Nederlandse pantser- en pantserdekschepen

Inleiding

In de tweede helft van de negentiende eeuw en tijdens het eerste decennium van de twintigste eeuw waren er twee periodes waarin voor de Nederlandse marine relatief veel schepen gebouwd werden. De Vestingwet van 1874, waarin de Nederlandse verdediging tegen buitenlandse invallen werd vastgelegd, bepaalde niet alleen de bouw van forten, maar ook van drijvende forten. Hiervoor werden tussen 1868 en 1878 vier ramtorenschepen, dertien monitors en negenentwintig kanonneerboten gebouwd. Vanaf diezelfde periode werden voor het Auxiliair Eskader in Nederlands Oost-IndiŽ (de Indische vloot) zes kruisers van de Atjeh-klasse en een ramtorenschip gebouwd.

De vier ramtorenschepen in Nederland, Zr. Ms. Buffel, Zr. Ms. Stier, Zr. Ms. Guinea en Zr. Ms. Schorpioen, werden later als pantserschepen geclassificeerd, maar waren eigenlijk ramschepen met twee 23cm kanonnen. De Schorpioen en de Buffel, inmiddels omgedoopt in Hr. Ms. Schorpioen en Hr. Ms. Buffel werden tegen het einde van de negentiende eeuw omgebouwd tot logementschip en overleefden beide de Tweede Wereldoorlog. Beide schepen bestaan tot op heden en zijn als museumschepen respectievelijk te bezichtigen in Den Helder en in Rotterdam.

De monitors waren laag op het water liggende, gepantserde, niet zeewaardige en van een zware geschutstoren voorziene vaartuigen, speciaal bedoeld voor de verdediging van de Nederlandse zeegaten en de Zuiderzee. De negenentwintig kanonneerboten waren ook laag op het water liggende, niet zeewaardige vaartuigen en waren onderverdeeld in schepen met een 23cm kanon en een groep van vijftien boten die uitgerust waren met een 28cm kanon. Van deze laatste groep waren bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog Hr. Ms. Thor, Hr. Ms. Hadda, Hr. Ms. Freyr, Hr. Ms. Tyr, Hr. Ms. Braga, Hr. Ms. Balder, Hr. Ms. Hefring en Hr. Ms. Bulgia nog steeds in dienst als rivierkanonneerboten, mijnenlichters of logementsschip.

De zes kruisers van de Atjeh-klasse werden in het Engels unprotected cruisers genoemd en in het Nederlands ongepantserde kruisers of schroefstoomschepen der eerste klasse. De schepen van deze klasse werden allemaal gebouwd op de Rijkswerf in Amsterdam. De Atjeh-klasse kruiser Zr. Ms. Koningin Emma der Nederlanden werd in 1900 als laatste van haar klasse buiten dienst gesteld en in 1908 in Den Helder ingericht als logementsschip Hr. Ms. Koningin Emma der Nederlanden en viel op 14 mei 1940 in Duitse handen. De Atjeh-klasse kruiser Zr. Ms. Van Speyk was al eerder buiten dienst gesteld en werd in 1904 verbouwd tot logementsschip Hr. Ms. Van Speyk. Dit schip viel eveneens in Duitse handen in mei 1940.

Het ramtorenschip Zr. Ms. Koning der Nederlanden was een zogenaamd ironclad ramtorenschip omdat de romp geheel van ijzer vervaardigd was. Het schip was destijds, met een standaard waterverplaatsing van 5.400 ton het grootste Nederlandse oorlogsschip en was uitgerust met vier 28cm en vier 12cm kanonnen waardoor het ook wel een minislagschip werd genoemd. Het schip werd in 1895 buiten dienst gesteld en verbouwd tot logementsschip te Soerabaja. Hr. Ms. Koning der Nederlanden werd op 2 maart 1942 door de eigen bemanning vernield om te voorkomen dat het in Japanse handen zou vallen.

De secondaire taken van de marine, zoals visserij-inspectie, patrouillediensten en politiewerk op zee, werden in de tweede helft van de negentiende eeuw uitgevoerd door schroefstoomschepen der tweede, derde of vierde klasse, raderstoomschepen en stoomschoeners.

