer dan 30.000 NS-medewerkers gaven gehoor aan de stakingsoproep: ze legden massaal het werk neer en doken onder. Op staken stond namelijk de doodstraf.

De NS-directie had rekening gehouden met deze Spoorwegstaking. Zij had zogenaamde "Invasiekassen" laten aanleggen, om de stakende spoorwegmedewerkers de eerste weken na afkondiging van de staking toch nog te kunnen uitbetalen. Operatie Market Garden mislukte echter. Het zuiden van het land werd bevrijd, maar het noordelijke gedeelte boven de grote rivieren bleef in Duitse handen. Door het invallen van de winter, werd het duidelijk dat de oorlog nog maanden zou duren. Het stakingsbevel werd niet ingetrokken.

De NS-directie had niet de mogelijkheid om haar medewerkers zo lang een volledig loon te blijven betalen. De hulp van het NSF was nodig en het NSF was bereid om deze te geven. Er waren echter conflicten tussen het NSF en de spoorwegen. De president-directeur van de NS beschouwde de illegaliteit als een groep avonturiers die te veel risico's namen. Ook vond hij dat de NS de verantwoordelijkheid moest behouden over de uitbetalingen van de lonen. Het NSF mocht alleen financieren. Bovendien wilde de directie dat er geen geld zou worden uitgekeerd aan communisten. Het NSF was het niet eens met deze constructie.

Pas begin 1945 kwam er een compromis tot stand. Het NSF zou de lonen uitbetalen aan de NS-medewerkers. Ondermeer de LO zou zorgen voor de distributie. De personeelsraad zou zoveel mogelijk betrokken worden bij de werkzaamheden. Er bleven echter spanningen bestaan. In Amsterdam waren er bijvoorbeeld conflicten tussen Van Hall en de personeelsraad, die voornamelijk ontstonden omdat de personeelsraad totaal geen verstand had van illegaal werk.


Premier van het verzet

De grootste bankfraude ooit

Vanaf 1944 was het NSF sterk gegroeid. De organisatie hield zich vanaf toen niet alleen meer bezig met het uitkeren van geld aan (familieleden van) onderduikers en zeelieden, maar ondersteunde ook verzetsgroepen zoals de illegale pers, spionage- en sabotagegroepen en talrijke andere illegale groepen. De tot dan gebruikte financieringsconstructie van het NSF voldeed niet meer vanaf september 1944. Er moest dus gezocht worden naar andere mogelijkheden.

Walraven en Gijs van Hall benaderden weer acht banken met de vraag of zij hen konden helpen. Uiteindelijk ontstond het volgende plan. De banken deden net of zij hun kasreserve wilden verhogen en zij vroegen per maand ƒ500.000 aan de Nederlandsche Bank. Zij voerden hiervoor verschillende beweegredenen aan. De directie van de Twentsche Bank opperde bijvoorbeeld dat er een bom kon vallen op de Nederlandsche Bank en dat daardoor de kluis geblokkeerd zou worden. Daarom was het veiliger als de Twentsche Bank zelf een grote kasreserve zou hebben. Dit geld ging echter, in ruil voor ongeldige effecten, rechtstreeks naar het NSF.

Deze bankregeling leverde het NSF acht miljoen op. Maar na twee maanden vonden de Duitsers en de NSB-directeur van de Nederlandsche Bank (Meinout Rost van Tonningen) het wel heel apart dat in een gebied waar de economie bijna niet meer draaide, de banken hun kasreserve maar bleven verhogen. Daarom weigerde de Nederlandsche Bank nog langer mee te werken aan het verhogen van de reserves.

Het NSF had echter geld nodig. Alleen voor de spoorwegstakers was al meer dan 5 miljoen per maand nodig. Gijs van Hall kwam met de oplossing. Hij herinnerde zich een grootschalige bankfraude uit de jaren '30, waarbij de Zweed Ivar Kreuger door middel van vervalste schatkistpromessen (kortlopende staatsleningen) miljoenen dollars had buitgemaakt. "Waarom zou dit ook niet in Nederland kunnen?" dacht hij.

De Van Hall's waren zich er echter van bewust dat zij geen valse schatkistpromessen op de markt konden brengen. Het risico op ontdekking was te groot en als de waardepapieren na de oorlog in omloop zouden blijven, zou dit zeer schadelijk voor de Nederlandse economie zijn.

De Nederlandsche Bank had talloze schatkistpromessen in haar kluis liggen. Walraven en Gijs besloten om de echte papieren te verwisselen voor valse exemplaren. De echte promessen konden dan worden omgezet voor contant geld. Het vervalsen van de promessen was echter een zeer moeilijke zaak. Het papier waarop zij werden gedrukt, bevatte haartjes in verschillende kleuren en was niet vrij verkrijgbaar. De Persoonsbewijzencentrale slaagde er met hulp van bevriende drukkerijen en door het werk van de vervalser Ab Oeldrich toch in om goedgelijkende imitaties te vervaardigen.

Gijs van Hall wist de medewerking te verkrijgen van de kassier-generaal van de Nederlandsche Bank, Cornelis Ritter. Ritter ging persoonlijk vijftien keer naar de kluis om de echte promessen om te ruilen voor vervalste exemplaren. Deze promessen werden vervolgens weer omgeruild voor schatkistpapieren van de Kas-Vereniging (een Amsterdamse bank). De promessen van deze bank waren vrij verhandelbaar. Dit gold niet voor de waardepapieren van de Nederlandsche Bank.

De laatste stap was het omwisselen van de schatkistbiljetten voor contant geld. Ook dit kon niet zo maar. Vanaf 5 september 1944 gold de maatregel dat een persoon of organisatie niet meer dan ƒ100 per week mocht opnemen van een bankrekening. Alleen bij het uitkeren van salarissen e.d. mocht van deze regel worden afgeweken. Ook hiervoor werd een oplossing gevonden. Walraven en

Gijs van Hall kenden Frans den Hollander (de oud-directeur van de Zaandamse Artillerie Inrichtingen). Deze gaf nu leiding aan een fonds dat zich bezighield met het uitkeren van wachtgeld aan personeel van fabrieken die door de oorlog niet meer konden draaien. Door zijn hulp was het mogelijk een constructie te maken, waardoor het NSF de promessen kon inwisselen bij een aantal banken. Het leek alsof het geld bedoeld was voor het uitkeren van wachtgeld. Maar in werkelijkheid kwam het geld ten goede van het Nationaal Steunfonds.

Deze grootste bankfraude uit de Nederlandse geschiedenis leverde het NSF 51 miljoen gulden op. Dit was ruim voldoende om de rest van de oorlog door te gaan met het ondersteunen van individuen en organisaties.

De laatste maanden

In oktober 1944 werd Iman Jacob van den Bosch gearresteerd door de Duitsers. Toen zij zijn ware identiteit hadden achterhaald, werd hij op een dodenlijst geplaatst. Op 28 oktober 1944 werd hij in kamp Westerbork geëxecuteerd. Doordat Andreas Gelderblom zich in het bevrijde zuiden bevond, kwam de leiding van het NSF geheel in handen van Gijs en vooral in die van Walraven van Hall.

Walraven van Hall groeide uit tot de "Premier" van het verzet. Het NSF ondersteunde tal van verzetsactiviteiten: van het kunstenaarsverzet tot de illegale pers tot het gewapend verzet. Walraven van Hall werd ook lid van het Landelijk Werkcomité, een organisatie die tot doel had de Liese-Aktion te saboteren. De Liese-Aktion was een Duitse maatregel die als doel had om Nederlandse mannen te werven voor de Duitse Arbeitseinsatz. Het Landelijk Werkcomité (LWC) zou later de opvolger worden van de Kern.

Het werk putte Walraven uit. Hij was dag en nacht bezig met zijn illegale werk en hij wisselde voortdurend van onderduikadres om arrestatie te vermijden. Maar hij bleef oog houden voor zijn medemens en omgeving. Zijn vriend Jaap Buijs verklaarde: "Ik heb vaak waargenomen hoe hij zelf doodvermoeid op een bespreking kwam en zich tevoren tegenover mij beklaagd had het werk bijna niet meer aan te kunnen, en dan wanneer hij makkers ontmoette die in de put zaten, hetzij doordat kameraden gearresteerd of gefusilleerd waren of doordat het werk niet liep zoals het gaan moest, met nooit falende energie hen over het dode punt hielp en hun weer moed gaf om door te gaan."

Door de Spoorwegstaking en de strenge winter van 1944-45 viel de voedsel- en brandstofvoorziening in bezet Nederland bijna geheel stil. In zijn positie als illegaal werker had Van Hall de mogelijkheid om voor zichzelf meer voedsel te bemachtigen. Maar ondanks dat zijn gezondheid achteruit ging, weigerde hij gebruik te maken van zijn hoge positie in het verzet om zich zelf te verrijken.