Nederland had rond de vorige eeuwwisseling de aansluiting met de grote zeemogendheden, vooral Groot-BrittanniŽ, Frankrijk en de Verenigde Staten en in mindere mate Duitsland, ItaliŽ, Japan en Rusland, volledig verloren. Deze landen bouwden slagschepen en kruisers van rond de 10.000 ton met een primaire bewapening van minimaal vier 30cm kanonnen. Nederland koos als neutraal land echter voor kleinere schepen die enkel voor orde- en neutraliteitshandhaving en verdediging ingezet behoefden te worden.

Van 1892 tot 1909 werden wederom veel schepen voor de Koninklijke Marine gebouwd. De schepen uit de jaren 1870 waren toen verouderd en de ontwikkeling van torpedo`s en mijnen vereisten nieuwe typen schepen. Rond de eeuwwisseling werden ongeveer veertig Nederlandse torpedoboten in dienst gesteld en nog voor de Eerste Wereldoorlog uitbrak volgden acht torpedobootjagers van de Wolf-klasse. Ter vervanging van de verouderde ramtorenschepen en Atjeh-klasse kruisers werden pantserschepen en pantserdekschepen ontwikkeld. Deze schepen zouden slechts opgewassen zijn tegen lichte vijandelijke eenheden en steunden meer op de ďBalance of PowerĒ van de grote zeemogendheden zoals Groot-BrittanniŽ en Frankrijk. Voor het tonen van de vlag zouden de schepen echter zeer geschikt zijn gezien hun krachtig en robuust silhouet met zware geschutstorens.


Nederlandse pantserschepen

In 1894 werden niet minder dan drie pantserschepen in dienst gesteld: Hr. Ms. Kortenaer, Hr. Ms. Piet Hein en Hr. Ms. Evertsen. Zij waren door hun beperkte waterverplaatsing van zo`n 3.500 ton en relatief klein kaliber bewapening niet sterk genoeg als slagschip en met hun zestien knopen niet snel genoeg als kruiser, maar bestemd voor algemene dienst.

Vanaf 1900 volgden de drie pantserschepen van de Koningin Regentes-klasse die met ruim 4.300 ton een verbeterde en vergrote versie waren van de pantserschepen van de Kortenaer-klasse. De nieuwe klasse bestond uit Hr. Ms. Koningin Regentes, Hr. Ms. De Ruyter en Hr. Ms. Hertog Hendrik. In 1904 volgde het pantserschip Hr. Ms. Marten Harpertzoon Tromp van 5.200 ton en in 1906 Hr. Ms. Jacob van Heemskerck van 4.920 ton. Met hun primaire bewapening van 24cm en 15cm kanonnen en een snelheid van zo`n 16 knopen waren deze schepen het echte voorbeeld van het kleine pantserschip en voor de Nederlandse vloot zeer bruikbaar. Zij vormden de kern van de vloot in Nederland en Nederlands Oost-IndiŽ tijdens de mobilisatie van 1914-1918.

Als laatste van de Nederlandse pantserschepen liep in 1909 de De Zeven ProvinciŽn van stapel die met een waterverplaatsing van ruim 5.600 ton en een primaire bewapening van twee 28cm kanonnen een slag groter was dan haar voorgangers. In 1933 brak op Hr. Ms. De Zeven ProvinciŽn muiterij uit waarna de naam van het schip veranderd werd in Hr. Ms. Soerabaja (zie Nederlandse kanonneerboten).

De drie pantserschepen van de Kortenaer-klasse, de Kortenaer, de Piet Hein en de Evertsen en de Koningin Regentes, de De Ruyter en de Marten Harpertzoon Tromp werden allemaal tussen 1914 en 1927 buiten dienst gesteld en vervangen door de lichte kruisers van de Java-klasse, Hr. Ms. Java en Hr. Ms. Sumatra. Hr. Ms. Hertog Hendrik lag begin 1940, ontdaan van alle bewapening, opgelegd in Den Helder en stond op de nominatie om gesloopt te worden. De Duitsers namen het schip in beslag en lieten het ombouwen tot drijvende luchtafweerbatterij. De Jacob van Heemskerck werd op 19 april 1939 in gebruik genomen als drijvend geschutsplatform in IJmuiden onder de naam Hr. Ms. Batterijschip IJmuiden. De bemanning bracht het schip op 14 mei 1940 tot zinken, maar de Duitsers lieten het schip lichten en eveneens ombouwen tot drijvende luchtafweerbatterij.