Geert Mak beschreef aan de hand van de verklaring van de dochter van Walraven (Attie van Hall) de laatste keer dat zij haar vader zag als volgt:

"Hij kwam zelden meer thuis in die maanden, dat was te gevaarlijk geworden. Hij had een barre tocht achter de rug, op een fiets met houten banden van Amsterdam naar Zaandam, en hij was bekaf. Zijn vrouw probeerde hem op te warmen, wat te eten te geven. Ten slotte klom ze resoluut op een stoel. Achter uit de keukenkast haalde ze de laatste twee suikerklontjes, zorgvuldig bewaard voor het meest extreme noodgeval. En die mocht hij toen hebben." (Bron: Geert Mak)


Het einde

Verraad en arrestatie

Op 27 januari 1945 werd Walraven van Hall aan de Leidsegracht in Amsterdam gearresteerd door de Duitsers. Mede door verraad viel hij in handen van de Sicherheitsdienst (SD). Johan van Lom (schuilnaam in de illegaliteit: Van Arkel) was een jonge jurist die deelnam aan het verzet. Hij was onder meer lid van de Stichting 1940-1945. In september 1944 werd zijn vriendin, die koerierster was voor het Parool, gearresteerd door de Landwacht. Om haar vrij te krijgen bood Van Lom zijn diensten aan bij de SD. Hij verraadde het moment en de locatie van een aantal vergaderingen.

Op 12 januari 1945 werd door zijn toedoen Jaap Buijs gearresteerd. Op 26 januari 1945 werd, wederom door het verraad van Van Lom, Teus van Vliet (een vooraanstaand lid van de LO) aangehouden door de Duitsers. Van Vliet vertelde de SD dat er de volgende dag een vergadering zou plaatsvinden van het Landelijk Werkcomité. Hij dacht dat hij deze informatie zonder problemen kon prijsgeven. Hij ging ervan uit dat het verzet op de hoogte zou zijn van zijn arrestatie en dat de vergadering afgelast zou worden.

Dit gebeurde echter niet. Ondanks enkele waarschuwingen dat Van Vliet was gearresteerd, ging de vergadering van het LWC op 27 januari gewoon door. Toen de leden van het LWC arriveerden op het opgegeven vergaderadres, werden zij opgewacht door de Duitsers. Walraven van Hall werd samen met enkele andere leidende figuren in het verzet (waaronder dominee Henk de Jong) gearresteerd.

Executie

Walraven van Hall werd na zijn arrestatie naar het Huis van Bewaring aan de Weteringschans in Amsterdam gebracht. In eerste instantie wisten de Duitsers niet precies wie zij voor zich hadden. Zij waren ervan op de hoogte dat er een grote financier was van het Nederlandse verzet, maar zij kenden deze alleen onder de naam Van Tuyl. Zij wisten niet dat Van Hall en Van Tuyl dezelfde waren. Hier kwamen zij op 6 februari, mogelijk doordat een van de gevangene zijn mond voorbij sprak, alsnog achter.

Op 10 februari 1945 werd bij een overval door een voormalige verzetsgroep op een rijwielhandel in Haarlem een Duitse militair doodgeschoten. Als represaille besloten de Duitsers om acht personen te executeren. Walraven van Hall behoorde tot een van de Todeskandidaten.

Jaap Buijs, die in de Weteringschans toevallig in de cel naast Walraven zat, hield een dagboek bij. Door middel van klopsignalen kon hij communiceren met Van Hall. Op 12 februari schreef hij:

"12-2: Een der ellendigste dagen van mijn leven. Wallie werd 2x achter elkaar uit zijn cel gehaald. De 2e keer zei hij dat hij hoed en jas had moeten inleveren en dat dit het einde betekende. Hij verzocht mij verder te luisteren en gaf bepaalde wenschen op voor toezicht op zijn kinderen enz. Ik zei hem dat ik, wanneer ik er doorkwam, zooveel mogelijk de kleine zorgen voor zijn gezin zou trachten dagelijks weg te nemen en verder zou doen wat ik kon. Hij zei dat hij dat mij geeneens wilde vragen omdat hij mij kende sprak dat voor hem vanzelf. Halfvier werd hij weer gehaald en toen hij terugkwam zei hij dat hij ‘s avonds met anderen gefusilleerd zou worden. Hij vroeg mij aan Til mee te delen dat zijn laatste gedachten bij haar en de kinderen zouden zijn. Daarna zei hij dat hij een vreeselijke strijd had om van zijn liefste te scheiden en nam toen afscheid. Totaal kapot was ik. Wat is de vrijheid duur gekocht. Toen ik het barsche bevel hoorde om uit zijn cel te komen wist ik mij geen raad meer.
(Later gehoord dat hij in Haarlem is gefusilleerd o.a. met W. Speelman en Nieuwenhuis)"

Op 12 februari 1945 werd Walraven van Hall, samen met zeven andere gevangenen, publiekelijk doodgeschoten aan de Jan Gijzenkade in Haarlem. Hij was twee dagen eerder 39 jaar oud geworden.