Nederlandse pantserdekschepen

In 1892 liep de Prinses Wilhelmina der Nederlanden van stapel. Dit was een soort pantserschip, maar dan zonder gordelpantser. Dit was het eerste Nederlandse pantserdekschip, maar door de beperkte snelheid van zestien knopen kon het nog niet als kruiser geclassificeerd worden. Net als de pantserschepen werd het schip, dat in 1898 omgedoopt werd in Hr. Ms. Koningin Wilhelmina der Nederlanden, gebruikt voor algemene doeleinden.

Met de komst van de zes Holland-klasse pantserdekschepen kwam hier verandering in. Met hun vaart van 20 knopen waren Hr. Ms. Holland, Hr. Ms. Zeeland, Hr. Ms. Friesland, Hr. Ms. Gelderland, Hr. Ms. Noord Brabant en Hr. Ms. Utrecht wel te classificeren als kruisers of armoured-deck cruisers zoals dit soort type schepen in het Engels aangeduid werd. Het ontwerp van de schepen, die van 1896 tot 1899 van stapel liepen en van 1898 tot 1901 in dienst gesteld werden, was afgeleid van de Britse Apollo-klasse kruisers en kon de vergelijking met andere buitenlandse schepen van hun klasse glansrijk doorstaan. De kruisers beschikten over een primaire bewapening van twee 15cm en zes 12cm kanonnen. Door hun grote actieradius van 8.000 zeemijlen konden de Holland-klasse kruisers of pantserdekschepen overal ter wereld ingezet worden.

Kort voordat de Eerste Wereldoorlog uitbrak hadden de grotere marines in de wereld snellere, beter gepantserde en beter bewapende kruisers en slagkruisers ontworpen en gebouwd zodat de Nederlandse schepen van de Holland-klasse al achterhaald waren. Hr. Ms. Friesland en Hr. Ms. Utrecht werden in 1913 buiten dienst gesteld en voor sloop verkocht terwijl de overige vier schepen van deze klasse lichte moderniseringen en kleine veranderingen aan de bewapening ondergingen. De schepen kregen onder andere een verbeterde schoorsteenkap zodat de rookgassen efficiŽnter afgevoerd konden worden. Hr. Ms. Gelderland kreeg twee extra 15cm kanonnen aan boord, Hr. Ms. Zeeland twee extra 12cm kanonnen en Hr. Ms. Noord Brabant en Hr. Ms. Holland kregen de beschikking over tien 12cm kanonnen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog fungeerden de vier Holland-klasse kruisers als kustverdedigingsschepen in Nederlandse wateren.

Hr. Ms. Holland en Hr. Ms. Gelderland werden in 1920 buiten dienst gesteld, maar de Gelderland werd aangehouden en als artillerie instructieschip weer in dienst genomen na een aanpassing aan de bewapening en de accommodatie. Hr. Ms. Zeeland werd in 1924 van de sterkte afgevoerd en een jaar later volgde Hr. Ms. Noord Brabant. De laatste werd echter omgebouwd tot accommodatieschip voor de matrozenopleiding in Vlissingen. De Gelderland lag op 14 mei 1940 opgelegd en ontwapend op de Rijkswerf in Den Helder en viel in Duitse handen. In 1941 werd het schip door de bezetter in beslag genomen en omgebouwd tot varende luchtdoelbatterij. Hr. Ms. Noord Brabant werd tijdens de capitulatie van Zeeland, op 17 mei 1940, door de eigen bemanning vernield en het wrak werd later voor sloop verkocht.


Hr. Ms. Gelderland

De pantserdekschepen van de Holland-klasse werden gebouwd als vervangers van de ongepantserde kruisers van de Atjeh-klasse en waren bedoeld als snel opererende schepen met een groot bereik. De klasse viel uiteen in drie schepen met een standaard waterverplaatsing van 3.840 ton en drie met een standaard waterverplaatsing van 3.970 ton. Hr. Ms. Gelderland behoorde samen met Hr. Ms. Noord Brabant en Hr. Ms. Utrecht tot de tweede, later op stapel gezette groep.

Technische gegevens

Bouwwerf:Maatschappij voor Scheepsbouw en Werktuigbouw Fijenoord te Rotterdam
Op stapel gezet:1 november 1897
Tewatergelaten:28 september 1898
Indienstgesteld:15 juli 1900
Grootste lengte:94,7 meter
Grootste breedte:14,82 meter
Diepgang:5,4 meter
Waterverplaatsing standaard:3.970 ton
Machine-installatie: 2 x triple expansie stoommachines, 12 x Yarrow ketels
Machinevermogen:9.867 pk
Maximale snelheid:20 knopen
Bunkercapaciteit:930 ton kolen
Actieradius:8.000 zeemijlen bij 10 knopen
Bepantsering:50mm dek-, 13mm kanonschild- en 100mm commandotorenbepantsering
Bemanning:325 koppen
Bewapening bij oplevering:2 x 15cm, 6 x 12cm, 6 x 7,5cm en 8 x 3,7cm kanonnen, 2 x 7,5cm mortieren, 2 x torpedobuizen, 2 x torpedokanonnen

De eerste reis van Hr. Ms. Gelderland zou haar naar Nederlands Oost-IndiŽ moeten brengen, maar op 17 september 1900 kreeg het nieuwe pantserdekschip, na het verlaten van de Rode Zee, opdracht om koers te zetten naar LorenÁo Marques in het huidige Mozambique. Op 12 oktober kwam Hr. Ms. Gelderland aan in LorenÁo Marques en kreeg daar de opdracht van de Nederlandse regering om de president van de Boerenrepubliek Transvaal, S.J. P. Kruger, aan boord te nemen. Hoewel de Nederlandse regering zich officieel neutraal opstelde in de oorlog tussen Groot-BrittanniŽ en de Zuid-Afrikaanse Boerenrepublieken, gaf ze toch, op aandringen van Koningin Wilhelmina, opdracht om President Kruger te evacueren nadat de Britten de overwinning in de 2e Boerenoorlog behaald hadden. Bij aankomst in Nederland was Paul Kruger te gast bij Koningin Wilhelmina in Den Haag. Paul Kruger woonde een aantal jaren in Nederland maar stierf in het Zwitserse kuuroord Clarens op 14 juli 1904, op 79-jarige leeftijd.

Op 11 januari 1919 vond aan boord van Hr. Ms. Gelderland een ketelexplosie plaats tijdens een patrouille voor de Nederlandse kust waarbij twee opvarenden om het leven kwam en negen zwaar gewonden vielen. In Den Helder werd het pantserdekschip daarna in onderhoud genomen waarbij de ketel vervangen werd.

In 1920 werd de Gelderland buiten dienst gesteld en ingericht als artillerie instructieschip. In deze periode werden de torpedobuizen, de torpedokanonnen en de mortieren verwijderd. In datzelfde jaar werd het schip weer in dienst gesteld. Tot 1939 bleef Hr. Ms. Gelderland hoofdzakelijk fungeren als artillerie instructieschip, maar werd ook ingezet als opleidingsschip voor officieren en als stationsschip in Nederlands West-IndiŽ. Gedurende deze periode onderging Hr. Ms. Gelderland regelmatig veranderingen in de bewapening ten behoeve van de artillerie instructie. In 1939 zou de Gelderland vervangen worden door het nieuwe artillerie instructieschip Hr. Ms. Van Kinsbergen en werd in augustus van dat jaar buiten dienst gesteld, ontwapend en opgelegd op de Rijkswerf in Den Helder. De artillerie afkomstig van de Gelderland werd gebruikt in statische kustopstellingen.

Op 14 mei 1940 viel de Gelderland als zodanig in Duitse handen en de bezetter verklaarde het schip in 1941 tot oorlogsbuit. Op last van de Duitsers werd het oude pantserdekschip op de werf van Van der Giessen & Zonen te Krimpen a.d. IJssel verbouwd tot varende luchtdoelbatterij. Het schip werd uitgerust met acht 10,5cm kanonnen en vier 40mm en zestien 20mm mitrailleurs. Het schip werd na de verbouwing uitgerust en gevechtsklaar gemaakt in Elbing, het huidige Poolse Elblag. Hier werd het schip voorzien van twee optische afstandmeters, een doelvolgradar FUMO 213 WŁrzberg D, zoeklichten en een rookinstallatie. Op 1 maart 1944 werd het verbouwde schip als Flakschiff (Flak betekent Flugabwehrkanone) in Duitse dienst gesteld onder de naam Niobe als onderdeel van Marine-Flak-Abteilung 282 (Wilhelmshaven-Schillig) en kreeg 397 bemanningsleden aan boord.