Na zijn dood

De laatste maanden van de oorlog

Ondanks de dood van Walraven bleef het NSF doorgaan met haar werkzaamheden. De bankmedewerker Peter Plantenga nam de taken van Walraven van Hall over. Doordat er zo veel verzetslieden in januari 1945 waren gearresteerd, begreep de leiding van de illegaliteit dat er verraad in het spel moest zijn. Zij kwamen al snel bij Van Lom terecht. Op 5 maart werd hij door een KP'er doodgeschoten.

Door de goede administratie die het NSF bijhield, is precies af te lezen hoeveel de organisatie heeft uitgegeven gedurende de oorlog. Aan de hand van de schadeformulieren ongevallenverzekering en de andere kwitanties van het NSF, wordt geschat dat de instelling gedurende het laatste jaar van de oorlog belast was met de ondersteuning van 150.000 personen. Het Nationaal Steunfonds heeft aan het ondersteunen van (familieleden van) onderduikers, zeelieden, spoorwegstakers en verzetsorganisaties tijdens de bezetting van Nederland in totaal ƒ83.765.786,69 besteed. Na het einde van de oorlog bevond zich ook nog eens 22,5 miljoen in de kas. Met dit geld werden de werkzaamheden van het NSF na de bevrijding nog een tijdje voortgezet. De personen die werden ondersteund, konden hun leven na de bevrijding namelijk vaak niet meteen weer oppakken. Het NSF doneerde ook geld aan het opgerichte Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie. Uiteindelijk zou de Stichting Nationaal Steunfonds nog bestaan tot 1953.

Tot slot

Walraven van Hall werd na de oorlog herbegraven op de Eerebegraafplaats Bloemendaal in Overveen. Op 7 mei 1946 werd hij postuum onderscheiden met het Verzetskruis 1940-1945. Walraven van Hall kreeg voor zijn grote verdiensten voor het Nederlandse verzet ook diverse buitenlandse onderscheidingen, waaronder de Medal of Freedom with Gold Palm (Verenigde Staten) en de Yad Vashem-onderscheiding (Israël).

De eerste naoorlogse premier van Nederland, Willem Schermerhorn, noemde Walraven van Hall de "volstrekt centrale en leidende figuur van het verzet." Toch kreeg Walraven van Hall in de jaren na de oorlog weinig aandacht. Dit had verschillende oorzaken. Ten eerste kwam Van Hall uit een milieu waarin het niet gebruikelijk was om op te scheppen over daden uit eigen kring. Ook de Nederlandsche Bank had niet de behoefte dat er veel ruchtbaarheid zou worden gegeven aan het feit dat zij tijdens de oorlog het slachtoffer was geworden van een enorme fraude. Zo kon het gebeuren dat een van de grootste Nederlandse verzetshelden niet de aandacht kreeg die hij verdiende.

Hier kwam in de jaren '90 verandering in, toen de historicus Geert Mak in zijn boek (zie bronnen) lovend over Van Hall schreef. Op 3 september 2010 werd er ter ere van Walraven van Hall op het Amsterdamse Frederiksplein een monument onthuld. Het is gelegen tegenover de Nederlandsche Bank, de plaats waar de grootste bankfraude uit de Nederlandse geschiedenis plaatsvond. Loe de Jong schreef in zijn standaardwerk over het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, dat het de Nederlandse illegaliteit wellicht aan van alles ontbroken heeft, maar dankzij de werkzaamheden van het NSF, beslist niet aan financiële middelen. Het Nationaal Steunfonds was een unieke organisatie in het bezette Europa en daarvan was Walraven van Hall de facto de algehele leider die de organisatie aanstuurde.


Bronnen

Boeken


Versie: 17-1-2017 Artikel door: Wesley Dankers

Deze website is een initiatief van STIWOT (Stichting Informatie Wereldoorlog Twee) Alle rechten voorbehouden © 2002--2018
Directe link: http://www.go2war2.nl/artikel/2609/Hall-Walraven-van.htm