De eerder overwogen inzet om kustkonvooien te beschermen werd gewijzigd in een meer statische operatiesector: het zeegebied tussen het Hela-schiereiland en het vasteland ten noorden van het vanuit de lucht steeds meer bedreigde Danzig, het huidige Poolse Gdansk. Met het westwaarts oprukken van de Sovjets en het opvoeren van de druk op het Finse KareliŽ-front in juni 1944 werd de Niobe naar de Finse Golf gezonden om de havenplaats Kotka te helpen verdedigen tegen Sovjetluchtaanvallen. Al op 16 juli 1944 werd de Niobe ter plaatse tot zinken gebracht door Sovjetgevechtsvliegtuigen. Om 17:40 uur zonk het voormalige Nederlandse pantserdekschip, nog steeds vurend, weg in het ondiepe kustwater bij Kotka. Tijdens het gevecht zouden de Duitsers negen vijandelijke toestellen hebben neergehaald, maar de Sovjetautoriteiten hebben dit altijd ontkend.

In 1953 werd het wrak door de Duitse firma Taucher Beckedorf uit Hamburg gelicht, maar Nederland zag af van de aanspraak op de resten van het schip. Uiteindelijk hebben de Finnen de ex-Gelderland ontmanteld waardoor zij automatisch het recht kregen op de opbrengsten van het schroot.


Hr. Ms. Hertog Hendrik

Technische gegevens

Bouwwerf:Rijkswerf te Amsterdam
Op stapel gezet:3 oktober 1900
Tewatergelaten:7 juni 1902
Indienstgesteld:5 januari 1904
Grootste lengte:96,6 meter
Grootste breedte:15,2 meter
Diepgang:5,7 meter
Waterverplaatsing standaard:4.371 ton
Machine-installatie: 2 x verticale triple expansie stoommachines, 6 x Yarrow ketels
Machinevermogen:6.282 pk
Maximale snelheid:16 knopen
Bunkercapaciteit:830 ton kolen
Actieradius:4.100 zeemijlen bij 10 knopen
Bepantsering:100 tot 150mm gordel-, 120mm dek-, 100mm kanonschild- en 250mm commandotorenbepantsering
Bemanning:437 koppen
Bewapening bij oplevering:2 x 24cm en 4 x 15cm Krupp kanonnen, 10 x 7,5cm en 4 x 3,7cm kanonnen, 2 x 7,5cm mortieren, 3 x 45cm torpedobuizen

In 1904 was het pantserschip Hr. Ms. Hertog Hendrik het eerste Nederlandse oorlogsschip dat uitgerust werd met draadloze telegrafie. Vanaf dat jaar vervulde Hr. Ms. Hertog Hendrik talloze opdrachten in vooral Nederlands Oost-IndiŽ. Vanaf 1927 werd de taak om de vlag te vertonen in de Oost steeds vaker overgenomen door de lichte kruisers van de Java-klasse, Hr. Ms. Java en Hr. Ms. Sumatra, en werd het pantserschip ingezet als stationsschip in Nederlands West-IndiŽ en tijdens korte reizen in Europa. Ook werd het schip regelmatig ingezet als instructieschip voor kanonniers en officieren.

Na het uitbreken van de Spaanse Burgeroorlog in juli 1936 ondervonden Nederlandse koopvaardijschepen regelmatig last van Franco-gezinde nationalistische oorlogsschepen. Als gevolg hiervan kregen de koopvaardijschepen een escorte door de Straat van Gibraltar door schepen van de Koninklijke Marine. Van maart 1937 tot september 1938 werden meer dan 1.500 schepen veilig door het nauwe vaarwater begeleid waarvan het merendeel door Hr. Ms. Hertog Hendrik en de kanonneerboot Hr. Ms. Johan Maurits van Nassau en in mindere mate de mijnenlegger Hr. Ms. Nautilus, de lichte kruiser Hr. Ms. Sumatra en de onderzeeboten Hr. Ms. O 13 en Hr. Ms. O 15.

Halverwege de zomer van 1939 was Hr. Ms. Hertog Hendrik teruggekeerd van een oefenreis naar Nederlands West-IndiŽ en werd buiten dienst gesteld. Het schip zou op de Rijkswerf in Den Helder opgelegd worden. Tijdens de mobilisatie, die in augustus 1939 begon, werd Hr. Ms. Hertog Hendrik weer in dienst gesteld als Hr. Ms. Batterijschip Vliereede. Het oude pantserschip werd verhaald naar de Vliereede waar het schip ten anker ging. Het schip kreeg de opdracht het Stortemelk, het vaarwater tussen Vlieland en Terschelling, te beschermen als een eventuele vijand het aldaar gelegde mijnenveld zou willen ruimen. Hr. Ms. Vliereede bleef tot 4 november 1939 ter plaatse. Toen had een batterij van drie 15cm kanonnen, afkomstig van het batterijschip, op de kust van Vlieland de taak van het oude schip overgenomen. Daarna werd het pantserschip naar de Rijkswerf verhaald om te worden ingericht als logementschip voor adelborsten omdat hun slaapgelegenheid op het Koninklijk Instituut voor de Marine (KIM) werd ingericht als hulphospitaal.

Op 14 mei 1940 viel de ex-Hertog Hendrik in Duitse handen nadat het schip door sabotage gedeeltelijk gezonken was in het ondiepe water voor het KIM. Op 21 en 22 juni werd het schip verder beschadigd bij een luchtaanval van de Royal Air Force (RAF). In oktober 1940 werd het schip op last van de bezetter gelicht en overgebracht naar Antwerpen om te worden verbouwd tot Flakschiff. Het schip werd uitgerust met acht 10,5cm kanonnen, vier 40mm en zestien 20mm mitrailleurs, twee optische afstandmeters en een WŁrzberg radar en in 1943 in Duitse dienst gesteld als Ariadne.

In mei 1945 werd het verbouwde schip teruggevonden in Wilhelmshaven en overgedragen aan Nederland. Het oude schip werd op de werf van Wilton-Fijenoord te Schiedam verbouwd tot logementsschip en als zodanig op 21 oktober 1947 in dienst gesteld onder haar oude naam Hr. Ms. Hertog Hendrik. Als drijvend onderkomen deed zij eerst dienst in Amsterdam en later in Den Helder. Op 27 september 1968 werd de Hertog Hendrik voor de laatste maal buiten dienst gesteld en op 28 augustus 1972 definitief van de sterkte afgevoerd en voor sloop verkocht.


Hr. Ms. Jacob van Heemskerck

Technische gegevens

Bouwwerf:Rijkswerf te Amsterdam
Op stapel gezet:15 augustus 1905
Tewatergelaten:22 september 1906
Indienstgesteld:22 april 1908
Grootste lengte:98 meter
Grootste breedte:15,2 meter
Diepgang:5,7 meter
Waterverplaatsing standaard:4.920 ton
Machine-installatie: 2 x verticale triple expansie stoommachines, 6 x Yarrow ketels
Machinevermogen:6.400 pk
Maximale snelheid:16 knopen
Bunkercapaciteit:610 ton kolen
Actieradius:3.300 zeemijlen bij 10 knopen
Bepantsering:100 tot 152mm gordel-, 51mm dek-, 197mm kanonschild- en 194mm commandotorenbepantsering
Bemanning:351 koppen
Bewapening bij oplevering:2 x 24cm, 6 x 15cm, 6 x 7,5cm en 4 x 3,7cm kanonnen

Hr. Ms. pantserschip Jacob van Heemskerck werd speciaal gebouwd voor de dienst in Nederlands West-IndiŽ en is daadwerkelijk nooit in Nederlands Oost-IndiŽ geweest. Tot 1939 werd het pantserschip vooral ingezet als stationsschip in Paramaribo en om de vlag te vertonen in de CaraÔben. Het pantserschip werd echter ook ingezet voor oefeningen en vlagvertoon op de Atlantische Oceaan, de Oostzee en de Middellandse Zee. Op 19 april 1939 werd het verouderde pantserschip ontdaan van haar machines en ingezet als drijvend geschutsplatform in IJmuiden als Hr. Ms. Batterijschip IJmuiden. De bemanning bracht het schip op 14 mei 1940 tot zinken om te voorkomen dat het in Duitse handen zou vallen. Het wrak werd op last van de bezetter op 16 juli van datzelfde jaar gelicht en acht dagen later naar Amsterdam gesleept waar het werd hersteld.

In maart 1941 werd de ex-Jacob van Heemskerck naar Kiel gesleept en op de werf Howaldtswerke omgebouwd tot drijvende luchtdoelbatterij of Flakschiff. Er werden acht kanonnen van 10,5cm en vier van 3,7cm aan boord geplaatst alsmede zestien 20mm mitrailleurs. Verder kreeg het schip de beschikking over twee optische afstandmeters en een WŁrzberg radar. Omdat het schip niet meer over machines beschikte werd er een generator aan boord geplaats die voor de benodigde elektriciteit kon zorgen. In september 1943 werd het ex-pantserschip in Duitse dienst gesteld als Undine. Het schip werd naar PeenemŁnde gesleept om het daar aanwezige onderzoekcentrum voor V-wapens te beschermen tegen luchtaanvallen.

Na de oorlog werd de ex-Jacob van Heemskerck teruggevonden in Wilhelmshaven en overgedragen aan Nederland. Op de Rijkswerf in Amsterdam werd het casco vervolgens verbouwd tot logementsschip. Er werd een groot dekhuis op het schip gebouwd dat in de toekomst 800 marinemensen in opleiding zou moeten kunnen onderbrengen. In de lege machinekamers en ketelruimtes werden generatoren en installaties voor luchtverversing geplaatst en er werden vele hutten bijgebouwd in de ruimtes waar voorheen munitie en voorraden opgeslagen werden. Op 23 februari 1948 kwam het schip in dienst als Hr. Ms. Neptunus en zou tot 1974 voor het KIM afgemeerd blijven liggen ter huisvesting van adelborsten en stafleden van het KIM. Met de ingebruikneming van het legeringsgebouw Neptunus achter het KIM in 1974 werd het logementsschip, dat inmiddels in een zeer slechte staat verkeerde, overbodig en op 13 september van dat jaar werd Hr. Ms. Neptunus definitief buiten dienst gesteld. Op 11 mei 1975 werd het afgedankte schip voor sloop verkocht.


Besluit

Doordat Hr. Ms. Hertog Hendrik en Hr. Ms. Neptunus pas in de jaren `70 van de twintigste eeuw buiten dienst gesteld werden, viel het doek voor de Nederlandse pantserschepen pas na 80 jaar ondanks dat de schepen in 1906, nog voordat sommige van hen in dienst kwamen, al verouderd waren. In 1906 werd namelijk HMS Dreadnought in dienst gesteld, een Brits slagschip van 18.000 ton met tien 30,5cm kanonnen dat ook nog eens 21 knopen kon varen. HMS Dreadnought werd dť trendsetter op het gebied van slagschepen. De trend werd zo duidelijk gezet dat er vanaf 1906 wereldwijd gesproken werd van een pre-dreadnought periode. Bovendien werden alle slagschepen die na 1906 ergens ter wereld in de vaart kwamen en voldeden aan de specificaties van HMS Dreadnought eenvoudigweg dreadnoughts genoemd. Slagschepen die veel ruimere specificaties kregen, zoals een grotere waterverplaatsing of een nog groter kaliber kanonnen, heetten voortaan superdreadnoughts. Alle pantserschepen, slagschepen, slagkruisers, kruisers en pantserdekschepen ter wereld die dus voor de verschijning van HMS Dreadnought ontworpen waren, waren in ťťn klap verouderd.

Dat er verschillende pantserschepen en pantserdekschepen toch zo lang in dienst zijn gebleven van de Koninklijke Marine kan worden toegeschreven aan een puur gebrek aan capaciteit. Dit gebrek aan schepen kan niet worden toegeschreven aan het feit dat Nederland geen geld had om bijvoorbeeld dreadnoughts te bouwen, maar was een rechtstreeks gevolg van het vasthouden aan de neutraliteitspolitiek van Nederland en compromissen waartoe de Nederlandse regering jarenlang besloot om de vloot zo klein mogelijk en dus zo goedkoop mogelijk te houden.


Bronnen

Boeken


Versie: 24-3-2017 Artikel door: Peter Kimenai

Deze website is een initiatief van STIWOT (Stichting Informatie Wereldoorlog Twee) Alle rechten voorbehouden © 2002--2017
Directe link: http://www.go2war2.nl/artikel/2625/Nederlandse-pantser--en-pantserdekschepen.htm